WeRead Powered by ReaderPub
De Abbé Constantijn cover

De Abbé Constantijn

Chapter 6: IV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A devoted village priest confronts the imminent sale and division of a long-held country estate that has shaped parish life, recalling his thirty-year attachment to the land and its benefactress. The narrative traces how the estate's fate reverberates through the village, affects friendships, and unravels the circumstances of the heirs, exposing social vulnerability and financial strain. Through episodes of charity, domestic detail, and communal rituals, the work explores loyalty, humility, and human kindness amid social change. The tone mixes gentle sentiment and light humor while portraying rural community bonds and moral resilience.

IV.

Den volgenden morgen, om half zes steeg Jean te paard, om zich aan het hoofd zijner compagnie te stellen. Jean had zijn beroep lief; hij hield gewoonlijk nauwkeurig toezicht op het aanspannen en het optuigen der paarden en de uitrusting en de houding van zijne manschappen, maar op dezen morgen gaf hij nauwelijks acht op de kleinigheden die de dienst medebrengt.

Eene raadselachtige vraag hield hem bezig, kwelde hem, deed hem weifelen; en dit raadsel behoorde tot diegenen, waarvan men de oplossing niet op de polytechnische school leert.

—Welke van de twee is de mooiste?—Dit was de vraag waarop Jean zich geen antwoord geven kon.

Gedurende de eerste oefeningen in het artilleriepark, werkt elke batterij voor zich zelf, onder het kommando van den kapitein; maar dikwijls staat deze ook zijne plaats aan een van zijne luitenants af, om dezen aan de uitvoering van de zes veldstukken te doen gewennen. Juist op dien dag werd het kommando aan Jean overgegeven. Tot groote verwondering van den kapitein, die zijnen luitenant voor zeer bekwaam hield, ging alles mis. Jean wees eenige verkeerde bewegingen aan; hij wist de afstanden niet te handhaven, nog te herstellen; verscheidene malen kwam het gespan in botsing. De kapitein moest tusschenbeide komen; hij diende Jean eene berisping toe, die met deze woorden eindigde:

—Ik begrijp er niets van. Wat bezielt je van morgen? Het is de eerste keer dat je dit overkomt.

Het was ook de eerste keer, dat Jean op het exercitieveld iets anders voor oogen had, dan zijne kanonnen en zijne manschappen. Jean zag niet de 2e batterij van het 9e regiment rijdende artillerie, maar de gezichtjes van twee Amerikaanschen met zwarte oogen en gouden lokken; en terwijl hij eerbiedig de rechtvaardige aanmaning van zijnen kapitein aanhoorde, zeide Jean tot zich zelve:

—De mooiste is mevrouw Scott! Miss Percival is nog een kind. Hij zag zich weder in de kerk terug. Zij lag daar geknield voor hem, op haren bidstoel, haar mooi hoofdje in hare kleine handjes verborgen. Toen hoorde men de tonen van het orgel, en in de verte kon Jean het fijne figuurtje van Bettina onderscheiden.

Een kind? Was het nog een kind?

Terwijl de oefeningen nog steeds voortduurden, kreeg Bettina in de gedachten van Jean langzamerhand de overhand boven mevrouw Scott. Hij zag haar glimlachend, blozend gezichtje tusschen de verwarde krullen die door de zon beschenen werden.

—Ik vergiste mij, zeide Jean tot zich zelve, de mooiste is miss Percival.

De manoeuvres waren afgeloopen. Toen Jean met de sabel in de hand, voorbij de kolonel reed, verwarden en vloeiden de beeltenissen der twee zusters zoo in elkander, dat zij om zoo te zeggen ineen smolten en een en dezelfde persoon uitmaakten. Elke vergelijking werd onmogelijk gemaakt door de verwarring die juist deze vergelijking te weeg bracht.

Zoo bleven voor Jean, mevrouw Scott en miss Percival onafscheidelijk vereenigd, totdat hij het geluk mocht smaken, hen beiden weer te zien. Maar de indruk van deze plotselinge ontmoeting werd niet uitgewischt; zij bleef voortduren, zóó zelfs dat Jean er zich ongerust over maakte.

—Zou ik zoo dwaas geweest zijn, vroeg hij zich zelve af, om op het eerste gezicht razend verliefd te worden? Maar neen, men wordt verliefd op ééne vrouw ... en niet op twee tegelijk.

Dit stelde hem gerust. Hij was nog zeer jong voor zijne vier en twintig jaren. Nooit had de liefde zijn hart geheel beheerscht. De liefde kende hij slechts uit de boeken. En toch was hij geen engel. Hij vond de grisettes uit Souvigny heel aardig; hij maakte hen gaarne het hof; maar, om aan deze korte grillen, die zijn hart nauwelijks sneller deden kloppen, den naam "liefde" te geven, dat kwam niet bij hem op.

Jean had niet veel van de wereld gezien. Hij was misschien met Paul hoogstens twaalfmaal op soirees of op bals geweest. Maar hij kwam er altijd met een vervelend, onaangenaam gevoel vandaan. Deze genoegens deugden niet voor hem. Hij hield van de eenzaamheid, van werken, van boeken, van paarden. Hij was nog altijd een weinig boersch. Hij had zijn dorp lief en alles wat hem aan zijne jeugd herinnerde. Eene quadrille in een salon maakte hem doodsbenauwd, maar elk jaar danste hij lustig rond met de meisjes en de boerinnen uit den omtrek, wanneer zij het feest van hunnen schutspatroon vierden.

Wanneer hij mevrouw Scott of miss Percival bij hun aan huis, te midden hunner schitterende, elegante omgeving ontmoet had, had hij ze zeker uit de verte als een kunstvoorwerp bewonderd, en thuis gekomen, zou hij zoo rustig mogelijk ingeslapen zijn.

Maar dit was niet het geval geweest. Geheel toevallig, had hij de twee vrouwen in eene omgeving ontmoet die hem bekend en lief was. Eenvoudig, goed, oprecht hartelijk, dit was de eerste indruk geweest. Daarenboven waren zij zeer schoon. Jean was geheel betooverd.

Toen hij om negen uur in de kazerne afstapte, begon de abbé Constantijn vroolijk zijne ronde. Sedert den vorigen avond was de oude priester geheel in de wolken. Jean had weinig geslapen, maar hij, de arme pastoor, had in 't geheel niet geslapen.

Hij was heel vroeg opgestaan, en had, nadat alle deuren zorgvuldig gesloten waren, met Pauline zijn geld geteld en weder overgeteld, en het als een gierigaard op de tafel uitgespreid. Voor hem, voor zijne armen. Nadat de mis om negen uur geeindigd was, vertrok hij, en het regende goudstukken op zijnen weg. Allen kregen hun deel. Elke aalmoes ging van hetzelfde gezegde vergezeld:

—Van de nieuwe eigenaars van Longueval, twee Amerikaanschen... Mevrouw Scott en miss Percival. Onthoudt goed hunne namen en bidt voor hen, van avond.

Daarna maakte hij dat hij wegkwam; over velden en wegen, van gehucht tot gehucht, van hut tot hut ging zijnen weg, altijd voort ... altijd voort...

Een soort van bedwelming was hem naar het hoofd gestegen. Overal waar hij ging, gingen kreten van vreugde, van verbazing op. Al deze goudstukken vielen, als door een wonder in die arme handen, die slechts gewend waren kleine zilveren muntstukjes te ontvangen. De pastoor deed zelfs dwaasheden. Hij gaf aan degenen, die niet vroegen; en altijd herhaalde hij zijne lofrede op mevrouw Scott en miss Percival. Om zes uur keerde hij naar huis terug, geheel uitgeput, maar het hart vol vreugde.

—Ik heb alles gegeven! riep hij tegen Pauline, alles, alles!

Hij zette zich aan tafel, en ging daarna zijn avonddienst houden; maar toen hij voor het altaar knielde, bleef het orgel ditmaal zwijgen, miss Percival was er niet meer.

Op dit zelfde oogenblik was de kleine organiste geheel radeloos. In haar boudoir lagen twee japonnen uitgespreid, de eene wit, de andere blauw. Bettina vroeg zich zelve af, welke van de twee zij aan zou doen, om naar de opera te gaan. Zij vond ze beiden beeldig, maar zij kon er slechts één aandoen. Na lang aarzelen, koos zij de witte. Om half tien traden de twee zusters hunne loge binnen. Het ballet uit Aïda was juist begonnen. Twee jongelui Roger de Puymartin en Louis de Martillet, waren in eene loge der baignoires gezeten. De komst van miss Percival maakte op beiden een grooten indruk.

—Kijk, kijk! zeide Puymartin, daar is de kleine goudmijn!

Beide richtten hunne kijkers op Bettina.

—De kleine goudmijn ziet er vanavond prachtig uit, zeide Martillet. Kijk eens—die hals—die armen.—Jong meisje en toch reeds vrouw.

—Ja, zij is bekoorlijk ... en vijftien millioen op den koop toe.

—Neen, vijf en twintig millioen! Een aardig sommetje voor Romanelli!

—Voor Romanelli?

—Nu, men zegt immers dat hij met haar trouwt, dat het huwelijk vastgesteld is.

Zij hielden met spreken op.

Mevrouw Scott volgde met zeer veel genoegen de verschillende bewegingen van het ballet; maar Bettina was plotseling stil geworden toen zij in een der loges een lang, jong mensch zag zitten.

Miss Percival zeide tot zich zelve:

—Wat te doen? Wat te beslissen? Moet ik met dien grooten jongen trouwen, die daar over mij zit? Straks zal hij wel bij mij komen, en ik heb slechts te zeggen: "Ja, hier is mijne hand... Ik zal je vrouw worden." En het is gedaan! Prinses! Prinses Romanelli!

Bettina Romanelli! Dat klinkt heel goed, heel aangenaam: "mevrouw de prinses is juist thuis gekomen... Zal mevrouw de prinses morgen paardrijden?... Zou ik het prettig vinden prinses te zijn?... Ja en neen. Van àl de jongelui, die mij nu sedert een jaar om mijn geld naloopen, is prins Romanelli nog de beste... Ik zal toch wel eens moeten trouwen... Ik geloof dat hij van mij houdt... Ja, maar ik, houd ik van hem? Neen, ik geloof niet ... en ik zou zoo gaarne willen beminnen!... O, ja, zoo gaarne beminnen!..."

Op hetzelfde oogenblik dat deze gedachten het aardige hoofdje van Bettina bezighielden, zat Jean alleen in zijn studeervertrek, met een groot boek voor zich. Hij moest met de onderofficieren van zijn regiment eenen cursus volgen, en bereidde zich tot de volgende les voor.

Maar plotseling ontdekte hij te midden van zijne getallen: Nordlingen, 1642; Mulhausen en Turckheim, 1674-1675, eene schets... Jean teekende niet slecht. De beeltenis van eene vrouw was uit zijne pen gevloeid. Wat deed zij daar, te midden der overwinningen van Turenne? En welke was het? mevrouw Scott of miss Percival? Zij geleken zoo sprekend op elkander!... En weder boog Jean zich met veel moeite en inspanning over zijn werk. En weder op hetzelfde oogenblik smeekte de abbé Constantijn, voor zijne legerstede geknield, met geheel zijn hart de zegeningen des hemels voor de twee vrouwen af, die hem zulk eenen aangenamen en gelukkigen dag bereid hadden. Hij bad God, mevrouw Scott en hare kinderen te zegenen en aan miss Percival den man harer keuze te geven.