WeRead Powered by ReaderPub
De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem cover

De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

Chapter 5: Gebed, uitgestort tot God OVER MIJN GEDURIGE KWIJNENDE ZIEKTE, Ao. 1621.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een poëtische uitbreiding op Psalm 122 bezingt Jeruzalem en wisselt rouw over verwoesting af met vreugde over herbouw, waarbij tempel, paleis en priesterlijke rituelen uitgebreid worden uitgestald. Offers, heilige muziek en de liturgische sfeer krijgen levendige beschrijvingen, terwijl het verlangen naar verzoening en de komst van de Messias terugkerende thema's zijn. De stad wordt voorgesteld als paradijselijk centrum van majesteit, rechtspraak en vrede, met rijke natuur- en bouwbeelden. Naast het loflied omvat de verzameling ook korte occasionele gedichten, zoals een grafschrift en een huwelijksode, die verschillende toonzettingen en sociale gelegenheden belichten.

Gebed, uitgestort tot God
OVER
MIJN GEDURIGE KWIJNENDE ZIEKTE, Ao. 1621.

Gij die de ziekte kweekt, en doet ze weêr verdwijnen,
Aanziet een Kristen hert, belegerd met veel pijnen;
O, Vader alles troosts! gij weet en ik beken,
Dat ik een aarden vat, en broos van stoffe ben!
Aanziet de zwakheid dan van uwen armen dichter,
Mijn rouwe wonden zalft, en maakt mijn kwalen lichter;
Of, zoo 't u dus behaagt om onzer zonden schuld,
Zoo wapent mijne borst bestendig met geduld:
Dit harnas eischt den[1] nood, want jaren zag ik enden,
Maar nooit mijn zwarigheên en dagelijksche ellenden.
Dit maakt mij 't leven zuur, en mat de geesten af,
En doet ons hemelwaart vaak zuchten om het graf.
Als ik de zwaluw zie geherbergd aan de gevel
Van 't overlenend[2] huis: "o, die van d' aardsche nevel
Ontslagen," spreek ik dan, "mocht nestlen, daar 't gestarnt,
Daar 't goud in 't blaauw torkois zoo flonkerende barnt!"
Gij weet het, goede God! hoe vierig uwen zieken
Naar een gezonder locht, door 't roeyen van zijn wieken,
Opstijgen wil gezwind, of dat een van uw boôn[3]
Hem op zijn pennen draagt in uwen rijken troon.
Als ik, om tijd-verdrijf, met mijne stem ga paren
Den weêr-klank van mijn luit en zangerige snaren,
Dan dunkt mij, dat uw geest met mijnen geest getuigt,
Hoe 't heilig heerschaar Gods daar boven speelt en juicht.
Dees lust tot 't hoogste goed, dit Goddelijk verlangen,
Uit dees kwellagie wordt geboren en ontvangen.
Wij nemen dan in dank den tijdelijken druk:
Laat ons, o Heer! slechts niet bezwijken onder 't juk;
Noch laat de ellende niet te zeer ons broosheid tergen,
Noch meer als[4] het vermag, wilt niet uw schepsel vergen;
Zoo zal mijn zangeres u roemen onder maan,
En 's werelds duistre nacht en schaduwen versmaân
Om[5] 't zalig licht, tot dat de geest, van 't lijf gescheyen,
Zal weerdig zijn bekend[6], te juichen met uw reyen.

[1] Eerste naamval.

[2] vooroverhellend.

[3] Engelen.

[4] Thans dan.

[5] voor.

[6] erkend.