„Dus krijg ik 'm niet, heeren?” zei baas Gamfield, terwijl hij bij de deur bleef staan.
„Neen,” antwoordde mijnheer Limbkins „ten minste, we vonden dat u, daar het zoo'n vuil vak is, met wat minder tevreden moest zijn dan de premie, die wij aanboden.”
Het gezicht van baas Gamfield klaarde op; met een paar snelle stappen ging hij terug naar de tafel en zeide: „Wat wil u geven, heeren? Wees niet te hard voor een armen man. Wat wil u geven?”
„Ik zou zeggen, drie pond tien is meer dan genoeg,” zeide mijnheer Limbkins.
„Tien shilling te veel,” zei de heer met het witte vest.
„Kom!” zeide Gamfield, „zeg vier pond, heeren. Zeg vier pond, en u bent 'm voor goed kwijt. Dáár?”
„Drie pond tien,” herhaalde mijnheer Limbkins op vasten toon.
„Kom! laten we het verschil deelen, heeren,” hield Gamfield aan. „Drie pond vijftien shillings.”
„Geen cent meer,” was het besliste antwoord van mijnheer Limbkins.
„U bent ellendig hard voor me, heeren,” zeide Gamfield weifelend.
„Och wat! Nonsens!” zei de heer met het witte vest. „Hij zou nog goedkoop zijn zonder premie. Neem 'm, dwaze kerel! Hij is net de jongen die je hebben moet. Hij heeft de stok noodig nu en dan, dat zal hem goed doen; en in de kost hoeft hij niet duur te zijn, want hij is van zijn geboorte af niet overvoerd. Ha! ha! ha!”
Baas Gamfield wierp ter sluiks een blik op de gezichten rond de tafel, en toen hij op alle een glimlach ontdekte, begon hij langzamerhand ook te glimlachen. De koop was gesloten. Mr. Bumble werd er terstond van op de hoogte gebracht, dat Oliver Twist nog denzelfden middag vóór het gemeentebestuur gebracht zou worden, waar het contract als leerjongen moest worden overgelegd en geteekend.
Tengevolge van dit besluit werd kleine Oliver tot zijn groote verbazing uit de gevangenschap ontslagen en ontving het bevel, zich in een schoon hemd te steken. Nauwelijks had hij dezen zeer ongewonen gymnastischen toer verricht, of Mr. Bumble bracht hem eigenhandig een kom pap en de feestelijke toegift van twee en een kwart ons brood. Bij dit ontstellende gezicht begon Oliver erbarmelijk te schreien; hij dacht, wat niet te verwonderen was, dat de Regenten besloten moesten hebben hem te slachten voor een of ander nuttig doel; anders zouden zij er nooit toe komen, hem op deze manier vet te mesten.
„Huil je oogen niet rood, Oliver, maar eet je pap en wees dankbaar,” zeide Mr. Bumble op indrukwekkenden, hoogdravenden toon. „Je gaat een leerjongen worden, Oliver.”
„Een leerjongen, meneer?” vroeg het kind bevend.
„Ja, Oliver,” zeide Mr. Bumble. „De goede, vriendelijke heeren, die zoo goed als vader en moeder voor je zijn, nu je ze zelf niet hebt, gaan je in de leer doen; ze geven je een plaats in de maatschappij en maken een man van je, ofschoon het de gemeente drie pond en tien shillings kost—drie pond tien Oliver—zeventig shillings—één honderd en veertig sixpences!—en dat allemaal voor een rakkert van een weesjongen, waar niemand van houden kan.”
Toen Mr. Bumble zweeg om adem te halen, nadat hij met een geweldige stem zijn woorden ten einde had gebracht, rolden de tranen den armen jongen langs de wangen en hij snikte droevig.
„Kom,” zei Mr. Bumble, iets minder geweldig, want hij voelde zich gestreeld door den indruk, dien zijn welsprekendheid maakte, „kom Oliver! Veeg je oogen af met de mouwen van je kiel en huil niet in je pap; dat is een gekke manier van doen, Oliver.” Dit was het zeker, want er was al meer dan genoeg water in.
Op weg naar het gemeentebestuur lichtte meneer Bumble Oliver in, dat, al wat hij te doen had, daarin bestond, er vroolijk uit te zien, en als de meneer vroeg of hij graag in de leer ging, moest hij zeggen, dat hij 't erg graag wou. Oliver beloofde beide voorschriften te gehoorzamen, te gereeder op een vriendelijken wenk van Mr. Bumble, dat, als hij in één van beide te kort schoot, er iets met hem zou gebeuren, waarvoor geen woorden te vinden waren. Toen zij op het bureau kwamen, werd hij alleen in een klein kamertje opgesloten, en door Mr. Bumble vermaand hier te blijven tot hij terugkwam om hem te halen.
Hier bleef de jongen, met bonzend hart, ongeveer een half uur. Na verloop van welken tijd Mr. Bumble zijn hoofd, zonder den steek, door de deur stak en hardop zeide:
„Nou, Oliver, beste jongen, kom voor de heeren.”
Terwijl Mr. Bumble dit zeide, voegde hij er een boozen, dreigenden blik bij en zeide met zachte stem: „Denk aan wat ik je gezegd heb, kleine rakker!”
Bij deze eenigszins tegenstrijdige toespraak keek Oliver Mr. Bumble onschuldig aan, doch deze heer voorkwam een aanmerking, door Oliver onmiddellijk in een aangrenzend vertrek te brengen, waarvan de deur openstond. Het was een ruime kamer met een groot raam. Achter een lessenaar zaten twee oude heeren met gepoederde hoofden; één van hen las de courant, terwijl de ander met behulp van een schildpadden bril een velletje perkament, dat voor hem lag, bestudeerde. Mijnheer Limbkins stond aan den éénen kant vóór den lessenaar en baas Gamfield, met een ten deele gewasschen gezicht, aan den anderen, terwijl twee of drie barsch-uitziende mannen met kaplaarzen aan heen en weer liepen. De oude heer met den bril dutte langzamerhand in over zijn velletje perkament, en er was een oogenblik van stilte, nadat Oliver door Mr. Bumble vóór den lessenaar was gezet.
„Hier is de jongen, Edelachtbare,” zeide Mr. Bumble.
De oude heer, die de courant zat te lezen, hief een oogenblik het hoofd op en trok den anderen ouden heer bij zijn mouw, waarop de laatste wakker werd.
„O, is dat de jongen?” zei de oude heer.
„Dat is hij, mijnheer,” antwoordde Mr. Bumble. „Maak een buiging voor den raadsheer, jongenlief.”
Oliver raapte zijn moed te zamen en maakte zijn mooiste buiging. Terwijl hij naar het gepoederde haar van den raadsheer keek, had hij zich afgevraagd, of alle raadsheeren met dat witte goedje op hun hoofd geboren zouden worden en of ze daarom soms raadsheer waren.
„En,” zei de oude heer, „hij houdt zeker veel van schoorsteenvegen?”
„Hij is er gewoon dol op, Edelachtbare,” antwoordde Bumble, terwijl hij Oliver een kneepje gaf om hem te beduiden, dat hij niet moest zeggen, dat hij er niet dol op was.
„Dus hij kiest het schoorsteenvegersvak?” vroeg de oude heer verder.
„Als we hem morgen op een ander ambacht deden, zou hij direct wegloopen, Edelachtbare,” antwoordde Bumble.
„En deze man moet dus zijn baas worden—nietwaar vriend—u zult hem goed behandelen en te eten geven en wat er meer voorkomt, nietwaar?” vroeg de oude heer.
„As ik zeg dâ 'k 't doen zal, dan zal 'k 't doen,” antwoordde baas Gamfield norsch.
„Je woorden zijn ruw, vriend, maar je ziet er uit als een eerlijk, openhartig man,” zeide de oude heer, terwijl hij zijn bril in de richting wendde van den candidaat voor Oliver's premie, wiens schurkentronie den onmiskenbaren stempel van wreedheid droeg. Doch de raadsheer was half blind en half kindsch, dus was 't niet met rede van hem te verwachten dat hij zou onderscheiden wat anderen terstond in het oog viel.
„Dat hoop ik, meneer,” zei baas Gamfield met een loenschen blik.
„Ik twijfel er niet aan, goede vriend,” hernam de oude heer, terwijl hij zijn bril steviger op zijn neus drukte en rondkeek naar den inktkoker.
Dit was het beslissende oogenblik voor Oliver's lot. Als de inktkoker gestaan had, waar de oude heer dacht dat hij was, zou deze zijn pen er in gedoopt en het contract geteekend hebben, en Oliver zou dadelijk weggebracht zijn. Maar nu de inktkoker toevallig vlak voor zijn neus stond, was het natuurlijk, dat hij er overal op den lessenaar naar begon te zoeken zonder hem te vinden, en toen hij onder het zoeken toevallig recht voor zich uitkeek, ontmoette zijn blik het bleeke, verschrikte gezichtje van Oliver Twist; de uitdrukking van angst en schrik waarmee het kind, ondanks Bumble's vermanende blikken en knepen, het terugstootende uiterlijk van zijn toekomstigen meester aankeek, was te tastbaar om misverstaan te worden, zelfs door een halfblinden raadsheer.
De oude heer hield op met zoeken, legde zijn pen neer en keek van Oliver naar mijnheer Limbkins, die zijn best deed, met een vroolijk, argeloos gezicht een snuifje te nemen.
„Beste jongen!” zeide de oude heer, terwijl hij zich over den lessenaar heenboog. Oliver schrikte op. Dat was geen wonder, want de woorden werden op vriendelijken toon gezegd en vreemde klanken maken iemand aan het schrikken. Hij begon hevig te trillen en barstte in tranen uit.
„Beste jongen!” zei de oude heer, „je ziet er bleek en verdrietig uit. Wat scheelt er aan?”
„Ga een beetje verder van hem af staan, bode,” zeide de andere raadsheer, terwijl hij het papier ter zijde legde en zich belangstellend voorover boog. „Nu jongen, zeg eens wat er aan scheelt, wees maar niet bang.”
Oliver viel op zijn knieën en smeekte met gevouwen handen, teruggestuurd te mogen worden naar de donkere kamer,—hij wou honger lijden—geslagen worden—doodgemaakt worden als 't moest—alles liever dan met dien vreeselijken man mee te moeten gaan.
„Ik moet zeggen!” zeide Mr. Bumble, terwijl hij handen en oogen met indrukwekkend, plechtig gebaar ten hemel hief, „ik moet zeggen, van alle sluwe en leugenachtige weeskinderen, die ik ooit gezien heb, Oliver, ben jij een van de onbeschaamdste.”
„Houd je mond, bode,” zei de tweede oude heer, toen Mr. Bumble op deze wijze zijn verontwaardiging gelucht had.
„Neem me niet kwalijk, Edelachtbare,” zei Mr. Bumble, die niet kon gelooven, dat hij goed gehoord had. „Heeft u Edelachtbare het tegen mij?”
„Ja. Houd je mond.”
Mr. Bumble was stom van verbazing. Een gemeentebode zou zijn mond moeten houden! Een zedelijke revolutie!
De oude heer met den schildpadden bril keek zijn collega aan, deze knikte veelbeteekenend.
„Wij weigeren dit leerjongen-contract te onderteekenen,” zei de oude heer, terwijl hij het velletje perkament onder het spreken terzijde schoof.
„Ik hoop,” stamelde mijnheer Limbkins, „ik hoop, dat de heeren niet van oordeel zullen zijn, dat het bestuur zich schuldig zou hebben gemaakt aan plichtsverzuim en dit op de door niets gesteunde getuigenis van een kind.”
„Wij zijn niet bevoegd over deze zaak ons oordeel uit te spreken,” zeide de tweede oude heer op scherpen toon. „Neem den jongen weer mee naar het armhuis en behandel hem vriendelijk. Dat schijnt hij noodig te hebben.”
Dien avond verklaarde de heer met het witte vest vast en stellig, dat Oliver niet alleen gehangen zou worden, maar geradbraakt en gevierendeeld bovendien.
Mr. Bumble schudde zijn hoofd met sombere geheimzinnigheid en zeide te wenschen, dat Oliver nog goed terecht zou komen, waarop baas Gamfield wenschte, dat hij bij hem zou komen, hetgeen, ofschoon hij 't in de meeste opzichten met den bode eens was, op een wensch duidde van gansch tegenovergestelde meening.
Den volgenden morgen werd het publiek er opnieuw van in kennis gesteld, dat Oliver Twist „Te Huur” was, en dat vijf pond betaald zou worden aan dengene, die zich van hem meester maakte.
HOOFDSTUK IV.
Er wordt Oliver een andere betrekking aangeboden, waardoor hij het openbare leven binnengaat.
In groote gezinnen is het algemeen gewoonte, de opgroeiende zoons, wanneer er voor hen niet, hetzij door 't bezit van fortuin, hetzij door de verwachting van een erfenis of een titel, een of andere voordeelige betrekking is te verkrijgen, naar zee te zenden.
In navolging van dit wijze en heilzaam werkende voorbeeld, beraadslaagden de Regenten over de wenschelijkheid om Oliver Twist in te schepen op een of ander klein koopvaardijvaartuig, met bestemming naar een flink ongezonde haven; dit scheen wel het allerbeste wat bij mogelijkheid met hem gedaan kon worden, daar de waarschijnlijkheid bestond, dat de schipper hem een of anderen dag in een vroolijke bui na het middagmaal dood zou ranselen of zijn hersens in zou slaan met een ijzeren stang; beide liefhebberijen zijn, zooals algemeen bekend is, een zeer geliefd en gewoon tijdverdrijf onder heeren van dien stand. Hoe meer de Regenten het geval uit dit oogpunt beschouwden, hoe veelvuldiger de voordeelen schenen, aan dezen stap verbonden; dus kwamen zij tot het besluit, dat de eenige manier om afdoende voor Oliver te zorgen, daarin bestond, hem zonder verwijl naar zee te zenden.
Mr. Bumble was er op uit gezonden om verschillende voorbereidende informaties te nemen, ten einde een of anderen kapitein te ontdekken, die een scheepsjongen zonder bloedverwanten of vrienden kon gebruiken. Hij kwam naar het armhuis terug om verslag te doen over het resultaat van zijn zending, toen hij bij de poort niemand anders ontmoette dan Mr. Sowerberry, den lijkbezorger van de gemeente.
Mr. Sowerberry was een lange, knokige, sterk-gebouwde man, gekleed in een kaal zwart pak met gestopte katoenen kousen van dezelfde kleur en bijbehoorende schoenen. Zijn gezicht was van nature niet aangelegd om te glimlachen, doch in 't algemeen scheen hij wel geneigd tot de boertigheid, die bij zijn beroep behoorde. Terwijl hij naar Mr. Bumble toekwam en hem vriendschappelijk de hand schudde, was zijn stap veerkrachtig en zijn gezicht sprak van innerlijke opgeruimdheid.
„Ik heb de maat genomen van de twee vrouwen, die vannacht gestorven zijn, meneer Bumble,” zeide de lijkbezorger.
„U zult nog rijk worden, meneer Sowerberry,” zei de bode, terwijl hij duim en wijsvinger in de aangeboden snuifdoos van den lijkbezorger stak; die doos was een op geestige wijze uitgevoerd model van een doodkist. „Ik zeg, u zult nog rijk worden, meneer Sowerberry,” herhaalde Bumble, terwijl hij den lijkbezorger vriendschappelijk met zijn wandelstok op den schouder klopte.
„Zou u denken?” vroeg de lijkbezorger op een toon, die de mogelijkheid van het geval half toegaf en half in twijfel trok. „De prijzen, die de Regenten toestaan, zijn heel laag, meneer Bumble.”
„De kisten ook,” viel de bode in, met juist zooveel van de zweem van een lach als bij zijn gewichtigheid paste.
Mr. Sowerberry vond dat heel grappig—wat niet meer dan gepast was—en lachte een heele poos zonder ophouden.
„Ja, ja, meneer Bumble,” zei hij eindelijk, „'t valt niet tegen te spreken, dat de kisten, sedert het nieuwe systeem van voeding werd ingevoerd, ietwat smaller en ondieper zijn dan vroeger, maar we mogen wel eens een voordeeltje hebben, meneer Bumble. Goed gedroogd hout is een kostbaar ding, meneer, en al de ijzeren handvatsels komen langs het kanaal van Birmingham.”
„Ja, ja,” zei Bumble, „elk vak heeft zijn nadeelen. En een behoorlijke winst is natuurlijk geoorloofd.”
„Natuurlijk, natuurlijk,” hernam de lijkbezorger, „en als ik op een of ander artikel niet veel winst maak, dan komt dat terecht door de hoeveelheid—ha! ha! ha!”
„Zoo is 't,” zei meneer Bumble.
„Ofschoon ik moet zeggen,” ging de lijkbezorger voort, terwijl hij weer terugkwam op zijn ambtelijke opmerkingen, die door den bode onderbroken waren, „ofschoon ik moet zeggen, meneer Bumble, dat ik tegen één groot nadeel te kampen heb: dat is, dat de stevigst-gebouwde menschen 't eerst heengaan. De menschen, die betere dagen gekend en die jarenlang hun belasting betaald hebben, zijn 't eerst weg als zij in het Huis komen, en u begrijpt, meneer Bumble, dat drie of vier duim hout boven je berekening een heel gat is in je winst, vooral als men een gezin te onderhouden heeft, meneer.”
Daar Mr. Sowerberry dit zeide met de gepaste verontwaardiging van een verongelijkt man, en Mr. Bumble voelde, hoe hier allicht een of andere overdenking op kon volgen, die de eer van de Gemeente raakte, vond de laatste het geraden, van onderwerp te veranderen. En daar zijn geest zich 't laatst met Oliver Twist had bezig gehouden, nam hij hem als onderwerp.
„Wat ik zeggen wil,” zei Mr. Bumble, „u weet soms niet iemand die een jongen noodig heeft? Een leerjongen van de Gemeente, die op 't oogenblik een drukkende last is, een molensteen, mag ik wel zeggen, om den hals van de Gemeente? Op prachtige voorwaarden, meneer Sowerberry, prachtige voorwaarden.” Terwijl Mr. Bumble sprak, hief hij zijn wandelstok op naar het biljet boven zijn hoofd en gaf drie veelbeteekenende tikken op de woorden „vijf pond,” die in reusachtig groote hoofdletters gedrukt waren.
„Net zoo!” zei de lijkbezorger, terwijl hij Mr. Bumble bij de slip van zijn uniform-jas trok, „daar wou ik u juist over spreken. U weet—allemachtig, wat zijn dat een mooie knoopen, meneer Bumble, daar heb ik nog nooit op gelet.”
„Ja, leelijk zijn ze niet,” zei de bode en keek met trots naar beneden langs de groote koperen knoopen, die zijn jas versierden. „De voorstelling er op is dezelfde van het stadszegel—de Barmhartige Samaritaan, die den zieken, gewonden man verzorgt. De Regenten hebben ze mij op Nieuwjaarsmorgen gegeven, meneer Sowerberry. Ik had ze voor 't eerst aan mijn jas, herinner ik mij, toen ik de lijkschouwing bijwoonde van dien armen koopman, die 's nachts op onze stoep was gestorven.”
„O ja, dat herinner ik mij,” zei de lijkbezorger. „De uitspraak van de Jury luidde: „gestorven door invloed van de koude en gebrek aan de noodzakelijkste levensbehoeften,” is 't niet?”
Mr. Bumble knikte.
„En de Juryleden gaven, geloof ik, nog bijzondere nadruk aan hun uitspraak,” zeide de lijkbezorger, „door er bij te voegen, dat, als de beambte, die hem vond—”
„Pf! Nonsens!” viel de bode in. „Als de Regenten wilden letten op al de nonsens, die door domme Juryleden wordt uitgekraamd, zouden zij wel dagwerk hebben.”
„Daar hebt u gelijk aan,” zei de lijkbezorger, „dat zouden zij zeker.”
„Juryleden,” zeide Mr. Bumble, terwijl hij zijn wandelstok vaster beet greep, zooals zijn gewoonte was wanneer hij in opwinding geraakte, „Juryleden zijn onbeschaafde, leelijke, gemeene ellendelingen.”
„Zegt u dat wel,” zei de lijkbezorger.
„Ze hebben niet zóóveel philosofie of politiek in hun lijf!” zei de bode, minachtend met zijn vingers knippend.
„Zegt u dat wel,” stemde de lijkbezorger in.
„Ik veracht ze,” zei de bode en werd vuurrood in zijn gezicht.
„Ik ook,” stemde de lijkbezorger in.
„En ik wou, dat we zoo'n onafhankelijke Jury eens een paar weken in het Huis hadden,” zei de bode; „het reglement en de voorschriften van de Regenten zouden die kerels gauw genoeg klein krijgen.”
„Daar kan u van op aan,” hernam de lijkbezorger.
Hierbij glimlachte hij instemmend, om de stijgende woede van den verontwaardigden gemeente-ambtenaar tot bedaren te brengen.
Mr. Bumble nam zijn steek af, haalde een zakdoek uit den bol, wischte het zweet, dat zijn woede had doen uitbreken, van zijn voorhoofd, zette zijn steek weer op en zeide, tot den lijkbezorger gewend, op kalmer toon:
„Nu, wat wou u zeggen over den jongen?”
„O ja!” hernam de lijkbezorger, „u weet, meneer Bumble, dat ik heel wat betaal in de armen-belasting.”
„Hm!” zei Mr. Bumble. „En....?”
„En,” hernam de lijkbezorger, „ik dacht zoo, dat als ik zooveel voor de armen betaal, ik ook 't recht heb, zooveel uit ze te halen als ik kan, meneer Bumble, en daarom—en daarom—geloof ik, dat ik den jongen zal nemen.”
Mr. Bumble nam den lijkbezorger onder den arm en bracht hem binnen het gebouw. Mr. Sowerberry beraadslaagde vijf minuten met de Regenten; toen was het vastgesteld, dat Oliver nog dienzelfden avond naar hem toe zou gaan „op proef”—dat wil in het geval van een gemeente-leerjongen zeggen, dat als de baas na korten proeftijd bevindt, genoeg werk uit den jongen te kunnen krijgen, zonder al te veel voedsel in hem te brengen, hij hem voor een aantal jaren kan behouden om met hem te doen wat hij wil.
Kleine Oliver werd vóór „de heeren” gebracht, waar hem gezegd werd, dat hij nog dienzelfden avond als huisjongen bij een doodkistenmaker zou komen, en dat men hem, als hij ooit klaagde over zijn betrekking of ooit weer ten laste van de Gemeente kwam, naar zee zou zenden om verdronken te worden of doodgeranseld, al naar het uitkwam. Hij toonde zóó weinig ontroering, dat de heeren hem met algemeene stemmen een verstokten jongen rakker noemden en aan Mr. Bumble opdroegen, hem onmiddellijk weg te brengen.
Ofschoon het een heel natuurlijke zaak was, dat de Regenten van het armhuis groote, deugdzame verwondering en ontsteltenis toonden bij het minste teeken, dat bij anderen op gebrek aan gevoel duidde, vergisten zij zich in dit geval toch ten zeerste. Het geval was eenvoudig, dat Oliver, inplaats van te weinig, eer te veel gevoel had en hard op weg was, tengevolge van de slechte behandeling, die hij had ondergaan, voor zijn leven lang in een toestand van dierlijke verstomping en versuffing te vervallen. Hij hoorde het besluit over zijn lot in volkomen stilzwijgen aan. Toen zijn bagage hem in de hand gegeven werd—ze was niet heel moeielijk te torsen, daar alles begrepen was in een bruin papieren pakje van ongeveer een voet in 't vierkant en drie duim dik—trok hij zijn muts over zijn oogen en terwijl hij weer de mouw van Mr. Bumble vasthield, werd hij door dezen waardigheidsbekleder naar een nieuw lijdensoord gebracht.
Een tijdlang trok Mr. Bumble Oliver voort, zonder op hem te letten of zonder eenige opmerking te maken, want de bode droeg zijn hoofd altijd rechtop, zooals een gemeentebode behoort te doen. Daar het een winderige dag was, werd kleine Oliver gansch omwikkeld door Mr. Bumble's jaspanden, die bij het openwaaien tevens diens vest met lapellen en zijn grof fluweelen hozen op 't voordeeligst deden uitkomen.
Toen zij hunne bestemming naderden, vond Mr. Bumble het gepast, naar beneden te kijken en te onderzoeken, of de jongen er wel goed genoeg uitzag om voor zijn nieuwen meester te verschijnen. Zooals vanzelf spreekt, deed hij dit met de noodige en gepaste vertooning van vriendelijke bescherming.
„Oliver,” zei Mr. Bumble.
„Ja, meneer,” antwoordde Oliver met zachte, bevende stem.
„Zet je muts uit je oogen en houd je hoofd recht.”
Ofschoon Oliver terstond deed wat van hem verlangd werd en vlug met den bovenkant van zijn vrije hand over zijn oogen wreef, bleef er een traan in, toen hij naar zijn geleider opzag. Daar Mr. Bumble hem streng aankeek, rolde de traan langs zijn wang en werd door nòg een en nòg een gevolgd. Het kind trachtte zich te bedwingen, maar 't lukte niet. Hij trok zijn andere hand uit die van Mr. Bumble, bedekte zijn gezicht met beide handen en schreide tot de tranen langs zijn kin en tusschen zijn magere vingers door druppelden.
„Kom!” riep Mr. Bumble uit, terwijl hij plotseling bleef staan en zijn kleinen beschermeling een innig kwaadaardigen blik toewierp: „Komaan! Van alle ondankbare en slechte jongens, die ik ooit gekend heb, Oliver, ben jij de—”
„Nee, nee, meneer,” snikte Oliver, en klemde zich vast aan de hand, die den welbekenden wandelstok vasthield, „nee, nee meneer, heusch! Ik ben nog maar een kleine jongen, meneer, en ik ben zoo zoo—”
„Zoo wat?” vroeg Mr. Bumble verbaasd.
„Zoo alleen, meneer! Zoo verschrikkelijk alleen!” riep het kind. „Iedereen heeft een hekel aan me. Toe meneer, toe meneer, wees asjeblieft niet boos op me!” Het kind sloeg met de hand op zijn borst en keek zijn geleider aan met tranen van echte smart in de oogen.
Gedurende eenige seconden staarde Mr. Bumble met eenige verwondering naar Oliver's beklagenswaardig, hulpeloos gezichtje, kuchte twee of drie maal met schor geluid en na iets gemompeld te hebben over „die vervelende hoest,” beval hij Oliver, zijn oogen af te vegen en een flinke jongen te zijn. Toen nam hij hem weer bij de hand en liep zwijgend met hem voort.
De lijkbezorger, die juist de luiken voor zijn winkel had gedaan, maakte bij het licht van een ongelukkig stukje kaars eenige aanteekeningen in zijn boek, toen Mr. Bumble binnenkwam.
„Zoo!” zei de lijkbezorger, opkijkend van zijn boek, waar hij midden in een woord was blijven steken, „bent u daar mijnheer Bumble?”
„Niemand anders, Mr. Sowerberry,” antwoordde de bode. „Hier! Ik heb den jongen meegebracht.”
Oliver maakte een buiging.
„O, is dat de jongen?” zei de lijkbezorger, en tilde de kaars boven zijn hoofd om Oliver beter te kunnen bekijken. „Juffrouw Sowerberry! zou je zoo vriendelijk willen zijn even hier te komen?”
Juffrouw Sowerberry kwam te voorschijn uit een klein kamertje achter den winkel; ze was een klein, tenger, verschrompeld vrouwtje, met een vinnig gezicht.
„Vrouwlief,” zei Mr. Sowerberry eerbiedig, „hier is de jongen uit het armhuis, waar ik je van gesproken heb.”
Oliver boog opnieuw.
„Goeie hemel!” zei de vrouw van den lijkbezorger, „wat is hij klein!”
„Ja, hij is nogal klein,” antwoordde Mr. Bumble en keek Oliver aan alsof het zijn schuld was, dat hij niet grooter was, „hij is klein. Ik kan 't niet tegenspreken. Maar hij zal wel groeien, juffrouw Sowerberry—hij zal wel groeien.”
„Dat zal hij zeker,” viel de dame norsch in, „van ons eten en drinken. Ik voor mij zie geen heil in kinderen uit het armhuis, want ze kosten altijd meer aan onderhoud dan ze waard zijn. Maar mannen denken altijd, dat ze alles beter weten. Hier! Ga naar beneden, klein scharminkel!” Met deze woorden deed de vrouw een zijdeur open en duwde Oliver een steil trapje af naar een vochtig, koud hok, dat het voorportaal naar het kolenhok vormde en met den naam van „keuken” bestempeld werd; hier zat een slonzige dienstbode met afgetrapte schoenen en blauw wollen kousen, waar geen stoppen meer aan was.
„Hier Charlotte,” zei juffrouw Sowerberry, die Oliver naar beneden gevolgd was, „geef die jongen wat van de koude kliekjes, die voor Trip bewaard waren. Nu hij den heelen dag niet thuis is gekomen, moet hij 't maar zonder doen. Ik denk, dat de jongen ze wel lusten zal.... zoo kieskeurig is hij niet—is 't wel jongen?”
Oliver, wiens oogen glinsterden toen er van eten gesproken werd, en die brandde van verlangen om er op aan te vallen, antwoordde ontkennend, waarop hem een bord met etensafval en kliekjes werd voorgezet.
Ik wou, dat een of andere wel-doorvoede filosoof, voor wien spijs en drank in gal verkeeren, wiens bloed van ijs is en wiens hart van ijzer, had kunnen zien, hoe Oliver Twist aanviel op het lekkere vleeschhapje, dat de hond versmaad had. Ik wou, dat hij had kunnen zien, met welke uitbundige gulzigheid, gevolg van zijn woesten honger, Oliver de brokken van elkaar trok. Er is maar één ding, dat ik nog liever wou, en dat is: den wijsgeer zelf zulk een maal met denzelfden eetlust te zien verorberen.
„Ben je klaar?” vroeg de vrouw, toen Oliver zijn avondeten op had—zij had hem waargenomen met stille ontsteltenis en met angstige vermoedens omtrent zijn toekomstigen eetlust.
Daar er niets eetbaars meer binnen zijn bereik was, antwoordde Oliver bevestigend.
„Ga dan maar mee,” zei juffrouw Sowerberry, terwijl zij een flauw brandend, smerig lampje in de hand nam en vooruitging naar boven; „je bed is onder de toonbank. 't Kan je zeker niet schelen, tusschen de doodkisten te slapen? Trouwens, 't doet er niet veel toe of het je schelen kan, want je kunt nergens anders slapen. Vooruit! ik heb geen zin hier den heelen nacht te blijven.”
Oliver aarzelde niet langer, maar volgde gedwee zijn nieuwe meesteres.
HOOFDSTUK V.
Oliver leert nieuwe levensgezellen kennen.—Hij gaat voor 't eerst naar een begrafenis en vat een ongunstige meening op omtrent het vak van zijn meester.
Toen Oliver alleen was gelaten in de werkplaats van den lijkbezorger, zette hij de lamp op één van de schaafbanken en keek schuw om zich heen met een gevoel van huivering en angst, dat zeker door heel wat oudere menschen dan hij ten volle begrepen zal worden. Een half afgemaakte doodkist, op een zwarte schraag, die midden in de werkplaats stond, zag er zoo somber en doodsch uit, dat hem een koude huivering bekroop, zoo dikwijls zijn oogen in de richting van dit vreeselijke ding dwaalden; telkens verwachtte hij, het hoofd van een of andere ontzettende gedaante er langzaam uit te voorschijn te zien komen, welke verwachting hem gek maakte van angst. Tegen den muur stonden, in slagorde geschaard, een lange rij houten planken, allen van denzelfden vorm; in het schemerige licht geleken zij spoken met opgetrokken schouders en de handen in de broekzakken. Op den vloer lagen metalen doodkist-plaatjes, houtspaanders, spijkers met dikke koppen en stukjes zwart laken verspreid en de muur achter de toonbank was versierd met de goedgelijkende voorstelling van twee aansprekers met stijve stropdassen om, op wacht in de deur van een voornaam huis, terwijl in de verte een lijkkoets, met vier paarden bespannen, naderde. De werkplaats was warm en benauwd en als doortrokken van de lucht, die de lijkkisten uitwademden. Het hoekje onder de toonbank, waar zijn kapok matras was gespreid, zag er uit als een graf.
Dit waren niet de eenige verdrietige gevoelens, waardoor Oliver gedrukt werd. Hij was alleen in een vreemd huis en wij weten allen, hoe verlaten en neerslachtig zelfs de moedigsten van ons zich onder zulke omstandigheden soms voelen. De jongen had geen vrienden, waar hij om gaf, of die om hem gaven. In zijn hart heerschte geen droefheid om een scheiding, nog versch in 't geheugen; geen gedachte aan het afzijn van een lief gelaat bezwaarde zijn borst. Maar toch was zijn hart beklemd, en toen hij in zijn smalle legerstêe kroop, wenschte hij, dat 't zijn doodkist ware en dat hij in een rustigen slaap voor altoos op het kerkhof zou worden gelegd, waar het hooge gras vriendelijk golfde boven zijn hoofd en de klank van de oude torenklok hem toezong in zijn slaap.
Den volgenden morgen werd Oliver gewekt doordat er hard tegen de buitendeur van de werkplaats werd geschopt; eer hij zijn kleeren aan kon schieten, werd het driftige, brutale geschop meer dan vijf en twintig maal herhaald. Terwijl hij de ketting van de deur deed, hielden de voeten op en liet een stem zich hooren.
„Doe je haast open?” schreeuwde de stem, die bij de beenen behoorde, die tegen de deur hadden geschopt.
„Dadelijk, meneer,” antwoordde Oliver, terwijl hij de ketting losmaakte en den sleutel omdraaide.
„Jij bent zeker de nieuwe jongen?” vroeg de stem door het sleutelgat.
„Ja, meneer,” antwoordde Oliver.
„Hoe oud ben je?” vroeg de stem verder.
„Tien, meneer,” antwoordde Oliver.
„Dan krijg je een pak slaag als ik binnen ben,” zei de stem, „dat zal je eens zien, rekel uit het armhuis!”
Toen ze deze aangename belofte had gedaan, begon de stem te fluiten.
Oliver had te dikwijls de kunstbewerking ondergaan, waarop de bovengenoemde woorden doelden, om niet overtuigd te zijn, dat de eigenaar van de stem, wie hij ook zijn mocht, zijn belofte op de meest eervolle wijze zou vervullen. Met bevende hand schoof hij de grendels terug en deed de deur open.
Gedurende een paar seconden keek Oliver aan weerskanten de straat langs en naar den overkant; hij meende, dat de onbekende, die hem door het sleutelgat had toegesproken, een eindje op was geloopen om zich te warmen, want hij zag niemand als een dikke jongen, die op een paaltje vóór het huis een boterham zat te eten; met een knipmes sneed hij er stukken af zoo groot als zijn mond en at die dan vlug op.
„Neem me niet kwalijk, meneer,” zei Oliver eindelijk, toen hij geen anderen bezoeker zag verschijnen, „hebt u geklopt?”
„Ik heb geschopt,” antwoordde de jongen.
„Hebt u een doodkist noodig?” vroeg Oliver onschuldig.
Hierop keek de jongen woest-nijdig en zei, dat Oliver er zelf wel gauw een noodig zou hebben, als hij op die manier zijn meerderen voor den gek hield.
„Jij weet zeker niet wie ik ben, weesjongen?” ging hij voort, terwijl hij met voorbeeldige waardigheid van het paaltje af kwam.
„Nee, meneer,” stemde Oliver toe.
„Ik ben meneer Noah Claypole,” zei de jongen, „en jij staat onder mij. Neem de luiken af, luie rekel!”
Met deze woorden gaf meneer Claypole Oliver een schop en stapte den winkel binnen met een deftigheid, die hem werkelijk als verdienste aangerekend kon worden. Voor een lummelige jongen met een groot hoofd, een dom gezicht en kleine oogjes, is het onder alle omstandigheden een kunst er deftig uit te zien, maar 't is nog grooter kunst, wanneer deze persoonlijke aantrekkelijkheden vermeerderd worden door een rooden neus en gele pokvlekken.
Oliver had de luiken afgenomen en bij zijn pogingen om het eerste zware luik naar een binnenplaatsje naast het huis te sjouwen, waar zij overdag bewaard werden, een ruit gebroken; verder werd hij vriendelijk geholpen door Noah, die, na hem getroost te hebben met de verzekering, dat hij „er van langs zou krijgen,” zich wel verwaardigde hem bij te staan.
Spoedig daarop kwam Mr. Sowerberry beneden. Een oogenblik later verscheen juffrouw Sowerberry en nadat Noah's voorspelling, dat Oliver „er van langs zou krijgen” in vervulling was gegaan, volgde deze het bedoelde jongmensch naar beneden om te ontbijten.
„Kom bij 't vuur zitten, Noah,” zei Charlotte, „ik heb een lekker stukje spek van 't ontbijt van den baas voor je achter gehouden. Oliver, doe de deur dicht achter meneer Noah en eet op, wat ik voor je op die pannedeksel heb gelegd. Hier is je thee, drink die op op die kist daar en haast je wat, want ze hebben je boven noodig om op de winkel te letten.”
„Hoor je, weesjongen?” zei Noah Claypole.
„Hè, Noah,” zei Charlotte, „wat ben jij een ondeugd! Waarom laat je die jongen niet met rust?”
„Met rust laten!” zei Noah, „nou, wat dat betreft, ze laten 'm genoeg met rust. Z'n vader of z'n moeder zullen 't 'm nooit moeielijk maken. En z'n familie laat 'm net doen wat-ie wil. Nou Charlotte? Ha! ha! ha!”
„Gekke vent!” zei Charlotte en barstte in een hartelijken lach uit, waarmee Noah instemde; daarna keken zij beiden minachtend naar Oliver Twist, die rillend op de kist zat in het koudste hoekje van de kamer en zich te goed deed aan de overgeschoten brokken, met opzet voor hem bij elkaar gezocht.
Noah was wel door de liefdadigheid opgevoed, maar geen weesjongen uit het armhuis. Hij was geen vondeling, want hij kon zijn geslachtslijst tot aan zijne ouders nagaan. Zij woonden in de buurt; zijn moeder was waschvrouw en zijn vader een dronken soldaat, die uit den dienst ontslagen was met een houten been en een pensioen van twee en een halve penny per dag plus een toeslag, zóó klein, dat ik er geen naam voor weet. De leerjongens uit de buurt plachten langen tijd Noah op straat te brandmerken met de smadelijke namen van „Leerbroek!” „Bedeelde!” en dergelijke, en Noah verdroeg ze zonder tegenspraak. Maar nu het lot hem in aanraking bracht met een weesjongen zonder naam, dien de minste met den vinger kon nawijzen, nu droeg hij de ondergane vernedering met woekerwinst op deze over. Hierin ligt prachtige stof voor overdenking. Het toont aan, wat een mooi ding de menschelijke natuur kan worden en hoe onpartijdig dezelfde beminnelijke eigenschappen zich vertoonen in den voornaamsten edelman en den vuilsten straatjongen.
Oliver was ongeveer drie weken of een maand bij den lijkbezorger. De winkel was gesloten—meneer en juffrouw Sowerberry zaten in de kleine achterkamer aan het avondeten, toen de baas, na eenige schuchtere blikken in de richting van zijn vrouw gezonden te hebben, begon:
„Vrouwtje”—Hij wou meer zeggen, doch daar juffrouw Sowerberry met een bijzonder weinig toeschietelijk gezicht opkeek, bleef hij steken.
„Nou?” vroeg juffrouw Sowerberry scherp.
„Niets, vrouwtje, niets,” zei Sowerberry.
„Je bent 'n lomperd!” zei juffrouw Sowerberry.
„Toch niet vrouwtje,” zei Sowerberry nederig. „Ik dacht, dat je 't liever niet zou hooren. Ik wou alleen maar zeggen—”
„O, begin maar niet over wat je zeggen wou,” viel juffrouw Sowerberry in. „Ik tel niet mee; je hoeft mij nergens in te halen. Ik wil me niet in je geheimen dringen.”
Terwijl juffrouw Sowerberry dit zeide, liet zij een hysterisch lachje hooren, dat op verschrikkelijke gevolgen wees.
„Maar vrouwtje,” zei Mr. Sowerberry, „ik wou juist je raad vragen.”
„Nee, nee, laat dat maar,” antwoordde juffrouw Sowerberry met een gemaakte stem; „vraag aan iemand anders raad.”
Hier volgde een tweede hysterische lachuitbarsting, die Mr. Sowerberry ten zeerste verontrustte. Dit is bij de vrouwen een zeer algemeene en zeer gewaardeerde manier van handelen, die zelden haar uitwerking mist. Mr. Sowerberry werd er plotseling door genoopt als een speciale gunst te verzoeken, aan juffrouw Sowerberry datgene te mogen vertellen, waarnaar zij brandde van nieuwsgierigheid. Na een korte woordenwisseling van zoowat drie kwartier werd het verlof op de meest welwillende wijze verleend.
„'t Is maar over Twist, vrouwtje,” zei Mr. Sowerberry. „Hij ziet er heel goed uit.”
„Geen wonder, want hij eet genoeg,” merkte de vrouw des huizes op.
„Zijn gezicht heeft een merkwaardige uitdrukking van melancholie, vrouwtje,” hernam Mr. Sowerberry, „Hij zou prachtig zijn voor doodbidder, schat.”
Juffrouw Sowerberry keek op met een uitdrukking van groote verwondering. Sowerberry merkte 't op en zonder zijn vrouw tijd te laten, een opmerking te maken, ging hij voort:
„Ik bedoel niet een gewone doodbidder, om dienst te doen bij groote menschen, maar alleen bij kinderen. 't Zou iets heel nieuws zijn, vrouwtje, een doodbidder te hebben in evenredigheid met het lijk. Je kan der van op an, 't zou opgang maken.”
Juffrouw Sowerberry, die veel oog had voor het lijkbezorgers-vak, was zeer getroffen door het nieuwe van dit denkbeeld, doch daar het in de gegeven omstandigheden beneden haar waardigheid zou zijn, dit te erkennen, vroeg zij alleen op scherpen toon, waarom zulk een voor de hand liggend idee niet eerder in het hoofd van haar man was opgekomen. Mr. Sowerberry nam dit niet ten onrechte op als instemming met zijn voorstel; daarom werd er terstond toe besloten, dat Oliver onmiddellijk in de geheimen van het vak zou ingewijd worden en dat hij tot dit doel zijn meester zou vergezellen bij de eerste de beste gelegenheid, dat zijn diensten gevraagd werden.
Die gelegenheid liet niet lang op zich wachten. Den volgenden morgen, een half uur na het ontbijt, kwam Mr. Bumble de werkplaats binnen; hij zette zijn wandelstok tegen de toonbank en haalde zijn groote, leeren zakportefeuille te voorschijn; hier nam hij een reepje papier uit en stelde het Sowerberry ter hand.
„Aha!” zeide de lijkbezorger, terwijl hij het met een vroolijk gezicht doorlas „een bestelling voor een doodkist, zie ik.”
„Ten eerste voor een doodkist en dan voor een begrafenis van de Gemeente,” antwoordde Mr. Bumble, terwijl hij den riem van de portefeuille, die evenals hij zelf zeer zwaarlijvig was, toegespte.
„Bayton,” zei de lijkbezorger, terwijl hij van het reepje papier naar Mr. Bumble keek, „die naam heb ik nooit gehoord.”
Bumble schudde het hoofd en hernam: „Koppige lui meneer Sowerberry, heel koppig. En trotsch er bij, vrees ik.”
„Trotsch? wat u zegt!” riep Sowerberry uit met een grijns. „Nee maar, dat is te veel.”
„O, 't is om misselijk van te worden,” antwoordde de bode. „Je zou er je gal bij uitspuwen, meneer Sowerberry!”
„Zeg u dat wel,” stemde de lijkbezorger toe.
„We hebben eergisterenavond pas van dat gezin gehoord,” zei de bode, „en we zouden nog niets van ze geweten hebben, maar een vrouw, die in hetzelfde huis woont, vroeg aan het armbestuur om den armendokter te sturen bij een vrouw, die erg slecht lag. De dokter was uit eten, maar zijn leerling (een heele knappe jongen) stuurde dadelijk een drankje in een schoensmeerfleschje.”
„Nou, dat noem ik een vlugge bediening,” zei de lijkbezorger.
„Ja, vlug was 't wel!” hernam de bode. „Maar wat is het gevolg? wat doet dat ondankbare gespuis? De man stuurt een boodschap terug, dat het drankje niet was wat zijn vrouw noodig heeft en dat zij het dus niet in zou nemen—ze zou het niet innemen, mijnheer! Een lekker, krachtig, gezond drankje, dat nog geen week geleden met het beste gevolg werd ingenomen door twee Iersche werklui en een kolendrager—ze kregen 't ook voor niets in een schoensmeerfleschje—en hij stuurt de boodschap, dat zij 't niet in zal nemen!”
Terwijl de onbeschaamdheid zich voor Mr. Bumble's verbeelding in volle kracht vertoonde, sloeg hij hard met zijn stok tegen de toonbank en werd vuurrood van verontwaardiging.
„Nee,” zei de lijkbezorger, „zoo iets heb ik nog nooit gehoord.”
„Nooit, meneer!” riep de bode uit. „Niemand heeft zoo iets ooit gedaan; maar nou is ze dood en we hebben haar te begraven gekregen; hier is het briefje, en hoe eer het gebeurt, hoe beter.”
Dit zeggende zette Mr. Bumble in hevige opgewondenheid zijn steek achterste voren op zijn hoofd en stoof de werkplaats uit.
„Kijk, hij was zoo kwaad, Oliver, dat hij heelemaal vergat naar jou te vragen,” zei Sowerberry, terwijl hij den bode nakeek, die de straat uitstapte.
„Ja, meneer,” zei Oliver, die gedurende het gesprek zorgvuldig uit het gezicht was gebleven; hij beefde van het hoofd tot de voeten, wanneer hij maar aan het geluid van Mr. Bumble's stem dacht. Hij had echter niet voor Mr. Bumble's oogen behoeven weg te kruipen, want die waardige beambte, op wien de voorspelling van den heer met het witte vest grooten indruk had gemaakt, dacht het, nu de lijkbezorger Oliver op proef had, maar 't best, dit onderwerp te vermijden, totdat de jongen voor zeven jaar vast verbonden en alle gevaar, dat hij ooit weer ten laste van de Gemeente zou komen, van de baan was.
„Kom,” zei Sowerberry, terwijl hij zijn hoed nam, „hoe eer dat karweitje gedaan is, hoe beter. Noah, let op de winkel. Oliver, zet je muts op en ga mee.”
Oliver gehoorzaamde en volgde zijn baas op zijn ambtelijken tocht. Ze liepen een tijdlang voort, door het drukste en dichtst bewoonde deel van de stad; eindelijk sloegen zij een steegje in, vuiler en armoediger dan zij nog doorgegaan waren en stonden stil om het huis te zoeken, dat het doel was van hun tocht. De huizen aan beide kanten waren hoog en groot, maar heel oud en bewoond door menschen uit de armste volksklasse; dit bleek reeds uit den verwaarloosden toestand, waarin die huizen verkeerden, zonder dat hier de getuigenis aan toegevoegd behoefde te worden, uitgesproken door het verslonste uiterlijk van de enkele mannen en vrouwen, die met over elkaar geslagen armen en gebogen lichamen voorbijslopen. Verscheidene van de gebouwen waren winkelhuizen, doch de winkels waren gesloten en in verval; alleen de bovenkamers werden bewoond. Sommige huizen, die in elkaar dreigden te vallen door ouderdom en verwaarloozing, werden gestut door groote houten palen, waarvan het ééne eind tegen den muur en het andere stevig in de straat geplant was; doch zelfs deze bouwvallige holen schenen eenige ellendige dakloozen tot nachtverblijf te dienen, want verscheidene van de ruwe planken, die deuren en ramen vervingen, waren van hun plaats getrokken, om een opening vrij te laten, wijd genoeg om doorgang te gunnen aan een menschelijk lichaam. De goot was verstopt en smerig. Zelfs de ratten, die er hier en daar in lagen, schenen te verhongeren.
De open deur, waarvoor Oliver en zijn meester stil stonden, had klopper noch bel; de lijkbezorger liep voorzichtig op den tast door de donkere gang; hij zei aan Oliver, dicht achter hem te blijven en niet bang te zijn en klom zoo de eerste trap op. Toen hij op het portaal tegen een deur aanliep, klopte hij er met zijn knokkels tegen. Een meisje van dertien of veertien jaar deed open. De lijkbezorger zag onmiddellijk genoeg van de kamer om te weten, dat dit de woning was, waarheen men hem gezonden had. Hij ging naar binnen, Oliver volgde. Er brandde geen vuur in de kamer, doch een man zat als uit gewoonte vlak bij de uitgedoofde kachel. Ook een oude vrouw had een laag stoeltje bij den kouden haard getrokken en zat naast hem. In een anderen hoek zaten eenige kinderen in lompen en in een kleine alkoof tegenover de deur lag op den grond iets met een oude deken bedekt. Oliver huiverde, toen hij zijn oogen naar die plek wendde en kroop onwillekeurig dichter tegen zijn meester aan; want ofschoon er een deken overheen lag, voelde de jongen, dat het een lijk was.
Het gezicht van den man was mager en heel bleek; zijn haar en baard waren grijsachtig, zijn oogen met bloed doorloopen. Het gezicht van de oude vrouw was gerimpeld; haar twee eenig overgebleven tanden staken vooruit over haar onderlip en haar oogen waren glanzend en scherp van blik. Oliver werd angstig als hij haar of den man aankeek. Ze deden hem denken aan de ratten, die hij buiten had gezien.
„Niemand zal bij haar komen,” zei de man, terwijl hij woest opsprong, toen de lijkbezorger naar de alkoof ging. „Terug! verdomd! terug! als je leven je lief is!”
„Nonsens, goeie vriend,” zei de lijkbezorger, die vrijwel gewend was aan 't zien van ellende in allerlei vormen. „Nonsens!”
„Ik zeg je,” zei de man handenwringend en woedend op den grond stampend, „ik zeg je, dat ik haar niet in den grond gestopt wil hebben. Ze zou er geen rust vinden. De wormen zouden haar alleen pijn doen—ze kunnen haar niet opeten—ze is te veel uitgeteerd!”
De lijkbezorger antwoordde niet op deze wanhoopswoorden; hij haalde een touw uit zijn zak en knielde een oogenblik bij het lijk neer.
„O!” kreet de man, in tranen uitbarstend en op de knieën vallend aan de voeten van de doode, „kniel neer, kniel neer, kniel om haar neer, jullie allemaal en luister naar wat ik zeg! Zij is doodgehongerd. Ik wist niet hoe slecht zij er aan toe was vóór zij de koorts kreeg en toen staken haar beenderen door haar vel heen. Er was geen vuur en geen licht, zij stierf in donker, in donker! Zij kon niet eens de gezichten van haar kinderen zien, ofschoon wij hoorden, dat ze hun namen stamelde. Ik heb voor haar gebedeld op straat en ze stuurden me naar de gevangenis. Toen ik terugkwam, was zij stervend en al het bloed in mijn aderen is verdroogd, want ze lieten haar verhongeren. Dat zweer ik voor God, die het zag! Ze lieten haar verhongeren!” Hij woelde met de handen door zijn haar, gaf een luiden kreet en rolde zich om en om op den grond met starende oogen en schuim op den mond.
De verschrikte kinderen begonnen bitter te schreien, doch de oude vrouw, die tot nu toe zoo onbewegelijk had gezeten, alsof zij niet hoorde wat er voorviel, maakte een dreigend gebaar, tot zij ophielden. Zij maakte de das los van den man, die nog op den grond lag en kwam met wankele stappen naar den lijkbezorger toe.
„Zij was mijn dochter,” zei de oude vrouw met een knik in de richting van het lijk; op haar gezicht lag een idiote grijns, vreeselijker zelfs dan de tegenwoordigheid van den dood op zulk een plaats. „Heere God! Is 't geen wonder, dat ik haar ter wereld bracht en toen al een vrouw was, dat ik nou leef en vroolijk kan zijn en zij daar ligt, koud en stijf! Heere God!—dat te denken; 't lijkt wel een comedie—'t lijkt wel een comedie!”
Terwijl het ongelukkige schepsel in haar griezelige vroolijkheid mummelde en grinnikte, maakte de lijkbezorger zich gereed om heen te gaan.
„Wacht! wacht!” zei de oude vrouw, scherp fluisterend. „Wordt ze morgen begraven of overmorgen of vanavond? Ik heb haar afgelegd en ik wil meeloopen, zie je. Stuur me een wijden mantel—een goede warme, want 't is leelijk koud. En vóór we gaan, moeten we koeken hebben en wijn! Of dat hoeft niet; stuur maar wat brood—één broodje maar en een kopje water. Krijgen we brood, goeie man?” vroeg zij onstuimig en hield den lijkbezorger bij zijn jas vast, toen hij opnieuw naar de deur ging.
„Ja, ja,” zei de lijkbezorger, „natuurlijk. Alles wat je maar wilt!” Hij maakte zich los uit haar handen, trok Oliver mee en ging haastig weg.
Den volgenden dag (de familie was intusschen onthaald op een broodje en een stuk kaas, door meneer Bumble in eigen persoon gebracht) gingen Oliver en zijn meester opnieuw naar de ellendige woning; Mr. Bumble was er reeds, vergezeld door vier mannen uit het armhuis, die als dragers dienst moesten doen. De oude vrouw en de man hadden elk een oude zwarte jas gekregen om hun lompen te bedekken; de ruwhouten kist werd dichtgeschroefd, op de schouders van de dragers geheschen en naar buiten gebracht.
„Nou oudje, nou je beste beentje voor,” fluisterde Sowerberry de oude vrouw in het oor, „we zijn een beetje laat en 't zou geen pas geven, dominee te laten wachten. Vooruit mannen—zoo gauw als je wilt!”
Aldus aangemoedigd stapten de dragers met hun lichten last voort en de beide rouwdragenden bleven zoo dicht bij hen als zij konden. Mr. Bumble en Sowerberry liepen een knap eindje vooruit en Oliver, die niet zulke lange beenen had als zijn meester, draafde naast hen.
Het was echter niet zoo noodzakelijk haast te maken, als meneer Sowerberry had beweerd, want toen zij op het sombere kerkhofhoekje met de brandnetels, waar de graven der armen gegraven werden, waren aangekomen, was de dominé er nog niet; en de koster, die in de sacristy bij het vuur zat, dacht dat het best nog een uurtje kon duren eer hij kwam. Dus zetten zij de lijkbaar aan den rand van het graf en de twee rouwdragenden zaten geduldig in den neerdruilenden kouden motregen op den vochtigen grond te wachten, terwijl eenige in lompen gekleede jongens, door het schouwspel naar het kerkhof gelokt, tusschen de grafsteenen luidruchtig verstoppertje speelden of voor afwisseling over de doodkist heen en weer sprongen. Sowerberry en Bumble, die persoonlijk met den koster bevriend waren, zaten met hem bij het vuur de courant te lezen.
Eindelijk, na een tijdsverloop van meer dan een uur, kon men Sowerberry en Bumble en den koster naar het graf zien hollen. Dadelijk daarna verscheen de geestelijke, onder het loopen zijn ambtskleed aanschietend. Voor zijn fatsoen gaf Mr. Bumble één of twee jongens een paar klappen; de geestelijke heer las zooveel van den lijkdienst als in vier minuten afgeraffeld kon worden, gaf zijn opperkleed aan den koster en ging zijns weegs.
„Nou Bill,” zei Sowerberry tot den doodgraver, „gooi 't maar dicht!”
Dat was geen moeielijk werk, want het graf was zoo vol, dat de bovenste doodkist slechts enkele voeten onder de oppervlakte lag. De doodgraver schepte de aarde er in, stampte ze losweg aan met zijn voeten, nam zijn spade op den schouder en ging heen, gevolgd door de jongens, die hardop mopperden omdat de pret zoo gauw voorbij was.
„Kom vriend,” zei Bumble en klopte den man op zijn rug, „'t kerkhof wordt gesloten.”
De man, die zich niet bewogen had vanaf het oogenblik, dat hij zijn plaats bij het graf had ingenomen, schrikte op, hief zijn hoofd op, staarde den man, die hem had toegesproken aan, deed een paar stappen en viel bewusteloos neer. De krankzinnige oude vrouw was te zeer verdiept in het schreien over 't verlies van haar mantel (dien de lijkbezorger haar weer had afgenomen) om op hem te letten, dus gooiden ze een kan koud water over zijn hoofd; toen hij bijkwam, wachtten ze tot hij veilig buiten het kerkhof was, sloten het hek en gingen ieder hun eigen weg.
„Wel Oliver,” zeide Sowerberry, terwijl zij naar huis liepen, „hoe bevalt 't je?”
„'t Gaat nogal meneer” antwoordde Oliver, met een merkbare aarzeling. „Niet erg best, meneer.”
„Je zult er gauw genoeg aan wennen, Oliver,” zeide Sowerberry. „'t Is niks als je er eenmaal aan gewend bent, mijn jongen.”
Oliver dacht er in stilte over of het erg lang geduurd zou hebben eer meneer Sowerberry er aan gewend was. Doch 't scheen hem beter er niet naar te vragen en hij liep terug naar de werkplaats in gepeins over al wat hij gezien en gehoord had.