WeRead Powered by ReaderPub
De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem cover

De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

Chapter 46: Kristelijk Vrijagiëlied.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een poëtische uitbreiding op Psalm 122 bezingt Jeruzalem en wisselt rouw over verwoesting af met vreugde over herbouw, waarbij tempel, paleis en priesterlijke rituelen uitgebreid worden uitgestald. Offers, heilige muziek en de liturgische sfeer krijgen levendige beschrijvingen, terwijl het verlangen naar verzoening en de komst van de Messias terugkerende thema's zijn. De stad wordt voorgesteld als paradijselijk centrum van majesteit, rechtspraak en vrede, met rijke natuur- en bouwbeelden. Naast het loflied omvat de verzameling ook korte occasionele gedichten, zoals een grafschrift en een huwelijksode, die verschillende toonzettingen en sociale gelegenheden belichten.

Kristelijk Vrijagiëlied.

Op de WIJZE: Van Angenietje.

Teêr Katharijntje
Voor 't zonneschijntje,
En 's middags hette week,
Bij 't ruischen van de beek;
Beek, die haar jeugd na 't leven vaak verbeeldt;
Daar, frisch en koel,
Een luwe stoel[1]
De moede leden streelt.
Zij bukte neder,
En zag haar teder
En vrolijk aanschijn daar;
Doen werd ze nog gewaar
Een tweeden, die van achter haar beloert:
Met greep hij toe:
"Hoe" sprak zij, "hoe!"
Omziende wat ontroerd.
Hij sprak met eenen:
"Gij ziet den genen,
Schoon kind! gij ziet hem nu,
Voor wien gij vlucht zoo schuw.
Ik volg uw spoor; ik jaag, ik loop, ik ren;
Opdat uw geest
Weet, wien hij vreest,
Zoo luister, wie ik ben:
"'t Is waar, geen zegen
Van moeders wegen
Ik erf, noch haaf noch goed:
Hoewel zij daalt van 't bloed
Der koningen, een overoud geslacht;
Wiens roem zal staan,
Door brave daân,
En zegeteekens-pracht!"
"Maar uitverkoren,
Ik, eerstgeboren,
Mij voor geen vorsten schaam:
Als eenig erfgenaam
Mijns vaders, die met donderen rumoert;
Wiens majesteit
Geen scepters zweit[2],
Maar vier en bliksems voert."
"Laat andre blaken
Om rozekaken,
Om oogjes bruin als git,
Om 't poezelachtig wit;
Jont andren 't lijf, eer 't worm of slange knaagt;
Maar mij alleen,
En anders geen,
Uw ziel, o schoone maagd!"
"Uw ziel, o spruitje!
Als konings bruidje,
Dan zitten zal te prijk,
In mijn heer vaders rijk,
Daar staâge lust het bedde voor haar spreidt;
Daar ze onvermoeid
Verzwelgt, 't geen vloeit
Van 's bruigoms zaligheid."
Zoo suikre woorden
Haar ziel bekoorden;
Ontvonkt door deze stem,
Greep zij verliefd naar hem,
Die met een heilig spook[3] verdween gezwind.
Zij uit verdriet
Riep: "eer gij vliedt,
Koom, kust ze, die ge mint!"

[1] zitplaats.

[2] zwaait; zie reeds vroeger.

[3] verschijning, droomgezicht.