WeRead Powered by ReaderPub
De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem cover

De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

Chapter 14: Babylonische Gevangenis PSALM CXXXVI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een poëtische uitbreiding op Psalm 122 bezingt Jeruzalem en wisselt rouw over verwoesting af met vreugde over herbouw, waarbij tempel, paleis en priesterlijke rituelen uitgebreid worden uitgestald. Offers, heilige muziek en de liturgische sfeer krijgen levendige beschrijvingen, terwijl het verlangen naar verzoening en de komst van de Messias terugkerende thema's zijn. De stad wordt voorgesteld als paradijselijk centrum van majesteit, rechtspraak en vrede, met rijke natuur- en bouwbeelden. Naast het loflied omvat de verzameling ook korte occasionele gedichten, zoals een grafschrift en een huwelijksode, die verschillende toonzettingen en sociale gelegenheden belichten.

Babylonische Gevangenis
PSALM CXXXVI.

Toen wij, te Babylon geketend, daaglijks droever,
Ons harpen hingen aan de wilgen, die den oever
Der onverzoenbre Eufraat beschaduwden met groen;
En aan Jeruzalem en 't vaderland gedachten,
En aan d' altaren, daar wij God te dienen plachten,
En Levi ons met mann' des Godsdiensts plag te voên:
Toen scheen ons aangezicht van droefheid te verouden.
De boezem zuchten loosde, en de oogen parlen douwden;
Want d' overwinners ons beloegen[1] in ons kruis,
En spraken: "weest getroost, gij 's Hemels uitverkoren,
Nu laat ons eens een lied en blijden lofzang hooren,
En zingt eens, zoo gij placht, in uw godsdienstig huis!"
"Och!" spraken wij, "wien zou gelusten nog te zingen,
Nu wij, zoo veer van huis, bij woeste vreemdelingen,
Zijn ieders tijdverdrijf, en guichelspel, en hoon!"
Jeruzalem, eer gij in mijn gemoed zult sterven,
Eer zal mijn rechte hand haar zoete snaren derven;
Eer zal mijn schelle harp mij weigren haren toon.
Gewijde vloeren, en gij schoon gebouwde bogen,
En heiligdommen, die nog glinstert in onze oogen;
Och, Sion! eer gij laat te zijn ons hoogste goed,
Ons weelde, ons vrolijkheid, ons vaarzen, en gezangen;
De tong zal eer verdroogd in 't mondgehemelt hangen,
Eer dat van elders vreugd verrijze in ons gemoed.
Gedenk, o Heer! gedenk de razende Edomieten;
Die, in 't verdelgen van den roem der Isralieten,
Vast kreten: "af, rein[2] af, tot op den lesten steen!
Verwoest, en brandt, en blaakt; brengt ijzer aan, en vuurwerk:
Men draag geen kerk ontzag! verloopen is haar uurwerk;
Men trap haar, die u zoo balddadig heeft getreên!"
Bloeddorstig Babylon! hoe stout gij u durft roemen,
Men zal in 't ende den verdelger zalig noemen,
Die u vergelde al 't wreede, ons aangedane kwaad;
Dan zal men roepen; "o, gelukkig zijt gij, Perzen!
Die Sions onrecht wreekt, en die de teedre hersen[3]
Van Babels zuigeling op rotsen klitst[4] en slaat."

[1] Thans belachte; verg. vroeger.

[2] Germ. voor zuiver, heelendal.

[3] hersenen.

[4] klatst, anders kletst; even als smilt, bij Vondel, voor smelt.