WeRead Powered by ReaderPub
De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem cover

De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

Chapter 12: Davids Lijkklacht OVER SAUL EN ZIJN ZONEN.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een poëtische uitbreiding op Psalm 122 bezingt Jeruzalem en wisselt rouw over verwoesting af met vreugde over herbouw, waarbij tempel, paleis en priesterlijke rituelen uitgebreid worden uitgestald. Offers, heilige muziek en de liturgische sfeer krijgen levendige beschrijvingen, terwijl het verlangen naar verzoening en de komst van de Messias terugkerende thema's zijn. De stad wordt voorgesteld als paradijselijk centrum van majesteit, rechtspraak en vrede, met rijke natuur- en bouwbeelden. Naast het loflied omvat de verzameling ook korte occasionele gedichten, zoals een grafschrift en een huwelijksode, die verschillende toonzettingen en sociale gelegenheden belichten.

Davids Lijkklacht
OVER
SAUL EN ZIJN ZONEN.

De braafsten, die gij hebt gedragen,
O Isrel! leggen nu verslagen
Op uwe bergen. Wat geweld
Of 't puik der mannen hebb' geveld?
Verhaalt dit niet aan onz' misgonners
Te Gath, noch meldt toch d' Ascalonners
Op hunne straten 't ongeval,
Door uw luidruchtig lijkgeschal:
Om niet de maagdelijke reyen
Des Filistijns ten dans te leyen:
Dat 's onbesnedens dochters niet
Gaan lachen over ons verdriet.
O Gilboa! dat dauw noch regen
Voortaan uw hooge toppen zegen
Met loof en gras, noch d' akker draag
Zijn tiende, die Gods hut behaag:
Want op uw hoogte en open velden
Ontzeeg de schild en 't hart der helden:
De schild van Saül in den strijd;
Als had hem God nooit ingewijd.
De boog van Jonathan en 't snedig[1]
Geweer[2] van Saül kwam nooit ledig
In 't hof, maar vuil van vijands bloed
En 't vet der dappren, trotsch van moed.
Die Jonathan, die Saül minnelijk,
En beide schoon en onverwinnelijk,
Terwijl ze leefden, kon de dood
Niet scheiden, in den jongsten nood.
Geen arends vleugels waren sneller,
Geen kies noch klaauw van leeuwen feller.
Och, Abrams dochters! schreit op 't lijk
Van Saül, fluks[3] nog vorst van 't rijk:
Die u met purperen gewaden
Bekleedde, en 't kleed met puikcieraden,
Gesteente en goud te sieren plag.
O, onvergetelijken slag!
Hoe stortten daar de vroomste koppen!
O Gilboa! op uwe toppen
Viel d' onversaagdste en stoutste man,
Die grootste krijgsheld Jonathan.
Och, Jonathan, mijn zoet vertrouwen!
Mij zoeter dan de min der vrouwen,
Mijn broeder, dus verongelukt!
Nu voel ik, hoe uw dood mij drukt!
Geen moeders hart had zoo verkoren
Het eenig pand, uit haar geboren,
Als ik uw ziel, o heldenheer!
Hoe kwaamt gij om met uw geweer[4]!

[1] Hier voor snijdend.

[2] wapen.

[3] korts, kortelings.

[4] in uwe wapenen.