WeRead Powered by ReaderPub
De Abbé Constantijn cover

De Abbé Constantijn

Chapter 9: VII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A devoted village priest confronts the imminent sale and division of a long-held country estate that has shaped parish life, recalling his thirty-year attachment to the land and its benefactress. The narrative traces how the estate's fate reverberates through the village, affects friendships, and unravels the circumstances of the heirs, exposing social vulnerability and financial strain. Through episodes of charity, domestic detail, and communal rituals, the work explores loyalty, humility, and human kindness amid social change. The tone mixes gentle sentiment and light humor while portraying rural community bonds and moral resilience.

VII.

Den volgenden morgen toen de schietoefeningen afgeloopen waren, wachtte Paul de Lavardens, Jean op. Hij liet hem nauwelijks tijd om van zijn paard te stijgen ... en begon reeds dadelijk:

—Hoe is het diner gisteren afgeloopen. Ik heb ze 's morgens gezien. Ik heb ze gegroet. Hebben ze mij herkend? Wanneer breng je mij naar Longueval? Maar antwoord toch, geef antwoord!

—Antwoorden, antwoorden!—Op welke vraag?

—Wanneer breng je mij naar Longueval.

—Over een dag of twaalf. Zij willen op dit oogenblik niemand zien.

—Dus ga je eerst over een dag of twaalf weer naar Longueval?

—O, ik! ik ga er van daag weder heen. Maar ik tel niet. Jean Reynaud, het peetekind van den pastoor! ik kom onder bescherming en waarborg der kerk... En daarenboven, ik kan als gids dienst doen, ik ken het land... In een woord, ik ben niemand, terwijl jij, graaf Paul de Lavardens, iemand bent! Wees dus maar niet bang, jou beurt komt met de feesten en de bals, wanneer men moet schitteren en dansen. Dan trek ik mij in de vergetelheid terug.

—Ja, spot maar zoo veel je wilt... Het is toch maar waar, dat je in die tien dagen een voorsprong zult winnen!...

—Hoe zoo? een voorsprong?

—Kom Jean, wil je mij nu werkelijk doen gelooven, dat je al niet reeds verliefd op een van de twee vrouwen bent? Hoe is het mogelijk, zooveel schoonheid! zooveel weelde! En dan die kleine ... Bettina ... is het niet?

—Ja, Bettina.

—Bettina! ... gravin Bettina de Lavardens. Klinkt het niet aardig! En wat een ideaal van een mannetje zou zij aan mij hebben! Het is mijn voorland om de man van eene schatrijke vrouw te zijn! Dat is niet zoo gemakkelijk als men denkt! Men moet rijk kunnen zijn, en dat talent bezit ik. Ik heb al wat geld opgemaakt—en wanneer mama mij niet tegengehouden had!... Maar ik ben bereid, om dadelijk weer te beginnen. Wat zou zij gelukkig zijn! Ik zou ze niet alleen beminnen, maar ik zou het haar aangenaam maken... Kom Jean, wees eens goed; breng mij van daag bij mevrouw Scott.

—Ik verzeker je, ik kan niet.

—Nu, dan in tien dagen; maar dan waarschuw ik je, ik ga naar Longueval, en kom er niet meer vandaan. Maar dan hoop ik, dat je tegen dien tijd zoo vriendelijk zult zijn, om mij te waarschuwen ... welke van de twee je aan mij overlaat: mevrouw Scott of miss Percival.

—Je bent gek. Ik denk er niet aan, en zal er niet aan denken...

—Hoor eens Jean, je hebt de wijsheid in pacht; maar je hebt mooi zeggen en mooi praten—luister naar hetgeen ik zeg: Jean, je zult in dat huis verliefd worden.

—Ik geloof van niet, antwoordde Jean lachend.

—Ik ben er echter zeker van... Tot ziens.

Jean was dien morgen volkomen oprecht. Hij had den vorigen nacht uitstekend geslapen. Bij het tweede bezoek aan de zusters, was de onrust die zijne ziel beheerschte, als weggevaagd. Er was te veel geld, als dat de liefde van een armen drommel zooals hij, daar eerlijk plaats zou kunnen vinden.

Vriendschap, dat was iets anders. Met hart en ziel wenschte hij, en met alle macht zou hij trachten de achting en de toegenegenheid dezer twee vrouwen te winnen. Hij zou zijn best doen, om de schoonheid van Suzie en Bettina niet te veel optemerken. Men had hem oprecht, hartelijk gezegd: "Gij zult onze vriend zijn." Hij wenschte niets anders! En hij zou het zijn!

Gedurende de tien dagen die nu volgden, scheen alles tot het welslagen van deze onderneming mede te werken. Suzie, Bettina, de abbé en Jean brachten den tijd in de vertrouwelijkste gemeenzaamheid door. In den morgen maakten de zusters groote rijtoeren met den pastoor; en in den middag gingen zij met Jean paardrijden.

Jean gaf zich geen rekenschap van zijne gevoelens. Hij was volkomen gelukkig, volkomen gerust. Dus, hij was niet verliefd, want liefde en kalmte gaan zelden samen in het menschenhart.

Toch zag hij met spijt en innig leedwezen den dag te gemoet, dien de Turners, de Nortons, en het geheele Amerikaansche gezelschap naar Longueval zou brengen. Deze dag naderde met rassche schreden.

Jean kwam Vrijdag den 24en Juni, om vier uur op het kasteel. Bettina ontving hem zeer verdrietig.

—Wat treft het ongelukkig! zeide zij, mijne zuster is ongesteld. Zij heeft wat hoofdpijn. Het zal morgen wel over zijn; maar nu durf ik niet met u alleen uit rijden te gaan. In Amerika zou het kunnen; maar hier, neen, niet waar?

Zeer zeker niet, antwoordde Jean.

—Nu ben ik wel genoodzaakt om u weg te sturen, en dat spijt mij.

—Het spijt mij ook, want nu zal ik den laatsten avond niet bij u kunnen zijn. Maar daar het moet!...

Maar u behoeft toch zoo gauw nog niet weg? Ik moet u spreken. Zet u daar neder—en luister goed naar mij. Wij hadden afgesproken, mijne zuster en ik, om na den eten eene kleine toespraak te houden; zij had u dan datgene gezegd, wat ik nu uit naam van ons beiden, zal trachten te zeggen. Lach niet, het is zeer ernstig. Wij wilden u beiden hartelijk dank zeggen, dat gij sedert onze komst zoo vriendelijk, zoo goed, zoo hartelijk, zoo...

—O! mejuffrouw, wat ik u bidden mag, het is aan mij...

—Val mij niet in de rede ... dan raak ik verward. Dan weet ik niet meer waar ik ben... Trouwens, ik houd vol, dat wij u moeten bedanken, niet u ons. Wij kwamen hier als vreemden, en wij hebben dadelijk vrienden gevonden—ja, vrienden. Gij hebt ons overal heengebracht ... en overal houdt men zoo veel van u, dat men van den weeromstuit, ook van ons is gaan houden.—Men aanbidt u in deze streek, weet u dat?

—Ik ben er geboren... Al die goede lieden kennen mij van mijne jeugd af, en zijn dankbaar voor hetgeen mijn grootvader en mijn vader voor hen gedaan hebben. En dan ... ik ben van het zelfde geslacht. Mijn overgrootvader was een landbouwer uit Bargecourt, een dorp, twee mijlen van hier.

—En gij zijt er trotsch op!

—Noch trotsch, noch vernederd.

—Vergeef mij ... gij maaktet eene trotsche beweging! Welnu, ik zal u dan ook vertellen, dat de overgrootvader van moederszijde, eene boerderij in Bretagne had. Hij is naar Canada gegaan, aan het einde der vorige eeuw, toen Canada nog Fransch was... En gij houdt veel van dit land, waar gij geboren zijt?

—Zeer veel. Ik zal het misschien spoedig moeten verlaten.

—Waarom?

—Wanneer ik bevorderd word, zal men mij naar een ander regiment overplaatsen, en dan zal ik van garnizoen, naar garnizoen trekken... Maar wanneer ik een oude gepensioneerde kolonel of overste ben, zal ik zeker hier terugkomen om in het huisje van mijn vader te sterven.

—Altijd alleen?

—Waarom alleen?—Ik hoop van niet.

—Zijt gij van plan te trouwen?

—Ja, zeker.

—En gij maakt er werk van?

—Neen, men kan aan trouwen denken, maar er geen werk van maken.

—En toch zijn er menschen die dit doen ... dat verzeker ik u ... en zelfs gij, men heeft u uit willen huwelijken.

—Hoe weet u dat?

—O, ik weet al uwe aangelegenheden! U is, wat men noemt—eene goede partij ... en men heeft u willen uithuwelijken.

—Wie heeft u dat gezegd?

—Mijnheer de pastoor.

—Dat was verkeerd van mijn peetoom, zeide Jean haastig.

—Neen, neen, volstrekt niet. Wanneer iemand schuld heeft, dan ben ik het, en schuldig uit hartelijkheid, niet uit nieuwsgierigheid. Ik heb opgemerkt, dat uw peetoom nooit gelukkiger is, dan dat hij over u spreekt; daarom spreek ik, wanneer wij 's morgens alleen zijn, over u, en dan vertelt hij mij uwe geschiedenis. Gij zijt welgesteld.—Gij krijgt van het gouvernement twee honderd dertien francs in de maand... Is het zoo niet?

—Ja, zeide Jean, die zich voornam om de onbescheidenheid van den pastoor niet kwalijk te nemen.

—Gij hebt acht duizend francs rente.

—Ten naaste bij, niet geheel.

—Voeg daar uw huis bij, dat een dertig duizend francs waard is. Dan bent u welgesteld, en men heeft reeds om uwe hand gevraagd.

—Om mijne hand gevraagd?—Neen! Neen!

—Zeker, zeker! Twee maal ... en gij hebt twee zeer goede huwelijken afgeslagen. Zeg mij waarom? Gij moest eens weten hoe nieuwsgierig ik ben.

—Wel, het waren twee allerliefste meisjes...

—Dat spreekt van zelfs? dat zegt men altijd.

—Maar die ik nauwelijks kende. Men heeft mij gedwongen,—want ik stribbelde tegen,—men heeft mij gedwongen, om met haar op twee of drie partijen te komen, verleden winter.

—En toen?

—Toen, ik weet niet goed, hoe ik het u zal uitleggen, toen voelde ik geen verlegenheid, geen aandoening, geen vrees, geen onrust.

—In een woord, zeide Bettina vastberaden, niet de minste zweem van liefde.

—Neen, niet de minste ... en ik ben kalmpjes naar huis gegaan; want ik vind, dat het beter is in 't geheel niet te trouwen, dan zonder liefde te trouwen.

—En dat vind ik ook.

Zij keek hem aan. Hij keek haar aan; en tot hunne groote verbazing, wisten zij niets meer tegen elkander te zeggen, niets meer. Gelukkigerwijze kwamen Harry en Bella, op dit oogenblik naar binnen stormen.

—Mijnheer Jean! mijnheer Jean is u er! Ga mee naar onze hitjes kijken.

—Edwards is van Parijs teruggekomen, zeide Bettina op eenigszins onzekeren toon, en hij heeft voor de kinderen miniatuur-paardjes medegebracht. Zullen wij ze gaan zien?

Men ging naar de paardjes kijken, die werkelijk waard waren, om in de stallen van den koning der Lilliputters eene plaats te vinden.