WeRead Powered by ReaderPub
De drie steden: Lourdes cover

De drie steden: Lourdes

Chapter 16: II.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a community of pilgrims and invalids traveling to a famous shrine, centering on a sick woman named Marie who hopes for healing. Through close observation of communal prayers, miraculous claims, and medical examinations, the work examines tensions between religious faith and scientific skepticism, and considers suggestion, hysteria, and the social rituals that surround reported cures. Episodes alternate between intimate bedside scenes, public devotions, and clinical inquiry, presenting a nuanced, often ambivalent account of belief, bodily suffering, and the human need for hope.

II.

Buiten liepen Pierre en mijnheer de Guersaint langzaam te midden van den steeds aangroeienden stroom der Zondagsmenigte. De hemel was helderblauw, de zon zette de stad in vlammen; in de lucht was een feestelijke vroolijkheid, de levendige vroolijkheid, die op groote marktdagen heerscht, welke het leven van een geheel volk in het volle daglicht plaatsen. Toen zij het stampvolle trottoir der avenue de la Grotte afgeloopen waren, werden zij op den hoek van het plateau de la Merlasse tegengehouden, zoo stroomde de menigte tusschen het onophoudelijk heen en weer rijden der rijtuigen terug.

“We behoeven ons niet te haasten,” zeide mijnheer de Guersaint. “Ik wou naar de place du Marcadal in de oude stad, want het kamermeisje heeft mij verteld, dat daar een kapper woont, wiens broer goedkoop rijtuigen verhuurt … Heb je lust om mee te gaan?”

“Ik,” riep Pierre uit, “ik vind alles goed.”

“Prachtig! Dan zal ik me tegelijk even laten scheren!”

Zij kwamen op de place du Rosaire voor de grasperken, die zich tot den Gave uitstrekken, toen een nieuwe ontmoeting hen weer stil deed staan. Madame Désagneaux en Raymonde de Jonquière stonden daar vroolijk met Gérard de Peyrelongue te praten. Beiden hadden zij lichte japonnetjes, dunne strand-japonnetjes, aan en haar wit zijden parasols schitterden in de volle zon. Zij vormden daar een aardig groepje, een leuk hoekje van mondain gebabbel met frisch, jong gelach.

“Neen, neen!” herhaalde madame Désagneaux; “wij kunnen uw “popote” niet zoo bezoeken, terwijl al uw vrienden aan het eten zijn.”

Gérard drong zeer galant aan en wendde zich daarbij vooral tot Raymonde, wier eenigszins vol gezicht dien dag door een stralenden charme van gezondheid verhelderd werd.

“Maar het is heusch heel interessant om te zien en u zult schitterend ontvangen worden … U kunt u gerust aan mij toevertrouwen, mademoiselle, en bovendien zullen wij er zeker mijn neef Berthaud vinden, die het zich tot een groote eer zal rekenen om de honneurs in onze installatie waar te nemen.

Raymonde glimlachte en zeide met haar levendige oogen, dat zij wel wilde. Op dat oogenblik gingen mijnheer de Guersaint en Pierre de dames begroeten. Onmiddellijk werden zij op de hoogte gebracht. “Popote” noemden zij een soort restaurant, een soort table-d’hôte, die de leden der Hospitalité de Notre Dame de Salut, de brancarddragers en zij, die in de Grot, bij de vijvers en in de ziekenhuizen, behulpzaam waren, opgericht hadden, om gemeenschappelijk en goedkoop te eten. Daar verschillende van hen niet rijk waren, omdat de Hospitalité leden telde onder alle klassen, waren zij overeengekomen, om drie goede maaltijden te gebruiken tegen een storting van drie francs daags; daarvan hielden zij dan nog eten over, dat zij onder de armen verdeelden. Maar zij bestuurden alles zelf, kochten zelf de levensmiddelen en huurden een kok en een paar jongens, terwijl zij er niet tegen op zagen zelf een handje mede te helpen om het lokaal in orde te houden.

“Dat moet heel interessant zijn,” riep mijnheer de Guersaint uit. “Dat zou ik wel eens graag willen zien, als wij tenminste niet te veel zijn.”

Toen stemde ook madame Désagneaux toe.

“Nu we met een troepje gaan, wil ik ook wel. Ik was bang, dat het niet passen zou.”

En toen zij lachte, begonnen al de anderen ook te lachen. Zij had den arm van mijnheer de Guersaint aangenomen, terwijl Pierre, die werkelijk sympathie voelde voor het opgewekte vrouwtje, dat zoo bekoorlijk was met haar blonde kroesharen en haar melkblanken tint, links van haar liep.

Achter hen kwam Raymonde aan den arm van Gérard, met wien zij met haar ernstig stemmetje als een heel verstandig jongmeisje, dat er nog zoo zorgeloos-jeugdig uitzag, liep te praten. En nu zij eindelijk den zoo lang gedroomden echtgenoot in haar nabijheid had, nam zij zich ernstig voor hem ditmaal te veroveren. Zij bedwelmde hem dan ook met haar geur van mooi, gezond meisje en wekte tevens zijn bewondering door haar verstand van het huishouden en haar spaarzaamheid in kleine dingen, want zij liet hem bijzonderheden vertellen over hun inkoopen en toonde hem aan, dat zij hun uitgaven nog meer konden beperken.

“U bent zeker heel moe?” vroeg mijnheer de Guersaint aan madame Désagneaux.

Zij protesteerde onmiddellijk in edele woede.

“Wel neen! Stel u voor, dat ik vannacht in het Hôpital van moeheid in een fauteuil neergevallen ben. En toen zijn de dames zoo lief geweest mij te laten slapen.”

Opnieuw begon men te lachen. Maar zij bleef woedend.

“Zoodat ik acht uur achter elkaar als een blok geslapen heb. En ik had me nog al voorgenomen den heelen nacht te waken.”

Eindelijk kon zij haar lachen ook niet meer bedwingen.

“Een mooie ziekenverpleegster, hé?… Die arme madame de Jonquière heeft nu tot het begin van den dag gewaakt. Ik heb daareven getracht haar over te halen met ons mee te gaan, maar zij wilde niet.”

Raymonde, die het gehoord had, verhief haar stem:

“O, die arme mama, ze kon bijna niet meer staan. Ik heb haar gedwongen wat naar bed te gaan, en haar verzekerd, dat zij gerust kon slapen, dat alles goed marcheeren zou.”

En zij wierp Gérard een lachenden blik toe. Hij meende zelfs een onmerkbaren druk van haar frisschen, ronden arm te voelen, dien hij in den zijne hield, alsof zij te kennen wilde geven, dat zij het prettig vond zoo alleen met hem te zijn en zij, zonder door iemand gestoord te worden, hun kleine aangelegenheden konden regelen. Hij vond het verrukkelijk, en hij vertelde haar, waarom hij dien dag niet met zijn kameraden gegeten had. Een familie, die hij goed kende, was vandaag vertrokken en had hem van tien uur af aan het buffet van het station uitgenoodigd, zoodat hij pas na het vertrek van den trein van half één vrij geweest was.

“Hoort u wel hoe vroolijk zij zijn?” vroeg hij.

Ze waren vlak bij de “popote” en hoorden inderdaad het luide lachen van jongelui, dat uit een groepje boomen kwam, waaronder het oude uit gips en zink opgerichte gebouw zich verborg, waarin zij de “popote” ondergebracht hadden. Eerst liet hij hen de keuken doorgaan, een groote, goed ingerichte ruimte, waarin een groot fornuis en een lange tafel stonden en een aantal reusachtige pannen aan den muur hingen. Hij wees hen erop, dat de kok, een dikke, vroolijke kerel, ook het roode kruis op zijn witte jas droeg, want hij nam deel aan de bedevaart. Dan deed hij een deur open en bracht hen in de gemeenschappelijke zaal.

Het was een lange zaal, waar een dubbele rij eenvoudige vuurhouten tafels naast elkaar stond. Behalve een andere tafel voor de overgeschoten spijzen en café-stoelen met zittingen van stroo waren er geen andere meubelen. Maar de witgekalkte muren en de glimmend roode vloer leken in deze gewilde kaalheid van een monnikenrefectorium zeer zindelijk. Doch wat vooral bij het eerste binnenkomen al aangenaam aandeed was de kinderlijke vroolijkheid, die er heerschte: honderdvijftig gasten van alle leeftijden zaten er met een heerlijke eetlust te eten, te schreeuwen, te zingen en te applaudiseeren. Een weinig voorkomende broederzin verbond hen, die van overal, uit alle standen, uit alle klassen, uit alle provincies saamgekomen waren. Velen kenden elkaar niet, zaten ieder jaar gedurende drie dagen naast elkaar, leefden als broeders, vertrokken weer en hoorden dan het verdere gedeelte van het jaar niets meer van elkaar. Er stak een eigenaardige bekoring in, om elkaar in de uitoefening der barmhartigheid terug te vinden in die drie dagen van groote inspanning, maar ook van jongensachtige vreugde met elkaar te leven; het deed eenigszins denken aan een buitenzijn van groote, aan zichzelf overgelaten jongens, die zich gelukkig voelen, wanneer zij diensten bewijzen en lachen kunnen. En alles, de eenvoudige maaltijden, de trots voor zich zelf te zorgen, te eten wat ze zelf gekocht en gekookt hadden, droeg bij tot de algemeene vroolijkheid.

“U ziet,” zeide Gérard, “dat we niet melancholiek zijn ondanks het harde werk, dat wij doen. De Hospitalité telt meer dan driehonderd leden, maar er zijn er hier thans niet meer dan honderdvijftig, want we eten in twee ploegen, om den dienst in de Grot en in de ziekenhuizen te vergemakkelijken.”

Het zien van het kleine groepje bezoekers, die op den drempel waren blijven staan, scheen de vroolijkheid verdubbeld te hebben. Berthaud, de leider der brancarddragers, die aan het hoofd der tafel zat, stond op, om de dames te begroeten.

“Maar het ruikt hier heel lekker!” riep madame Désagneaux op haar onbezonnen manier uit. “Inviteert u ons niet om morgen eens van uw keuken te komen proeven?”

“Neen, de dames niet!” antwoordde Berthaud lachend. “Maar als de heeren morgen onze gasten willen zijn, dan zullen ze ons daarmee een groot pleizier doen.”

Met één oogopslag had hij de goede verstandhouding tusschen Gérard en Raymonde opgemerkt; hij was er zeer mee ingenomen, want hij zou graag een huwelijk tusschen die twee zien.

“Is dat markies de Salmon-Roquebert niet,” vroeg het jonge meisje, “daar tusschen die twee jongelui, die je voor winkelbedienden zoudt houden?”

“Het zijn inderdaad de zoons van een klein papierhandelaartje uit Tarbes,” antwoordde Berthaud. …“En de andere is uw buurman uit de rue de Lille, de eigenaar van dat koninklijke hotel en een der rijkste mannen van Frankrijk … Kijk eens, hoe hij van onzen schapenragout smult!”

Het was inderdaad zoo. De markies met zijn millioenen scheen zich heel gelukkig te gevoelen voor zijn drie francs per dag te eten en democratisch aan tafel te zitten met kleine middenstanders, ja zelfs werklieden, die hem op straat niet zouden hebben durven groeten. Was dit toevallig naast elkaar zitten eten niet de sociale gemeenschap in volle Christelijke liefde? Hij had dien ochtend des te meer trek, omdat hij in de vijvers een zestig zieken, al de afzichtelijke kwalen der treurige menschheid, had helpen baden. En om zich heen kon hij de verwezenlijking der evangelische gemeenschap zien; maar zonder twijfel was zij daarom zoo aantrekkelijk en vroolijk, omdat zij slechts drie dagen duurde.

Mijnheer de Guersaint kon, hoewel hij pas gedejeuneerd had, de verleiding niet weerstaan eens van den schapenragout te proeven. Intusschen herinnerde Pierre, die baron Suire, den directeur der Hospitalité, gewichtig op en neer zag wandelen, alsof hij zich tot taak gesteld had op alles, zelfs op de wijze, waarop zijn personeel zich voedde, toezicht te houden, zich plotseling den vurigen wensch van Marie om den nacht voor de Grot door te brengen; en hij dacht, dat de baron de daarvoor noodige toestemming wel zou kunnen geven.

“Zeker,” zeide hij ernstig, “wij staan dat soms toe, maar het is altijd een teer iets! U kunt mij beslist verzekeren, niet waar, dat het jonge meisje niet teringachtig is?… Welnu, omdat u zegt, dat zij er zoo op staat, zal ik het met pater Fourcade in orde brengen en madame de Jonquière laten weten, dat u haar komt halen.”

Ondanks het air, dat hij zich gaf onmisbaar en met de zwaarste verantwoordelijkheden belast te zijn, was hij in den grond der zaak een goedhartig man. Op zijn beurt ging hij naar de bezoekers toe en vertelde hun tot in de kleinste bijzonderheden alles omtrent de inrichting der Hospitalité: de gemeenschappelijk uitgesproken ochtendgebeden, de vergaderingen van den raad van bestuur, die tweemaal daags gehouden en ook bijgewoond werden door de hoofden van dienst, de paters en enkele andere geestelijken. Men vierde zoo dikwijls mogelijk het Heilig Avondmaal. Dan volgden er allerlei gecompliceerde bezigheden, het was steeds een buitengewoon groote wisseling van personeel, in het kort een heele wereld, die met vaste hand bestuurd moest worden. Hij sprak als een generaal, die ieder jaar een groote overwinning op den geest der eeuw behaalt, en hij zond Berthaud weg om verder te eten, daar hij er op stond zelf de dames uitgeleide te doen tot aan het met zand bestrooide en door mooie boomen beschaduwde plein.

“Heel interessant, heel interessant!” herhaalde madame Désagneaux. “Wij zijn u zeer dankbaar voor uw groote welwillendheid!”

“Integendeel, madame, het was mij een zeer groot genoegen in de gelegenheid gesteld te worden u mijn klein volkje te laten zien!”

Gérard had Raymonde geen oogenblik verlaten. Mijnheer de Guersaint en Pierre hadden elkaar reeds een paar maal aangekeken, of zij nu niet eindelijk naar de place du Marcadal zouden gaan, toen madame Désagneaux zich plotseling herinnerde, dat een vriendin haar opgedragen had haar een flesch Lourdes-water op te zenden. Zij vroeg aan Gérard, hoe zij dat het beste doen kon.

“Als u mij misschien weer als gids wilt aannemen,” zeide hij. “En als de heeren er niets op tegen hebben mede te gaan, zal ik u eerst het magazijn laten zien, waarin men de flesschen vult, die dan toegekurkt, in doozen verpakt en verzonden worden. Het is heel interessant.”

Onmiddellijk stemde mijnheer de Guersaint toe. Met hun vijven gingen zij weer verder, madame Désagneaux tusschen den architect en den priester, terwijl Raymonde en Gérard voorop gingen. De menigte werd in den brandenden zonneschijn steeds grooter; de place du Rosaire was vol van een drukke en lanterfanterende massa, als was het een volksfeest.

De werkplaats was er vlak bij, links, onder één der bogen. Het was een reeks van drie zeer eenvoudige vertrekken. In het eerste werden op de meest eenvoudige wijze de flesschen gevuld: een klein zinken, groen geverfd tonnetje, dat aan een miniatuur sproeiwagentje deed denken, kwam, door een man gesleept, vol uit de Grot: daaruit vulde men dan heel eenvoudig met behulp van een kraan stuk voor stuk de flesschen van wit glas zonder dat de werkman er steeds op lette, dat er geen water wegstroomde. Op den grond stond dan ook steeds een vrij groote plas. De flesschen droegen geen etiquette; de loodcapsules over de mooie, eerste kwaliteit kurken hadden echter een opschrift, dat de herkomst aangaf, terwijl er verder, waarschijnlijk om het water goed te conserveeren, loodwit overheen gestreken werd. De twee andere vertrekken dienden voor verpakking, echte emballeurs-werkplaatsen met de daarbij behoorende werktafels, gereedschappen en spaanders. Men maakte er voornamelijk doozen voor een of twee flesschen, heel aardige bewerkte doozen, waarin de flesschen op een bed van fijne spaandersnippers lagen. Het geheel leek veel op de expeditiemagazijnen van bloemen te Nice of van ingelegde vruchten te Grasse.

Gérard gaf nog eenige uitleggingen.

“U ziet, het water komt regelrecht uit de Grot, wat de misplaatste grappen, die rondgaan, geheel den kop indrukt. Er gebeurt niets bijzonders; alles gaat even natuurlijk en geschiedt in het volle daglicht … Bovendien doe ik u opmerken, dat de paters niet, zooals men hun verwijt, het water verkoopen. Een volle flesch kost, als u die hier koopt, twintig centimes, den prijs van het glas. Als u ze laat verzenden, komen er natuurlijk de emballage- en expeditiekosten bij en betaalt u een franc zeventig … Bovendien staat het u vrij alle kannen en anderszins, die u meebrengt, te vullen.”

Pierre berekende, dat op dit punt de winst der paters niet zoo heel groot kon zijn; want zij verdienden bijna alleen op de doozen en op de flesschen, die hun, bij duizendtallen genomen, zeker geen twintig centimes kostten. Maar madame Désagneaux en Raymonde voelden, evenals mijnheer de Guersaint met zijn levendige phantasie, een groote teleurstelling bij het zien van dat kleine groene tonnetje, de met loodwit bestreken capsules en de hoopen spaanders om de werktafels. Zij hadden er zich ceremoniën bij voorgesteld, een zekeren ritus, om het wonderwater in de flesschen te doen, priesters in heilige kleeren, die het zegenden, terwijl zuivere kinderstemmen in koor zongen. En Pierre dacht ten slotte bij het zien van dit gewone bottelen en emballeeren aan de werkzame kracht van het geloof. Wanneer een dezer flesschen heel ver weg in de kamer van een zieke komt, wanneer men haar uitpakt en hij op zijn knieën valt, wanneer hij door het zien en drinken van dit heldere water wordt opgezweept tot een extase, die zelfs de genezing van zijn kwaal bewerken kan, dan is daarvoor zeker een groote sprong in het rijk der almachtige illusie noodig.

“En,” riep Gérard uit, toen zij weggingen, “wilt u nu nog eerst, voor wij naar de administratie gaan, het kaarsenmagazijn zien?”

Hij wachtte niet eens op hun antwoord, doch nam hen mede naar de overzijde van de place du Rosaire, waarmede hij eigenlijk geen ander doel had dan Raymonde aangenaam bezig te houden. In werkelijkheid was het schouwspel, dat het kaarsenmagazijn bood, nog minder stichtelijk dan dat van de emballage-werkplaatsen, waar zij juist uitkwamen. Het lag onder een der rechtsche booggewelven en bestond uit een soort kelder, een soort diepe opslagplaats, die door houten staketsels in groote vakken verdeeld werd. In die vakken was de vreemdsoortigste voorraad kaarsen, naar de grootte uitgezocht en gerangschikt, opgestapeld. Het te veel aan kaarsen, welke aan de Grot geschonken werden, sliep hier; iederen dag waren deze zoo talrijk, dat speciale wagentjes, waarin de pelgrims ze nederlegden, meermalen hun inhoud in die vakken moesten leeg gaan storten en dan weer terugkeerden om gevuld te worden. De stelregel was, dat iedere geofferde kaars aan de voeten der Heilige Maagd moest branden, doch er waren er te veel; al brandden er dag en nacht tweehonderd van iedere grootte en dikte, nooit zou men erin slagen deze verschrikkelijke voorraden, die onophoudelijk grooter werden, uit te putten. Het gerucht liep, dat de paters zich genoodzaakt zagen de was weer te verkoopen. Sommige vrienden der Grot erkenden zelfs met een zekeren trots, dat de opbrengst uit de kaarsen voldoende geweest zou zijn om de geheele zaak aan den gang te houden.

De hoeveelheid alleen deed Raymonde en madame Désagneaux verstomd staan. Wat een kaarsen! Wat een kaarsen! De kleine vooral, die van tien sous tot één francs, waren in een ontelbaar aantal opgestapeld. Mijnheer de Guersaint, die cijfers verlangde, had zich in een statistiek verdiept, waarin hij den weg kwijt raakte. Pierre keek zwijgend naar dezen stapel was, geschonken om ter eere Gods in de open lucht verbrand te worden; en hoewel hij geen utilarist1 was, ofschoon hij de weelde van het genot en van de illusoire bevredigingen, welke voor den mensch even onontbeerlijk zijn als brood, begreep, kon hij toch de gedachte niet van zich afzetten aan de talrijke aalmoezen, welke men van het geld voor al die om in rook op te gaan bestemde was had kunnen geven.

“En de flesch, die ik verzenden moet?” vroeg madame Désagneaux.

“Wij gaan nu naar het bureau,” antwoordde Gérard. “Een quaestie van vijf minuten.”

Zij moesten de place du Rosaire weer over en de trap op, die naar de Basilica leidt. Het bureau lag links boven, dicht bij den ingang van den weg naar den Calvariënberg. Het was een eenvoudig gebouw, niet veel meer dan een houten hut, door regen en wind beschadigd, met een uithangbord, waarop te lezen stond: “Zich hier aan te melden voor missen, giften en broederschappen. Verzending van Lourdeswater. Abonnementen op de Annales de N. D. de Lourdes.” Hoeveel millioenen waren reeds door dit armzalige bureau gegaan, dat nog uit den tijd afkomstig scheen, toen men nauwlijks de grondslagen voor de Basilica legde!

Nieuwsgierig gingen zij allen naar binnen. Maar zij zagen slechts één loket. Madame Désagneaux moest zich bukken, om het adres van haar vriendin te geven; en toen zij één francs zeventig gestort had, kreeg zij een reçu, een klein stukje papier, zooals op de stations de goederenbeambte afgeeft.

Weer buiten gekomen, wees Gérard op een groot gebouw, dat een paar honderd meter verder lag.

“Dat is de woning van de paters der Grot.”

“Maar je ziet ze nooit,” zeide Pierre.

De jonge man keek hem een oogenblik verbaasd aan, zonder te antwoorden. Dan:

“Je ziet ze nooit, omdat zij alles, de Grot en de rest, gedurende de nationale bedevaart aan de paters van Maria Hemelvaart overlaten.”

Pierre nam het gebouw, dat op een versterkt slot geleek, op. De ramen waren gesloten, zoodat men denken zou, dat het leeg stond. Maar toch kwam alles daaruit, keerde alles er weer naar terug. En de jonge priester meende de stille, maar vreeselijke beweging van een hark te hooren, die zich over het geheele dorp uitstrekte, het samengestroomde volk samenharkte en het goud en het bloed der menigte naar de paters bracht.

“Maar kijk, ze laten zich toch wel zien. Daar heb je juist den eerwaarden pater rector Capdebarthe,” zeide Gérard op fluisterenden toon.

Inderdaad kwam een geestelijke voorbij, een nauwlijks ontbolsterde boer, met een beenig lichaam en een dik, grof gebouwd hoofd. In zijn ondoorzichtige oogen was niets te lezen, zijn verweerd gezicht had een aardachtigen tint behouden, den rosachtigen en doffen weerschijn van den grond. Mgr. Laurence had indertijd wel een zeer verstandige keus gedaan, toen hij de organisatie en de exploitatie der Grot toevertrouwde aan deze taaie en eerzuchtige missionarissen van Garaison, bijna allen zonen der bergen, die hartstochtelijk hun geboortegrond liefhebben.

Met hun vijven gingen zij over het plateau de la Merlasse en liepen den breeden boulevard af, die zich links om de helling slingert en op de avenue de la Grotte uitkomt. Het was reeds over éénen, maar het dejeuneeren duurde in de geheele, van menschen overstroomde stad nog steeds voort: de vijftienduizend pelgrims en nieuwsgierigen hadden nog niet allen een plaatsje aan tafel kunnen vinden. Pierre, die in het hotel de table-d’hôte vol achtergelaten en zooeven de leden der Hospitalité dicht op elkaar gedrongen had zien zitten eten in de “popote”, vond nu weer andere tafeltjes, steeds meer tafeltjes. Overal at men en at men. Maar hier in de open lucht, aan de beide kanten van den boulevard, bestormden de kleine luiden de tafels, die op de trottoirs neergezet waren, eenvoudige lange planken op schragen met twee rijen banken onder een kleine linnen tent. Men verkocht er bouillon, melk en koffie van twee sous per kop. De broodjes, die in hooge manden lagen, kostten ook twee sous. Aan de stokken, die de tent ondersteunden, hingen saucijsjes, hammen en worst. Sommigen van deze openlucht-restaurateurs bakten aardappelen, terwijl anderen porties vleesch met uien bakten.

Een bijtende rook en een scherpe stank stegen, vermengd met het stof, dat de voortdurend voorbijslenterende wandelaars deden opdwarrelen, naar de zon op. Voor ieder van die eettenten wachtten geduldig lange rijen menschen, die elkaar van lieverlede opvolgden op de banken langs de met wasdoek bedekte planken, waarop in de breedte nauwelijks voor twee soepborden plaats was. Allen haastten zich en aten gulzig in den geeuwhonger van hun moeheid, die onverzadigbare eetlust, welke groote moreele schokken altijd geven. Het dier eischte zijn rechten op, propte zich vol na de uitputting der eindelooze gebeden en het verblijf in den hemel der legende, waarin het zijn lichamelijke behoeften vergeten had. Het was onder dien schitterenden hemel van dien mooien Zondag een echt kermisveld, de gulzigheid van een vroolijk volk, één levensvreugde ondanks de afzichtelijke ziekten en de te spaarzame wonderen.

“Zij eten, zij amuseeren zich, wat zal je ervan zeggen?” zeide Gérard, die de gedachten van het gezelschap, dat hij rondleidde, raadde.

“Ach!” antwoordde Pierre, “het komt hun toe, de arme stakkerds!”

Deze wraak, die de natuur nam, trof hem diep. Maar toen zij weer onder aan den boulevard waren op den weg naar de Grot, werd hij door de opdringerigheid van de troepen kaarsen- en bloemenverkoopsters, die de voorbijgangers op de meest onbeschaamde manier lastig vielen, hoogst onaangenaam getroffen. Het waren voor het grootste gedeelte jonge vrouwen, blootshoofds of het hoofd met een zakdoek bedekt en die een buitengewone brutaliteit aan den dag legden; waarvoor de ouderen echter slechts weinig onder deden. Allen droegen een groot pak kaarsen onder haar arm, zwaaiden degene, die zij te koop aanboden, in de lucht en drukten haar koopwaar den wandelaars bijna in de handen.

“Mijnheer, mevrouw, koop een kaars van mij, dat zal u geluk aanbrengen!”

Een heer, die door drie van de jongsten omringd en heen en weer getrokken werd, verloor bijna de slippen van zijn jas. Met de bloemen was het hetzelfde liedje, groote, ronde, ruw met touw vastgebonden bouquetten, die wel bloemkoolen geleken.

“Een bouquet, mevrouw, een bouquet voor de Heilige Maagd.”

Wanneer de dame ontsnapte, hoorde zij gesmoorde verwenschingen achter zich. De handel, de schaamtelooze handel drong zich op die wijze tot aan den ingang van de Grot aan de pelgrims op. Niet genoeg, dat hij zich triomphantelijk in alle winkels installeerde, die, dicht op elkaar gedrongen, iedere straat in een bazar herschiepen, neen hij liep de straten af, versperde den weg en reed op handkarren rozenkransen, medailles, beelden, vrome plaatjes rond. Van alle kanten kocht men, kocht men bijna evenveel als men at, om een souvenir van deze heilige kermis mede te nemen. En de levendige noot, de vroolijkheid in deze hebzucht, in dit gedrang van marskramers vormden nog de door de menigte heen vliegende jongens, die den Journal de la Grotte verkochten. Hun schelle stem verscheurde de ooren:

“De Journal de la Grotte! Het laatste nummer! Twee sous! De Journal de la Grotte!”

Te midden van het gedrang van de steeds heen en weer stroomende menschenmassa’s geraakte het vijftal van elkaar. Raymonde en Gérard bleven achter. Beiden waren in een glimlachende intimiteit zacht gaan praten. Madame Désagneaux moest blijven stilstaan en hen roepen:

“Loopt toch wat door, we zullen je nog kwijt raken.”

Toen zij wat dichterbij kwamen, hoorde Pierre het jonge meisje zeggen:

“Mama heeft het zoo druk! Praat u met haar voor ons vertrek!”

En Gérard antwoordde:

“Afgesproken. U maakt mij heel gelukkig, mademoiselle.”

Het huwelijk was dus gedurende deze bekoorlijke wandeling tusschen de wonderwerken van Lourdes veroverd en beklonken. Zij, geheel alleen, had overwonnen, en hij had eindelijk, toen hij haar aan zijn arm zoo vroolijk en verstandig voelde, een besluit genomen.

Maar mijnheer de Guersaint, die opgekeken had, riep uit:

“Zijn dat daarboven op het balkon die rijke menschen niet, die met ons gereisd hebben, u weet wel, die zieke jonge vrouw met haar man en haar zuster?”

Hij bedoelde de Dieulafay’s; en inderdaad zaten zij op het balcon van het appartement, dat zij in een nieuw huis, dat uitzag op de grasperken van de Rozenkranskerk, gehuurd hadden. Zij bewoonden hier de eerste étage, welke met al den luxe, dien Lourdes had kunnen verschaffen, tapijten en gordijnen, gemeubeld was, terwijl zij bovendien nog een groot personeel van dienstboden naar Lourdes vooruit gezonden hadden. Met het mooie weer had men de zieke, die in een grooten fauteuil lag, naar buiten gereden. Zij had een peignoir van kant aan. Haar man, als altijd in een gekleede jas, stond rechts van haar, terwijl haar zuster in een prachtige, licht-mauve japon, links van haar zat en zich dikwijls glimlachend over haar heen boog, om te praten, zonder echter ooit antwoord te krijgen.

“O,” zeide de kleine madame Désagneaux: “ik heb dikwijls over madame Jousseur, die jonge vrouw in het mauve, hooren spreken. Zij is de vrouw van een diplomaat, die haar, ondanks haar groote schoonheid, veronachtzaamt; verleden jaar is er veel gepraat over een hartstocht, dien zij voor een jongen, in Parijsche kringen wel bekenden kolonel opgevat had. Maar de Katholieke salons beweren, dat zij dien, dank zij den godsdienst, overwonnen heeft.”

Allen keken naar haar op.

“En te denken,” ging zij voort, “dat haar zuster, de zieke, haar levend evenbeeld geweest is. Zelfs had zij een veel zachteren trek van goedheid en opgewektheid in haar gelaat … En kijk nu eens, het is bijna een doode, niets meer dan vel over been, die men bijna niet durft te verleggen. Een vreeselijk ongelukkig schepsel!”

Raymonde vertelde, dat madame Dieulafay, die nauwlijks drie jaar getrouwd was, al haar juweelen medegebracht had, om die aan Notre-Dame de Lourdes te schenken; Gérard bevestigde deze bijzonderheid en wist bovendien nog, dat de juweelen ’s morgens aan de schatkamer der Basilica gegeven waren, om niet te spreken van een gouden, in edelsteenen gevatte lantaarn en een groote, voor de armen bestemde som gelds. Maar de Heilige Maagd had zich blijkbaar nog niet laten verteederen; de zieke scheen eerder achteruit te gaan.

Van dat oogenblik af zag Pierre nog slechts die jonge vrouw op het weelderig ingerichte balkon, dat ondanks haar grooten rijkdom zoo beklagenswaardige schepsel, dat troonde boven de feestende menigte in Lourdes, dat vroolijk was en lachte onder den mooien Zondagshemel. De twee haar zoo dierbaren, die zoo liefderijk voor haar zorgden, de zuster, die haar succes als aangebeden vrouw der wereld, en de man, die zijn bank, welker millioenen naar de vier windstreken der aarde rolden, verlaten had, droegen door hun onberispelijke verschijning niet weinig bij tot den pijnlijken indruk, welken deze groep, dien zij daar in de hoogte boven alle hoofden neerziende in het wondermooie dal vormden, maakte. Voor Pierre bestonden nog slechts deze drie menschen, die zoo oneindig rijk en zoo oneindig arm waren.

Maar de vijf wandelaars, die daar zoo midden op de avenue bleven staan, liepen ieder oogenblik kans verpletterd te worden. Telkens weer kwamen er nieuwe rijtuigen over de breede wegen, vooral landauers, met vier paarden bespannen, die in volle vaart reden en wier belletjes vroolijk rinkelden. Het waren touristen, badgasten uit Pau, Barèges en Cauterets, die, verrukt door het mooie weer en opgewekt door den snellen rit door de bergen, uit nieuwsgierigheid hierheen kwamen; zij bleven slechts enkele uren, liepen in hun strandtoiletten naar de Grot en naar de Basilica en vertrokken dan weer lachend en blij dat alles gezien te hebben. Families in lichte zomerdracht, gezelschappen jonge vrouwen met veelkleurige parasols, zwermden zoo tusschen de grijze en kleurlooze menigte pelgrims door en maakten het geheel nog meer tot een kermisgewoel, waar de beau monde wel zoo vriendelijk is zich te komen vermaken.

Plotseling riep madame Désagneaux uit:

“Wat, ben jij het, Berthe?”

En zij omhelsde een groote, bekoorlijke brunette, die met drie andere opgewekte en druk doende jonge dames uit een landauer stapte. Het was dadelijk een door elkaar gepraat, een gelach, één blijdschap elkaar zoo toevallig te ontmoeten.

“We zijn in Cauterets, beste meid! En nou zijn we, zooals iedereen, met ons vieren hierheen gekomen. Is je man bij je?”

“Wel neen, die is in Trouville, dat weet je toch ook wel. Donderdag ga ik weer naar hen toe.”

“O ja, dat is waar ook!” zeide de groote brunette, die er nog echt als een jonge, aardige wildzang uitzag. “Ik vergat heelemaal, dat je met de bedevaart meekomt … En vertel eens …”

Zij begon fluisterend te praten, om Raymonde, die er glimlachend bij stond.

“Vertel eens … heb je de kleine baby, die zoo lang uitblijft, aan de Heilige Maagd gevraagd?”

Madame Désagneaux kreeg een kleur en fluisterde haar in het oor:

“Zeker, al twee jaar, en ik verzeker je, dat ik het knap vervelend vind nog niets te zien komen … Maar ditmaal geloof ik, dat het er is. Neen, lach nu niet, ik heb vanochtend, toen ik in de Grot bad, beslist iets gevoeld!”

Doch nu werd het lachen haar ook te machtig; allen riepen nu weer door elkaar en hadden een uitgelaten pleizier. Onmiddellijk bood zij de anderen aan haar rond te leiden, met de belofte haar binnen twee uur alles te laten zien.

“Ga jij met ons mee, Raymonde. Je moeder zal zich heusch niet ongerust maken.”

Zij drukten Pierre en mijnheer de Guersaint de hand. Ook Gérard nam met een teederen handdruk afscheid van het jonge meisje, zijn oogen diep in de hare, als om zich definitief te verbinden. Dan verwijderden de zes dames zich in de richting van de Grot, vol levensvreugd en den bekoorlijken charme van haar jeugd met zich dragend.

Toen Gérard, die weer dienst moest doen, op zijn beurt afscheid genomen had, zeide mijnheer de Guersaint tegen Pierre:

“En onze kapper op de place du Marcadal? Ik moet toch naar hem toe … Je gaat zeker wel mee?”

“Natuurlijk. Nu Marie ons niet noodig heeft, ben ik tot uw beschikking.”

Door de alleeën van de groote grasperken, die zich voor de Rozenkranskerk uitstrekten, kwamen zij op de nieuwe brug. Daar ontmoetten zij abbé des Hermoises, die twee uit Tarbes gekomen jonge dames rondleidde. Met zijn galant air van mondain priester liep hij tusschen haar in en liet haar Lourdes zien, waarbij hij het vermeed haar in aanraking te brengen met de leelijke kanten ervan, de armen, de zieken, den geheelen stank van diepe menschelijke ellende, die er op dezen mooien, zonnigen dag bijna uit verdwenen was.

Bij de eerste woorden van mijnheer de Guersaint, die hem aansprak over het huren van een rijtuig voor het uitstapje naar Gavarnie, scheen hij bang te worden zijn bekoorlijk gezelschap te moeten verlaten.

“Zooals u wilt, waarde heer. Wees zoo goed en belast u met die dingen, en u hebt volkomen gelijk, zoo goedkoop mogelijk, want twee niet zoo heel rijke geestelijken willen ook mee. We zullen met ons vieren zijn … En doe mij het genoegen mij vanavond het uur van vertrek te laten weten.”

Dan ging hij weer naar zijn dames en nam ze mee naar de Grot, daarbij de schaduwrijke, frissche en voor verliefde paartjes zoo stille allée, die langs den Gave loopt, volgend.

Pierre had zich, moede tegen de borstwering van de nieuwe brug leunend, op den achtergrond gehouden. Voor het eerst viel hem het buitengewoon groote aantal priesters onder de menigte op. Ontelbare zag hij er over de brug gaan. Alle soorten kwamen langs hem heen: de correcte priesters, die met de bedevaart meegekomen waren en die men aan hun zelfvertrouwen en hun schoone soutanes herkende; de arme plattelandsgeestelijken, meer bedeesd, slecht gekleed, die geen offer ontzien hadden hierheen te komen en nu angstig-verschrikt door de straten liepen; eindelijk de zwerm van wereldlijke geestelijken, die, men niet wist vanwaar, naar Lourdes gekomen waren en daar een volkomen vrijheid genoten, zonder dat het zelfs mogelijk was na te gaan, of zij iederen ochtend hun mis lazen. En deze vrijheid vonden zij blijkbaar zoo aangenaam, dat de groote meerderheid zich, zooals abbé des Hermoises, hier met vacantie bevond, bevrijd van iederen plicht en blij, dank zij de groote menigte, waarin zij als het ware verdwenen, als gewone menschen te kunnen leven.

En vanaf den jongen, goed verzorgden en geparfumeerden vicaris tot aan den ouden priester met vuile soutane en afgeloopen schoenen, was de geheele soort vertegenwoordigd: dikke, vette, magere, groote en kleine; zij, die het geloof hier bracht en die van ijver brandden; zij, die eenvoudig als rechtschapen menschen hun plicht kwamen doen; zij ten slotte, die intrigreerden en alleen uit een verstandige politiek hier waren. Pierre bleef bedaard onder den stroom van priesters, die langs hem kwamen, ieder met een eigen doel, die allen naar de Grot gingen, zooals men gaat naar een plicht, naar een geloof, naar een vermakelijkheid of naar een corvée. Hij zag er een, heel klein, mager en donker, met een uitgesproken Italiaansch uiterlijk, wiens schitterende oogen het plan van Lourdes schenen op te nemen als een van die spionnen, welke vóór de verovering het land afloopen; hij zag er een, zwaarlijvig, met een vaderlijk voorkomen, hijgend van het vele eten en die bij een arme zieke vrouw stil bleef staan en haar honderd sous in de hand drukte.

Mijnheer de Guersaint kwam weer naar hem toe.

“We behoeven alleen nog maar den boulevard en de rue Basse te loopen,” zeide hij.

Pierre volgde hem, zonder te antwoorden. Ook hij had nu de soutane op zijn schouders gevoeld en nog nooit had hij haar zoo licht gedragen als nu te midden van het gedrang der pelgrims. Hij leefde in een soort verdooving en onbewustheid, ondanks het onbehaaglijke gevoel, dat bij het aanschouwen der dingen, die hij zag, steeds grooter werd, nog altijd hopend op den bliksemstraal, die het geloof in hem weer zou doen ontvonken. De aangroeiende stroom van geestelijken hinderde hem nu niet meer, hij vond een broederlijk gevoel voor hen terug: hoeveel van hen vervulden, zonder te gelooven, evenals hij eerlijk hun zending als herders en troosters.

Mijnheer de Guersaint begon weer, maar nu wat luider:

“Je weet toch, dat deze boulevard nieuw is? Wat ze hier in de laatste twintig jaar gebouwd hebben, is niet te gelooven! Er staat waarachtig een heele nieuwe stad!”

Rechts van hen, achter de huizen, stroomde de Lapaca. Uit nieuwsgierigheid gingen zij een klein straatje in en stieten daar op oude, typische gebouwen, die langs het kleine beekje stonden. Verscheidene ouderwetsche molens rijden er hun raderen naast elkaar. Men wees hen dien, welken Mgr. Laurence na de verschijningen aan Bernadette’s ouders gegeven had. Ook liet men hun een klein huisje bezichtigen, waarin, naar beweerd werd, Bernadette gewoond zou hebben, toen de Soubirous uit de rue des Petits-Fossés daarheen verhuisd waren; het jonge meisje, dat toen reeds bij de zusters van Nevers was, zal er wel niet veel geweest zijn. Eindelijk kwamen zij door de rue Basse op de place du Marcadal.

Dit was een lang, driehoekig plein, het drukste en mooiste van de oude stad en waar de café’s, de apotheken en de mooie winkels stonden. Van al deze viel er dadelijk een, lichtgroen geschilderd en met hooge ramen, en waarboven een groot uithangbord met, in gouden letters, de woorden: “Cazaban, coiffeur” hing, in het oog.

Mijnheer de Guersaint en Pierre gingen naar binnen. Doch er was niemand in den scheersalon, zoodat zij moesten wachten. Een verschrikkelijk gerinkel van vorken kwam uit het vertrek ernaast, de huiskamer, die nu in een table-d’hôte herschapen was en waar, hoewel het reeds twee uur was, een tiental personen zaten te dejeuneeren. De middag was een heel eind reeds verstreken en nog at men steeds van het eene eind van de stad naar het andere. Evenals alle andere huiseigenaars in de stad, onverschillig hoe hun godsdienstige overtuigingen waren, verhuurde Cazaban gedurende het seizoen der bedevaarten zijn eigen kamer en huiskamer, om zijn toevlucht te zoeken in den kelder, waar hij met zijn huisgezin at, sliep en samenhokte in een gat zonder lucht van drie vierkante meter. Het was een rage om overal geld uit te slaan, de bevolking verdween als die van een veroverde stad, liet aan de pelgrims tot de bedden van vrouwen en kinderen, deed hen aan hun tafels zitten en van hun borden eten.

“Is er niemand?” riep mijnheer de Guersaint.

Eindelijk verscheen een klein mannetje, het type van een levendigen, beenigen Pyrenaeër met een lang gezicht, vooruitspringende kaakbeenderen, een door de zon verbranden tint met roode vlekken. Zijn groote, schitterende oogen stonden nooit stil; en over zijn geheele magere gezicht liep een rilling, een onafgebroken overvloed van gebaren en woorden.

“Mijnheer wenscht zeker geschoren te worden. Ik vraag mijnheer excuus, maar mijn bediende is uit en ik zat daar bij mijn gasten … Als mijnheer wil gaan zitten, dan zal ik hem onmiddellijk helpen.”

En Cazaban, zich verwaardigend zelf te helpen, kreeg de zeep en zette het mes aan. Hij keek ongerust naar de soutane van Pierre, die, zonder een woord te zeggen, een courant was gaan zitten lezen.

Er heerschte een stilte. Maar dat kon Cazaban niet lang uithouden; en terwijl hij de kin van zijn klant inzeepte, begon hij:

“Stel u voor, mijnheer, dat mijn gasten zoo lang in de Grot gebleven zijn, dat ze nu pas dejeuneeren. U hoort het zeker wel. Ik was uit beleefdheid bij hen gebleven. Maar ik mag mijn klanten ook niet laten loopen, nietwaar? Je moet het iedereen naar den zin zien te maken.”

Toen begon mijnheer de Guersaint, die ook graag een praatje maakte, hem te vragen.

“Dus u verhuurt aan pelgrims?”

Ja, mijnheer, dat doen we allemaal,” antwoordde de kapper eenvoudig. “Dat is nu eenmaal de gewoonte.”

“En gaat u met hen mee naar de Grot?”

Cazaban kwam dadelijk tegen dat vermoeden op, en terwijl hij het scheermes in de lucht hield, zeide hij vol waardigheid.

“Nooit, mijnheer, nooit! In geen vijf jaar heb ik een voet gezet in de nieuwe stad, die zij daar bouwen.”

Hij hield zich nog in en keek opnieuw naar de soutane van Pierre, die achter de courant schuil ging; ook het roode kruis op de jas van mijnheer de Guersaint maakte hem voorzichtig. Maar zijn tong kon hij toch niet beheerschen.

“Kijk u eens, mijnheer; meeningen zijn vrij; ik eerbiedig de uwe, maar ik voor mij moet van al die goocheltoeren niets hebben. En dat heb ik nooit onder stoelen of banken gestoken … Onder het keizerrijk, mijnheer, was ik al republikein en vrijdenker. We waren dat in dien tijd in de heele stad maar met ons vieren. Ja, daar ga ik trotsch op!”

Hij was nu met de linkerwang begonnen; hij triompheerde. Van dat oogenblik af stroomde er een onuitputtelijke zondvloed van woorden over zijn lippen. Hij begon met de bezwaren, die Majesté tegen de paters van de Grot had uitgesproken; den handel in religieuze artikelen, de oneerlijke concurrentie, die zij den kooplieden, den hoteliers en den kamerverhuurders aandeden. Ook hij koesterde een bitteren haat tegen de Blauwe Zusters der Onbevlekte Ontvangenis, want zij hadden hem twee oude dames, die ieder jaar drie weken te Lourdes kwamen, afgetroggeld. Vooral voelde men in hem echter den langzamerhand opgehoopten, nu overvloeienden wrok van de oude stad tegen de nieuwe, die zoo snel aan de andere zijde van het Kasteel opgeschoten stad, die rijke stad met huizen zoo groot als paleizen, waarheen al het verkeer, al het geld, al de weelde stroomde, zoodat zij steeds weer grooter en rijker werd, terwijl de oudste, de oorspronkelijke arme bergstad met haar kleine, verlaten straatjes, waarin het gras groeide, in doodsstrijd verkeerde. Toch werd de strijd voortgezet, de oude stad wilde niet sterven, trachtte haar ondankbare, jongere zuster tot deeling te dwingen door zelf ook pelgrims te huisvesten en winkels te openen; maar de winkels kregen alleen klanten, als zij dicht bij de Grot waren, terwijl eveneens alleen maar de arme pelgrims er zoo ver vandaan wilden logeeren. Deze ongelijke strijd vergrootte de breuk, maakte twee onverzoenlijke vijandinnen van de hooge en van de lage stad, die elkaar met onophoudelijke intriges trachten te verslinden.

“Neen, mij zullen zij in hun grot niet zien!” begon Cazaban weer woedend. “Het is een schandaal, zooals zij de menschen met hun Grot voor den gek houden en telkens wat anders probeeren. Een dergelijke afgoderij, een zoo brutaal bijgeloof in de negentiende eeuw!… Vraag hun eens, of zij in de laatste twintig jaar ooit één zieke uit de stad genezen hebben? En er loopen toch genoeg lammen in onze straten. In den beginne hadden de menschen van hier tenminste nog voordeel van de eerste wonderen. Maar het schijnt, dat sedert lang hun wonderwater voor ons alle kracht verloren heeft: wij zijn er te dicht bij, je moet van ver weg komen, als je wilt, dat het helpt! Het is waarachtig te gek! Neen, hoor, voor geen honderd francs krijgt u mij daarheen!”

Het onbeweeglijk blijven zitten van Pierre scheen hem te irriteeren. Hij was nu aan de rechterwang begonnen en trok nu van leer tegen de paters der Onbevlekte Ontvangenis, wier schraapzucht de eenige oorzaak van de twist was. Die paters, die op hun eigen grond woonden, omdat zij van de gemeente de terreinen, waarop zij wilden bouwen, gekocht hadden, hielden zich niet eens aan het met de stad gesloten contract, waarbij zij zich verbonden hadden geen handel te drijven, geen water en geen religieuze artikelen te verkoopen. Iederen dag zou men hun een proces kunnen aandoen. Maar zij lachten erom, zij voelden zich zoo sterk, dat zij geen enkel geschenk meer aan de parochie lieten komen en dat al het geld zich ophoopte en in een stroom naar de Grot en de Basilica vloeide.

Openhartig-naïef riep Cazaban:

“En als zij nu nog maar wilden deelen!”

Dan, toen mijnheer de Guersaint zich gewasschen had en weer was gaan zitten:

“En wanneer ik u vertel, mijnheer, wat ze van onze arme stad gemaakt hebben! Veertig jaar geleden waren onze meisjes hier heel zedig, dat verzeker ik u. Ik herinner me nog heel goed, dat, wanneer, in mijn jonge jaren, een jonge man eens wat wilde uithalen, er hier hoogstens drie of vier van die vrouwspersonen waren, om hem te bevredigen, zoodat ik op kermisdagen de mannen queue zag maken voor haar deur, zoo waar als ik hier sta!… De tijden zijn wel veranderd, de zeden zijn dezelfde niet meer! Tegenwoordig doen bijna alle meisjes niets dan kaarsen en bouquetten verkoopen; enfin, u zult wel gezien hebben, hoe zij de voorbijgangers aanklampen en hun haar koopwaar opdringen. Het is een schandaal zulke brutale wijven! Zij verdienen veel, geven zich over aan luiheid, doen ’s winters in afwachting van het volgend seizoen der bedevaarten, absoluut niets. En ik beloof u, dat tegenwoordig jongens, die een grapje uit willen halen, niet ver behoeven te loopen … Voeg daarbij de wisselende en verdachte bevolking, waarmede we, zoodra de eerste mooie dagen er zijn, overstroomd worden, koetsiers, marskramers, kroeghouders, een heel gemeen nomadenvolk, dat naar vuilheid en ontucht stinkt, dan hebt u een beeld van de eerbare, nieuwe stad, die ze ons met de menigten, die naar hun Grot en hun Basilica komen, geschonken hebben!”

Zeer onder den indruk had Pierre zijn courant laten zakken. Hij luisterde aandachtig, zag nu voor het eerst de twee Lourdes: het oude, in zijn kalme eenzaamheid zoo eerbare en vrome Lourdes en het nieuwe verdorven Lourdes, gedemoraliseerd door zooveel millioenen, zooveel bij elkaar gebedelde en opgehoopte rijkdommen, door den wassenden stroom van vreemdelingen, die de stad in looppas doortrokken, door de fatale vervuiling der opeenhooping, door de besmetting van slechte voorbeelden. Welk een ommekeer, als men terugdacht aan de onschuldige Bernadette, die neerknielde voor de primitieve, woeste grot, aan het naïeve geloof, aan de reine geestdrift der eerste arbeiders van het werk! Hadden zij die vergiftiging van het land door de hebzucht en het vuil der menschen gewild? De volkeren behoefden slechts te komen om de pest te doen uitbreken!

Toen Cazaban zag, dat Pierre luisterde, maakte hij nog een laatste dreigend gebaar, als om dat vergiftigende bijgeloof weg te vagen. Dan borstelde hij zwijgend het haar van mijnheer de Guersaint.

“Als het u blieft, mijnheer!”

Toen eerst begon de architect over het rijtuig. De kapper maakte eerst bezwaar, beweerde, dat zij naar zijn broer in de gemeentewei moesten gaan. Maar ten slotte stemde hij toch toe de bestelling op zich te nemen. Een landauer met twee paarden naar Gavarnie kostte vijftig francs. Maar blij, omdat hij zooveel had kunnen praten en gevleid als een fatsoenlijk man behandeld te worden, sloeg hij tien francs af. Ze waren met hun vieren, dat was dus tien francs per persoon. Ze kwamen overeen om ’s nachts tegen drie uur te vertrekken, zoodat ze Maandagavond weer vroegtijdig terug zouden zijn.

“Het rijtuig staat om drie uur voor het Hôtel des Apparitions,” herhaalde Cazaban op zijn nadrukkelijke manier. “U kunt op mij rekenen, mijnheer!”

Hij spitste zijn ooren. Het gerinkel met borden in de kamer ernaast hield maar niet op. Men at er nog altijd, zooals overal, met de vraatzucht, die van het eene einde van de stad naar het andere woedde. Er werd nog om brood geroepen.

“Pardon,” zeide Cazaban vlug; “mijn gasten hebben me noodig.”

En met zijn handen nog vet van de kam, snelde hij weg. Daar de deur even open bleef, zag Pierre aan de wanden der huiskamer, tot zijn verbazing godsdienstige platen hangen, met name een afbeelding van de Grot. Ongetwijfeld hing de kapper die alleen maar gedurende de bedevaarten op, om zijn gasten een pleizier te doen.

Het was tegen drieën. Toen Pierre en mijnheer de Guersaint weer buiten kwamen, hoorden zij tot hun verwondering hoe het gelui van verschillende klokken de lucht vervulde. Op den eersten klank van het Vesperkleppen der Basilica had de parochiekerk juist geantwoord, en nu voegden zich de kloosters een voor een bij het toenemend gelui. De kristalheldere klok van de Karmelieten paarde zich aan de ernstig-diepe van de Onbevlekte Ontvangenis; en al de vroolijke klokken der zusters van Nevers en de Dominicanessen klepten tegelijk. Op mooie feestdagen streken zoo van den vroegen morgen tot den laten avond vluchten van klokken met breede vleugels over de daken van Lourdes. Er was moeilijk iets vroolijkers denkbaar dan dat welluidende gezang onder den wijden blauwen hemel, boven deze vraatzuchtige stad, die eindelijk gedejeuneerd had en nu haar spijsvertering in de zon koesteren.