WeRead Powered by ReaderPub
De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem cover

De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

Chapter 38: NEREUS'[1] VOORSPELLING OP Den Ondergang van Troje; UIT HORATIUS.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een poëtische uitbreiding op Psalm 122 bezingt Jeruzalem en wisselt rouw over verwoesting af met vreugde over herbouw, waarbij tempel, paleis en priesterlijke rituelen uitgebreid worden uitgestald. Offers, heilige muziek en de liturgische sfeer krijgen levendige beschrijvingen, terwijl het verlangen naar verzoening en de komst van de Messias terugkerende thema's zijn. De stad wordt voorgesteld als paradijselijk centrum van majesteit, rechtspraak en vrede, met rijke natuur- en bouwbeelden. Naast het loflied omvat de verzameling ook korte occasionele gedichten, zoals een grafschrift en een huwelijksode, die verschillende toonzettingen en sociale gelegenheden belichten.

NEREUS'[1] VOORSPELLING
OP
Den Ondergang van Troje;
UIT HORATIUS.

Toen de trouwelooze herder[2]
Zijne huiswaardin Heleen[3],
Met de vloot van Ide[4], heen
Over zee sleepte, altijd verder,
Bond God Nereus, naar zijn' zin,
Dus de snelle winden in,
Om dien droeven val te spellen:
"Och! hij voert, ter kwader ure,
Thuis, die met een oorloogstocht
Wordt hereischt, en thuis gebrocht
Van den Griek en nagebure;
Die, gestoord om 't ongelijk,
Zwoer, 't aloude Priaams rijk,
En uw bruiloftsfeest te storen.
Och, hoe zweet soldaat en ruiter!
Och, wat haalt ge den Dardaan[5]
En zijn volk al plagen aan!
Pallas wapent den vrijbuiter[6].
Wagen, helm, en beukelaar
Rust ze toe, en raast. Voorwaar,
Gij zult u vergeefs verlaten
Op den bijstand der Godinne[7],
En uw lokken kemmen fier,
Spelende, op uw bloode[8] lier,
Wijzen, die uw lief en minne
De ooren kitlen, en om niet
In uw kamer vliên 't geschiet
Van den Griekschen boog en schichten;
Voor[9] Kretenzer punt en pezen,
En 't gedruisch van Ajax' vaan,
Die u kort volgt achter aan;
Maar ten leste als een verwezen,
Zult ge uw overspellig[10] haar
Zien begruisd van stof, te naar.
Ziet ge Ulysses niet van achter,
Die uw huizen komt vernielen?
Ziet gij ouden Nestor niet,
Die van Pylus derwaarts schiet?
Teucer zit u op de hielen,
Van zijn eiland Salamin;
Sthenelus zet dapper in,
Afgerecht op oorelogen;
Afgerecht op paardemennen,
En den wagen in den slag;
Wat vorst Merion vermag,
Zult gij levend[11] leeren kennen;
Forsche Diomedes' zwaard,
Trotscher dan zijn vaders aard,
Raast, en streeft om u te vinden.
Gij, een suffert en vol schromen,
Zult, al hijgende van smart,
Voor hem vluchten, als een hart,
Dat den wolf in 't dal ziet komen,
En zijn grazen ras vergeet.
Anders luidt de heilige eed,
Uwe schoone bruid gezworen!
De verbolge vloot en kielen
Van Achilles rekken lang
Trojes tijd en ondergang,
En der joffren tijd en zielen.
Na tien jaren wederstand,
Zal de Grieksche torts de brand
In de Trooische daken steken."

[1] De Zeegod; zie vroeger.

[2] Paris.

[3] Menelaus' door hem geroofde gade.

[4] De bekende berg in Klein-Azië.

[5] Trojaan; zie vroeger.

[6] Voor den Griekschen krijgsman.

[7] Venus, aan wie Paris, in 't bekende pleit, de appel der schoonheid toegewezen had.

[8] Als geen kloek krijgsman past.

[9] Versta: vliên voor.

[10] Anders overspelig.

[11] Voor levendig, krachtig.