WeRead Powered by ReaderPub
De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem cover

De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

Chapter 41: Gekken te hoop.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een poëtische uitbreiding op Psalm 122 bezingt Jeruzalem en wisselt rouw over verwoesting af met vreugde over herbouw, waarbij tempel, paleis en priesterlijke rituelen uitgebreid worden uitgestald. Offers, heilige muziek en de liturgische sfeer krijgen levendige beschrijvingen, terwijl het verlangen naar verzoening en de komst van de Messias terugkerende thema's zijn. De stad wordt voorgesteld als paradijselijk centrum van majesteit, rechtspraak en vrede, met rijke natuur- en bouwbeelden. Naast het loflied omvat de verzameling ook korte occasionele gedichten, zoals een grafschrift en een huwelijksode, die verschillende toonzettingen en sociale gelegenheden belichten.

Gekken te hoop.

(OP 'T WOORD: DAAR IS ZOO IETS.)

Of dit òf dat, elk heeft al iet,
Tot 's naasten klein of groot verdriet:
De hanen trotschen op haar kam,
Het varken denkt: ik voer de ham,
De wevers-spoel loopt veel te knap,
Om om te zien na pelzers lap;
Maar wij Sciëntes[1] zijn geleerd,
't Is 't bonum mentis[1], dat ons eert;
Puf met het volkje zonder geest!
Wat is een leek meer als een beest?
Maar als 't al t' zaam wel is bezien,
Wat schelen doch die lieve liên,
Waar van elk trotst op zijn uitstek?
D' een is een nar, en d' aâr een gek.

[1] Latijn voor wetenschappelijke mannen, en het goed des geestes.

OP HET
VERONGELUKKEN[1] VAN DOCTOR ROSCIUS.

Zijn bruid t' omhelzen, in een beemd, bezaaid met rozen,
Of in het zachte dons, is geen bewijs van trouw;
Maar springende in een meer, daar 't water stremt van koû
En op de lippen vriest, zich te verreukeloozen[2];
Dat 's van twee uiterste het uiterste gekozen:
Gelijk mijn Roscius, beklemd van druk en rouw,
In d' armen houdt gevat zijn vreugd[3] en waarde vrouw,
En gloeit van liefde, daar 't al kil is en bevrozen.
Zij zuchtte: "och, lief! ik zwijm, ik sterf, ik ga te grond!"
Hij sprak: "schep moed, mijn troost!" en ving in zijnen mond
Haar adem en haar ziel; zij hemelde[4] op zijn lippen.
Hij volgt haar bleeke schim naar 't zalig Paradijs.
Vraagt iemand u naar trouw, zoo zeg: "zij vroos tot ijs,
En smolt aan geest, en hij ging met haar adem glippen."

[1] In 't ijs, bij een poging om zijn vrouw te redden; 27 Jan. 1624.

[2] onbeschroomd te wagen.

[3] Zoo lees ik voor vrucht.

[4] verhemelde, werd aan de aarde onttogen.


Op Anthony Roscius.

Hier ziet ge Roscius, door trouw verongelukt,
Dat niet één Kristenhart maar heele kerken drukt[1];
Op wien Gods gaven vroeg als druppels nedervielen,
En was gezalfd tot troost van lichamen[1] en zielen:
Der kruiden kracht hij vergde en voor het lichaam las[2],
En door 't beschreven Woord de kranke ziel genas.

[1] Roscius was predikant en geneesheer.

[2] plukte.