IV.
Dr. Chassaigne wachtte Pierre vóór het bureau, waarin de genezingen geneeskundig vastgesteld worden, op. Doch er stond daar een dichte, koortsachtig opgewonden menigte, welke de zieken, die binnengingen, afwachtte en ondervroeg, en ze, wanneer ze er weer uit kwamen, toejuichte, als het nieuws van het wonder zich verspreidde: een blinde die zag; een doove, die weer hoorde; een lamme, die weer loopen kon.
“Nu?” vroeg hij aan den dokter; “zullen we een wonder zien, maar een echt, een onbetwistbaar?”
Toegeeflijk in zijn nieuw geloof, glimlachte de dokter.
“Wat zal ik je zeggen, vriendlief? Een wonder geschiedt niet maar zoo op commando. God grijpt in, als Hij wil!”
Heeren der Hospitalité bewaakten streng de deur. Allen kenden den dokter; zij gingen eerbiedig ter zijde en lieten hem met Pierre binnengaan. Dit bureau, waarin de genezingen geconstateerd werden, was zeer ongerieflijk ondergebracht in een jammerlijke planken hut van twee vertrekken, een kleine voorkamer en een gewone, onvoldoend ingerichte vergaderzaal. Er was sprake van dezen tak van dienst te verbeteren, door hem onder te brengen in een groot lokaal onder een der hellingen van de Rozenkranskerk, waar men reeds met de voorbereidende maatregelen bezig was.
In de wachtkamer zag Pierre op de eenige houten bank twee zieken zitten, die onder toezicht van een der heeren van de Hospitalité haar beurt afwachtten. Doch toen hij in het groote vertrek kwam, vond hij daar tot zijn verbazing een groot aantal personen bijeen, terwijl de verstikkende hitte, die tusschen de houten muren, waarop de zon stond te branden, opgehoopt was, hem op zijn keel sloeg. Het was een vierkant, licht geel geschilderd, kaal vertrek met één venster, waarvan de ruiten gewit waren, opdat de menigte, die zich buiten verdrong, niet naar binnen zou kunnen zien. Men durfde zelfs het raam niet openzetten, om wat versche lucht binnen te laten, want dan werden onmiddellijk verschillende nieuwsgierige hoofden naar binnen gestoken.
Het meubilair was al even primitief als de rest: twee vuurhouten tafels van ongelijke hoogte, die tegen elkaar aan geplaatst waren en die men zelfs niet met een kleed had bedekt; een soort groote loketkast vol slecht gerangschikte paperassen, dossiers, registers en brochures; een dertig stoelen met stroozittingen, die ongeveer de geheele ruimte innamen, en eindelijk twee oude versleten fauteuils voor de zieken.
Onmiddellijk ging dr. Bonamy dr. Chassaigne, die een der laatste en roemrijkste veroveringen der Grot was, tegemoet. Hij haalde onmiddellijk een stoel voor hem, en ook uit eerbied voor diens soutane, voor Pierre. Dan zeide hij op zijn meest hoffelijken toon:
“U wilt me zeker wel vergunnen, door te gaan, waarde collega … We waren juist bezig mademoiselle daar te onderzoeken.”
Het betrof een doove, een boerenmeisje van twintig jaar, dat in een der fauteuils zat. Maar in plaats van te luisteren, vergenoegde Pierre, die doodmoe was en wiens ooren nog suisden, er zich mee rond te kijken en te zien wie zich eigenlijk in dit vertrek bevonden. Er waren er ongeveer een vijftig, waarvan er velen tegen den muur stonden te leunen. Voor de twee tafels zaten vijf personen; in het midden het hoofd van den dienst der vijvers, die over een dik register gebogen zat; verder een pater van Maria Hemelvaart en drie jonge seminaristen, die als secretarissen dienst deden, schreven, de dossiers doorliepen en na ieder onderzoek weer ordenden. Pierre keek een oogenblik belangstellend naar een pater der Onbevlekte Ontvangenis, pater Dargelès, hoofdredacteur van den Journal de la Grotte, dien men hem ’s ochtends aangewezen had. Zijn klein mager gezicht met de knippende oogen, den spitsen neus en den fijnbesneden mond, glimlachte steeds. Hij zat bescheiden aan het laagste einde der tafel aanteekeningen te maken voor zijn courant. Hij was de eenige van zijn orde, die zich gedurende de drie dagen der nationale bedevaart vertoonde. Maar achter hem voelde men de anderen, die als een langzaam toegenomen en verborgen kracht, alles organiseerden en bijeenbrachten.
Verder bestond het gezelschap bijna uitsluitend uit nieuwsgierigen, getuigen, een twintigtal doktoren en vier of vijf priesters. De doktoren, die vrijwel uit alle deelen van Frankrijk gekomen waren, bewaarden voor het grootste gedeelte een volkomen stilzwijgen; sommigen waagden het vragen te stellen. Zij wisselden meer dan eens wantrouwende blikken en letten meer op elkaar dan dat zij de aan hun onderzoek onderworpen feiten vaststelden. Wie konden het zijn? Geheel onbekende namen werden genoemd. Een enkele, die van een beroemd professor van een Katholieke universiteit, had sensatie verwekt.
Dien dag bewaarde dr. Bonamy, die, wanneer hij de zitting leidde en de zieken ondervroeg, nooit ging zitten, zijn hoffelijkheid voornamelijk voor een klein blond heertje, een talentvol schrijver en invloedrijk redacteur van een der meest gelezen Parijsche bladen, welk een toeval dien ochtend naar Lourdes gebracht had. Was dat niet een ongeloovige, om te bekeeren, een invloed en een publiciteit, om gebruik van te maken? Dr. Bonamy had hem in den tweeden fauteuil laten plaats nemen, was uiterst voorkomend en vriendelijk en verklaarde herhaaldelijk, dat men niets te verbergen had daar alles in het volle daglicht geschiedde.
“We vragen slechts licht,” herhaalde hij steeds weer. “Wij zien niets liever dan dat menschen van goeden wil de feiten onderzoeken.”
Daar het met de beweerde genezing der doove niet erg vlotten wilde, sprak hij haar wat ruw toe:
“Kom, meisje, het is nog pas een begin van genezing … Je moet nog maar eens terugkomen …”
En half luid voegde hij er aan toe:
“Als je ze gelooven wou, zouden ze allen genezen zijn. Maar wij aanvaarden slechts de bewezen genezingen, die zoo helder zijn als de zon … Let wel, ik zeg genezingen en niet wonderen; want wij, doktoren, veroorloven ons geen interpretatie, wij zijn hier slechts om te constateeren of de zieken, die aan ons onderzoek onderworpen worden, geen spoor van ziekte meer vertoonen.”
Hij zette een hooge borst op, zorgde wel, dat zijn rechtschapenheid buiten spel bleef, en was geen grooter huichelaar of leugenaar dan een ander; hij was geloovig, zonder te gelooven, wist dat de wetenschap zóó duister, zóó vol verrassingen was, dat het onmogelijke steeds werkelijkheid worden kon; en zoo had hij zich, in het laatst van zijn geneeskundige loopbaan, in de Grot een positie verschaft, die haar voor- en nadeelen had, maar over het geheel toch aangenaam en prettig was.
Nu verklaarde hij op een vraag van den Parijschen journalist de manier, waarop hij te werk ging. Iedere zieke der bedevaart kwam met een dossier, waarin zich bijna altijd een certificaat van den behandelenden geneesheer bevond; ja soms waren er zelfs verscheidene certificaten van verschillende doktoren, rapporten van ziekenhuizen, kortom een heele beschrijving van den loop der ziekte. Wanneer er nu een genezing had plaats gehad en de genezene zich hier aanmeldde, behoefde men slechts zijn dossier te vragen en de certificaten te lezen, om de kwaal, waaraan hij leed, te kennen, en door een onderzoek uit te maken, of die kwaal werkelijk verdwenen was.
Pierre luisterde aandachtig. Sedert hij daar zoo rustig zat, werd hij wat kalmer, kreeg hij zijn denkvermogen terug. Alleen de warmte hinderde hem. Geïnteresseerd als hij werd door de verklaringen en zich gaarne een meening willende vormen, zou hij dan ook zeker, als hij het geestelijke kleed niet gedragen had, vragen gesteld hebben. Die soutane dwong hem zich steeds op den achtergrond te houden. Tot zijn groote vreugde hoorde hij dan ook het kleine blonde heertje, den invloedrijken schrijver, de tegenwerpingen ten berde brengen, die onmiddellijk ook bij hem opgekomen waren. Was het niet een verkeerd principe, dat de eene geneesheer de diagnose van een ziekte vaststelde en de tweede de genezing constateerde? Dat was toch zeker een steeds stroomende bron van mogelijke vergissingen. Het beste zou zijn, dat een medische commissie alle zieken bij hun aankomst te Lourdes onderzocht en daarvan processen verbaal opmaakte, waaraan dezelfde commissie zich zou kunnen houden in geval van genezing.
Maar daar kwam dr. Bonamy tegen op; terecht zeide hij, dat geen enkele commissie tegen zoo’n reusachtige taak opgewassen zou zijn: ga u zelf eens na! Duizend verschillende gevallen op één ochtend onderzoeken! En dan hoeveel verschillende opvattingen, hoeveel discussies, hoeveel tegenstrijdige diagnoses, die de onzekerheid nog deden toenemen, zouden er niet zijn! Het voorafgaande, bijna onmogelijk te verwezenlijken onderzoek gaf inderdaad tot even groote vergissingen aanleiding. In de praktijk moest men zich houden aan die door de doktoren afgegeven certificaten, die dan een groot, beslissend gewicht kregen. Men bladerde in de dossiers op een der tafels en liet den Parijschen journalist certificaten lezen. Sommige waren akelig kort, andere, die beter opgesteld waren, specificeerden de ziekte nauwkeurig. Enkele handteekeningen van doktoren waren zelfs door de burgemeesters der betreffende gemeenten gelegaliseerd. Doch er bleef genoeg twijfel over, die niet ter zijde te zetten was: wie waren die geneesheeren? Bezaten zij de noodige wetenschappelijke autoriteit? Hadden zij zich niet laten beïnvloeden door onbekende omstandigheden of zuiver persoonlijke belangen? Men zou geneigd zijn omtrent ieder van hen een onderzoek in te stellen. Van af het oogenblik, dat alles zich baseerde op het door den zieke medegebrachte dossier, was een zeer zorgvuldige controle der daarin vervatte documenten noodig, want alles stortte in, wanneer niet een strenge kritiek de absolute zekerheid der feiten vastgesteld had.
Met een kleur van opwinding en transpireerend liep dr. Bonamy heen en weer.
“Maar dat doen we juist, dat doen we juist!… Zoodra een geval van genezing ons langs natuurlijken weg onverklaarbaar voorkomt, gaan wij over tot een minutieus onderzoek, verzoeken wij de genezene terug te komen, om zich nogmaals te laten onderzoeken … En u ziet wel, dat wij ons met deskundigen omringen. De heeren, die u hier ziet, zijn bijna allen doktoren, die uit alle deelen van Frankrijk hierheen gekomen zijn. Wij bezweren ze ons hun twijfel mede te deelen en de gevallen met ons te bespreken. Bovendien wordt van iedere zitting een gedetailleerd verslag opgemaakt … U begrijpt mij goed, niet waar heeren? Protesteert wanneer er hier iets gebeurt, waarmede u het niet eens kunt zijn.”
Geen der aanwezigen echter zeide iets. Het meerendeel der doktoren was Katholiek en boog zich natuurlijk voor de feiten. En wat de anderen, de ongeloovigen, de geleerden betrof, zij kwamen slechts om te kijken, interesseerden zich voor zekere verschijnselen, maar vermeden uit beleefdheid in, trouwens nuttelooze, discussies te treden. Wanneer het hun als verstandige menschen te bar werd en zij voelden boos te zullen worden, gingen zij weg.
Nu niemand een woord zeide, triumpheerde dr. Bonamy. En toen de journalist hem vroeg, of hij alleen voor zoo’n groote taak stond, antwoordde hij:
“Absoluut alleen; trouwens mijn functie als geneesheer der Grot is niet zoo heel ingewikkeld, want, ik herhaal het, ik heb niets anders te doen dan de genezingen, die zich voordoen, te constateeren.”
Doch dan verbeterde hij zich en voegde er lachend aan toe:
“Dat zou ik bijna vergeten. Ik heb Raboin, die me helpt de boel hier wat in orde te brengen.”
En hij wees op een gezetten, reeds grijzenden veertiger met een dik buldoggengezicht. Hij was een fanatieke geloovige, een geëxalteerde, die niet dulden kon, dat men de wonderen in twijfel trok, waardoor hij leed onder zijn functie aan het bureau der medische constateeringen en steeds van woede knorde, zoodra men deze betwistte. Het beroep op de doktoren had hem dan ook razend gemaakt, zoodat dr. Bonamy hem kalmeeren moest.
“Kom, Raboin, houd je toch kalm en zwijg! Alle oprechte meeningen hebben het recht zich te laten hooren.”
Maar de zieken kwamen weer. Er werd een man gebracht, wiens geheele rug door een eczeem bedekt was; en toen hij zijn hemd uittrok, vielen er grijze schilfers van zijn huid. Hij was niet genezen, hij beweerde alleen, dat hij ieder jaar naar Lourdes kwam en het ieder jaar verlicht verliet. Dan volgde een dame, een afschuwlijk magere gravin met een buitengewoon ziektegeval: zeven jaar geleden voor de eerste maal door de Heilige Maagd genezen van tuberculose, had zij vier kinderen gehad, daarop had zij weer tering gekregen en was zij verslaafd aan morphine geraakt; het eerste bad had haar echter reeds zooveel goed gedaan, dat zij zich sterk genoeg voelde, om met de zeven-en-twintig familieleden, die zij medegebracht had, deel te nemen aan de fakkelprocessie. Vervolgens kwam er een vrouw, die aan een nerveus spraakverlies leed en nu, na maanden lang absoluut stom geweest te zijn, plotseling bij de processie van vier uur, toen het Heilige Sacrament voorbijgedragen werd, haar stem teruggekregen had.
“Heeren,” zeide dr. Bonamy met zijn geaffecteerde stem van geleerde met breede opvattingen, “u weet, dat wij gevallen, die met zenuwstoringen gepaard gaan, ter zijde laten. Toch wil ik er u op wijzen, dat deze vrouw zes maanden in de Salpétrière verpleegd is en dat zij hier is moeten komen, om het gebruik van haar tong weer terug te krijgen.”
Inmiddels begon hij toch eenig ongeduld te toonen, want hij had gaarne den mijnheer uit Parijs een mooi geval willen laten zien, zooals die soms voorkwamen gedurende die processie van vier uur, het oogenblik van genade en extase, waarop de Heilige Maagd ingreep voor haar uitverkorenen. Tot nu toe waren de genezingen, die hier onderzocht waren, twijfelachtig of onbeteekenend geweest. Buiten hoorde men het getrappel en gebrom der menigte, die, opgezweept door lofliederen en in koortsachtig verlangen naar het wonder, door dat wachten steeds opgewondener werd.
Maar toen duwde glimlachend en bescheiden, een meisje met heldere en verstandige oogen de deur open.
“Ha,” riep de dokter vroolijk uit, “daar heb je onze kleine Sophie … Een merkwaardige genezing, mijne heeren, die verleden jaar heeft plaats gehad en waarvan ik u gaarne de resultaten zou willen laten zien.”
Pierre had Sophie Couteau, de begenadigde, die te Poitiers in zijn compartiment gekomen was, herkend. En hij woonde een herhaling bij van het tooneel, dat reeds voor hem afgespeeld was. Dr. Bonamy gaf nu aan het blonde heertje, dat zeer aandachtig luisterde, de meest uitvoerige inlichtingen: een beeneter aan den linkerhiel, een begin van beenderversterf, dat afzetting noodzakelijk maakte, een afzichtelijke, etterende wond, die in een minuut bij de eerste onderdompeling in den vijver genezen was.
“Vertel het eens aan mijnheer, Sophie.”
Het meisje maakte haar vriendelijk gebaartje, dat de aandacht vroeg.
“Nu dan, mijn voet was zoo ziek, dat ik niet eens meer naar de kerk kon gaan, en ik moest hem altijd in verband hebben, omdat er iets, dat minder frisch was, uitvloeide … Dr. Rivoire, die erin gesneden had, om beter te kunnen zien wat het was, zeide, dat hij genoodzaakt zou zijn een stuk van het been weg te nemen, waardoor ik heelemaal kreupel geworden zou zijn. En toen heb ik de Heilige Maagd innig gebeden en heb ik mijn voet in het water gestoken met zoo’n innig verlangen om beter te worden, dat ik zelfs den tijd niet genomen heb, om het verband eraf te doen … En toen is alles in het water gebleven, mijn voet had niets meer, toen ik hem eruit haalde.”
Dr. Bonamy knikte goedkeurend bij ieder woord.
“En vertel nu nog eens wat de dokter gezegd heeft.”
“Toen dr. Rivoire thuis mijn voet weer zag, zeide hij: “Of het de Goede God of de duivel is, die het kind genezen heeft, laat mij koud, maar genezen is zij.””
Er werd om gelachen; de woorden van den dokter misten hun uitwerking nooit.
“En wat je tegen de gravin, de directrice van je zaal, gezegd hebt.”
“O, ja, dat is waar ook … Ik had niet veel linnen voor mijn voet meegebracht en toen heb ik tegen haar gezegd: “De Heilige Maagd is wel goed geweest, om mij dadelijk den eersten dag te genezen, want morgen zou mijn voorraad al op geweest zijn.””
Weer werd er gelachen, allen vonden het een aardig meisje, dat weliswaar haar verhaal, dat zij van buiten kende, wat te veel reciteerde, maar toch onmiskenbaar de waarheid sprak.
“Sophie, trek je schoenen en kousen eens uit en laat je voet eens aan de heeren zien … Men moet hem aanraken, niemand mag twijfelen.”
Vlug kwam het zindelijke, slanke, ja zelfs gesoigneerde voetje met het litteeken boven den enkel te voorschijn, welks witachtige, duidelijk zichtbare naad bewees hoe ernstig de ziekte geweest was. Enkele doktoren waren dichterbij gekomen en keken zwijgend. Anderen, wier overtuiging ongetwijfeld reeds vast stond, vonden het blijkbaar de moeite niet waard. Een van de eersten, iemand met een zeer beleefd uiterlijk, vroeg waarom de Heilige Maagd, nu zij zich toch met het geval bemoeid had, haar niet een geheel nieuwen voet gegeven had, wat haar toch niet meer moeite gekost zou hebben. Maar dr. Bonamy antwoordde onmiddellijk, dat de Heilige Maagd dat litteeken ongetwijfeld achtergelaten had, opdat er een bewijs van het wonder zou zijn. Daarop ging hij nog op technische bijzonderheden in en toonde aan, dat een deel van het been en van het vleesch in een allerkortst oogenblik nieuw gemaakt moest zijn, iets wat langs natuurlijken weg onverklaarbaar bleef.
“Lieve hemel!” viel het kleine, blonde heertje hem in de rede; “zooveel omslag is niet noodig. Laat men mij alleen maar een vinger laten zien, waarin een zakmesje een diepe snede gegeven heeft en die met een litteeken uit het water komt. Het wonder is dan even groot en ik zal mij er voor buigen.”
En dan voegde hij er aan toe:
“Als ik een bron bezat, welke op die wijze wonden sloot, dan zou ik de wereld ondersteboven keeren. Ik weet niet precies, hoe ik het doen zou; maar ik zou de volkeren roepen en de volkeren zouden komen. Ik zou de wonderen met zulk een onomstootelijke zekerheid laten vaststellen, dat ik de meester der wereld werd. Denk slechts aan die souvereine, waarachtig goddelijke macht!… Maar er zou geen twijfel mogen overblijven, de waarheid zou even helder moeten stralen als de zon. De geheele aarde zou zien en gelooven.”
En met den dokter besprak hij de controlemiddelen. Hij had toegegeven, dat het onmogelijk was alle zieken bij hun aankomst te onderzoeken. Maar waarom zou men niet aan het Hôpital een afzonderlijke, voor de open wonden gereserveerde afdeeling kunnen verbinden? Men zou daar hoogstens een dertig gevallen krijgen, die aan het voorafgaand onderzoek van een commissie zouden worden onderworpen. Processen-verbaal moest men opmaken, ja zelfs de wonden photographeeren. En in al die gevallen zou het niet meer gaan om een inwendige ziekte, waarvan de diagnose toch altijd moeilijk en betwistbaar is. Dan zou het bewijs geleverd zijn.
Eenigszins van zijn stuk gebracht, herhaalde dr. Bonamy:
“Ongetwijfeld, ongetwijfeld! Wij willen niets liever dan licht … De grootste moeilijkheid zou echter zijn die commissie samen te stellen … U weet niet, hoe weinig men het eens is … Maar het is in ieder geval een denkbeeld …”
De binnenkomst van een nieuwe zieke hielp hem uit zijn verlegenheid. Terwijl de kleine Sophie, reeds vergeten, haar kousen en schoenen weer aantrok, verscheen Elise Rouquet met haar monsterachtig gezicht, dat zij door haar sluier weg te slaan, liet zien. Sedert den ochtend waschte zij zich aan de bron met linnen doeken, en zij meende, naar zij zeide, op te merken, dat haar wond wat opdroogde en samentrok. En inderdaad moest Pierre tot zijn groote verbazing constateeren, dat de wond niet zoo afzichtelijk meer was. Het geval gaf nieuw voedsel aan de discussie over open wonden, want het blonde heertje was niet af te brengen van zijn denkbeeld, om daarvoor een afzonderlijke afdeeling op te richten: immers, welk een triomf zou het voor de Grot zijn een lupus genezen te hebben, indien men ’s ochtends den toestand van het meisje geconstateerd had en zij genas! Het wonder zou dan niet meer te ontkennen zijn.
Tot dat oogenblik had dr. Chassaigne zich onbeweeglijk en zwijgend op den achtergrond gehouden, alsof hij de feiten alleen op Pierre wilde doen inwerken. Nu boog hij zich plotseling naar hem voorover en zeide zacht:
“Open wonden, open wonden. Die mijnheer schijnt absoluut niet te weten, dat tegenwoordig onze grootste geleerden van oordeel zijn, dat vele van die wonden van nerveusen oorsprong zijn. Ja zeker, men heeft ontdekt, dat het niets anders zijn zou dan een slechte voeding der huid. Die voedingsquaesties zijn nog zoo slecht onderzocht!… En men komt tot de slotsom, dat het geloof, dat genezingen bewerkt, zeer goed open wonden, o. a. zekere schijnbare lupusgevallen genezen kan. Nu vraag ik je, welke zekerheid die mijnheer met zijn afdeeling voor open wonden krijgen zou! Een beetje meer verwarring en ruzie nog in de eeuwige twist … Neen, neen, de wetenschap is niets, dat is een zee van onzekerheid!”
Hij glimlachte pijnlijk, terwijl dr. Bonamy Elise Rouquet aanried de wasschingen voort te zetten en zich iederen dag te laten onderzoeken. Dan zeide hij op zijn voorzichtige manier:
“Enfin, heeren, er is een begin, daaraan valt niet te twijfelen.”
Maar nu werd het bureau in opschudding gebracht. Als een wervelwind stormde la Grivotte naar binnen en schreeuwde:
“Ik ben genezen … Ik ben genezen …”
Zij vertelde, dat men haar eerst niet had willen baden, dat zij had moeten bidden en smeeken, dat men het eindelijk na formeele toestemming van pater Fourcade gedaan had. En zij had het van te voren wel gezegd: nog geen drie minuten was zij, zweetend en reutelend, in het water geweest, of zij had haar krachten voelen terugkomen als onder een zwaren zweepslag, die haar geheele lichaam striemde. Zij was door zoo’n geestdriftige opwinding bezield, dat zij, van blijdschap stralend, geen seconde stil kon staan.
“Ik ben genezen, lieve heeren, ik ben genezen.”
Stom van verbazing keek Pierre haar aan. Was dat het meisje, dat hij, vannacht nog, uitgeput op de bank van den wagon had zien liggen, hoestend en bloed opgevend? Hij herkende haar niet meer, zooals zij daar recht en flink stond met een blos op haar wangen en schitterende oogen, één levenskracht en levensgeest.
“Heeren,” zeide dr. Bonamy, “het geval lijkt mij zeer interessant … Wij zullen zien …”
Hij vroeg het dossier van la Grivotte. Maar het was onder de paperassen op de twee tafels niet te vinden. De secretarissen, de jonge seminaristen, doorzochten alles; het hoofd van den dienst der vijvers, die in het midden zat, moest ten slotte opstaan en in de loketkast gaan kijken. Toen hij weer was gaan zitten, vond hij het eindelijk onder het groote register, dat hij opengeslagen voor zich had. Het bevatte drie geneeskundige verklaringen, die hij zelf voorlas. Alle drie concludeerden tuberculose in een vergevorderd stadium, die gepaard ging met zenuwtoevallen.
Dr. Bonamy maakte een gebaar als om te kennen te geven, dat zulk een overeenstemming allen twijfel buitensloot. Dan beluisterde hij de zieke lang en prevelde:
“Ik hoor niets … ik hoor niets …”
“Of zoo goed als niets …”
Eindelijk wendde hij zich tot de vijf-en-twintig of dertig doctoren, die zwijgend toekeken:
“Als enkelen van de heeren mij met hun wetenschap zouden willen bijstaan … We zijn hier om te bestudeeren en te onderzoeken.”
Eerst bleven zij allen roerloos staan. Dan kwam er eindelijk een naar voren. Op zijn beurt ausculteerde hij de jonge vrouw, maar zeide niets, schudde nadenkend en twijfelend zijn hoofd. Eindelijk stotterde hij, dat men, volgens zijn oordeel, moest afwachten. Een andere nam dadelijk zijn plaats in; deze was zeer positief in zijn verklaring: hij hoorde niets, deze vrouw was nooit tuberculeus geweest. Nog anderen volgden, eindelijk waren allen aan de beurt geweest op vier of vijf na, die met een fijn glimlachje een afwachtende houding aannamen. De verwarring bereikte haar toppunt; ieder gaf zijn sterk afwijkende meening te kennen, zoodat men in het geroezemoes der stemmen zijn eigen stem niet meer hoorde.
Alleen pater Dargelès bleef zijn uiterlijke kalmte bewaren, want hij had een van die gevallen geroken, welke de hartstochten opwekken en den roem van Notre-Dame de Lourdes uitmaken. Op een hoekje van de tafel maakte hij reeds zijn aanteekeningen.
Dank zij het luide stemmengegons konden eindelijk Pierre en dr. Chassaigne praten, zonder dat men ze hoorde.
“O, die vijvers, die ik zooeven gezien heb!” zeide de jonge priester. “Die vijvers, waarvan het water zoo zelden ververscht wordt! Wat een smerigheid, wat een kweekplaats voor microben! De manie, die we tegenwoordig hebben voor antiseptische voorzorgsmaatregelen, krijgt een leelijke klap in haar gezicht. Hoe is het mogelijk, dat een zelfde pest al die zieken niet wegrukt? De tegenstanders der microbentheorie zullen wel in hun vuistje lachen!”
De dokter viel hem in de rede.
“Geen quaestie van, jongen … Al zijn de baden niet erg zindelijk, gevaar leveren zij niet op. Bedenk, dat het water nooit warmer wordt dan tien graden en eerst bij vijf-en-twintig microben gekweekt kunnen worden. Bovendien komen er geen besmettelijke ziekten naar Lourdes, geen cholera, geen typhus, geen pokken, geen mazelen, geen roodvonk. Wij zien hier slechts bepaalde organische ziekten: verlammingen, klieren, tumoren, gezwellen, abcessen, kanker, tering; en deze laatste wordt door het water der baden niet overgebracht. De oude wonden, die erin gebaad worden, leveren geen gevaar op voor besmetting … Ik verzeker je, dat, wat dit betreft, de Heilige Maagd niet behoeft in te grijpen.”
“Maar dokter, u zoudt toch, toen u nog praktijk uitoefende, al uw zieken, vrouwen in ieder gedeelte van de maand, jichtlijders, menschen met een hartkwaal en teringlijders niet zoo in ijskoud water gestopt hebben … Zoudt u dat ongelukkige, half doode, transpireerende meisje hebben laten baden?”
“Zeer zeker niet!… Er zijn van die paardenmiddelen, die je gewoonlijk niet durft toe te passen. Een ijskoud bad kan ongetwijfeld een teringlijder dooden, maar weten wij, of het, in sommige omstandigheden, hem niet genezen kan?… Ik, die er ten slotte toe gekomen ben aan te nemen, dat hier een bovennatuurlijke kracht werkzaam is, ik geef heel graag toe, dat er genezingen zijn, die dank zij die onderdompeling in koud water, welke ons dwaas en barbaarsch toeschijnt, langs natuurlijken weg geschieden … O, er is zooveel, dat wij nog niet weten … zooveel, dat we nog niet weten.”
De haat tegen de wetenschap, die hij verachtte, sedert zij hem tegenover den dood van zijn vrouw en van zijn dochter in den steek gelaten had, maakte zich weer van hem meester.
“Je verlangt zekerheid; nu, de geneeskunde zal je die zeker niet geven … Luister een oogenblik naar die heeren en je zal gesticht worden!… Is zoo’n volkomen verwarring, waarin de eene meening lijnrecht in strijd is met de andere, niet uiterst leerzaam? Zeker, er zijn ziekten, die men uitstekend kent, tot in de kleinste phasen van haar ontwikkeling; er zijn geneesmiddelen, waarvan men de uitwerking met de zorgvuldigste nauwgezetheid bestudeerd heeft; maar wat men niet weet, wat men nooit weten kan, is de verhouding, de betrekking van het middel tot den zieke; want zooveel zieken, zooveel gevallen, en iederen keer moet weer een nieuwe proef genomen worden. Dat is de reden, waarom de geneeskunde een kunst blijft: zij kan geen op strenge ervaring berustenden regel bezitten; steeds weer hangt de genezing van een toeval, van een gelukkige omstandigheid, of van een talentvolle vondst van den geneesheer af … En dan kan je wel begrijpen hoe ik lachen moet om al die menschen, die hier komen discussieeren, wanneer zij spreken in naam van de absolute wetten der wetenschap. Waar zijn die wetten in de geneeskunde? Ik wou, dat ze ze mij eens lieten zien.”
Hij wilde er niet verder over praten, maar zijn geestdrift sleepte hem mee.
“Ik heb je verteld, dat ik geloovig geworden ben … Maar ik begrijp heel goed, dat die brave dr. Bonamy zich volstrekt niet opwindt en dat hij de geneesheeren uit de heele wereld samenroept, om de wonden te bestudeeren. Hoe meer geneesheeren, des te minder komt bij dezen strijd over diagnoses en behandelingswijzen, de waarheid aan het licht. Als ze het al niet eens zijn over een open wond, hoe kan je dan overeenstemming verwachten omtrent een inwendige afwijking, die sommigen ontkennen, terwijl de anderen haar bevestigen? En waarom zou dan per slot van rekening niet alles een wonder worden? Want in den grond der zaak staan de geneesheeren, hetzij dan dat de natuur of een bovennatuurlijke macht werkzaam is, meestal perplex bij het zien van den afloop eener ziekte, dien zij zelden voorzien hebben … Ongetwijfeld zijn de dingen hier slecht georganiseerd. Die certificaten van doktoren, welke men niet kent, hebben geen waarde. Een zeer strenge controle der documenten zou noodig zijn. Maar zelfs aangenomen, dat er een absolute wetenschappelijk-strenge regel te stellen was, dan nog zou het heel naïef zijn te gelooven, dat er een voor allen geldende overtuiging mogelijk zou zijn. Dwaling is nu eenmaal het kenmerk der menschen, en er bestaat geen heldhaftiger werk dan het vaststellen van ook maar de kleinste waarheid.”
Toen begon Pierre te begrijpen wat Lourdes eigenlijk was, Lourdes, het buitengewone schouwspel, dat de wereld sedert jaren te midden van de vrome aanbidding van sommigen en den beleedigenden spot van anderen aanschouwde. Blijkbaar waren hier nog slecht bestudeerde, ja zelfs ongekende krachten werkzaam: auto-suggestie, lang van te voren voorbereide schokken, de overspanning der reis, der gebeden en der liederen, een toenemende extase, en vooral de genezende adem, de ongekende kracht, welke in die hevige geloofscrisis van de menigte uitstroomde. Het scheen hem ook dan van dat oogenblik af zeer onredelijk toe aan bedrog te gelooven. De feiten waren van veel hooger orde en eenvoudiger tevens. De paters der Grot behoefden hun geweten niet te bezwaren met leugens, zij behoefden slechts de verwarring wat in de hand te werken, gebruik te maken van de algemeene onwetendheid. Zelfs kon men aannemen, dat allen te goeder trouw waren: de doktoren, die de geneeskundige verklaringen afgaven; de getrooste zieken, die zich genezen waanden; de hartstochtelijk opgewonden getuigen, die meenden gezien te hebben. En uit dat alles rees zeer duidelijk de onmogelijkheid op om te bewijzen dat het wonder bestond of niet bestond. Werd van dat oogenblik af voor de meesten, voor allen, die leden en behoefte hadden aan hoop, het wonder geen werkelijkheid?
Toen dr. Bonamy, die hen in een hoekje zag praten, naar hen toekwam, vroeg Pierre:
“Hoeveel percent genezingen komen er voor?”
“Ongeveer tien,” antwoordde de dokter.
En toen hij verbazing in Pierre’s oogen zag, voegde hij eraan toe:
“O, wij zullen wel meer krijgen … Maar u moet goed begrijpen, ik ben hier eigenlijk alleen maar om als het ware politietoezicht op de wonderen te houden. Mijn werk is al te grooten ijver wat te temmen, te beletten, dat heilige dingen belachelijk gemaakt worden … Per slot van rekening is mijn bureau slechts een afstempelingsbureau, wanneer de geconstateerde genezingen inderdaad belangrijk schijnen.”
Een dof gebrom van Raboin, die boos begon te worden, viel hem in de rede.
“Geconstateerde genezingen, geconstateerde genezingen … Wat is dat allemaal voor onzin? Het wonder duurt ononderbroken voort. Waartoe dient het voor geloovigen te constateeren? Zij hebben hun hoofd te buigen en te gelooven. En voor de ongeloovigen? Die overtuig je toch niet … Het zijn niets dan dwaasheden, die we hier uithalen!”
Streng beval dr. Bonamy hem te zwijgen.
“Raboin, je bent een rebel … Ik zal aan pater Capdebarthe zeggen, dat ik niets meer van je weten wil, daar je ongehoorzaamheid zaait.”
En toch had hij gelijk, die jongen, die zijn tanden liet zien en steeds gereed was om te bijten, als men aan zijn geloof raakte. Pierre voelde dan ook sympathie voor hem. Al dat werk van het constateeringsbureau, dat bovendien nog slecht gedaan werd ook, was nutteloos: beleedigend voor de geloovigen, onvoldoende voor de ongeloovigen. Is het wonder te bewijzen? Men moet eraan gelooven. Er valt niets te begrijpen, wanneer God ingrijpt. In de eeuwen van waar en oprecht geloof gaf de wetenschap zich geen moeite God te verklaren. Wat kwam zij hier doen? Zij legde het geloof kluisters aan en verlaagde zichzelf. Neen, neen, zich ter aarde werpen, den grond kussen en gelooven. Of weggaan. Een compromis was niet mogelijk. Zoodra men met onderzoekingen begon, kon men daarmede niet ophouden, eindigden ze onvermijdelijk in twijfel.
Maar vooral hinderden Pierre de gesprekken, die hij om zich heen hoorde. De geloovigen, die in het vertrek waren, spraken met een ongehoord gemak en een ongehoorde kalmte over de wonderen. De verbijsterende feiten lieten hen eigenlijk volkomen koud. Nog een wonder, nog een wonder! En met een glimlach vertelden zij de waanzinnigste phantasieën zonder dat hun verstand er maar ook even tegen in verzet kwam. Zij leefden blijkbaar in een milieu van zoo visionaire opwinding, dat zij zich over niets meer verwonderden. En dat waren niet alleen de eenvoudigen van geest, de kinderlijken, de ongeletterden, de aan hallucinaties lijdenden, zooals Raboin, maar ook intellectueelen en geleerden, zooals dr. Bonamy en anderen. Het was onbegrijpelijk. Pierre voelde dan ook een steeds sterker wordend gevoel van onbehagen in zich opkomen, een doffe woede, die ten slotte tot uitbarsting gekomen zou zijn. Zijn verstand verzette zich, spartelde tegen als een arm kind, dat men in het water gegooid heeft en dat voelt, hoe de golven het bijna doen stikken. En hij dacht, dat heldere koppen, als van dr. Chassaigne bijvoorbeeld, die tot blind geloof overgaan, eerst toch dien strijd en dat gevoel van onbehagen moeten doormaken, voor zij voor goed schipbreuk lijden.
Hij keek hem aan en zag, hoe oneindig triest hij was, verpletterd door het noodlot, zwak als een huilend kind, nu hij voor zijn verder leven alleen was. En toch kon hij den kreet van verzet, die naar zijn lippen drong, niet onderdrukken.
“Neen, neen; indien men niet alles weet, zelfs indien men nooit alles weten kan, dan is dat nog geen reden, dat men ophoudt met leeren. Het zou verkeerd zijn, dat het ongekende alleen dáárdoor, dat wij niet weten, ongekend zou blijven. Integendeel, onze eeuwige hoop moet zijn eens het onverklaarde te verklaren, en redelijkerwijze zouden wij geen ander ideaal mogen hebben dan die opmarsch naar het ongekende, om het te leeren kennen, dan die langzame overwinning van ons verstand te midden van de zwakheden van ons lichaam en van onzen geest … O, door mijn verstand lijd ik het meest, maar daarvan verwacht ik ook al mijn kracht. Als dat ten gronde gaat, gaat het geheele wezen ten gronde. En al moge het ook de genadeslag zijn voor mijn geluk, ik heb slechts de brandende begeerte om dat steeds meer te bevredigen.”
Tranen kwamen in dr. Chassaigne’s oogen. Ongetwijfeld kwam de herinnering aan zijn lieve dochter bij hem boven. En op zijn beurt fluisterde hij:
“Het verstand, het verstand! Ja, zeker is dat een trotsch en verheven iets, ja zelfs iets, dat het leven het leven waard maakt … Maar de almachtige kracht des levens is de liefde, het eenige, dat men heroveren wil, als men het verloren heeft.”
Zijn stem brak af in een verstikt snikken. Hij bladerde onwillekeurig in de dossiers op de tafel en vond daarbij dat, hetwelk in groote letters den naam: Marie de Guersaint droeg. Hij sloeg het open en las de certificaten der twee geneesheeren, die tot een verlamming van het ruggemerg concludeerden. En hij ging voort:
“Je weet, jongen, dat ik een groote genegenheid voel voor mademoiselle de Guersaint … Wat zou jij zeggen, als zij hier genezen werd? Ik zie daar certificaten, die door zeer eervolle namen geteekend zijn, en je weet, dat dergelijke verlammingen ongeneeslijk zijn … Welnu, wanneer dat jonge meisje plotseling sprong en danste, zooals ik dat van zooveel anderen gezien heb, zou je dan niet heel gelukkig zijn, zou je dan niet eindelijk het ingrijpen van een bovennatuurlijke macht moeten toegeven?”
Pierre wilde antwoorden, toen hij zich plotseling het consult met zijn neef Beauclair herinnerde, die het wonder voorspeld had, dat als een bliksemstraal door een exaltatie van het geheele wezen zou plaats grijpen. Hij voelde zijn onbehaaglijke stemming sterker worden en zeide slechts:
“Dat zou mij inderdaad zeer gelukkig maken … En ik ben het volkomen eens, dat al de onrust van deze wereld niets anders dan wil is om gelukkig te zijn.”
Maar hij kon daar niet langer blijven. De hitte werd zoo, dat het zweet van de gezichten stroomde. Dr. Bonamy dicteerde aan een der seminaristen het resultaat van het onderzoek van la Grivotte, terwijl pater Dargelès, die op de uitdrukkingen lette, hem tusschenbeide iets influisterde, om hem een zin te laten veranderen. Het lawaai om hen heen bleef aanhouden, de discussie der doktoren liep nu over technische punten, die voor het onderhavige geval van geen enkel belang waren. Men kon tusschen die planken muren geen adem meer halen. Het kleine blonde heertje uit Parijs, de invloedrijke schrijver, was weggegaan, ontevreden geen echt wonder gezien te hebben.
“Laten we gaan, ik kan het hier niet meer uithouden, ik word onpasselijk,” zeide Pierre tegen dr. Chassaigne.
Zij gingen tegelijk met la Grivotte, die door dr. Bonamy weggezonden werd. Dadelijk bij de deur stieten zij op een dichte menigte, die zich verdrong, om de door het wonder genezene te zien. Het nieuws van het wonder had zich blijkbaar reeds verbreid, het was een strijd wie de uitverkorene het eerst zou naderen, vragen, aanraken. En zij kon met haar vuurroode wangen, haar fonkelende oogen en haar dansenden gang niet anders antwoorden dan:
“Ik ben genezen … Ik ben genezen …”
Geroep overstemde haar; zij werd in den wervelstroom der menigte opgenomen en medegevoerd. Een oogenblik verloor men haar uit het oog, alsof zij onder water geraakt was, doch dan kwam zij plotseling weer boven, vlak bij Pierre en den dokter, die zich uit het gedrang trachtten te bevrijden. Zij hadden den Commandeur gevonden, van wien het een manie geworden was naar den vijver en naar de Grot te gaan, om zich boos te kunnen maken. In een nauwsluitende jas leunde hij op zijn wandelstok met zilveren knop, terwijl hij een weinig trok met zijn linkerbeen, dat na zijn tweede beroerte wat stijf gebleven was. Zijn gezicht werd vuurrood en zijn oogen schoten vlammen, toen la Grivotte hem op zij stiet en te midden van het ontketende enthousiasme der menigte uitriep:
“Ik ben genezen!… Ik ben genezen!”
Door een plotselinge woede aangegrepen, schreeuwde hij: “Des te erger voor jou, meid!”
De woorden verwekten een luid gelach, want men kende hem, vergaf hem zijn maniak-achtigen hartstocht voor den dood. Maar toen hij verward begon te stamelen en zeide, dat het om medelijden mede te krijgen was, wanneer je nog langer wilde leven, als je niet mooi was en geen fortuin hadt, en dat het meisje liever had moeten bidden dadelijk te sterven, toen begon men toch een vijandige houding tegen hem aan te nemen. Tot zijn geluk kwam juist abbé Judaine voorbij, die hem uit zijn minder aangename positie redde door hem mede te nemen.
“Houd je mond toch! Het is een schandaal … Waarom kom je toch in opstand tegen de goedheid van God, die zich dikwijls zoo genadig betoont voor onze ellenden, door ze te verlichten?… Je moest zelf op je knieën vallen en hem smeeken je je been terug te geven en je nog tien jaar te laten leven.”
Toen stikte de Commandeur bijna van woede.
“Wat, ik vragen mij nog tien jaar te laten leven, ik, die den dag, dat ik in mijn kist lig, als den mooisten van mijn leven beschouw! Ik even gemeen, even laf zijn als die duizenden zieken, die ik hier in een minne vrees voor den dood zie voorbijtrekken, in hun zwakheid hun schandelijken hartstocht voor het leven uitbrullend! Neen, dan zou ik op mezelf moeten spuwen!… Laat mij maar crepeeren, en direct ook! Het zal zoo heerlijk zijn niet meer te bestaan!”
Hij was nu weer dicht bij dr. Chassaigne en Pierre, die zich eindelijk bij den oever van den Gave uit het gedrang hadden kunnen vrijmaken. Hij begon tegen den dokter, dien hij dikwijls sprak:
“Hebben ze zooeven niet geprobeerd een man in het leven terug te roepen! Ze hebben het me daarnet verteld, ik dacht dat ik stikken zou … Begrijpt u nu zoo iets, dokter? Een man, die het geluk had dood te zijn en dien zij zich de vrijheid genomen hebben in hun water te dompelen in de misdadige hoop hem te doen herleven! Maar als het hun gelukt was, als hun water dien ongelukkige weer in het leven geroepen had—je weet immers nooit wat er in deze potsierlijke wereld gebeuren kan—gelooft u dan niet, dat de man groot gelijk zou hebben, als hij dien lijken-opflikkers zijn woede in hun gezicht gespuwd had?… Had die doode hun gevraagd hem weer op te wekken? Het minste wat je toch doet in zulke gevallen is de menschen raadplegen … Stel je voor, dat ze met mij zoo’n grap zouden uithalen, als ik eenmaal eindelijk mijn langen slaap slaap! Ik zou ze leeren. “Bemoei je met je eigen bemoeisels!” Wat zou ik een haast maken, om weer uit te knijpen.”
Hij was in zijn opwinding zoo komisch, dat abt Judaine en de dokter een glimlach niet konden onderdrukken. Maar Pierre bleef ernstig. De rilling, die hem doorhuiverde, maakte hem koud. Waren het niet de radelooze verwenschingen van Lazarus, die hij daareven gehoord had? Dikwijls had hij zich ingebeeld, dat Lazarus, toen hij uit het graf verrees, Jezus toeriep: “O, Heer, waarom hebt gij mij in dit verschrikkelijke leven teruggeroepen? Ik sliep zoo heerlijk den eeuwigen, droomloozen slaap, ik genoot eindelijk in de verrukkingen van het niet zoo’n heerlijke rust. Ik had al de ellenden en al de smarten gekend, de ontrouw en de valsche hoop, rampen en ziekten; ik had aan het lijden mijn vreeselijke schuld van een levende betaald, want ik was geboren zonder te weten waarom, ik had geleefd zonder te weten waarom; en nu, Heer, laat gij mij mijn schuld dubbel betalen door mij te veroordeelen mijn straftijd nog eens te beginnen … Heb ik dan zoo’n onverzoenbare zonde begaan, dat u mij zoo wreed straft? Wat toch is dat herleven anders dan iederen dag weer iets van zijn vleesch te voelen afsterven, dan verstand te bezitten, alleen maar om te twijfelen, dan een wil te hebben, alleen om niets te vermogen, dan een liefderijk gemoed te bezitten, alleen om zijn smarten te beweenen? En het was uit; ik had den moeilijken stap naar den dood gedaan, ik had die zóó vreeselijke seconde, dat zij voldoende is om het heele leven te vergiftigen, achter den rug. Ik had gevoeld, hoe het zweet van den doodsstrijd mijn voorhoofd nat maakte, hoe het bloed uit mijn aderen wegvloeide, hoe de adem in een laatsten hik mij ontvlood. Wilt u dan, dat ik die verschrikking tweemaal leer kennen; wilt u dan, dat ik tweemaal sterf en dat mijn menschelijke ellende die van alle anderen overtreft?… O, Heer, laat het dan dadelijk gebeuren. O, ik smeek u, doe dat andere groote wonder, leg mij weer in dat graf en laat mij weer insluimeren, zonder dat ik in mijn eeuwigen onderbroken slaap lijden moet. O, heb genade en leg mij niet de kwelling op nogmaals te moeten leven, die vreeselijke kwelling, waartoe u nog geen een enkel ander wezen hebt durven veroordeelen. Ik heb u altijd liefgehad en gediend, maak van mij nu niet het vreeselijkste voorbeeld van uw toorn, dat alle geslachten schrik zou aanjagen. Wees goed en genadig, Heer, geef mij den slaap terug, dien ik zoo ruimschoots verdiend heb, laat mij weer insluimeren in de zaligheid van uw niets.”
Intusschen had abbé Judaine den Commandeur, dien hij eindelijk wat had kunnen kalmeeren, meegetroond; Pierre drukte dr. Chassaigne de hand, daar hij zich herinnerde, dat hij Marie beloofd had haar om vijf uur te zullen halen. Toen hij eindelijk naar de Grot terugkeerde, zag hij abbé des Hermoises in een druk gesprek met mijnheer de Guersaint, die, opgeknapt door een goeden slaap, pas uit zijn hotel gekomen was. Beiden bewonderden de buitengewone schoonheid, die de extase van het geloof aan sommige vrouwen geeft, en praatten over hun plan, om een uitstapje naar het keteldal van Gavarnie te maken.
Zoodra mijnheer de Guersaint echter vernam, dat Marie zonder resultaat een eerste bad genomen had, ging hij onmiddellijk met Pierre mede. Zij vonden het jonge meisje nog steeds in dezelfde pijnlijke verdooving, strak starend naar de Heilige Maagd, die haar niet verhoord had. Zij antwoordde niet op de liefdevolle woorden van haar vader; zij keek hem alleen maar aan met haar groote, diep-droeve oogen, die zij dan weer richtte op het marmeren, in den glans der kaarsen witte beeld. En terwijl Pierre stond te wachten, om haar naar het Hôpital terug te rijden, was mijnheer de Guersaint neergeknield. Eerst bad hij vurig voor het herstel van zijn dochter. Dan smeekte hij voor zichzelf de genade af een compagnon te vinden, die hem het millioen zou geven, dat noodig was voor zijn studies over bestuurbare ballons.