Hier legt een Roomsch poëet op d' oevers van Euxijn
[2].
Barbarische aarde dekt de glorie van 't Latijn.
Barbarische aarde dekt den meester der vrijagiën
[3],
Daar d' Ister
[4] heene bruischt langs rotsen en bosschagiën,
En Rome schaamt zich niet, dat het dien hoofdpoëet
Zoo wreed mishandelde, ook veel wreeder dan de Geet
[5].
Was in gans Russen
[6] dan niet eenen arts te vinden,
Die hem in 't kwijnen van zijn kwalen kwam ontbinden,
Het koude lichaam stoofde, en warmde in 't zachte bed?
Of met een zoete tong dien sterrefdag verzet?
Of in het uiterste den pols tastte, eer hij scheidde?
Of een hartsterking voor den doodsnik toebereidde?
Of de oogen toelook
[7], toen 't gezicht gebroken stond?
Of uit meêdoogendheid de ziel ving met den mond?
O strijdbaar Rome! gij verlette
[8] de oude vrienden,
Zoo wijd van Pontus, daar hem geen van allen dienden;
Men vond'er geen, noch neef, noch dochter, nochte
[9] vrouw,
Die hunnen vader troostte in ballingschap en rouw;
Recht, of hem slechts Koral
[10] en sture
[11] Bessen
[10] kwellen,
En Geten, tegens koû gedost met bonte vellen:
Recht, of een woest Sarmaat
[10], te paarde in sneeuw en koû,
Met zijn gestreng gezicht den kranken troosten zoû;
Een woest Sarmaat, wiens haar om hals en hoofd en ooren,
En wit behijzeld
[12] voor 't gezicht blinkt, stijf bevroren.
Nog wordt dit lijk van Bes, Korallen, en Sarmaat,
En wreeden Geet beschreid, in dien bedroefden staat.
De bergen, bosschen, en de wilde dieren weenen,
En d' Ister, in zijn kil, onthoudt zich niet van stenen.
Men zegt, dat Pontus, hard bevroren, op dien dag
De Zeegodin ontdooid in tranen smelten zag.
De Minnegoden noch hun moeder niet ontbreken,
Met hunne fakkelen het lijkhout aan te steken.
Zij sluiten 't overschot des dichters, hier verbrand
Tot stof en asschen, in een doodvat met hun hand.
Zij gaan het grafschrift kort op Naso's grafzerk snijen:
"Dees grafzerk overdekt den meester van het vrijen."
De moeder van de min sprengt, drie en vierwerf, trouw
De rustplaats van dit lijk met geur en zuivren douw.
O, zangrei! offert en vereert dien overleden
Een lijkklacht, rijker dan mijn zangkunst kan bekleeden
[13].