„Daarvoor hoeven we niet uit de kamer te gaan,” zei Noah, terwijl hij allengs zijn beenen weer uitstrekte. „Zij kan in die tijd de bagage boven brengen. Charlotte, zorg voor de pakken!”
Dit bevel, dat met groote majesteit werd gegeven, werd zonder de minste tegenwerping gehoorzaamd; Charlotte sjouwde de pakken weg, terwijl Noah de deur voor haar openhield.
„Ik heb haar goed onder den duim hè?” vroeg hij, op den toon van een dierentemmer, die een of ander wild dier getemd heeft, en ging weer zitten.
„Prachtig!” stemde Fagin toe, en klopte hem op den schouder. „U bent 'n geniale kerel!”
„Ja, als ik dat niet was, was ik nou niet hier,” antwoordde Noah. „Maar als u de tijd verloren laat gaan, komt ze terug.”
„Nou, wat denkt u ervan?” vroeg Fagin. „Als u 't met mijn vriend kon vinden.... zou het dan niet 't best zijn, u bij hem aan te sluiten?”
„Als hij goeie zaken doet, daar komt het opan!” antwoordde Noah met een van zijn oogjes knippend.
„Het neusje van de zalm,” zei Fagin; „hij heeft een massa handen in zijn dienst en de beste lui van 't vak om hem heen.”
„Allemaal uit de stad?” vroeg Claypole.
„Geen één buitenman en ik geloof niet, dat hij u aan zou nemen, zelfs op mijn aanbeveling, als hij niet juist gebrek had aan helpers,” hernam Fagin.
„Moet ik dokken?” vroeg Noah met de hand in zijn broekzak.
„Anders zal het moeilijk gaan,” antwoordde Fagin beslist.
„Twintig pond,—nou 't is 'n heel stuk geld!”
„Niet, als 't 'n biljet is, dat je niet kwijt kunt raken,” wierp Fagin tegen. „Nummer en datum bekend, zeker? En de bank gewaarschuwd om 't niet aan te nemen. Och nee! 't is voor hem niet veel waard. Hij zal 't weer aan anderen moeten geven en er veel op verliezen.”
„Wanneer kan ik hem spreken?” vroeg Noah weifelend.
„Morgenochtend.”
„Waar?”
„Hier.”
„Hm,” zei Noah. „Wat verdien ik er mee?”
„'n Heerenleven—kost en inwoning, pijpen en borrels vrij—de helft van alles wat je verdient en de helft van alles wat de vrouw verdient,” antwoordde Fagin.
Of Noah Claypole, die niet weinig hebzuchtig was—zelfs op dit schitterende aanbod zou zijn ingegaan, wanneer hij geheel vrij man was, is zeer twijfelachtig, doch daar hij bedacht, dat zijn nieuwe kennis 't ingeval van weigering in zijn macht had, hem onmiddellijk aan de justitie over te leveren, (zulke onwaarschijnlijke dingen zijn meer gebeurd) gaf hij langzamerhand toe en zei hoe hij wel dacht, dat 't iets voor hem zijn zou.
„Maar ziet u,” merkte Noah op, „de meid kan 't meeste werk doen, ik zou graag wat licht werk doen.”
„Zoo'n beetje „liefhebberij-werk?”” gaf Fagin aan.
„Ja! zoo iets,” antwoordde Noah. „Wat zou 't best voor me zijn, denkt u? Iets, dat niet te veel inspanning vraagt en niet erg gevaarlijk is, ziet u. Zoo iets meen ik!”
„Ik hoorde je iets noemen als 't bespionneeren van de anderen,” zei Fagin. „Mijn vriend heeft juist groote behoefte aan iemand, die dat goed doet.”
„Ja, daar heb ik wel van gesproken, en ik zou er niet tegen hebben, me daar somtijds voor te laten gebruiken,” zei Mr. Claypole langzaam, „maar 't is geen werk dat wat oplevert.”
„Dat 's waar!” gaf de Jood toe, terwijl hij nadacht of scheen na te denken. „Nee, dat gaat niet.”
„Wat denkt u dan?” vroeg Noah, en keek hem verlangend aan. „Iets sluiperigs, dat vast werk geeft en niet meer gevaar dan of je thuis bent.”
„Wat denk je van de oude dames?” vroeg Fagin. „Der is heel wat geld te maken door hun tasschen en zakken te gappen en de hoek om te hollen.”
„Gillen ze niet verschrikkelijk en krabben ze soms niet?” vroeg Noah hoofdschuddend. „Ik geloof niet, dat dat iets voor mij is. Is er niets anders te vinden?”
„Wacht!” zei Fagin met zijn hand op Noah's knie. „De kuikens!”
„Wat's dat?” vroeg Mr. Claypole.
„Dat zijn de kleine kinderen, die door hun moeders worden uitgestuurd om een boodschap te doen met sixpences en shillings; de kunst is, hun 't geld af te nemen—ze houden 't altijd klaar in hun handen—ze dan in een goot te smijten en heel langzaam weg te gaan, alsof er niets anders gebeurd is dan een kind dat valt en zich pijn doet. Ha! ha! ha!”
„Ha! ha!” brulde Mr. Claypole, van opwinding met zijn beenen trampelend, „God! dat is wat voor me!”
„Natuurlijk,” hernam Fagin, „je kan daar een goeie slag mee slaan in de buurt van Camden Town en Battle Bridge en in zulke buurten, waar altijd kinderen boodschappen gaan doen; je kan daar op elk uur van den dag zooveel kuikens omsmijten als je wil. Ha! ha! ha!”
Fagin gaf Claypole een stomp in de zijde en ze barstten beiden in een luid, langdurig gelach uit.
„'t Is in orde!” zei Noah, toen hij weer tot bedaren was gekomen en Charlotte binnen was. „Hoe laat zullen we zeggen morgen?”
„Is tien uur goed?” vroeg Fagin en voegde er, toen Claypole toestemmend knikte, bij: „Welken naam kan ik aan mijn vriend opgeven?”
„Mijnheer Bolter,” zei Noah, die op dit geval was voorbereid. „Mijnheer Morris Bolter. Dit is juffrouw Bolter.”
„Juffrouw Bolter, uw onderdanige dienaar,” zei Fagin en boog met spottende beleefdheid. „Ik hoop binnenkort nader kennis met haar te maken.”
„Hoor je wat die meneer zegt, Charlotte?” donderde Mr. Claypole.
„Jawel Noah, jawel!” antwoordde juffrouw Bolter en stak haar hand uit.
„Ze noemt me Noah; dat is een soort lief bijnaampje,” zei Mr. Morris Bolter, voorheen Claypole, terwijl hij zich tot Fagin wendde. „Begrijpt u?”
„O ja, ik begrijp 't—volkomen,” antwoordde Fagin en ditmaal sprak hij waarheid. „Goeiennacht! Goeiennacht!”
Met vele goede wenschen en groeten ging Fagin heen.
Noah Claypole vroeg de aandacht van zijn lieve vriendin en begon uit te leggen welk aandeel zij zou hebben in de schikking, zoo juist door hem getroffen; hij deed dit met al de zelfbewustheid en meerderheid, die hem niet alleen toekwam als lid van de sterkere sexe, maar ook als een heer, die wist wat het was, zich speciaal er op toe te leggen, in Londen en zijn omtrek kinderen te bestelen.
HOOFDSTUK XLIII.
Waarin wordt verteld, hoe de Slimme Vos er in vloog.
„En dus was u uw eigen vriend?” vroeg Mr. Claypole, anders genaamd Bolter, toen hij tengevolge van de overeenkomst, tusschen hen gesloten, den volgenden dag naar Fagin's woning verhuisd was. „Stommert die ik ben, maar ik dacht 't gisteravond toch al half!”
„Iedereen is zijn eigen vriend, beste jongen,” antwoordde Fagin met zijn innemendsten grijns. „Hij heeft nergens een beteren vriend dan zichzelf.”
„Soms toch niet,” hernam Morris Bolter, terwijl hij het voorkomen aannam van een man, die de wereld kent. „Sommige menschen zijn de eenige vijanden van zichzelf.”
„Geloof dat toch niet,” zei Fagin. „Als een man zijn eigen vijand is, dan is dat, omdat hij te veel zijn eigen vriend is; niet omdat hij om iedereen geeft, behalve om zichzelf. Poe! zoo iets ligt niet in de natuur van een mensch.”
„En als 't er in ligt, dan moest 't niet zoo zijn,” zei Mr. Bolter.
„Dat spreekt vanzelf,” zei Fagin. „Sommige sterrenwichelaars zeggen, dat drie het magische getal is en anderen zeggen zeven. Maar ze zijn 't geen van beiden, geen van beiden, mijn waarde. 't Is nummer één.”
„Ha! ha!” riep Mr. Bolter. „Nummer één voor eeuwig!”
„In een kleine gemeenschap als de onze, beste jongen,” zei Fagin, die het als noodzakelijk beschouwde, de wederzijdsche positie nauwkeurig aan te duiden, „hebben wij een gemeenschappelijk nummer één, dat wil zeggen, je kan jezelf niet als nommer één beschouwen, zonder mij en al de jongelui ook als nommer één te beschouwen.”
„O, duivels!” riep Mr. Bolter uit.
Fagin deed alsof hij dezen uitroep niet hoorde.
„Zie je,” ging hij voort, „wij behooren zoo bij elkaar en hebben zoozeer dezelfde belangen, dat het zoo moet zijn. Bijvoorbeeld, 't is jouw doel te zorgen voor nommer één—voor jezelf dus.”
„Natuurlijk,” antwoordde Mr. Bolter. „Daar heb je gelijk aan.”
„Nou! Je kan niet voor jezelf zorgen als nommer één of je zorgt ook voor mij, nommer één.”
„Nommer twee meen je,” zei Mr. Bolter, die rijkelijk met zelfzucht begiftigd was.
„Nee, dat zeg ik niet!” wierp Fagin tegen. „Ik ben voor jou even belangrijk als jij voor jezelf bent.”
„Nou nou,” viel Mr. Bolter in, „je bent 'n slimmerd en je staat me wel aan; maar we zijn toch nog niet zulke dikke vrienden.”
„Denk maar eens na,” zei Fagin, de schouders ophalend en zijn handen uitstekend, „beschouw de zaak eens goed. Gesteld, je hebt iets gedaan, dat heel mooi is en dat ik prachtig van je vind, maar wat tegelijk je de das aandoet, die das, die zoo makkelijk wordt toegehaald en zoo moeielijk is los te maken, in goed Engelsch: de strop!”
Mr. Bolter bracht zijn hand bij zijn halsdoek, alsof die erg knelde en mompelde iets, wat, naar den toon te oordeelen, als een instemming klonk.
„De galg,” ging Fagin voort—„de galg is een leelijke handwijzer, die wijst naar een heel korten en heel scherpen hoek, waartegen menige flinke kerel op den grooten weg is doodgeloopen. Op den veiligen weg te blijven en dien handwijzer op een afstand te houden, is doel nommer één voor je.”
„Natuurlijk,” antwoordde Mr. Bolter. „Maar waarom praat je over zulke dingen?”
„Alleen om je mijn meening duidelijk te maken,” zei de Jood en trok zijn wenkbrauwen omhoog. „Om je doel te bereiken, hang je van mij af. Om mijn zaakje aan den gang te houden, hang ik van jou af. Het eerste is jouw nommer één, het tweede mijn nommer één. Hoe meer waarde je hecht aan jouw nommer één, hoe beter je voor het mijne moet zorgen; zoo zijn wij eindelijk beland bij wat ik je het eerst zeide—dat de liefde voor nommer één ons allen te zamen houdt, en dit moet doen, of wij gaan met ons allen te gronde.”
„Dat's waar,” stemde Mr. Bolter nadenkend toe. „O, je bent 'n slimme grijskop.”
Mr. Fagin zag tot zijn groote vreugd, dat deze lofspraak op zijn bekwaamheden niet maar een complimentje was, maar dat hij werkelijk in zijn nieuwen leerling het bewustzijn had gewekt van zijn buitengewone sluwheid en dat was bij 't begin van hun kennismaking voor hem van groot belang. Om dezen nuttigen en gewenschten indruk te versterken, liet hij dezen eersten stoot volgen door Noah in bijzonderheden op de hoogte te brengen van de uitgestrektheid en macht van zijn werkzaamheden; hij mengde waarheid en fictie dooreen, zooals het best was voor zijn doel; hij deed dit zoo kunstig, dat het ontzag van Mr. Bolter zichtbaar aangroeide en tegelijk getemperd werd door eenige weldadige angst, waar Fagin bijzonder veel waarde aan hechtte.
„Het is dit wederzijdsche vertrouwen, door ons in elkander gesteld, dat mij troost onder zware verliezen,” zei Fagin. „Gistermorgen werd mijn beste helper van mij weggenomen.”
„U wilt toch niet zeggen, dat hij dood is?” riep Mr. Bolter.
„Neen, neen,” antwoordde Fagin, „zoo erg is 't niet. Zoo erg niet.”
„Dus ik denk, dat hij—”
„Vermist is,” viel Fagin in. „Ja, hij werd vermist.”
„Op een bijzondere manier?” vroeg Bolter.
„O nee,” antwoordde Fagin, „'t was niets bijzonders. Hij werd beschuldigd van pogingen tot zakkenrollerij en ze vonden een zilveren snuifdoos op hem—zijn eigen snuifdoos, want hij snoof zelf en was er dol op. Ze hielden hem vast tot vandaag, want ze dachten den eigenaar uit te zullen vinden. O! hij was vijftig snuifdoozen waard en ik zou graag het geld, dat ze waard zijn, geven, om hem terug te hebben. Je had de Vos moeten kennen, beste jongen; je had de Vos moeten kennen.”
„Ik zal hem leeren kennen, hoop ik; denkt u niet?” zei Mr. Bolter.
„Ik twijfel er aan,” antwoordde Fagin met een zucht. „Als ze geen nieuwe bewijzen tegen hem in handen krijgen wordt het een veroordeeling tot lichte straf en dan hebben we hem over een week of zes terug; maar als ze nieuwe bewijzen hebben, dan wordt 't zand kruien. Ze weten hoe slim hij is; hij wordt 't voor z'n leven. De Vos krijgt niet minder.”
„Wat bedoel je hiermee?” vroeg Mr. Bolter. „Waarom praat je zóó met me; waarom spreek je niet dat ik je kan begrijpen?”
Fagin stond op 't punt de geheimzinnige uitdrukkingen in gewone spreektaal over te brengen, waardoor Mr. Bolter zou vernemen dat die woorden beteekenden: „levenslange deportatie,” toen het gesprek gestoord werd door de komst van jongeheer Bates; hij liep met zijn handen in zijn broekzakken en op zijn gezicht lag een half komieke, half bedroefde uitdrukking.
„'t Is uit, Fagin,” zei Charley, toen hij en de nieuwe gast aan elkaar voorgesteld waren.
„Wat bedoel je?”
„Ze hebben den eigenaar van de snuifdoos uitgevonden; twee of drie zijn ook nog voor den dag gekomen om hem als den dader aan te wijzen en de Vos staat op de lijst voor de zeereis,” antwoordde Bates. „Ik moet een volledig rouwpak hebben, Fagin, en een rouwband om mijn hoed om hem op te zoeken eer hij weggaat. Te denken, dat Jack Dawkins—reuzen-Jack—de Vos—de Slimme Vos—weg zal gaan voor een gemeene snuifdoos van een paar pence! Ik had nooit gedacht, dat hij 't voor minder zou gedaan hebben dan voor een gouden horloge met ketting en cachet. O! waarom heeft hij niet een rijken ouden meneer alles van waarde afgegapt, dan ging hij tenminste weg als een gentleman en niet als een gewone zakkenroller zonder eer of glorie!”
Met deze woorden, die aantoonden hoe hij met zijn ongelukkigen vriend meevoelde, viel Mr. Bates bedroefd en verslagen op den eersten stoel den beste neer.
„Wat praat je, dat hij zonder eer en glorie weggaat?” riep Fagin, en wierp zijn leerling een woedenden blik toe. „Was hij niet altijd de eerste van jullie allen! Is er een onder jullie die ook maar in zijn schaduw kan staan? Nou?”
„Geen één,” antwoordde Bates, met een stem heesch door ontroering, „geen één.”
„Wat praat je dan?” viel Fagin nijdig uit, „en waarom grien je?”
„Omdat 't niet in 't vonnis staat,” zei Charley, die door zijn droefheid om 't lot van zijn vriend al meer en meer overstuur raakte; „omdat 't niet uitkomt in de beschuldiging; omdat niemand ook maar voor de helft zal weten wat hij was. Hoe zal hij geboekt staan in het jaarboek van Newgate? Misschien staat hij er heelemaal niet in. O! jandoppie! jandoppie! wat 'n slag!”
„Ha! ha!” riep Fagin, terwijl hij zijn rechterhand uitstak en zich zóó gichelend tot Mr. Bolter wendde, dat hij er van schudde of hij een beroerte kreeg, „kijk eens aan, hoe trotsch zij op hun vak zijn. Is dat niet mooi?”
Mr. Bolter knikte toestemmend; Fagin bleef het verdriet van Charley Bates gedurende eenige seconden met blijkbare voldoening aankijken, ging toen naar dat jongemensch toe en klopte hem op den schouder.
„Trek 't je maar niet aan, Charley,” zei Fagin troostend, „'t komt uit, 't komt zeker uit. Allemaal zullen ze weten, wat een slimme kerel hij was; hij zal 't zelf aan den dag brengen en zijn vroegere makkers en leermeester geen schande aandoen. En denk es hoe jong hij nog is. Wat een onderscheiding, Charley, om op dien leeftijd al 't land uit gestuurd te worden!”
„Ja, 't is 'n eer, dâ's waar!” zei Charley een beetje getroost.
„Hij zal alles hebben wat hij noodig heeft,” ging de Jood voort. „In de gevangenis zal hij wonen als een heer, Charley. Als een heer! Met zijn biertje elken dag en geld in zijn zak om kruis of munt mee te gooien, als hij 't niet uit kan geven.”
„Zal hij dat heusch hebben?” riep Charley Bates.
„Ja natuurlijk,” antwoordde Fagin, „en om hem te verdedigen nemen we een beroemde ouwe pruik, Charley—die den grootsten mond op kan zetten; en als hij wil, kan hij zichzelf ook nog verdedigen en we lezen het allemaal in de couranten—Slimme Vos—uitbundig gelach—het hof daverde ervan—nou Charley—hè?”
„Ha! ha!” lachte jongeheer Bates, „wat 'n stel zou dat zijn, Fagin! Wat zou de Slimme ze der tusschen nemen!”
„Zou!” riep Fagin. „Hij moèt—hij zàl!”
„Ja natuurlijk,” herhaalde Charley en wreef zich in de handen.
„Ik zie 'm al,” riep de Jood en keek zijn leerling aan.
„Ik ook!” riep Charley Bates. „Ha! ha! ha! ik ook!”
„Ik zie 't allemaal voor me, bij m'n ziel Fagin. Wat 'n mop! Wat 'n heerlijke mop! Al die pruiken die probeeren ernstig te kijken en Jack Dawkins, die ze allemaal net zoo bekend en huiselijk toespreekt of ie de eigen zoon van den rechter was, die een toast slaat na 't diner—ha! ha! ha!”
Mr. Fagin had werkelijk den buitengewonen toestand, waarin zijn jonge vriend verkeerde, in zulk een gunstig licht gesteld, dat Bates, die eerst geneigd was geweest, den Vos eenigszins als slachtoffer te beschouwen, hem nu beschouwde als den voornaamsten speler in een tooneel vol ongewonen en fijnen humor; hij was bepaald verlangend naar het tijdstip, waarop zijn vroegere kameraad zoo'n gunstige gelegenheid zou vinden, zijn gaven te ontplooien.
„We moeten door een of ander middel te weten zien te komen hoe hij voor den dag komt,” zei Fagin. „Laat me eens nadenken.”
„Zal ik gaan?” vroeg Charley.
„Voor niets ter wereld,” antwoordde Fagin. „Ben je zot, jongen, stapelzot, om naar de plek te willen gaan, waar—Nee, Charley, nee. Eén tegelijk te verliezen is genoeg.”
„Je wil toch niet zelf gaan?” vroeg Charley met een spottend lachje.
„Dat zou niet best kunnen,” zei Fagin hoofdschuddend.
„Waarom stuur je dezen nieuwen jongen niet?” vroeg Bates en legde zijn hand op Noah's arm. „Niemand kent hem.”
„Nou, als hij er niet op tegen heeft—” merkte Fagin op.
„Op tegen heeft,” viel Charley in. „Wat zou hij er op tegen kunnen hebben?”
„Niks, je hebt gelijk,” zei Fagin, terwijl hij zich tot Mr. Bolter wendde, „niets.”
„O nee, wat dat betreft, zie je....” merkte Noah op, terwijl hij achterwaarts naar de deur schoof en als een uiting van lichte ontsteltenis zijn hoofd schudde. „Nee nee—dat niet. 't Is mijn afdeeling niet.”
„Wat voor afdeeling heeft hij, Fagin?” vroeg jongeheer Bates en bekeek Noah's slappe figuur met onverholen afkeer. „Der vandoor gaan als er iets verkeerds is en alles mee opeten en drinken als alles goed gaat; is dat zijn vak?”
„'t Gaat jou niet an,” gaf Mr. Bolter terug, „jij kan wel een beetje minder brutaal zijn tegen je superieuren, jongetje, of 't zal je slecht vergaan.”
Deze prachtige bedreiging deed Charley zoo geweldig lachen, dat het een poos duurde, eer Fagin tusschenbeiden kon komen, om aan Mr. Bolter uit te leggen, hoe hij hoegenaamd geen gevaar liep door naar het politie-bureau te gaan; daar, nu er geen gewag was gemaakt van het zaakje waarin hij betrokken was en geen beschrijving van zijn persoon naar de hoofdstad was gezonden, hij hoogstwaarschijnlijk zelfs niet in verdenking stond, in Londen een schuilplaats te hebben gezocht, en dat, als hij zich voldoende vermomde, hij daar even veilig heen kon gaan als naar welke plek ook in Londen, in zoover het juist de laatste plaats was waar men veronderstellen kon, dat hij er uit vrijen wil heen zou gaan.
Ten deele overreed door deze voorstelling van de zaak, maar in veel grootere mate gedreven door zijn angst voor Fagin, stemde Mr. Bolter er ten slotte, hoewel met grooten tegenzin in toe, den tocht te ondernemen. Op Fagin's aanwijzingen verwisselde hij dadelijk zijn eigen kleeding voor een voermanskiel, een fluweelen broek en leeren slobkousen, wat de Jood allemaal bij de hand had. Verder werd hij voorzien van een vilten hoed, rijkelijk gegarneerd met tol-quitanties, en een voermanszweep. Zoo uitgedost moest hij het politiebureau binnenslenteren, als een boer, die op de markt was in Covent Garden, uit nieuwsgierigheid doen kon; en daar hij een onhandige, plompe, ruwe kerel was, zooals voor de rol paste, twijfelde Fagin er niet aan, of hij zou 't er uitstekend afbrengen. Toen deze schikkingen gemaakt waren, werd hij ingelicht omtrent de kenteekenen, waaraan hij den Slimmen Vos kon herkennen en werd door Charley Bates langs donkere kronkelsteegjes tot heel dichtbij Bow Street gebracht. Nadat Charley hem precies had uitgelegd waar het bureau lag en er vele instructies aan toe had gevoegd, hoe hij rechtdoor de gang in moest loopen en als hij op de binnenplaats kwam, de deur ingaan, die naar de trap rechts voerde en dat hij zijn hoed af moest zetten als hij in de kamer kwam, zeide hij hem, verder alleen te gaan en beloofde zijn terugkomst af te wachten op de plaats, waar zij van elkaar waren gegaan.
Noah Claypole of Morris Bolter, naar de lezer wil, volgde stipt de ontvangen aanwijzingen, die, daar Bates de lokaliteit heel goed kende—zoo nauwkeurig waren, dat hij in staat was tot in de tegenwoordigheid van den rechter door te dringen, zonder één enkele vraag te doen of eenigen hinderpaal op zijn weg te ontmoeten. Hij zag zich gestooten en geduwd tusschen een hoop volk, meest vrouwen, die te zamen waren gedrongen in een vuil vuns vertrek; met aan het boveneinde een verhooging, van de overige ruimte afgesloten; links tegen den muur een kooi voor de gevangenen; een hokje voor de getuigen in het midden en een lessenaar voor de overheidspersonen aan den rechterkant; deze laatste ontzagwekkende ruimte was door een beschot aan de oogen van het publiek onttrokken; het was dus aan de verbeeldingskracht van het publiek overgelaten, zich (wanneer men er toe in staat was) de gerechtigheid in haar volle majesteit voor te stellen. In de kooi waren alleen een paar vrouwen, die hun bewonderende vriendinnen toeknikten, terwijl de griffier eenige getuigenissen voorlas aan twee politieagenten en een eenvoudig gekleed man, die over de tafel leunde. Tegen de kooi leunde een gevangenbewaarder, die onophoudelijk met een grooten sleutel tegen zijn neus tikte, behalve wanneer hij een ongepaste neiging tot gesprekvoeren had te onderdrukken bij de toekijkenden, wat hij deed door: „stilte!” te roepen of wanneer hij op strengen toon aan de een of andere vrouw gebood: „Breng dat kind weg!” Dit op een oogenblik als de ernst der gerechtigheid verstoord werd door zwakke kreten, half gesmoord in moeder's omslagdoek, van een of ander mager kind. De kamer rook benauwd en ongezond; de muren waren kleurloos door 't vuil en de zoldering zwart. Op den schoorsteenmantel stond een oud zwartberookt borstbeeld en boven de kooi hing een stoffige klok—het eenige wat hier te loopen scheen zooals het moest; want verdorvenheid of armoede of de voortdurende aanraking met beide had zijn stempel gedrukt op al wat hier leefde, waardoor dit levende er bijna even terugstootend uitzag als de levenlooze voorwerpen, die onder een dikke laag schimmel begraven waren.
Noah keek ingespannen om zich heen naar de Vos; maar ofschoon er verscheidene vrouwen waren, die heel goed voor de moeder of de zuster van die bijzondere persoonlijkheid konden doorgaan, en meer dan één man, die heel sterk op zijn vader kon gelijken, was er niemand te zien, die aan de beschrijving beantwoordde, hem van Mr. Dawkins gegeven. Hij wachtte in een toestand van argwaan en onzekerheid, tot de vrouwen, die tot tewerkstelling veroordeeld waren, vol trots heengestapt waren; toen werd zijn aandacht getrokken door de verschijning van een nieuwen gevangene, die—hij voelde het dadelijk—niemand anders kon zijn dan het doel van zijn bezoek.
Het was werkelijk Mr. Dawkins, die het bureau kwam binnensloffen, de lange jasmouwen als gewoonlijk opgeslagen, zijn linkerhand in zijn zak en zijn hoed in zijn rechterhand; hij liep met niet te beschrijven draaienden tred voor den gevangenbewaarder uit, nam zijn plaats in in het hok en vroeg met luider stem of hij mocht weten, waarom hij hier op zoo'n schandelijke manier werd binnengebracht.
„Hou je mond!” zei de bewaarder.
„Ik ben een Engelschman, nietwaar,” hernam de Vos. „Waar zijn mijn privilegiën?”
„Je zult gauw genoeg privilegiën krijgen,” viel de bewaarder in, „en gepeperde er bij.”
„We zullen zien, wat de Secretaris van Staat voor Binnenlandsche Zaken aan de rechters te zeggen zal hebben, als ik mijn recht niet krijg,” hernam Mr. Dawkins. „Nou! Wat moet er gebeuren? Ik zal dankbaar zijn als de heeren dit zaakje achter elkaar afdoen en me niet ophouden, terwijl zij de krant lezen; ik heb 'n afspraak met 'n meneer in de stad en daar ik een man van m'n woord ben en erg gesteld op preciesheid in zaken, gaat ie weg als ik er niet op tijd ben en 't is best mogelijk, dat ik later geen eisch tot schadevergoeding in kan stellen, omdat ze me te lang hier gehouden hebben. O nee, dat zal niet gaan!”
Toen hij zoo ver gekomen was, eischte de Vos, veinzend bijzonder veel belang te hebben bij zaken die hierna afgedaan moesten worden, van den gevangenbewaarder, dat hij hem de namen „van die twee schobbejakken die op den rechterstoel zaten”, zou noemen; dit vermaakte de toeschouwers zoozeer, dat zij bijna even hartelijk lachten als Charley Bates gedaan zou hebben, wanneer hij de vraag had gehoord.
„Stilte daar!” riep de bewaarder.
„Wat is dat?” vroeg een van de rechters.
„Een zaak van zakkenrollerij, Edelachtbare.”
„Is de jongen hier al meer geweest?”
„Hij had hier al dikwijls moeten zijn,” antwoordde de cipier. „Hij is zoowat overal al geweest. Ik ken hem goed, Edelachtbare.”
„O, ken je me? heusch?” riep de Slimme, terwijl hij de getuigenis opteekende. „Heel goed. Dat's een geval van lasterlijke aantijging.”
Hier volgde een nieuwe lachuitbarsting en een ander bevel van stilte.
„Nu, waar zijn de getuigen?” vroeg de griffier.
„Dat 's in orde,” viel de Vos in. „Waar zijn ze? Ik zou ze wel eens willen zien.”
Deze wensch werd onmiddellijk vervuld, want een politieagent kwam naar voren, die gezien had hoe de gevangene bij een opstootje een aanval deed op den zak van een onbekenden heer en er een zakdoek uit haalde; daar dit een heel oude was, had hij hem er voorzichtig weer ingestoken, na hem op zijn eigen gezicht geprobeerd te hebben. Om deze reden arresteerde hij den Vos, zoodra hij hem bereiken kon en gezegde Vos bleek bij fouilleering een zilveren snuifdoos op zich te hebben met den naam van den eigenaar in het deksel gegraveerd. Met behulp van het adresboek was die eigenaar gevonden en had, daar en daar tegenwoordig, gezworen dat de snuifdoos van hem was en dat hij ze den vorigen dag gemist had, op het oogenblik toen hij zich uit het opstootje, te voren genoemd, had losgemaakt. Hij had ook een jongen gezien in de menigte, die erg zijn best deed weg te komen en die jongen was de gevangene vóór hem.
„Heb je dezen getuige iets te vragen, jongen?” zei de rechter.
„Ik zou mij niet willen verwaardigen met zoo één een woord te wisselen,” antwoordde de Vos.
„Heb je over het geheel iets te zeggen?”
„Hoor je niet dat Zijn Edelachtbare vraagt of je iets te zeggen hebt?” vroeg de cipier en stootte den zwijgenden Vos met zijn elboog aan.
„Neem me niet kwalijk,” zei de Vos met afgetrokken voorkomen opkijkend. „Vroeg u mij iets, beste vriend?”
„Ik heb nog nooit zoo'n doortrapten vagebond gezien, Edelachtbare,” merkte de agent met een grijns op. „Zal je iets zeggen, snotjongen?”
„Neen,” antwoordde de Vos, „hier niet, want dit is niet de winkel waar men gerechtigheid koopt; bovendien luncht mijn gemachtigde vanmorgen bij den vice-president van het Lagerhuis; maar op een andere plaats zullen ik en mijn gemachtigde en een groote en eerbiedwaardige kring van kennissen zooveel te zeggen hebben, dat die schobbejakken dáár zullen wenschen nooit geboren te zijn of zich eer door hun lakeien te hebben laten ophangen aan hun eigen kapstok, dan mij vanochtend veroordeeld te hebben. Ik zal—”
„Genoeg! hij is tot de hoogste straf veroordeeld,” viel de griffier in. „Breng hem weg!”
„Kom,” zei de cipier.
„Bedaar! Ik kom wel,” antwoordde de Vos, terwijl hij zijn hoed met den palm van zijn hand afveegde. „O,” tot de rechters, „'t helpt niet of u angstige oogen opzet; ik zal u geen genade bewijzen, voor geen halve cent. Jullie zult er voor boeten, mooie kereltjes. Ik zou, voor ik weet niet wat, niet in jullie plaats willen zijn! Ik zou niet vrij willen zijn, al vroegen jullie 't mij op je knieën. Hier! breng me naar de gevangenis! Breng me weg!”
Bij deze laatste woorden liet de Vos toe, dat hij bij zijn kraag gepakt en weggebracht werd; tot hij op de binnenplaats was, dreigde hij nog de zaak in het Parlement te zullen brengen; ten slotte lachte hij vroolijk en zelfvoldaan den agent in zijn gezicht uit.
Toen Noah gezien had, hoe de Vos alleen in een kleine cel werd opgesloten, zocht hij zoo gauw mogelijk den weg terug, tot waar hij Charley Bates verlaten had. Na eenigen tijd voegde dit jongemensch zich bij hem; voorzichtigheidshalve had hij zich niet vertoond eer hij vanuit een verborgen schuilplaats de kat uit den boom had gekeken en er zich van overtuigd, dat zijn nieuwe makker niet door een of anderen nieuwsgierige gevolgd werd.
Het tweetal ging haastig naar huis om aan Mr. Fagin het verblijdende nieuws te brengen, dat de Vos zijn opvoeding alle eer had aangedaan en zichzelf een roemrijke reputatie verzekerd.
HOOFDSTUK XLIV.
De tijd breekt voor Nancy aan, om haar belofte aan Rose Maylie te vervullen—het mislukt.
Hoezeer zij ook vertrouwd was met alle kunsten van sluwheid en huichelarij, kon Nancy toch niet geheel en al den indruk verbergen, waarmede het bewustzijn van den gedanen stap haar geest vervulde. Zij bedacht, hoe zoowel de sluwe Jood als de ruwe Sikes haar plannen hadden toevertrouwd, die zij voor alle anderen verborgen hielden en dat in volle overtuiging dat zij te vertrouwen was en buiten alle verdenking. Die plannen waren gemeen, de uitdenkers ervan ellendelingen en haar gevoelens tegenover Fagin vol bitterheid; hij toch had haar van stap tot stap al dieper in een afgrond van misdaad en schande gevoerd, tot geen ontsnapping meer mogelijk was; toch waren er oogenblikken waarin zij zelfs tegenover hem iets als berouw voelde, als het gebeuren mocht dat haar onthullingen hem binnen den ijzeren greep zouden voeren, waaraan hij zoo lang was ontkomen en hij ten laatste door haar hand zou vallen, hoezeer hij zulk een lot ook verdiend had.
Doch dit waren niets dan vluchtige gedachten, die telkens in haar opkwamen, omdat zij niet in staat was zich geheel van oude metgezellen en oude toestanden los te maken, hoezeer zij ook haar denken op één doel richtte en vastbesloten was zich door geen enkele overweging op een dwaalspoor te laten leiden. Haar angst voor het lot van Sikes zou krachtiger aansporing voor haar zijn, terug te gaan nu het nog tijd was; maar zij had bedongen, dat haar geheim stipt bewaard zou blijven, ze had geen enkele leiddraad in handen gegeven, die tot zijn ontdekking kon voeren, zij had zelfs ter wille van hem geweigerd uit alle schuld en ellende, die haar omringde, gered te worden—wat kon zij meer doen! Haar besluit stond vast.
Ofschoon haar innerlijke strijd altijd weer eindigde met dit besluit, kwam die strijd toch telkens terug en liet zijn sporen achter. In enkele dagen werd zij bleek en mager. Dikwijls merkte zij niet op, wat om haar heen gebeurde, of nam geen deel aan gesprekken, waarbij zij vroeger de luidruchtigste zou geweest zijn. Op andere oogenblikken lachte zij zonder vroolijkheid en was druk zonder eenige reden. Dan weer—dikwijls vlak daarop—zat zij stil en neerslachtig met 't hoofd in de handen te peinzen, en de moeite, waarmee zij zich dwong, anders te zijn, getuigde duidelijker dan al de overige teekens van haar innerlijke onrust en hoezeer haar gedachten zich bezig hielden met dingen, geheel verschillend en veraf van die, waar haar metgezellen over spraken.
Het was Zondagavond en de klok van de naastbijzijnde kerk sloeg het uur. Sikes en de Jood spraken samen, maar zwegen een oogenblik om te luisteren. Het meisje keek op van den lagen stoel, waarop zij ineengehurkt zat, en luisterde ook. Elf uur.
„Over 'n uur is 't middernacht,” zei Sikes; hij schoof het luik een eindje op om naar buiten te kijken en ging toen weer naar zijn stoel terug. „Donker en betrokken lucht. 'n Goede nacht voor 't werk.”
„Ja!” antwoordde Fagin. „Wat jammer Bill, beste jongen, dat we niets aan de hand hebben.”
„Voor deze keer heb je gelijk,” zei Bill norsch. „'t Is jammer, want ik heb net goeie zin.”
Fagin zuchtte en schudde treurig 't hoofd.
„We moeten onzen verloren tijd inhalen als wij de zaak weer op gang hebben. Dat 's alles wat ik ervan zeggen kan,” zei Sikes.
„Juist,” viel Fagin in en waagde het, Sikes op den schouder te kloppen. „'t Doet me goed, je dat te hooren zeggen.”
„Zoo.... doet 't jou goed?” riep Sikes. „Nou, laat 't dan gebeuren.”
„Ha! ha! ha!” lachte Fagin, als verlicht door deze belofte. „Vanavond ben je weer de oude, Bill! Heelemaal de oude.”
„Ik voel me niet de oude als je die magere oude klauw op mijn schouder legt; neem die weg,” zei Sikes, de hand van den Jood weggooiend.
„'t Maakt je zenuwachtig. Bill—'t geeft je 'n gevoel of je gesnapt wordt hè?” zei Fagin, die besloten was, niets kwalijk te nemen.
„Ja, of de duivel me te pakken heeft,” bromde Sikes. „Der heeft nog nooit een man bestaan met zoo'n gezicht als jij, of 't moest je vader zijn geweest en ik denk, dat hij zijn grijs-roode baard nu wel schroeit bij 't hellevuur; maar misschien stam je recht van den duivel af zonder vader als tusschenpersoon: dat zou me niets verwonderen.”
Fagin beantwoordde dit compliment niet; hij trok Sikes bij zijn mouw en wees naar Nancy, die gebruik maakte van dit gesprek om haar muts op te zetten en juist de kamer wilde uitgaan.
„Hallo!” riep Sikes. „Nance, waar gaat de tocht heen op dit uur van den nacht.”
„Niet ver.”
„Wat is dat voor een antwoord?” viel Sikes uit. „Waar ga je naar toe?”
„Ik zeg toch niet ver.”
„En ik zeg waar naar toe?” wierp Sikes tegen. „Hoor je niet?”
„Ik weet niet waar naar toe,” antwoordde het meisje.
„Dan weet ik 't,” zei Sikes, meer uit koppigheid dan omdat hij er werkelijk iets op tegen had, dat het meisje gaan zou waarheen ze lust had. „Jij gaat nergens heen. Ga zitten.”
„Ik voel me niet lekker. Dat heb ik je al gezegd,” zei het meisje. „Ik moet een luchtje scheppen.”
„Steek je hoofd uit 't raam,” zei Sikes.
„Dat geeft niet. Ik moet op straat een luchtje scheppen.”
„Dat zal je niet,” antwoordde Sikes. Bij deze woorden stond hij op, sloot de deur, nam den sleutel er uit, trok de muts van haar hoofd en gooide ze boven op een oude kast.
„Daar,” zei de roover. „En blijf nou stilletjes waar je bent, hoor!”
„Een muts zal mij niet tegenhouden,” zei het meisje, bleek wordend. „Wat wil je, Bill? Weet je wat je doet?”
„Weten wat ik—O!” riep Sikes, terwijl hij zich tot Fagin wendde, „ze is gek geworden, anders zou ze dat niet durven zeggen.”
„Je drijft me tot iets wanhopigs,” mompelde het meisje; zij drukte beide handen tegen haar borst als om haar bange ontroering te bedwingen. „Laat me gaan—dadelijk!”
„Nee!” zei Sikes.
„Zeg, dat hij me moet laten gaan, Fagin. Hij moet 't doen. 't Is beter voor hem. Versta je me niet?” riep Nancy en stampte met haar voet op den grond.
„Je verstaan!” herhaalde Sikes en keerde zich in zijn stoel om, om haar aan te kijken. „Jawel! En als ik je nog een halve minuut verstaan moet, zal de hond die schreeuwstem wel uit je keel halen. Wat mankeert je, slet? Wat is er?”
„Laat me gaan,” zei Nancy met diepen ernst; ze ging op den grond voor de deur zitten en zeide: „Bill, laat me gaan; je weet niet, wat je doet. Heusch, je weet 't niet. Eén uurtje maar—toe!”
„Je mag m'n beenen één voor één breken,” riep Sikes, haar ruw bij den arm grijpend, „als ik niet geloof, dat de meid stapelgek is geworden. Sta op!”
„Niet vóór je mij gaan laat—niet vóór je mij gaan laat; nooit—nooit!” schreeuwde het meisje. Sikes bleef een minuut lang naar haar kijken; toen hij zijn kans schoon zag, greep hij haar handen vast als in boeien en sleepte haar al worstelend en wringend naar een klein kamertje er naast; hier ging hij op een bank zitten, drukte haar in een stoel en hield haar met kracht neer. Zij worstelde en smeekte om beurten, tot de klok twaalf had geslagen; toen, moe en uitgeput, roerde zij het punt niet meer aan. Met een vermaning, gesteund door vele vloeken, niet meer te probeeren dien nacht uit te gaan, liet Sikes haar alleen om tot zichzelf te komen en ging weer naar Fagin.
„Ph!” zei de inbreker, terwijl hij zich 't zweet van het gezicht wischte. „Wat 'n gekke meid is dat!”
„Dat zeg jij Bill,” zei Fagin peinzend. „Dat zeg jij.”
„Waarom haalde ze 't in haar hoofd, vanavond uit te willen gaan?” vroeg Sikes. „Kom, jij moet haar beter kennen dan ik. Wat beteekent dat?”
„Koppigheid, de koppigheid van een vrouw, denk ik.”
„Ja, dat denk ik ook,” gromde Sikes. „Ik dacht, dat ik haar getemd had, maar ze is even erg als vroeger.”
„Erger,” zeide Fagin peinzend. „Ik heb haar nooit om zoo'n kleinigheid zóó gezien.”
„Ik ook niet,” zei Sikes. „Ik denk, dat ze nog een tikje van die koorts in haar bloed hêt, die niet naar buiten wil komen?”
„Dat kan.”
„Ik zal haar een beetje bloed aftappen, zonder er een dokter bij te halen, als ze weer zulke kunsten begint,” zei Sikes.
Fagin knikte bij wijze van volkomen goedkeuring voor deze behandeling.
„Toen ik op mijn rug lag, hing ze dag en nacht om me heen, en jij, wolf met je zwarte ziel, bleef weg,” zei Sikes. „We leden armoe ook al dien tijd en ik denk, dat 't haar op een of andere manier moe en kregel heeft gemaakt; ze is onrustig na zoo lang opgesloten gezeten te hebben—nou?”
„Dat zal 't zijn,” zei de Jood fluisterend. „St!”
Terwijl hij sprak, kwam Nancy binnen en nam haar vorige plaats weer in. Haar oogen waren gezwollen en rood; ze schoof heen en weer, schudde haar hoofd en barstte na een oogenblik in lachen uit.
„Daar! nou hebben we dàt weer!” riep Sikes en wisselde een blik vol verwondering met zijn metgezel.
Fagin wenkte hem, nu niet verder op haar te letten; na een paar minuten verviel het meisje in haar gewone doen. Fagin fluisterde Sikes in, hoe hij niet bang hoefde te zijn, dat zij ontsnappen zou, nam zijn hoed en wenschte hem goedennacht. Bij de kamerdeur bleef hij even staan, keek rond en vroeg of iemand hem de trap af kon bijlichten.
„Licht hem bij,” zei Sikes, die bezig was zijn pijp te stoppen. „'t Zou jammer zijn, als hijzelf zijn nek brak zonder toeschouwers om 't aan te zien. Licht hem bij.”
Nancy volgde met een kaars den ouden man naar beneden. Toen zij in de gang waren, legde hij den vinger op de lippen, schoof dicht naar het meisje toe en fluisterde:
„Wat is er Nancy, meidlief?”
„Wat bedoel je?” vroeg Nancy op denzelfden toon.
„Hoe dat allemaal komt?” antwoordde Fagin. „Als hij”—zijn skeletachtige wijsvinger wees naar boven boven—„je zoo hard behandelt, (hij is een verschrikkelijke kerel Nance, een ruw beest) waarom—?”
„Nou?” vroeg Nancy, toen Fagin zweeg met zijn mond bijna tegen haar oor en zijn oogen in de hare.
„'t Doet er niet toe,” zei Fagin. „We zullen er nog wel eens over praten. Ik ben je vriend, Nance, je trouwe vriend. Ik heb de middelen bij de hand, stil en zonder dat iemand 't merkt. Als je wraak wil nemen op wie je dreigen of je 'n hond bent—'n hond! nee erger dan zijn hond, want voor die is hij soms vriendelijk—kom dan bij mij. Kom bij mij. Je kent hem pas kort, maar mij ken je van ouds, Nance.”
„Ik ken je door en door,” antwoordde het meisje, zonder eenige ontroering te doen blijken. „Goeiennacht.”
Zij schrikte terug, toen Fagin zijn hand naar de hare uitstak, maar wenschte nogmaals met vaste stem goedennacht; zijn afscheidsblik beantwoordde zij met een blik van verstandhouding en sloot de deur.
Fagin ging terug naar zijn eigen huis, geheel verdiept in de gedachten, die in zijn hersens werkten.
Hij was op het denkbeeld gekomen—niet door wat zooeven gebeurd was, ofschoon dit zijn overtuiging versterkt had, maar langzamerhand—dat Nancy, de ruwheid van den inbreker moe, zich een of anderen nieuwen vriend had gekozen. Haar veranderde manier van doen, haar herhaald alleen uitgaan, de onverschilligheid, die zij toonde voor de belangen van de bende, waar zij vroeger zoo ijverig aan deelnam, en daarbij gevoegd haar wanhopig verlangen, dien avond op een bepaald uur uit huis te gaan, alles sprak voor de onderstelling en maakte deze, ten minste voor hem, bijna tot zekerheid.
Het voorwerp van deze nieuwe genegenheid behoorde niet tot zijn bende. Met zulk een hulp als Nancy zou die man een waardevol deelgenoot kunnen zijn en Fagin moest zich onverwijld van hem verzekeren.
Nog een ander, duisterder doel zweefde Fagin voor. Sikes wist te veel en zijn schurkachtige plagerijen hadden Fagin niet minder gekwetst, omdat de wonden verborgen bleven. Het meisje wist natuurlijk maar al te goed, dat zij, als ze zich van hem losmaakte, nooit veilig zou zijn voor zijn woede en dat deze zeker zou neerkomen—in den vorm van verminking of misschien met verlies van leven—op het voorwerp van haar laatste genegenheid. „Een beetje drang,” dacht Fagin, „en ze zal er best toe over te halen zijn, hem te vergiftigen. Vrouwen hebben wel meer zulke en erger dingen gedaan om hetzelfde doel te bereiken. Daarmee zou die gevaarlijke schurk—de man dien ik haat—uit den weg zijn geruimd; een ander in zijn plaats aan mij verbonden en mijn invloed op de meid grooter dan ooit, als ik van de misdaad weet.”
Deze dingen gingen Fagin door het hoofd in den korten tijd, dat hij alleen in Sikes' kamer zat, en met deze gedachten nog in zijn brein, had hij later de gelegenheid waargenomen om bij 't afscheid aan het meisje de onsamenhangende wenken te geven. Er was geen uitdrukking van verwondering, noch vertoon van niet begrijpen zijner bedoeling bij haar geweest. Nancy begreep hem volkomen. Dat zeiden haar oogen toen hij wegging.
Maar misschien deinsde zij ervoor terug, Sikes het leven te benemen en dit was toch één der voornaamste doeleinden die hij wenschte te bereiken. „Hoe?” dacht Fagin, terwijl hij naar huis sloop, „kan ik meer invloed op haar krijgen? Welk nieuw machtsmiddel kan ik te baat nemen?”
Een brein als dat van Fagin is vindingrijk in het uitdenken van middelen, die tot zijn doel leiden. Als hij, zonder van haarzelf een bekentenis te vragen, haar liet bespieden, ontdekte op wien zij haar zinnen had gezet en dreigde, de geheele geschiedenis aan Sikes te vertellen (voor wien zij buitengewoon bang was) tenzij zij op zijn plannen inging, kon hij haar dan niet tot zijn medeplichtige maken?
„Dat kan,” zeide Fagin bijna hardop. „Dan zal zij 't niet durven weigeren. Al ging het om haar leven, al ging het om haar leven! Ik heb 't allemaal voor mekaar! De middelen zijn klaar en kunnen aan 't werk gezet worden. Ik zal je wel krijgen!”
Hij wierp een duisteren blik achter zich en maakte een dreigende beweging met de hand in de richting van de plek, waar hij den ruweren schurk had achtergelaten; verder ging hij, met zijn beenige handen in de plooien van zijn versleten kleeren woelend en ze vast knijpend in zijn greep, alsof hij met elke beweging van zijn vingers een gehaten vijand worgde.
HOOFDSTUK XLV.
Noah Claypole wordt door Fagin voor een geheime zending gebruikt.
De oude man was den volgenden morgen bijtijds op en wachtte ongeduldig op de komst van zijn nieuwen leerling; eindelijk, na een wachttijd, die eindeloos scheen, verscheen hij en viel met woede op het ontbijt aan.
„Bolter,” zeide Fagin, trok een stoel bij de tafel en ging tegenover Morris Bolter zitten.
„Hier ben ik,” antwoordde Noah. „Wat is er? Vraag me niet om wat uit te voeren eer ik gegeten heb. Dat is een groote fout hier. Je hebt nooit tijd genoeg om te eten.”
„Je kan toch wel praten terwijl je eet?” vroeg Fagin en verwenschte de gulzigheid van zijn lieven jongen vriend uit den grond van zijn hart.
„O jawel, ik kan wel praten. 't Gaat zelfs beter onder 't praten,” zei Noah en sneed zich een reusachtige snee brood af. „Waar is Charlotte?”
„Uit,” zei Fagin. „Ik heb haar vanmorgen met de andere vrouwen uitgestuurd omdat ik jou alleen wou spreken.”
„O!” zei Noah. „Ik wou dat je haar gezegd had, eerst wat brood in boter te roosteren. Nou. Praat maar op. Je hindert me niet.”
Er scheen werkelijk niet veel vrees voor te bestaan, dat iets Noah hinderen zou, nu hij klaarblijkelijk was gaan zitten met het plan zich flink te goed te doen.
„Je hebt je gisteren best gehouden, jongen,” zeide Fagin. „Prachtig! Zes shillings en negen pence den eersten dag de beste! Je zal je fortuin nog maken met de kinderen.”
„Vergeet niet de drie pint-kruiken en de melkkan,” zei Mr. Bolter.
„Nee, nee; die kruiken waren een goed stukje, maar die melkkan was bepaald een meesterstuk.”
„Ja, ik geloof, dat dat niet kwaad was voor een beginneling,” merkte Mr. Bolter zelfvoldaan op. „De kruiken nam ik weg van een stalletje en de melkkan stond alleen buiten vóór een herberg. Ik was bang, dat ze roestig zou worden door den regen of kou zou vatten, ziet u. Hoe is ie? Ha! ha! ha!”
Fagin deed, of hij hartelijk lachte; toen Mr. Bolter uitgelachen had, nam hij achter elkaar eenige flinke happen, waarmee zijn eerste dikke boterham verdween, zoodat hij aan de tweede kon beginnen.
„Bolter,” zei Fagin, zich over de tafel buigend, „ik wou, dat je een werkje voor mij opknapte, dat groote voorzichtigheid en zorg vereischt.”
„Nou,” wierp Bolter tegen, „als je me maar niet in gevaar brengt of me weer naar één van jullie politie-bureaux stuurt. Dat bevalt me niet; dat bevalt me heelemaal niet, zeg ik je.”
„Er is niet het minste gevaar bij—niet het minste of geringste,” zei de Jood; „je hebt alleen een vrouw in 't oog te houden.”
„'n Ouwe vrouw?” vroeg Mr. Bolter.
„'n Jonge,” antwoordde Fagin.
„Dat kan ik vrij goed, geloof ik,” zei Bolter; „toen ik nog op school ging, wist ik zoo iets al op te knappen. En waarom moet ik haar in 't oog houden? Toch niet om—”
„Nergens om; alleen maar om mij te zeggen, waar ze heengaat, wie ze spreekt en zoo mogelijk, wat ze zegt; om de straat te onthouden als het een straat is of het huis als 't een huis is en mij zooveel inlichtingen te geven als je kan.”
„En wat geef je dervoor?” vroeg Noah, terwijl hij zijn kopje neerzette en zijn baas gespannen aankeek.
„Als je 't goed doet, krijg je een pond, beste jongen. Eén heel pond,” zeide Fagin, die den ander zoo happig mogelijk wilde maken. „Ik heb nog nooit zooveel betaald voor een karweitje, waar eigenlijk niets van belang bij te winnen is.”
„Wie is zij?” vroeg Noah.
„Eén van de onzen.”
„O zoo!” riep Noah en stak zijn neus in den wind. „Je vertrouwt haar niet, hé?”
„Ze heeft nieuwe vrienden gevonden, jongen, en ik moet weten wie het zijn,” antwoordde Fagin.
„Ik begrijp er alles van,” zeide Noah. „Om 't genoegen te hebben, ze ook te kennen, als het eerzame menschen zijn? Ha! ha! ha! Ik ben je man.”
„Dat wist ik wel,” viel Fagin in, verrukt nu zijn voorstel zoo insloeg.
„Natuurlijk, natuurlijk,” hernam Noah. „Waar is zij? Waar moet ik naar haar uitkijken? Waar moet ik heengaan?”
„Dat alles zal je nog van me hooren. Als 't tijd is, zal ik je haar wijzen,” zeide Fagin. „Je hebt je maar klaar te houden en laat de rest aan mij over.”
Dien avond en den volgenden en den daaropvolgenden zat de spion, gelaarsd en uitgedoscht in zijn voermanskleeren, gereed op een woord van Fagin er op uit te gaan.
Zes avonden gingen voorbij—zes lange, vervelende avonden—en telkens kwam Fagin thuis met teleurgesteld gezicht en het korte bericht, dat het nog geen tijd was. Op den zevende kwam hij vroeger terug en met een vreugde die hij nauwelijks wist te verbergen. Het was Zondag.
„Vanavond gaat zij er op uit,” zeide Fagin, „en met het rechte doel, dat weet ik wel zeker; zij is den heelen dag alleen geweest en de man, waar zij zoo bang voor is, komt niet voor het aanbreken van den dag thuis. Kom mee. Gauw.”
Zonder een woord te zeggen, sprong Noah op, want de Jood verkeerde in zulke hevige opgewondenheid, dat hij er door werd aangestoken. Tersluiks verlieten zij het huis, liepen haastig door een doolhof van stegen en kwamen eindelijk vóór een herberg, die Noah herkende als dezelfde, waar hij den nacht van zijn aankomst in Londen had geslapen. Het was over elven en de deur was gesloten. Toen Fagin zachtjes floot draaide de deur zacht op zijn hengsels. Geruchtloos gingen ze binnen en de deur werd achter hen gesloten.
Fagin en de jonge Jood, die hen binnen had gelaten, waagden het nauwelijks te fluisteren. Hun woorden door stomme gebaren aanvullend, wezen zij Noah het glasruitje en beduidden hem naar boven te klimmen en de vrouw in het kamertje ernaast op te nemen.
„Is dat de vrouw?” vroeg hij en de woorden klonken bijna niet luider dan een ademtocht.
Fagin knikte ja.
„Ik kan haar gezicht niet goed zien,” fluisterde Noah. „Ze kijkt naar beneden en de kaars staat achter haar.”
„Blijf daar,” fluisterde Fagin. Hij gaf een wenk aan Barney, die de kamer uitging. Een oogenblik later kwam de jongen het kamertje binnen; onder voorwendsel de kaars te snuiten, schoof hij ze in de gewenschte richting; toen sprak hij het meisje aan, waardoor zij het hoofd ophief.
„Nu zie ik haar,” zei de spion.
„Duidelijk?”
„Ik zou haar onder duizenden herkennen.”
Hij kwam haastig naar beneden, terwijl het kamertje openging en het meisje naar buiten kwam. Fagin trok hem achter een afgeschoten hoek, waar een gordijn voor hing en zij hielden den adem in, terwijl Nancy op een paar voet afstand van hun schuilplaats voorbij kwam en naar buiten ging door de deur, waardoor zij waren binnengekomen.
„Pst!” riep de jongen, die de deur openhield. „Dou!”
Noah wisselde een blik met Fagin en snelde naar buiten.
„Naar links,” fluisterde de jongen, „ga links af en houd de overkant van de straat.”
Noah deed het; bij het licht van de straatlantarens zag hij de gestalte van het meisje alreeds op eenigen afstand voor hem uit. Hij kwam zoo dicht achter haar als de voorzichtigheid toeliet en bleef aan den overkant van de straat om beter op haar bewegingen te kunnen letten.
Twee of driemaal keek zij zenuwachtig om zich heen en bleef eenmaal staan om twee mannen, die dicht achter haar liepen, voorbij te laten gaan. Onder het voortgaan scheen haar moed aan te groeien, want zij begon met flinker, vaster tred te loopen. De spion behield steeds denzelfden afstand tusschen hen beiden en bleef haar onder het voortgaan bespieden.