I.
Op dien mooien, warmen, helderen Augustusochtend was mijnheer de Guersaint reeds om zeven uur op en gekleed in een der twee kamertjes, die hij het geluk gehad had nog te kunnen huren op de derde verdieping van het Hôtel des Apparitions in de rue de la Grotte. Hij was om elf uur naar bed gegaan en nu heerlijk uitgerust wakker geworden; onmiddellijk ging hij naar het kamertje van Pierre. Maar deze, die pas om twee uur met door slapeloosheid verhit bloed in het hotel gekomen was, had eerst tegen het aanbreken van den dag den slaap kunnen vatten en sliep nog. Zijn over een stoel geworpen soutane en zijn andere overal verspreid liggende kleeren verrieden zijn moeheid en zijn opwinding.
“Wat is dat, luilak?” riep mijnheer de Guersaint vroolijk. “Hoor jij de klokken niet luien?”
Pierre schrok wakker, kon niet dadelijk dit kleine, door het zonlicht overstroomde hotelkamertje thuis brengen. Inderdaad drong door het open gebleven raam het vroolijk gelui der klokken naar binnen, het was alsof de geheele stad in haar geluk luide.
“We zullen nooit voor acht uur in het Hôpital kunnen zijn, om Marie te halen, want we zullen toch zeker eerst ontbijten.”
“Natuurlijk, bestel dadelijk twee kop chocolade. Ik sta onmiddellijk op en heb niet veel tijd noodig om mij aan te kleeden.”
Toen hij alleen was, sprong Pierre, ondanks zijn stijve ledematen, die hem pijn deden, dadelijk uit zijn bed. Hij had zijn gezicht nog in de kom, om zich in het koude water op te frisschen, toen mijnheer de Guersaint, die niet alleen blijven kon, alweer terug kwam.
“Ik heb het besteld, ze zullen het boven brengen … O, dit hotel! Heb je den heelemaal in het wit gekleeden en zoo deftigen eigenaar, mijnheer Majesté, in zijn bureau gezien? Het schijnt, dat het hotel overvol is, nog nooit hebben ze zooveel menschen gehad … Het is me dan ook een heidensch kabaal. Driemaal hebben ze me vannacht wakker gemaakt. Ik begrijp niet, wat ze in de kamer naast de mijne uitspoken: daarnet nog werd er tegen den muur gestooten, en daarna hoorde ik fluisteren en zuchten.”
Hij viel zichzelf in de rede, om te vragen:
“Heb jij goed geslapen?”
“Heelemaal niet,” antwoordde Pierre. “Ik was doodop van moeheid en het was me niet mogelijk een oog dicht te doen. Zeker door al dat lawaai, waarvan u spreekt.”
Op zijn beurt sprak hij nu over de dunne beschotten, het propvolle hotel, dat onder den last van al die menschen, die men erin ophoopte, kraakte. Den heelen nacht door had hij onverklaarbare schokken gehoord, woest loopen in de gang, zware stappen en zware stemmen, die, je wist niet waarvandaan, opstegen; ongerekend nog het steunen der zieken en het hoesten, het verschrikkelijke hoesten, dat van alle kanten uit de muren scheen te komen. Blijkbaar kwamen er den geheelen nacht door menschen thuis en liepen dan weer uit, stonden op en gingen weer naar bed, want men vroeg niet meer naar uren, leefde in het ongeregelde van hartstochtelijke opwindingen.
“En hoe was het gisterenavond met Marie?” vroeg mijnheer de Guersaint weer.
“Veel beter,” zeide de priester. “Na een vreeselijken aanval van wanhoop heeft zij al haar moed en al haar geloof weer teruggevonden.”
Er volgde een korte stilte.
“O, ik maak me heelemaal niet ongerust,” begon de vader weer met zijn rustig optimisme. “Je zult zien, dat het goed afloopen zal … Ik ben in den zevenden hemel … Ik had van de Heilige Maagd haar bijstand voor mijn eigen zaken ook afgesmeekt, je weet wel, mijn groote uitvinding van de bestuurbare ballons. En wil je wel gelooven, dat zij mij hare genade reeds getoond heeft? Ja, waarachtig, gisterenavond heeft abbé des Hermoises mij aangeboden te Toulouse een geldschieter voor mij te vinden, een schatrijken vriend van hem, die zich voor de werktuigkunde interesseert. Ik heb er dadelijk den vinger Gods in gezien.”
Hij lachte zijn gewoon kinderlijk lachje. Dan voegde hij eraan toe:
“Een charmante man, die abbé des Hermoises! Ik zal toch eens informeeren, of wij samen niet voor een koopje dat uitstapje naar het keteldal van Gavarnie kunnen maken.”
Pierre, die alles, het hotel en de rest, betalen wilde, moedigde hem aan.
“Natuurlijk moet u die gelegenheid om de bergen te bezoeken niet ongebruikt voorbij laten gaan, nu u er zoo naar verlangt. Uw dochter zal gelukkig zijn, als zij weet, dat u gelukkig bent.”
Maar zij werden gestoord; een kamermeisje bracht hun de twee koppen chocolade met kadetjes op een met een servet bedekt blad; daar zij de deur open had laten staan, kon men een gedeelte van de gang in de lengte zien.
“Zoo, wordt de kamer van mijn buurman al gedaan?” vroeg mijnheer de Guersaint nieuwsgierig. “Hij is getrouwd, niet?”
Het kamermeisje keek verbaasd.
“Wel neen, hij is heelemaal alleen!”
“Wat, heelemaal alleen? En den heelen nacht heb ik hem hooren loopen. En vanmorgen werd er gepraat en gefluisterd!”
“Dat kan niet; hij is heelemaal alleen … Daar net is hij naar beneden gegaan, nadat hij eerst order gegeven had, dat men onmiddellijk zijn kamer schoon moest maken. En hij heeft maar één kamer met een groote kast in de muur, waarvan hij den sleutel meegenomen heeft … Daar bewaart hij zeker zijn geld in.”
Zij bleef praten, terwijl zij de twee koppen chocolade op de tafel zette.
“Het is een heele deftige mijnheer … Het vorige jaar had hij een van de afzonderlijk liggende zomerhuisjes, die mijnheer Majesté in de straat hiernaast verhuurd. Maar van het jaar was hij te laat en heeft hij zich tot zijn groote spijt tevreden moeten stellen met deze kamer … Daar hij niet met Jan en alleman wil eten, laat hij zijn diner boven brengen. Nou, hij drinkt een goed wijntje!”
“Dan begrijp ik het al!” zeide mijnheer de Guersaint vroolijk. “Hij zal gisterenavond in zijn eentje een beetje te goed gedineerd hebben.”
Pierre had nieuwsgierig geluisterd.
“En logeeren naast mij niet twee dames met een mijnheer en een kind op krukken?”
“Ja, mijnheer de abbé, ik ken ze heel goed … De tante, madame Chaise, heeft een van de kamers, terwijl mijnheer en mevrouw Vigneron met hun zoon Gustave de andere hebben … Het is al voor het tweede jaar, dat ze komen. Ook heel deftige lui!”
Inderdaad had Pierre gemeend ’s nachts de stem van mijnheer Vigneron, die blijkbaar last van de warmte had, te herkennen. Het meisje, eenmaal op haar praatstoel, vertelde nu verder welke andere logés er op deze verdieping waren: links, een geestelijke, een moeder met drie dochters, een oud getrouwd paar; rechts, nog een ongetrouwd heer, een dame alleen, en een heele familie met vijf kleine kinderen. Het hotel was tot onder de dakpannen vol. De kamermeisjes, die haar kamertjes aan de logé’s hadden afgestaan, sliepen allen bij elkaar in het waschhuis. Gisterennacht had men op de portalen van iedere verdieping kermisbedden opgeslagen. Zelfs had een geestelijke, omdat er nergens anders plaats meer was, op een biljart moeten slapen.
Toen het kamermeisje eindelijk weg was en de heeren ontbeten hadden, ging mijnheer de Guersaint, die erg op reinheid stond, weer naar zijn eigen kamer, om zijn handen te wasschen. Pierre ging, aangetrokken door het heerlijke zonnetje buiten, even op het kleine balcon staan. Alle kamers der zesde verdieping hadden aan dien kant van het hotel een balcon, dat met een balustrade van uitgesneden hout voorzien was. Maar tot zijn groote verbazing zag hij, dat op een balcon ernaast, dat behoorde tot de door den ongetrouwden heer gehuurde kamer, een vrouw, in wie hij madame Volmar herkende, even haar hoofd naar buiten stak. Er was geen twijfel aan of zij was het met haar lang gezicht, haar fijnbesneden trekken, haar groote mooie oogen, die wel gloeiende kolen geleken, waarover soms als een sluier, een vlammige weerschijn kwam, die ze scheen uit te dooven. Toen zij hem herkende, sprong zij van schrik terug. En hij zelf ook ging, verlegen, in zijn kamer terug. Onmiddellijk begreep hij alles: de mijnheer had niets anders kunnen huren dan deze kamer en verborg daarin zijn maîtresse voor aller oogen door haar, terwijl de kamer gedaan werd, in de groote muurkast op te sluiten; samen aten zij het middagmaal, dat boven gebracht werd, en dronken uit hetzelfde glas; ook de geluiden van ’s nachts waren nu te verklaren. Op die wijze waren het voor haar in dit afgesloten vertrek drie dagen van volkomen gevangenschap in dollen hartstocht.
Blijkbaar had zij, toen de kamer opgeruimd was, het gewaagd de kast van binnen weer open te maken en even haar hoofd naar buiten te steken, om te zien, of haar vriend nog niet terugkwam. Daarom had men haar dus niet in het ziekenhuis gezien, waar de kleine madame Désagneaux telkens naar haar vroeg. Pierre stond onbeweeglijk, zijn hart kromp ineen en hij verzonk in een onrustige droomerij, terwijl hij nadacht over het bestaan van deze vrouw, die hij kende, aan de marteling van haar huwlijksleven tusschen een barsche schoonmoeder en een onwaardig echtgenoot, en dan aan deze drie enkele dagen van volkomen vrijheid per jaar, dit hooge oplaaien van de liefdesvlam, onder het heiligschennend voorwendsel te Lourdes God te willen dienen. Tranen, die hij zichzelf niet verklaren kon, tranen, die uit het diepst van zijn innerlijk wezen, uit zijn vrijwillige kuischheid opstegen, vulden in een gevoel van eindelooze droefheid zijn oogen.
“Nou, ben je klaar?” riep mijnheer de Guersaint, die met zijn handschoenen aan weer binnenkwam.
“Ja, ja, we gaan!” zeide Pierre, die, terwijl hij zijn hoed zocht, zich omkeerde, om zijn tranen af te vegen.
Toen zij weggingen, hoorden zij links van zich een brommende stem, welke zij als die van mijnheer Vigneron herkenden, die hardop zijn ochtendgebed deed. Op de gang hadden zij een ontmoeting, die hen interesseerde: zij kwamen n.l. een flinken, eenigszins gezetten heer van een veertig jaar met bakkebaarden tegen. Hij liep wat gebogen en zoo gauw, dat zij zijn gezicht niet konden zien. In zijn hand had hij een zorgvuldig omwikkeld pakje. Hij stak den sleutel in het slot, opende de deur en verdween zacht en geruischloos als een schim.
Mijnheer de Guersaint keek om.
“Kijk, daar heb je den ongetrouwden mijnheer. Hij heeft zeker op de markt wat lekkers gekocht.”
Pierre deed alsof hij het niet hoorde, want hij vond mijnheer de Guersaint te lichtzinnig, om hem ten opzichte van een geheim, dat niet het zijne was, in vertrouwen te nemen. Bovendien voelde hij een verlegenheid, een soort kuischen schrik in zich opkomen bij het denkbeeld aan die wrekende bevrediging van vleeschelijke lusten te midden van de mystieke extase, waardoor hij zich omringd voelde.
Juist op het oogenblik, dat de zieken naar beneden gebracht werden, om ze naar de Grot te rijden, kwamen zij bij het Hôpital. Zij troffen Marie, die goed geslapen had, in een opgewekte stemming aan. Zij gaf haar vader een zoen en, toen zij hoorde, dat hij nog niet tot zijn uitstapje naar Gavarnie besloten was, een standje. Als hij niet ging, zou hij haar een groot verdriet doen. Bovendien zou zij, zooals zij met haar uitgerust en glimlachend gezichtje zeide, toch vandaag niet genezen worden. Eindelijk verzocht zij Pierre dringend te trachten verlof voor haar te krijgen, om den volgenden nacht voor de Grot te mogen doorbrengen: dit was een gunst, die door allen vurig gewenscht, doch slechts zelden aan enkele bevoorrechten toegestaan werd. Pierre, die er zich, ongerust als hij zich maakte over haar gezondheid, wanneer zij zoo’n heelen nacht in de open lucht zou doorbrengen, eerst tegen verzette, moest, toen hij plotseling een trek van groote teleurstelling op haar gezicht zag komen, wel beloven het te zullen doen. Ongetwijfeld dacht zij, dat de Heilige Maagd haar slechts onder vier oogen in den onbeperkten vrede van de duisternis, zou aanhooren. Dien ochtend voelde zij zich, na de mis in de Grot gehoord te hebben, zoo verloren gaan onder de vele zieken, dat zij onder voorwendsel, dat haar oogen zoo’n pijn deden van het felle gaslicht, reeds om tien uur naar het Hôpital teruggebracht wilde worden.
Toen haar vader en de priester haar weer in de zaal Sainte-Honorine gedragen hadden, gaf zij hun voor den verderen dag verlof.
“Neen, je behoeft me niet te komen halen, ik ga vanmiddag niet naar de Grot terug, het is onnoodig … Maar vanavond om negen uur breng je me ernaar toe, niet waar, Pierre? Dat is afgesproken, je hebt me je woord gegeven!”
Hij beloofde, dat hij zou trachten verlof te krijgen, dat hij het, als het noodig was, aan pater Fourcade zelf zou vragen.
“Tot vanavond dan, lieveling!” zeide op zijn beurt mijnheer de Guersaint, terwijl hij haar een zoen gaf.
Zij lieten haar alleen, rustig liggend, met haar groote, peinzende en glimlachende oogen in het niet starend.
Toen zij weer in het Hôtel des Apparitions terugkwamen, was het pas half elf. Mijnheer de Guersaint wilde onmiddellijk dejeuneeren, om dan met het mooie weer een wandeling door Lourdes te maken. Toch wilde hij eerst naar zijn kamer; Pierre volgde hem en samen vielen zij boven midden in een drama. De deur der Vignerons stond wijd open; ze zagen den kleinen Gustave languit liggen op een canapé, die als bed dienst deed. Hij zag lijkkleurig en had juist een flauwte gehad, die zijn vader en zijn moeder een oogenblik had doen gelooven, dat het het einde was. Madame Vigneron was, verbijsterd van angst, op een stoel neergevallen, terwijl mijnheer Vigneron alles door elkaar gooide om een glas suikerwater te maken, waarin hij enkele droppels van een elixer goot. Maar hoe was het mogelijk? Een zoo sterke jongen flauw vallen en zoo wit worden als een jong meisje? Hij keek madame Chaise aan, die voor den canapé stond; zijn handen begonnen nog erger te beven bij de gedachte, dat de erfenis der tante, wanneer zijn jongen in die idiote flauwte gebleven was, nu niet meer aan hen zou ten deel vallen. Hij was buiten zichzelf, maakte de lippen van het kind open en liet hem het geheele glas leegdrinken. Maar toen hij hem hoorde zuchten, kwam zijn vaderlijke goedhartigheid dadelijk weer boven; hij huilde en noemde hem zijn lief kereltje. Met een gebaar van plotselingen haat, alsof hij de moreele ontaarding begrepen had, waartoe het geld van die vrouw zijn ouders, zonder dat zij het zelf wisten, bracht, stiet de kleine Gustave madame Chaise, die wat dichter bij wilde komen, terug. Beleedigd ging de oude dame afzonderlijk zitten, terwijl de vader en de moeder, gerustgesteld nu, de Heilige Maagd dankten, dat zij hun lieveling, die hen aankeek met zijn teer en droevig glimlachje van jongen, die alles begrijpt en op zijn vijftiende jaar al zijn levenslust reeds verloren heeft, gered had.
“Kunnen we u misschien ergens mee helpen?” vroeg Pierre dienstvaardig.
“Heel vriendelijk, heeren, maar het is niet noodig,” antwoordde mijnheer Vigneron, die even op de gang kwam. “Het is me anders een schrik geweest. Het is ook ons eenig kind en we houden zooveel van hem.”
Het dejeuner-uur bracht het geheele hotel in beweging. Deuren sloegen dicht, de gangen en de trappen dreunden van het voortdurend heen en weer gevlieg. Drie jonge meisjes stormden met ruischende rokken langs hen heen. In een kamer naast hen huilden kleine kinderen. Oude menschen wisten niet hoe zij zich het best haasten konden, geestelijken vielen geheel uit hun rol en lichtten hun soutanes met beide handen op, om maar hard te kunnen loopen. Van boven tot beneden zwiepten de planken onder den te zwaren last der opeengehoopte menschen. Een kamermeisje, dat op een blad een volledig dejeuner droeg, had aan de deur van den ongetrouwden mijnheer geklopt. Toen zij eindelijk op een kiertje openging, zagen zij de opgeruimde kamer, waarin de heer met zijn rug naar de deur zat.
“Ik hoop, dat het nu voorbij is en dat de Heilige Maagd hem zal genezen,” zeide mijnheer Vigneron, die de twee anderen niet meer losliet. “Wij gaan nu dejeuneeren, want ik heb honger als een paard.”
Toen Pierre en mijnheer de Guersaint beneden kwamen, vonden zij tot hun groote teleurstelling geen enkel tafeltje in de eetzaal vrij. Het was er ontzettend vol, de enkele tafeltjes, die nog leeg stonden, waren besproken. Een kellner vertelde hun, dat onder de bestorming van den eetlust, die door de scherpe berglucht nog meer geprikkeld werd, de zaal van tien tot een uur geen minuut minder leeg was. Zij moesten, of zij wilden of niet, wachten en verzochten den kellner hen te waarschuwen, wanneer er twee plaatsen vrij waren. En daar zij niet wisten wat zij anders doen moesten, gingen zij wat wandelen in de vestibule van het hotel, die op de straat uitkwam.
Maar de eigenaar van het Hôtel des Apparations, de in het wit gekleede mijnheer Majesté, kwam in hoogst eigen persoon naar hen toe en vroeg met de grootste hoflijkheid:
“Als de heeren soms in den salon willen wachten?”
Het was een dikke man van een vijf-en-veertig jaren, die alle moeite deed om zijn naam op koninklijke wijze te dragen. Kaal en gladgeschoren, met ronde blauwe oogen in een waskleurig gezicht en met een driedubbele onderkin deed hij hoogst gewichtig en deftig. Hij was met de zusters, die het weeshuis bestuurden, van Nevers gekomen en had een kleine, donkere vrouw uit Lourdes getrouwd. Samen hadden zij in nog geen tien jaar van hun hotel een der aanzienlijkste en drukst bezochte inrichtingen der stad gemaakt. Enkele jaren geleden had hij er een handel in religieuze artikelen aan verbonden, die een groot magazijn besloeg en onder toezicht van madame Majesté door een jong nichtje bestuurd werd.
“Als de heeren misschien in den salon willen wachten?” herhaalde de hôtelier, dien de soutane van Pierre zeer voorkomend maakte.
Maar beiden gaven zij er de voorkeur aan wat op en neer te loopen, waarop Majesté, die, zooals hij gewoonlijk deed met gasten, welke hij met bijzondere onderscheiding behandelde, met hen een praatje wilde maken, zich bij hen voegde. Het gesprek liep eerst over de fakkelprocessie van dien avond, welke met dit prachtige weer schitterend beloofde te worden. Er waren meer dan vijftigduizend vreemdelingen te Lourdes. Uit alle badplaatsen in den omtrek waren wandelaars gekomen, wat de overbelasting der tables-d’hôte verklaarde. Misschien zou er wel brood te kort zijn in de stad, evenals verleden jaar.
“U ziet hoe vol het is, wij weten waarachtig niet, hoe we iedereen bedienen moeten. Het is heusch mijn schuld niet, als wij u wat moeten laten wachten.”
Op dat oogenblik kwam de brievenbesteller met een groot pak couranten en brieven, die hij op een tafeltje in het bureau neerlegde. Een brief hield hij in zijn hand, terwijl hij vroeg:
“Logeert hier ook een madame Maze?”
“Madame Maze, Madame Maze?” herhaalde de hôtelier. “Neen, neen, ik weet zeker van niet.”
Pierre had de vraag ook gehoord en zeide:
“Er moet een madame Maze logeeren bij de zusters van de Onbevlekte Ontvangenis, de Blauwe Zusters, zooals ze hier, geloof ik, genoemd worden.”
De brievenbesteller dankte voor de inlichting en ging weg. Maar een bitter glimlachje was op de lippen van mijnheer Majesté gekomen.
“De Blauwe Zusters,” mompelde hij; “ja, de Blauwe Zusters …”
Hij keek schuins naar de soutane van Pierre en hield dan plotseling op, alsof hij bang was te veel te zullen zeggen. Zijn hart was echter te vol, hij moest het lucht geven, en deze jonge priester, die er niet uitzag, alsof hij bekrompen van geest was, behoorde blijkbaar niet tot de “bende”, zooals hij al degenen, die in de Grot dienst deden en geld sloegen uit Notre-Dame de Lourdes, noemde. Langzamerhand liet hij zich gaan.
“Ik zweer u, mijnheer de abbé, dat ik een goed Katholiek ben. Dat zijn we hier trouwens allemaal. Ik neem mijn plichten waar en houd mijn Paschen. Maar dat moet ik toch zeggen, de nonnen moesten er geen hotel op nahouden. Dat is niet goed.”
Hij liet zijn wrok van zakenman, die door oneerlijke concurrentie schade lijdt, den vrijen teugel. Hadden die zusters van de Onbevlekte Ontvangenis, die Blauwe Zusters, zich niet moeten houden aan haar eigenlijke taak, de vervaardiging van hosties en het strijken en onderhouden van de wasch der geestelijken? Maar neen, zij hadden haar klooster veranderd in een groot hotel, waarin ongetrouwde dames afzonderlijke kamers vonden en gemeenschappelijk konden eten, wanneer zij niet liever apart bediend werden. Alles was heel zindelijk, heel goed ingericht en door de ontelbare voordeelen, die zij genoten, niet duur. Geen enkel hotel te Lourdes wierp zooveel rente af.
“Maar zegt u zelf eens, komt het te pas, dat nonnen zoo iets doen? Daarbij komt nog, dat de overste een flinke vrouw is. Toen zij het geld zag vloeien, wilde zij het alleen voor haar huis hebben en heeft zij zich geheel en al losgemaakt van de paters der Grot, die trachtten den baas over haar te spelen. Ja, mijnheer de abbé, zij is naar Rome gegaan en heeft haar proces gewonnen; nu steekt zij al het geld van de rekeningen in haar zak. Nonnen, lieve Hemel, nonnen, die gemeubileerde kamers verhuren en een table-d’hôte houden!”
Hij hief zijn armen ten hemel en stikte bijna van woede.
“Maar,” merkte Pierre kalm op, “waar zoudt u, nu uw hotel propvol is en u geen bed of geen bord meer vrij hebt, de reizigers, die nog zouden kunnen komen, onder dak willen brengen?”
Maar Majesté had onmiddellijk zijn antwoord klaar.
“O, mijnheer de abbé, men kan wel zien, dat u het land niet kent. Zeker, tijdens de nationale bedevaart hebben we het allemaal druk, mogen we niet klagen. Doch dat duurt maar vier of vijf dagen; en in gewone tijden is het lang zoo druk niet … O, ik heb Goddank altijd logeergasten genoeg. Het hotel is bekend en staat gelijk met het Hôtel de la Grotte, waarmede reeds twee eigenaars rijk geworden zijn … Maar dat neemt niet weg, dat het vervelend is om te zien, hoe die Blauwe Zusters de clientèle afroomen, de dames uit de beste kringen, die dikwijls veertien dagen en drie weken in Lourdes blijven, van ons wegnemen; en dat vooral in stille tijden, wanneer er niet veel gasten zijn! U begrijpt wel wat ik bedoel, mijnheer de abbé: rijke ongetrouwde dames, die het land hebben aan lawaai en heele dagen lang alleen in de Grot gaan bidden, en die goed betalen zonder af te dingen!”
Op dat oogenblik mengde madame Majesté, die Pierre en mijnheer de Guersaint nog niet gezien hadden, daar zij, over een register heen gebogen, rekeningen zat op te tellen, zich in het gesprek.
“Verleden jaar, heeren, hebben wij gedurende twee maanden zoo’n dame in ons hotel gehad. Zij ging naar de Grot, kwam terug, ging er weer heen, at en sliep. En nooit één aanmerking, altijd hetzelfde tevreden glimlachje. Zij heeft haar rekening betaald, zonder die zelfs in te kijken … Om zulke gasten kan het je wel eens spijten.”
De kleine, magere, geheel in het zwart gekleede brunette stond op.
“Als de heeren een paar kleine herinneringen aan Lourdes willen meenemen, moeten zij ons niet vergeten. Wij hebben hiernaast een magazijn, waarin zij een groot aantal van de meest gevraagde artikelen zullen vinden … De personen, die bij ons logeeren, zijn gewoonlijk zoo vriendelijk hun souvenirs nergens anders te koopen.”
Weer schudde Majesté zijn hoofd.
“Zeker,” zeide hij, “zou ik niet graag in eerbied tegenover de eerwaarde paters te kort schieten, maar toch mag ik niet ontkennen, dat zij te gulzig zijn … U hebt natuurlijk hun winkel bij de Grot gezien, die altijd stampvol is en waar ze religieuze artikelen en kaarsen verkoopen. Verschillende priesters zeggen, dat het een schande is en dat men opnieuw de wisselaars uit de tempels moest jagen … En naar men beweert, zijn de paters ook deelgenoot in het groote magazijn hier recht tegenover, waaruit de kleinere winkels hun artikelen betrekken. In het kort, wanneer je de praatjes gelooven mag, dan zouden zij de hand hebben in den geheelen handel in religieuze artikelen en zouden zij vooruit zoo en zooveel percent nemen van de millioenen rozenkransen, beeldjes en medailles, die jaarlijks te Lourdes verkocht worden.”
Hij was fluisterend gaan spreken, want met zijn beschuldigingen wees hij nu bepaalde personen aan, en ten slotte begon hij toch angstig te worden, dat hij zich zoo vrij uitliet tegenover vreemdelingen. Het zachte en vriendelijke gezicht van Pierre stelde hem echter gerust; en nu besluitend alles te vertellen, ging hij in zijn verontwaardiging van benadeeld concurrent, door:
“Nu wil ik heel graag gelooven, dat er veel overdreven wordt. Maar het feit blijft toch bestaan, dat het een groot nadeel voor den godsdienst is, wanneer de eerwaarde paters, als de eerste de beste leek, een winkel houden …. Ik wil toch het geld voor hun missen niet met hen deelen en ik vraag toch niet zoo en zooveel procent van de cadeaux, die zij krijgen? Maar waarom gaan zij dan verkoopen, wat ik verkoop? Door hen is mijn laatste jaar alles behalve schitterend geweest. Er zijn er toch al te veel van ons, iedereen te Lourdes handelt in den goeden God, zoodat je er ten slotte geen droog brood meer mee verdient … Ja, mijnheer de abbé, de Heilige Maagd mag bij ons zijn, maar toch zijn het dikwijls slechte tijden.”
Hij werd even door een gast weggeroepen, maar hij kwam weer terug, juist toen een jong meisje madame Majesté kwam halen. Het was een knap, klein, mollig jong ding uit Lourdes met mooi, zwart haar en een rond, vroolijk gezicht.
“Onze nicht Appoline,” stelde Majesté voor. “Sedert twee jaar beheert zij ons magazijn. Zij is de dochter van een armen broer van mijn vrouw en hoedde te Bartrès schapen, toen wij, aangetrokken door haar lieftalligheid, besloten haar bij ons te nemen; en wij hebben er geen berouw van, want ze is een uitstekend verkoopster.”
Wat hij niet vertelde was, dat er nog al rare praatjes over Appoline liepen. Men had haar ’s avonds met jongelui langs den Gave zien dwalen. Maar zij was voor Majesté veel waard, want zij trok, misschien door haar groote zwarte oogen, die graag lachten, veel klanten. Het vorige jaar was Gérard de Peyrelongue niet uit den winkel weg te krijgen geweest, en alleen zijn huwlijksplannen beletten hem nu terug te komen. Hij scheen vervangen te zijn door den galanten abbé Des Hermoises, die er veel dames bracht om te koopen.
“U sprak daar over Appoline,” zeide madame Majesté, toen zij weer uit het magazijn terug kwam. “Heeren, hebt u niet opgemerkt hoe sprekend zij op Bernadette lijkt … Kijk, daar hangt een portret van Bernadette op haar achttiende jaar …”
Pierre en mijnheer de Guersaint kwamen wat dichter bij, terwijl Majesté uitriep:
“Bernadette, precies! Net Appoline, maar minder mooi, en melancholieker en armer.”
Eindelijk kwam de kellner zeggen, dat er een klein tafeltje vrij was. Tweemaal was mijnheer de Guersaint al eens in de eetzaal gaan kijken, want hij brandde van verlangen om te dejeuneeren en met het mooie weer naar buiten te gaan. Hij haastte zich dan ook weg zonder verder te luisteren naar Majesté, die met een beminlijk glimlachje opmerkte, dat de heeren toch niet zoo heel lang hadden behoeven te wachten. Het tafeltje stond heelemaal achteraan, zoodat zij de geheele zaal door moesten loopen.
Het was een lange, in eikenhout geschilderde zaal, waarvan het schilderwerk echter reeds vol vlekken was. Men voelde er de slijtage en het vuil worden tengevolge van het aanhoudend af en aan loopen van hongerige menschen, die even aan een tafeltje neervielen. De geheele luxe bestond uit een schoorsteengarnituur: een druk-vergulde pendule met twee kandelabers. Ook hingen er voor de vijf ramen, die op het Zuiden uitzagen, kanten gordijnen. Door de neergelaten jaloezieën schoten toch brandende zonnepijlen naar binnen. In het midden zaten dicht op elkaar veertig menschen om de acht meter lange table-d’hôte, waaraan er eigenlijk nauwlijks dertig konden plaats nemen, terwijl aan de kleine tafeltjes rechts en links aan den muur nog een veertig andere gasten samengedrukt zaten. Bij het binnenkomen werd men als het ware verdoofd door een buitengewoon lawaai, een geroezemoes van stemmen en een rinkelen van borden en vorken. Het scheen, alsof men in een vochtigen oven kwam: een benauwende damp, bezwangerd met een benauwende etenslucht, sloeg je in het gezicht.
Pierre kon in den beginne niets onderscheiden. Maar toen hij eindelijk aan hun tafeltje zat, een tuintafeltje, dat voor deze gelegenheid binnen gezet was en waarop de twee couverts elkaar aanraakten, werd hij eenigszins misselijk bij het zien van de groote tafel, die hij met één blik overzag. Sedert een uur werd eraan gegeten, twee afdeelingen gasten hadden hun beurt reeds gehad; de couverts stonden schots en scheef door elkaar, wijn- en jusvlekken plakten op het tafellaken. Om de symmetrie der compote-schalen, die als tafelversiering dienden, bekommerde men zich sedert lang niet meer.
Maar meer dan dat nog hinderde Pierre de druk doende menigte gasten: dikke priesters, magere jonge meisjes, moeders met hangborsten en hangbuiken, opgeblazen, ongetrouwde heeren, heele families, waarvan de leden naar den leeftijd zaten en waarvan de een er al slechter en treuriger uitzag dan de ander. En al die menschen zweetten, slokten gulzig hun maal naar binnen, hun armen tegen hun lichamen aangeplakt, terwijl zij hun handen bijna niet verroeren konden. En in die groote, door de vermoeienis vertiendubbelde eetlust, in die haast, om zich vol te proppen, ten einde des te vlugger naar de Grot te kunnen terugkeeren, zat in het midden van de tafel een corpulente geestelijke, die volstrekt geen haast had en van iederen schotel met een bedachtzame langzaamheid, met een ononderbroken, voorzichtig kauwen at.
“Bliksems,” zeide mijnheer de Guersaint, “koud is ook anders! Maar toch wil ik graag wat eten, want, hoe het komt weet ik niet, maar sedert ik in Lourdes ben, voel ik mijn maag jeuken … Heb jij ook zoo’n honger?”
“Ja, ik zal ook wat eten,” zeide Pierre, die niet den minsten trek had.
Het was een overvloedig menu: zalm, omelette, côteletten met gestoofde aardappelen, gestoofde nieren, bloemkool, koud vleesch en abrikozentaart; alles te veel gekookt, verdrinkend in de jus en onsmakelijk als de opgewarmde restjes. Doch op de fruitschalen lagen goede vruchten, o.a. prachtige perziken. Bovendien schenen de gasten niet veeleischend te zijn en weinig smaak te hebben. Een tenger jong meisje met mooie oogen en een als zijde glanzende huid, die tusschen een ouden priester en een vuilen mijnheer met een langen baard zat, smulde blijkbaar van de nieren, die in het grijze water, waarin zij gestoofd waren, lagen te zwemmen.
“Waarachtig,” zeide mijnheer de Guersaint, “die zalm is zoo kwaad niet … Als je er wat zout bij doet, smaakt ze uitstekend.”
Pierre moest, om zich op den been te houden, wel eten. Aan een klein tafeltje naast het hunne, had hij madame Vigneron en madame Chaise gezien, die, het eerst naar beneden gekomen, tegenover elkaar zaten te wachten; weldra verschenen ook mijnheer Vigneron en Gustave, bleek nog en zwaar leunend op zijn kruk.
“Ga naast je tante zitten,” zeide hij. “Voor mij is er nog plaats naast je moeder!”
Toen hij zijn buren zag, ging hij even naar hen toe.
“Ja, hij is weer heelemaal opgeknapt. Ik heb hem eens goed met eau-de-Cologne gewreven, en straks zal hij zijn bad in den vijver nemen.”
Hij ging aan tafel zitten en at gulzig. Maar wat een schrik was het geweest! Ondanks zichzelf praatte hij er nog luid over, zoo had de schrik, zijn zoon vóór zijn tante te zien sterven, hem aangegrepen. Deze laatste vertelde, dat zij, toen zij den vorigen dag voor de Grot geknield lag, zoo’n verlichting gevoeld had; zij vleide zich reeds van haar hartkwaal genezen te zijn, gaf allerlei kleine bijzonderheden, waarnaar haar zwager met groote, onwillekeurig ongeruste oogen luisterde. Zeker, hij was een goede kerel, hij zou nooit iemands dood gewenscht hebben; maar hij voelde een verontwaardiging en een verzet in zich opkomen bij het denkbeeld, dat de Heilige Maagd die oude vrouw zou genezen, terwijl zij zijn nog zoo jongen zoon vergeten zou. Hij was reeds aan de côteletten en slokte vorken vol aardappelpurée naar binnen, toen hij meende op te merken, dat madame Chaise tegen haar neef mokte.
“Gustave,” zeide hij plotseling, “heb je je tante al excuus gevraagd?”
Verwonderd zette de jongen zijn heldere oogen in zijn uitgeteerd gezichtje wijd open.
“Ja, je bent ondeugend geweest, je hebt ze weggestooten, toen ze boven dicht bij je kwam.”
In het volle bewustzijn van haar waardigheid zweeg madame Chaise en wachtte, terwijl Gustave, die zonder eenigen eetlust aan zijn in kleine stukjes gesneden côtelette bezig was, met zijn oogen op zijn bord bleef staren en ditmaal stijfhoofdig weigerde zich aan dat treurige werkje, om lief te zijn, te onderwerpen.
“Kom, Gustave, wees nou lief; je weet hoe goed tante altijd voor je is en wat ze van plan is voor je te doen.”
Neen, neen, hij zou niet toegeven. Hij verwenschte op dit oogenblik deze vrouw, die niet gauw genoeg dood ging en de liefde van zijn ouders zoo leelijk voor hem maakte, dat hij, wanneer hij hen zich zoo druk om haar zag maken, niet meer wist, of zij hem wilden redden dan wel de erfenis, die zijn leven vertegenwoordigde.
Doch madame Vigneron kwam haar man te hulp.
“Je doet me veel verdriet, Gustave. Vraag dadelijk vergiffenis aan je tante, als je me niet heelemaal boos wil maken!”
Nu gaf hij toe. Waarom ook nog zich verzetten? Was het niet beter, dat zijn ouders dat geld hadden? Zou hij zelf op zijn beurt niet sterven, al was het ook later, daar dit de zaken van zijn familie in orde bracht? Hij wist dat, begreep alles, zelfs die dingen, welke men voor hem verzweeg; zijn ziekte had hem zoo’n scherp gehoor gegeven, dat hij zelfs gedachten hoorde.
“Tante, ik vraag u excuus, dat ik daarnet niet lief tegen u ben geweest.”
Twee groote tranen rolden uit zijn oogen, terwijl hij glimlachte op de manier van een liefderijk, ontgoocheld iemand, die veel meegemaakt heeft.
“Al zijn de nieren niet zoo bijster lekker,” zeide mijnheer de Guersaint tegen Pierre, “de bloemkool smaakt uitstekend.”
In de geheele zaal duurde het ontzettende kauwen voort. Nog nooit had Pierre zoo zien eten, in zoo’n zweet, in zoo’n benauwende warmte als waren zij in een gloeiend waschhuis. De etenslucht verdichtte zich langzaam tot een damp. Om zich verstaanbaar te maken, moest men schreeuwen, want alle gasten praatten hardop, terwijl de kellners met de borden en schalen rinkelden; ongerekend nog het lawaai van de kaken, dat je duidelijk hooren kon en dat als het schuren van molensteenen klonk. Wat echter den jongen priester het meest hinderde was het buitengewoon gemengde gezelschap aan de tafel, waar de mannen, de vrouwen, de jonge meisjes en de geestelijken pêle-mêle door elkaar zaten en hun honger verzadigden als een losgelaten troep jachthonden, die hun brokken naar binnen slokken. De broodbakjes gingen rond en waren onmiddellijk leeg. Onder het koude vleesch en het overgebleven vleesch van den vorigen dag, lams- en kalfsvleesch en ham werd een ware slachting aangericht. Men had reeds te veel gegeten en toch wekten die vleezen de eetlust weer op, daar men meende, dat men niets over moest laten. De priester aan het midden der tafel, die een goede eter scheen te zijn, was nu reeds aan zijn derde perzik, enorme perziken, die hij langzaam schilde en met een ernstig, nadenkend gezicht in kleine stukjes naar binnen werkte.
Dan ontstond er plotseling een heele beweging in de zaal, een kellner deelde de post, die mevrouw Majesté uitgezocht had, uit.
“Kijk!” zeide mijnheer Vigneron, “een brief voor mij. Ik begrijp het niet, ik heb niemand mijn adres gegeven.”
Dan bedacht hij zich.
“O ja, dat is waar ook, hij zal van Sauvageot zijn, die zoolang aan Financiën voor mij waarneemt.”
Toen hij den brief open gemaakt had, begonnen zijn handen te beven en riep hij uit:
“De chef is dood.”
Madame Vigneron was zoo van streek, dat zij onwillekeurig zeide:
“Dan zal jij benoemd worden!”
Het was een heimelijke, lang gekoesterde droom: de dood van den chef de bureau, opdat hij, sedert tien jaar onderchef, eindelijk zou kunnen opklimmen tot den hoogsten graad, zijn maarschalkstaf. En ook zijn blijdschap was zóó groot, dat hij er alles uit gooide.
“O, lieve vrouw, de Heilige Maagd is beslist met ons … Vanochtend nog heb ik haar mijn promotie gevraagd, en zij verhoort mij!”
Doch toen hij de blikken van madame Chaise op zich gevestigd voelde en zijn zoon zag glimlachen, begreep hij plotseling, dat hij niet op die manier juichen moest. Ongetwijfeld vroeg iedereen in de familie aan de Heilige Maagd de gunsten, die hij persoonlijk het meest noodig had. En als een braaf mensch verbeterde hij zichzelf dan ook:
“Ik bedoel, dat de Heilige Maagd van ons allen veel houdt en dat zij ons allen heel tevreden van hier zal laten gaan … Wat spijt me dat van mijn armen chef. Ik zal zijn weduwe een kaartje zenden.”
Hoe hij het ook probeerde, hij kon zijn vreugde niet inhouden. Hij twijfelde er niet meer aan, of hij zou zijn geheimste wenschen, zelfs die, welke hij zichzelf niet bekennen durfde, in vervulling zien gaan. Aan de abrikozentaart werd groote eer bewezen, Gustave kreeg verlof er een klein stukje van te eten.
“Het is verwonderlijk,” zeide mijnheer de Guersaint, die nog een kop koffie genomen had, tegen Pierre, “het is verwonderlijk, dat je hier niet meer zieken ziet. Al die menschen hier schijnen een flinke eetlust te hebben.”
Intusschen had hij behalve Gustave, die als een klein kuikentje kruimeltjes at, ontdekt, dat er tusschen twee vrouwen, waarvan er een ongetwijfeld een kankerlijdster was, een man met een groot kropgezwel aan de table-d’hôte zat. Verderop was een zoo mager en bleek meisje, dat men wel aannemen moest, dat zij een teringlijdster was. Tegenover haar zat een idiote vrouw, die, gesteund door twee bloedverwanten, binnengekomen was en nu, met wezenlooze oogen starend, met haar lepel zat te eten, waarbij zij het grootste gedeelte op haar servet morste. Misschien waren er ook nog andere zieken, die men te midden van dat lawaaierige, druk etende gezelschap niet opmerkte, zieken, die door de reis opgewonden waren en nu aten, alsof zij in geen jaren gegeten hadden. De abrikozentaart, de kaas en de vruchten verdwenen naar binnen, en in de groote wanorde der couverts bleef niets meer over dan de jus- en wijnvlekken, die zich op het tafellaken uitbreidden.
Het was bijna twaalf uur.
“We gaan zeker dadelijk naar de Grot terug?” vroeg mijnheer Vigneron.
Men hoorde trouwens niets anders dan: “Naar de Grot! Naar de Grot!” De volle monden haastten zich, keerden terug naar de gebeden en de lofzangen.
“Nu we toch den heelen middag voor ons hebben,” zeide mijnheer de Guersaint weer, “zou ik je wel willen voorstellen de stad eens te gaan bekijken, dan kan ik tegelijk zien een rijtuig te krijgen voor mijn uitstapje naar Gavarnie, waar mijn dochter zoo op staat.”
Pierre, die het vreeselijk benauwd had, was blij de eetzaal te kunnen verlaten. In den vestibule haalde hij verruimd adem. Maar daar hoopte zich een nieuwe troep gasten op, die, in afwachting van een plaats, queue maakte; men betwistte elkaar de kleine tafeltjes; het minste open gaatje aan de table-d’hôte was onmiddellijk weer bezet. Een uur lang nog zou de bestorming aanhouden, het menu defileeren en naar binnen geslokt worden, te midden van het geschuur der kaken, van de steeds benauwder wordende warmte en de toenemende walging.
“Pardon, ik moet nog even naar boven,” zeide Pierre; “ik heb mijn beurs vergeten.”
Boven in de stilte van de trap en de verlaten gangen hoorde hij, toen hij bij de deur van zijn kamer kwam, een zacht geluid. In het vertrek ernaast klonk een kirrend lachje, dat op den te harden stoot met een vork gevolgd was. Dan kwam ongrijpbaar, meer vermoed dan inderdaad gehoord, de zucht van een kus, het beven van lippen, die zich op andere lippen drukten, om ze te doen zwijgen. De ongetrouwde mijnheer dejeuneerde ook.