WeRead Powered by ReaderPub
De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem cover

De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

Chapter 44: STRIJD OF KAMP TUSSCHEN KUISCHHEID EN GEILHEID[1], GEHEILIGD AAN DE EERWAARDIGE EN AARDIGE JONKVROUWEN CATHARINA EN DIANIRA BAECK.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een poëtische uitbreiding op Psalm 122 bezingt Jeruzalem en wisselt rouw over verwoesting af met vreugde over herbouw, waarbij tempel, paleis en priesterlijke rituelen uitgebreid worden uitgestald. Offers, heilige muziek en de liturgische sfeer krijgen levendige beschrijvingen, terwijl het verlangen naar verzoening en de komst van de Messias terugkerende thema's zijn. De stad wordt voorgesteld als paradijselijk centrum van majesteit, rechtspraak en vrede, met rijke natuur- en bouwbeelden. Naast het loflied omvat de verzameling ook korte occasionele gedichten, zoals een grafschrift en een huwelijksode, die verschillende toonzettingen en sociale gelegenheden belichten.

STRIJD OF KAMP
TUSSCHEN KUISCHHEID EN GEILHEID[1],
GEHEILIGD AAN DE
EERWAARDIGE EN AARDIGE JONKVROUWEN

CATHARINA EN DIANIRA BAECK.

Opdracht.

Jonfers, op wiens kaakskens blozen,
Niet naturelijke rozen,
Maar die[2] zedigheid en schaamt'
Daar op dopte, zoo 't betaamt:
Die, zoo lang uw jaren rekken,
Bakens[3] zult ter deugde strekken:
Neemt in 't goede Kuischheids Kamp.
Als de rookerige lamp
Van mijn geest meer lichts wil jonnen,
Zal ik bet[4] vernoegen konnen.
Uwe verplichte
J. V. VONDELEN.

Aan het beekjen, dat er dwers
Lekt door 't boschjen, altijd versch,
En in 't vijvertje terstond
Zinkt de viskens in den mond;
Aan het beekje, dat steeds ebt[5],
En in duin zijn leven schept;
Op wiens oever goedes moeds
Nymfjes lobbren barrevoets;
In wiens kil natuur verleent
Keitjes, die men met 't gesteent
Van een welgeboren vrouw
Nimmermeer verwisslen zoû;
Op dit beekjen heeft op 't lest
Kuischheid zich een burg gevest,
En daar, uit zorgvuldigheid,
't Water drie maal om geleid.
Wit albast de vesten zijn,
Die men best bij zonneschijn
Uit de toppen blinken ziet
Van rieboordetjes[6] en riet.
Op dit slot staat een kapel,
Daar, met wind en snarenspel,
Een spierwitte maagdenrei
Mengt een Goddelijk geschrei[7].
't Licht, dat door het heilig glas
Blikkert, wordt van maagden-was
Nacht en dag steeds aangevoed.
't Wyrook ruikt er wonder zoet.
Maar der kunstenaren geest
Zweeft en leeft er aldermeest,
Hier de naald en daar 't pinceel,
In tapijt en op panneel.
Bij een kristalijne bron,
Schijnt Suzanne, kuischheids zon,
Te beschreyen 's levens licht,
En verwenscht het geil gezicht
Van twee grijzerts, die, vol brand,
Dingen naar het heilig pand,
Dat z' haar man heeft toegewijd.
Ziet eens, hoe de schaamte strijdt!
Hoe ze worstelt met de dood,
Om zoo dierbaren kleinood
Te bewaren ongeschend
Voor den bruigom, die ze erkent.
Elders, als een morgenstar,
Blinkt de bruid van Potifar,
En, aantrekkelijke pop!
Rukt, verliefd, voor Jozef op[8]
Haren boezem, daar het beeld
Van iet weeldigs inne speelt;
Boezem, die naauw aangeraakt
Hand en vingers zalig maakt.
Boezem, daar een afgods vriend,
Die op Isis'[9] feesten dient,
Om het offer zou versmaân,
En voor 't outer zich ontgaan.
Maar ziet ginder, hoe d' Hebreeuw[10],
Vliedt van 't lichaam, blank als sneeuw,
En zijn mantel onbesmet
Laat aan 't overspelig bed.
Elders ziet men, hoe Lucrees[11],
Als een doodshoofd, bleek van vrees,
Als het anders niet mag zijn,
Wordt ontheiligd van Tarquijn;
Wederom hoe zij terstond
Mettet staal haar zelven wondt,
En betuigt[12] het kuisch gemoed
Met de sprenkels van haar bloed.
Elders Dafne, lauwerboom,
Schaduw jont den waterstroom,
En haar voeten allebeî
Stronkelen in slibbrig klei.
Meer van diergelijke stof
Merkt men hier, de deugd tot lof.
Wie voor Kuischheid heeft gestreên,
Leeft door 's werelds eeuwen heen.
Venus, die te Pafos heerscht,
Was de geen, die d' aldereerst'
Dempen woû vrouw kuischheids stam,
En het slot berennen kwam;
Kwam 't bestoken met haar speer,
Met een groot ontallijk heer;
't Aterlingsche dwergjen loos
Zij tot 's legers maarschalk koos,
Deze, toegerust met boog,
Tros, en pijlen, moedig toog,
Als veldhoofdman, trotsch voor aan,
Wel gemoedigd om te slaan.
Jok, en lach, en boeverij,
Lusjes, kusjes, zotternij,
Steekjes, treekjes, en gevlei,
Pronkten met zijn leverei.
Kuischheid van haar tinne zag,
Met het krieken van den dag,
Hoe ze werd becingeld dicht
Van dat eerloos hoerewicht.
Daatlijk sprak zij, preutsch en fier,
Tot Cathrijn en Dianier:
"Op, trawanten, op! en gaat,
En de valbrug vallen laat!
Boodschapt Cypris[13], in mijn naam,
Dat z' haar met haar zoon niet schaam,
Tegen mij in 't veld alleen
Half gewapend uit te treên."
Beî, na 't oopnen van de poort
Traden ze uit, Cathrijn deê 't woord,
Als ze Venus in haar tent
Vond, met 't boefjen daar omtrent:
"Pafus' groote koningin,
Met uw stokebrand, de Min,
Neemt voor lief de groetenis
Van haar, die uw vijand is.
Om t' ontgaan 't lang oorloogsramp,
Zich erbiedt ze, een vrijen kamp
Aan te gaan, en is getroost
Dy te wachten, en uw[14] kroost."
Venus' moed[15] ontzonk de ziel,
Met dat d' handschoen[16] voor haar viel;
Min greep ze op. Dees metter vaart,
Haastten weder slotewaart[17].
't Was een lust t' aanschouwen, hoe
Men van weêrzijds rustte toe,
Om te leveren den strijd,
Half bedeesd en half verblijd.
Alle vensters lagen vol
Nonne-troniën, blank en bol,
Als haar vrouw ten vederspel[18]
Uitreed op een witte tel,
Met een rijdrok[19] hagelwit;
't Kleed, dat voegt haar daar ze zit,
Met haar speer, omgord wel stijf;
Pijlen ramlen aan haar lijf.
Cypris, en haar zoon, vol moeds
Werd getrokken in een koets,
Van twee zwanen, taai van schacht,
Die de min aandreef met kracht.
Venus, in het rennen heet,
Scheurd' haar vijands opperkleed,
Maar de Kuischheid van zich stak,
Dat de punt in 't herte brak.
"Wend, och wend!" kreet Cypris doen;
Als hij zag zijn moeder bloên,
Wild' hij keeren metter haast,
Maar zij greep hem zoo verbaasd,
Greep, en smeet hem metter hand,
Schier een steenworp verre in 't zand,
Dat hij van zoo zwaren val
Hinkt, en eeuwig hinken zal.
Daarmeê raakt in rep en roer
't Leger van deze Ooster hoer;
Ieder vlucht, een ieder vliedt,
Waar zij bleef, en weet ik niet.
Maar de Kuischheid, krijgsheldin,
Reed met zege slootwaart[20] in,
Daar Cathrijn en Dianier
Haar bekransten met laurier.
Finis.
J. VONDELIUS.

[1] Later onder den titel Lijfgevecht tusschen Kuischheid en Minne in Vondels gedichten opgenomen. Zie den aldus gewijzigden text bij Van Lennep II, blz. 215 en volgg. De oorspronkelijke verscheen in 't boekje Minne-plicht, alsmede Verscheyden aerdighe en geestighe nieuwe Liedekens en Sonnetten. T' Amsterdam, bij J. Aertsz. Colom, 1625; in het bezit van mijn kunstlievenden vriend Schinkel.

[2] Zoo lees ik voor de, dat waarschijnlijk een drukfeil wezen zal; versta die, welke.

[3] Klankspeling, naar den smaak der eeuw.

[4] beter.

[5] afvloeit.

[6] Anders raboorden, lischdodden, of duikelaars (in Overijsel toetebolten); over welke verg. Oudemans Flora van Nederland III, blz. 127.

[7] Min gelukkig voor zang.

[8] open.

[9] De Egyptische godin.

[10] Jozef.

[11] De Romeinsche Lucretia.

[12] getuigenis geeft van.

[13] Venus; zie vroeger.

[14] Bij 't voorafgaande dy ware hier dijn beter.

[15] gemoed, boezem, borst.

[16] ter uitdaging.

[17] slotwaarts.

[18] Versta: van de veders der pijlen; zooveel als oorlogsspel, of (naar de latere lezing) wapenspel.

[19] rijkleed.

[20] slotwaarts.