WeRead Powered by ReaderPub
De drie steden: Lourdes cover

De drie steden: Lourdes

Chapter 17: III.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a community of pilgrims and invalids traveling to a famous shrine, centering on a sick woman named Marie who hopes for healing. Through close observation of communal prayers, miraculous claims, and medical examinations, the work examines tensions between religious faith and scientific skepticism, and considers suggestion, hysteria, and the social rituals that surround reported cures. Episodes alternate between intimate bedside scenes, public devotions, and clinical inquiry, presenting a nuanced, often ambivalent account of belief, bodily suffering, and the human need for hope.

III.

Zoodra de avond gevallen was, werd Marie in het Hôpital de Notre-Dame des Douleurs ongeduldig, want zij wist van madame de Jonquière, dat baron Suire van pater Fourcade verlof voor haar gekregen had, om den nacht voor de Grot door te brengen. Iedere minuut vroeg zij zuster Hyacinthe:

“Zuster, is het nog geen negen uur?”

“Wel neen, kindlief, het is net half negen!… Hier heb je een dikke wollen omslagdoek, die je met het aanbreken van den dag om moet doen, want de Gave is vlak bij en de ochtenden zijn in dit bergland frisch.”

De geheele zaal benijdde haar. Een heelen nacht voor de Grot te mogen bidden was de onuitsprekelijke vreugde, de opperste zaligheid. Men zeide, dat de uitverkorenen in den grooten vrede van de duisternis zeker de Heilige Maagd zagen. Maar men moest veel protectie hebben, om een dergelijke gunst te verkrijgen. De paters stonden haar niet graag toe, omdat er zieken gestorven waren, als in haar extase ingeslapen.

“Je zult morgenochtend, voor je hier terugkomt, in de Grot het Avondmaal vieren, is het niet, kindlief?” vroeg zuster Hyacinthe.

Het sloeg negen uur. Zou Pierre, die altijd zoo juist op tijd was, haar vergeten? Men vertelde haar nu van de fakkelprocessie, die zij van het begin tot het einde zou zien, als zij dadelijk wegging. Iederen avond werden de plechtigheden met een dergelijke processie besloten; maar die op Zondag was altijd de mooiste, en er werd verteld, dat de processie van dien avond zoo buitengewoon schitterend zou zijn, als men er maar zelden een zag. Meer dan dertigduizend pelgrims, ieder met een kaars in de hand, zouden eraan deelnemen. De wonderen van den nachtelijken hemel zouden zich openen, de sterren op aarde nederdalen. De zieken jammerden, dat het zoo vreeselijk was aan je bed gekluisterd te zijn en niets van die wonderdingen te kunnen zien.

“Kindlief,” kwam madame de Jonquière zeggen, “daar zijn je vader en mijnheer de abbé!”

Marie straalde van vreugde en had het lange wachten al vergeten.

“O Pierre, laten we toch gauw gaan, laten we toch gauw gaan,” drong zij aan.

Zij droegen haar naar beneden en de priester duwde het kleine wagentje voort, dat zacht voortrolde onder den met sterren bezaaiden hemel, terwijl mijnheer de Guersaint naast haar liep. Het was een wondermooie nacht zonder maan, een donkerblauw fluweel met diamanten bestikt; de zachte lucht was heerlijk, een lauwwarm bad van zuivere lucht, doorbalsemd met den geur der bergen. Veel pelgrims verdrongen zich in de straat in de richting der Grot; doch de menigte was stil en in zichzelf gekeerd, zonder de rumoerige kermisdrukte van den dag. Bij het plateau de la Merlasse breidde de duisternis zich uit, kwam men onder den onmetelijken hemel in het schaduwmeer der grasperken en groote boomen, waaruit men links alleen de slanke, witte spits der Basilica zag oprijzen.

Pierre werd bij het zien van de menschenmassa, die, naarmate zij de Grot naderden, compacter werd, eenigszins ongerust. Op de place du Rosaire kon men nog slechts met moeite loopen.

“Er is geen denken aan, om bij de Grot te komen,” zeide hij en bleef stilstaan. “Het beste zou zijn een allée achter den “Abri des pèlerins” in te slaan en daar te wachten.”

Maar Marie wilde met alle geweld het vertrek der processie zien.

“Laten we probeeren bij den Gave te komen, Pierre. Ik kan het dan uit de verte zien, ik behoef er niet zoo dicht bij te zijn.”

Mijnheer de Guersaint, die even graag wilde kijken als zij, drong ook aan.

“Maak je maar niet ongerust, ik zal achter haar gaan staan en zorgen, dat niemand haar stooten kan.”

Pierre moest nu het wagentje trekken. Hij had een kwartier noodig om onder een der bogen van de rechtsche helling te komen, zoo verdrong zich daar de menigte. Dan sloeg hij eenigszins schuins af en was eindelijk op de kade aan den oever van den Gave, waar alle kijkers op het trottoir stonden; hij kon nog een vijftig meter verder komen en liet dan het wagentje stilstaan tegen de borstwering zelf, bijna vlak tegenover de Grot.

“Is het hier goed?”

“Ja, ja, dank je wel! Maar ik moet zitten, dan kan ik nog beter zien.”

Mijnheer de Guersaint richtte haar op en klom dan zelf op de steenen bank, die langs de geheele kade loopt. Een groote menigte nieuwsgierigen stond daar dicht opeengehoopt als op avonden, dat er vuurwerk afgestoken werd. Allen gingen op hun teenen staan en rekten hun hals uit. Ook Pierre was vol belangstelling, ofschoon je nog niet veel bijzonders zag.

Er moesten daar dertigduizend personen zijn, en nog steeds stroomde het menschen. Allen droegen in hun hand een kaars, gewikkeld in een soort peperhuis van wit papier, waarop in blauw een afbeelding van de Notre-Dame de Lourdes gedrukt was. Maar die kaarsen waren nog niet aangestoken. Boven de deinende zee van hoofden zag men slechts de helder blinkende Grot, die den hellen gloed als van een ijzergieterij uitstraalde. Een dof gezoem steeg op, men hoorde zuchten, die alleen reeds den indruk maakten, dat daar duizenden opeengedrongen stonden in de diepte der duisternis, hun adem inhoudend, op en neer bewegend als een levend, steeds grooter wordend laken. Er waren er onder de boomen aan den anderen kant van de Grot, in de diepten van de donkerte, die men zelfs niet vermoedde. Eindelijk begon het met enkele kaarsen, die hier en daar opvlamden; plotselinge vonken, die op goed geluk af de duisternis doorboorden. Het aantal nam snel toe: eilandjes van sterren vormden zich, terwijl op andere punten strepen, melkwegen te midden van de sterrenbeelden vloeiden. Dat waren de dertigduizend kaarsen, die allengs een voor een aangestoken werden, den fellen gloed der Grot uitdoofden en van het eene einde van den boulevard naar het andere de kleine gele vlammen van een reusachtig bekken met gloeiende kolen voortwentelden.

“O, Pierre, hoe mooi!” fluisterde Marie. “Precies de herrijzenis der nederigen, der kleine arme zielen, die weer wakker worden en schitteren.”

“Prachtig, prachtig!” viel mijnheer de Guersaint haar in een opwelling van zijn kunstenaarsgeestdrift bij. “Kijk eens naar die twee lijnen, die elkaar snijden en een kruis vormen.”

Pierre was zeer getroffen door wat Marie gezegd had. Zoo was het; die zwakke vlammetjes, nauwlijks lichtende puntjes, bescheiden als een deemoedig volk, en wier groot aantal een glans uitmaakte en een zonneschittering vormde. Telkens weer kwamen er nieuwe te voorschijn, verder weg en als verdwaald.

“O,” prevelde hij, “dat daar heelemaal alleen, in de verte en zoo dansend … Zie je, Marie, hoe het aan komt drijven en zich langzaam in het groote vuurmeer verliezen gaat.”

Men zag nu weer duidelijk als op klaarlichten dag. De van onder af belichte boomen lieten hun intens groen loof zien als geschilderde boomen op coulissen. Boven het golvende kolenbekken bleven de banieren, sprekend-duidelijk met haar geborduurde heiligen en zijden snoeren, onbeweeglijk. En de fel-helle weerkaatsing steeg langs de rots naar de Basilica op, welker spits nu scherp-wit afstak tegen den donker-zwarten hemel, terwijl aan de overzijde van den Gave de heuvels ook òp-lichtten met de witte gevels van hun kloosters tusschen het somber-groene loof.

Er was nog een oogenblik onzekerheid. Het vlammenmeer, waarin ieder brandend pitje een golfje was, deinde zijn sterrengeflonker voort, scheen op het punt te breken, om samen te vloeien tot een rivier. Dan fladderden hoogop de banieren, begon er beweging te komen.

“Wat,” riep mijnheer de Guersaint uit, “komen ze nu niet hier langs?”

Toen legde Pierre, die op de hoogte was, uit, dat de processie eerst den met groote kosten langs den beboschten heuvel aangelegden zigzagweg volgde. Dan draaide zij om de Basilica heen, alvorens langs de rechtsche helling weer naar beneden te gaan en door de tuinen haar weg te vervolgen.

“Kijk, je ziet de eerste kaarsen reeds door het groen naar boven gaan.”

Het was als uit een Duizend-en-een-Nacht-sprookje. Kleine bevende lichtjes maakten zich los uit den grooten, vurigen haard en verhieven zich in een zachte vlucht langzaam in de hoogte, zonder dat men iets kon onderscheiden, dat ze aan de aarde vasthield. Het bewoog zich als gouden zonnestofjes in de duisternis. Weldra was het overgegaan in een schuin vallende straal, die zich dan plotseling scherp om een hoek terugboog, en er ontstond een nieuwe straal, die zich op zijn beurt ook weer kromde. Eindelijk was de geheele heuvel door één vlammenzigzag doorgroefd, die denken deed aan bliksemstralen, zooals men die op plaatjes uit den zwarten hemel schieten ziet. Maar het lichtende spoor ging niet uit, steeds gleden de kleine vlammetjes met dezelfde zachte, langzame beweging voort. Soms echter ontstond plotseling een verduistering, wanneer de processie achter een boomgroep voorbijtrok. Maar even verder brandden de kaarsen dan weer, zetten haar tocht langs ingewikkelde, telkens weer onderbroken en opnieuw herstelde zigzaglijnen naar den hemel voort. Dan kwam een oogenblik, dat zij, boven op den heuvel gekomen, niet langer stegen en bij de laatste kromming van den weg verdwenen.

In de menigte klonk het:

“Nu draaien ze om de Basilica heen.”

“O, het duurt nog wel een twintig minuten, voor ze naar beneden komen.”

“Ja, mevrouw, ze zijn met hun dertigduizenden; er gaat nog wel een uur mee heen, voor de laatsten van de Grot vertrekken.”

Zoodra de processie zich in beweging gezet had, had zich uit het doffe gegons een kerklied losgemaakt. Het was de litanie van Bernadette, de zesmaal tien coupletten, waarin het “wees gegroet” als een obsessie telkens weer terugkeerde. Waren de zestig strophen uitgezongen, dan begon men opnieuw. Aldoor klonk onophoudelijk en wiegend het “Ave, ave, ave Maria!”, dat den geest verdoofde, de ledematen radbraakte, langzamerhand die duizenden wezens in een wakenden droomslaap bracht, waarin zij het paradijs als een visioen voor zich zagen. ’s Nachts, als zij sliepen, had het bed de schommelende beweging, zongen zij ze nog.

“Blijven we hier?” vroeg mijnheer de Guersaint, die gauw genoeg van iets had. “Het is nu verder precies hetzelfde.”

En ook Marie, die de gesprekken in de menigte gehoord had, zeide:

“Je hebt gelijk, Pierre. Het zou beter zijn als wij onder de boomen gingen staan. Ik zou zoo graag alles willen zien.”

“Zeker,” antwoordde Pierre; “wij zullen een plaatsje zoeken, waar je alles zien kunt. Het zal alleen een heele toer zijn, om nu hier vandaan te komen.”

Inderdaad had de dichte menigte nieuwsgierigen hen als het ware ingemetseld. Pierre moest zich langzaam en voorzichtig een weg banen, terwijl hij een klein plaatsje voor een zieke vroeg. Marie keerde zich telkens om en trachtte nog eenmaal voor de Grot den vlammenden waterspiegel te zien, het meer met zijn kleine flikker-fonkelende golfjes, waaruit tot in het oneindige de processie wegstroomde, zonder dat het leeg scheen te worden. Mijnheer de Guersaint liep achter het wagentje, om het tegen het dringen der menigte te beschermen.

Eindelijk waren zij buiten het gedrang en stonden nu op een verlaten plekje dicht bij een der booggewelven, waar zij even ruimer konden ademhalen. Men hoorde daar niets dan de uit de verte klinkende litanie met haar hardnekkig refrein; zag de weerkaatsing der kaarsen slechts als een soort lichtende wolk, die van den kant der Basilica langzaam aangedreven kwam.

“De beste plaats zouden we hebben, als we den Calvariënberg opgingen. Een kamermeisje heeft het me vanochtend nog gezegd. Het moet van uit de hoogte een feeëriek gezicht zijn.”

Doch daar viel niet aan te denken, daar waren te veel bezwaren aan verbonden.

“Hoe zouden we met het wagentje de hoogte op kunnen komen?” vroeg Pierre. “En bovendien zou in het pikdonker en in het gedrang het naar beneden komen veel te gevaarlijk zijn.”

Marie zelf wilde liever in de tuinen onder de boomen, waar het zoo heerlijk was, blijven. Dus gingen zij weer verder en kwamen tegenover de groote gekroonde Heilige Maagd op de Esplanade uit. Het beeld was met gekleurde glazen verlicht, die het met een stralenkrans van blauwe en gele lampions tot een kermis-aureool maakten. Ondanks zijn vroomheid vond mijnheer de Guersaint dit afschuwlijk smakeloos.

“Kijk!” zeide Marie, “bij dat boschje daar zouden we een uitstekend plaatsje hebben!”

Zij wees naar een dicht boschje struiken naast den “Abri des pèlerins”. Het was inderdaad een uitstekend plekje, want vandaar af zou men de processie langs de linkerhelling naar beneden kunnen zien komen en haar door de grasperken in haar dubbele evenwijdige beweging van gaan en komen tot de nieuwe brug kunnen volgen. Bovendien gaf de nabijheid van den Gave aan het bladerengewelf een heerlijke koelte. Niemand bevond zich daar nog; in de dichte schaduw van de groote platanen langs de allée genoten zij van een oneindigen vrede.

Mijnheer de Guersaint ging op zijn teenen staan, ongeduldig als hij was, om de eerste kaarsen van achter de Basilica te voorschijn te zien komen.

“Er is nog niets te zien,” mompelde hij. “Enfin, dan ga ik maar even op het gras zitten. Ik ben doodop.”

Dan maakte hij zich ongerust over zijn dochter.

“Wil ik je wat omslaan? Het is heel frisch hier!”

“Neen, vader, dank u wel, ik heb het heelemaal niet koud. Ik ben zoo gelukkig. In geen tijd heb ik zoo heerlijk adem kunnen halen!… Er moeten hier rozen zijn, ruikt u dien heerlijken geur niet?”

En zich tot Pierre wendend:

“Waar staan die rozen toch, lieve vriend? Zie je ze niet?”

Toen mijnheer de Guersaint naast het wagentje zat, ging Pierre kijken, of er in de nabijheid geen bed met rozen was. Maar vergeefs zocht hij in de donkere grasperken; hij vond niets dan een dichten, groenen plantengroei. Toen hij, teruggaande, langs den “Abri des pèlerins” kwam, ging hij uit nieuwsgierigheid naar binnen.

Het was een groot vertrek met een hooge zoldering, waarin aan beide kanten het licht door breede ramen naar binnen viel. Met zijn steenen vloer en zijn kale muren had het geen andere meubelen dan banken, die her en der verspreid stonden. Geen tafel, geen plank, zoodat de daklooze pelgrims, die genoodzaakt waren daar hun toevlucht te zoeken, hun manden, hun pakjes en hun valiezen opgehoopt hadden in de aldus in bagagekasten herschapen vensternissen. Het vertrek was leeg: alle arme pelgrims waren blijkbaar naar de processie. Hoewel de deur wijd open stond, heerschte er een ondraaglijke stank; de muren waren doordrenkt met ellende, de vloertegels vuil, vochtig ondanks den mooien zonnedag, nat van fluimen, vet en gemorsten wijn. Men deed er alles, men sliep er, at er in een opeenhooping van vuile lichamen en lompen.

Pierre zeide tot zichzelf, dat de heerlijke rozengeur moeilijk van daar komen kon. Toch liep hij het vertrek, dat door vier walmende lantaarns verlicht werd, rond in de meening dat het geheel verlaten was, toen hij tot zijn verbazing tegen den linkermuur een vage gestalte zag, een in het zwart gekleede vrouw, die een wit pakje op haar schoot hield. Zij was geheel alleen in deze eenzaamheid en zat onbeweeglijk met starre oogen voor zich uit te staren.

Hij ging naar haar toe en herkende toen madame Vincent, die hem met een gebroken stem toefluisterde:

“Ja, Rose heeft vandaag zoo geleden! Van den vroegen morgen af heeft zij aan één stuk door gekreund … En nu zij een paar uur geleden in slaap gevallen is, durf ik mij niet te verroeren, omdat ik bang ben, dat zij anders wakker wordt en weer pijn krijgt.”

Zij bleef onbeweeglijk zitten, een martelares van een moeder, die reeds maanden lang haar kind zoo hield in de hardnekkige hoop het te genezen. Zij had het op haar armen naar Lourdes gebracht, droeg het daar rond, suste het in slaap op haar armen, daar zij geen kamer, zelfs geen ziekenhuisbed had.

“Gaat het dan niet beter met de kleine?” vroeg Pierre, wiens hart bloedde.

“Neen, mijnheer de abbé, ik geloof het niet.”

“Maar,” zeide hij, “u zit toch heel ongemakkelijk op die bank. Men had moeite moeten doen om u niet zoo op straat te laten blijven. Men zou uw kind ongetwijfeld ergens opgenomen hebben.”

“Och, waar zou dat goed voor zijn, mijnheer de abbé? Zij ligt heel goed op mijn schoot. En bovendien zou men haar toch niet altijd zoo bij me gelaten hebben … Neen, ik heb haar maar liever bij me, dat zal haar ten slotte nog redden, geloof ik.”

Twee dikke tranen vielen over haar onbeweeglijk gezicht. Dan ging zij voort:

“Ik ben niet zonder geld. Ik had dertig sous, toen ik van Parijs wegging, en ik heb er nu nog tien over … Ik heb aan brood voldoende en die arme stumperd hier kan zelfs geen melk verdragen … Ik kom nog wel toe tot we weer weggaan, en als zij beter wordt, o, dan zullen wij rijk zijn, rijk, rijk!”

Zij boog zich voorover en keek in het flikkerende licht naar het bleeke gezichtje van Rose, wier lippen door haar zwakke ademhaling half geopend werden.

“Kijk u eens, hoe zij slaapt!… De Heilige Maagd zal medelijden met haar hebben en haar beter maken, niet waar, mijnheer de abbé? We hebben nog wel maar één dag, maar ik wil niet wanhopen; ik zal den heelen nacht hier blijven bidden … Morgen zal het geschieden, ze moet nog tot morgen blijven leven.”

Een oneindig medelijden maakte zich meester van Pierre, die, uit vrees, dat ook hij anders in tranen zou uitbarsten, wegging.

“Ja, ja, arme vrouw, blijf hopen.”

En hij liet haar alleen achter in de groote, ledige, stinkende zaal, tusschen de door elkaar gegooide banken, zóó onbeweeglijk in haar smartelijke moederliefde, dat zij haar adem inhield, uit vrees, dat het piepen van haar borst de kleine zieke wakker zou maken. Geradbraakt bad zij, met gesloten mond, vurig.

Toen Pierre weer bij Marie terug was, vroeg zij hem dadelijk:

“En zijn er rozen in den omtrek?”

Hij wilde haar blijde stemming niet bederven door haar te vertellen, wat hij gezien had.

“Neen, ik heb in alle perken rondgekeken, maar er zijn geen rozen.”

“Vreemd,” zeide zij peinzend. “De geur is zoo zacht en tegelijk zoo doordringend … Je ruikt het toch zeker ook wel? Nou net is hij weer zoo buitengewoon sterk, alsof alle rozen van het paradijs om ons in den nacht ontbloeien.”

Doch een uitroep van haar vader viel haar in de rede. Mijnheer de Guersaint was weer gaan staan, toen hij boven aan de hellingen, links van de Basilica, lichtende punten verschijnen zag.

“Daar heb je ze eindelijk!”

Inderdaad werd het hoofd der processie zichtbaar. Onmiddellijk vermenigvuldigden overal de lichtende punten zich en verlengden zich tot een dubbele, golvende lijn. De duisternis overstroomde alles; het was als geschiedde dit alles heel hoog, als kwam het uit de zwarte diepten van het onbekende. En terzelfdertijd begon het gezang, de litanie, die als een obsessie was, weer; maar zij bleef zoo ver, zoo licht, dat het scheen, alsof zij niet meer was dan het zachte suizen, dat in de boomen den naderenden stormwind aankondigt.

“Ik heb het wel gezegd,” prevelde mijnheer de Guersaint, “je moet op den Calvariënberg staan, om alles te zien.”

Halsstarrig en stijfhoofdig als een kind kwam hij weer op zijn eerste denkbeeld terug, en jammerde, dat ze juist de slechtste plaats uitgekozen hadden.

“Maar waarom gaat u dan den Calvariënberg niet op, vader? Het is nog tijd genoeg … Pierre zal bij mij blijven.”

En met een droef glimlachje voegde zij eraan toe:

“Trouwens, niemand zal me schaken.”

Eerst weigerde hij, dan gaf hij echter, niet in staat aan den drang van zijn verlangen weerstand te bieden, toe. Hij moest zich haasten, vlug de grasperken overloopen.

“Blijf hier onder de boomen op mij wachten. Ik zal je wel vertellen, wat ik boven gezien heb.”

Pierre en Marie bleven alleen in dit donkere, eenzame hoekje, doorbalsemd met rozengeur, zonder dat er één enkele roos in de nabijheid was. Zij spraken niet, keken naar de processie, die zacht en ononderbroken naar beneden gleed.

Het was als een dubbele rij levende sterren, die, aan den linkerhoek van de Basilica opkomend, nu de monumentale helling volgde, welker ronding zij duidelijk afteekende. Op dezen afstand kon men nog steeds de pelgrims, die de kaarsen droegen, niet zien; het waren slechts wandelende, gedisciplineerde lichtjes, die in de donkerte rechte lijnen trokken. De bouwwerken zelf bleven onder den donkerblauwen nachthemel vaag, werden nauwlijks door een verdichting van de duisternis aangegeven. Maar langzamerhand lichtten, naarmate het aantal kaarsen grooter werd, de architectonische lijnen òp, de slanke spitsbogen der Basilica, de cyclopische gewelven der hellingen, de zware, samengedrukte gevel der Rozenkranskerk. Met den ononderbroken stroom van helle vonken, die rustig voortkabbelde op de hardnekkige manier van een buiten haar oever getreden rivier, die door niets meer tegengehouden wordt, kwam als het ware een morgenrood, een lichtende wolk, die steeds grooter werd en eindelijk den geheelen horizont in haar glans laadde.

“Kijk toch eens Pierre, kijk toch eens!” riep Marie in haar kinderlijke blijdschap. “Dat houdt maar niet op, steeds komen er meer.”

Inderdaad duurde daar omhoog het plotselinge verschijnen van kleine lichtjes met een mechanische regelmatigheid voort, alsof een onuitputtelijk hemelsche bron dat zonnestof uitgestort had. Het hoofd der processie had ter hoogte van de gekroonde Heilige Maagd de tuinen bereikt, zoodat de dubbele vlammenlijn nog slechts den omtrek van het dak der Rozenkranskerk en van de groote trap afteekende. Doch de nadering der menigte maakte zich voelbaar door een onrust in de lucht, een levenden, van verre komenden ademtocht; vooral de stemmen klonken sterker, de litanie van Bernadette zwol aan tot het gebruis van een opkomenden vloed, die het refrein: “Ave, ave, ave Maria!” in een rhythmisch gewieg steeds hooger en hooger stijgen deed.

“O, dat refrein!” prevelde Pierre, “het dringt je tot in je huid door. Straks gaat mijn heele lichaam het nog zingen.”

Weer liet Marie haar zacht kinderlachje hooren.

“Ja, dat is zoo, het volgt mij ook overal; vannacht heb ik het in mijn slaap ook gehoord. En vanavond ook weer, het is als wiegt het mij boven de aarde.”

Dan viel zij zichzelf in de rede:

“Daar zijn ze aan den onderkant van het perk, vlak tegenover ons.”

Nu volgde de processie de lange rechtsche allée en kwam, na om het Croix des Bretons heen gekropen te hebben, langs de andere rechtsche laan terug. Ze hadden meer dan een kwartier noodig, om deze beweging uit te voeren. Nu vormde de dubbele lijn twee lange strepen evenwijdige lichtjes, waarboven een triomphantelijke zonnefiguur uitstak. Maar het blijvende-mooie was het ononderbroken kronkelen van die vuurslang, wier gouden ringen zoo zacht over den zwarten grond kropen en zich in het oneindige verlengden, zonder dat het reusachtige zich ontrollende lichaam ooit scheen te eindigen. Verschillende malen had er blijkbaar ergens een opstopping plaats; de lijnen bogen zich dan als zouden zij breken, maar de orde was spoedig weer hersteld, waarna het naar beneden glijden met langzame regelmatigheid opnieuw begon. Een melkweg met zijn beving van werelden was van uit den hooge neergevallen en zette op aarde zijn sterrenreidans voort. Een blauw licht sijpelde naar beneden, er bestond niets meer dan de hemel, de gebouwen en de boomen namen in den geheimzinnigen glans der duizenden kaarsen, wier aantal steeds grooter werd, droomvormen aan.

Marie stiet een zucht van ademlooze bewondering uit; zij kon er geen woorden voor vinden, herhaalde maar steeds:

“Wat is het mooi, lieve God, wat is het mooi!… Kijk toch eens, Pierre, hoe mooi het is!”

Maar sedert de processie op enkele passen van hen verwijderd voorbij hen trok, was het niet meer een rhythmische loop van sterren, die door geen hand gedragen werden. In de lichtwolk onderscheidden zij thans de lichamen, herkenden zij in het voorbijgaan nu en dan de pelgrims, die de kaarsen vasthielden. Eerst kwam la Grivotte, die ondanks het late uur aan de processie had willen deelnemen; zij overdreef haar genezing, beweerde steeds weer, dat zij zich nooit beter gevoeld had en behield in den frisschen avond, die haar rillen deed, haar overspannen, dansende manier van loopen. Dan kwamen de Vignerons, de vader voorop, met zijn kaars hoog in de lucht, gevolgd door madame Vigneron en madame Chaise, die haar uitgeputte beenen voortsleepten, terwijl de kleine Gustave, wiens rechterhand met kaarsvet overdekt was, met zijn kruk het zand stampte. Alle zieken, die loopen konden, waren er: ook Elise Rouquet, die met haar ontbloot rood gezicht als een verdoemde mede liep. Velen lachten; de het vorige jaar door het wonder genezen kleine Sophie Couteau speelde met haar kaars als met een stok. Hoofden volgden steeds weer op hoofden; voornamelijk waren het vrouwen, de meesten akelig alledaagsch, enkelen met een trotsche houding, die je een seconde even vluchtig zag en welke dan weer in de phantastische verlichting onderdoken. Eindigen wilde het niet: steeds kwamen er weer anderen, onder wie zij nog een heel bescheiden schim opmerkten, madame Maze, die zij zeker niet herkend zouden hebben, als zij niet even haar bleek, door tranen overstroomd gelaat opgeheven had.

“Kijk,” zeide Pierre tegen Marie, “daar zijn de eerste lichtjes der processie op de place du Rosaire, en ik ben er zeker van, dat de helft der pelgrims nog voor de Grot staat.”

Marie keek op en inderdaad zag zij in de hoogte bij den linkerhoek der Basilica regelmatig en zonder ophouden nieuwe lichtjes opduiken met een soort mechanische beweging, die nooit scheen op te houden.

“Ach,” zeide zij, “wat een belaste en beladen zielen. Ieder van die kleine vlammetjes is immers een ziel, die lijdt en zich bevrijdt?”

Pierre moest zich over haar heen buigen om haar te kunnen verstaan, want de litanie van Bernadette verdoofde hen, nu de stroom zoo vlak langs hen vloeide. De stemmen klonken in een steeds grooter wordende zinsverbijstering, de strophen werden langzamerhand door elkaar gezongen, ieder deel der processie hief het zijne aan met stemmen als van bezetenen, die zichzelf niet meer verstonden. Het was een eindeloos, verward geschreeuw, het razende geschreeuw van een menigte, die door haar geloofsijver geheel bedwelmd wordt. En steeds weer kwam het refrein, het Ave, ave, ave Maria! terug en klonk met zijn rhythme, dat was als een krankzinnig makende obsessie, boven alles uit.

Tot hun verbazing zagen Pierre en Marie opeens mijnheer de Guersaint voor zich staan.

“Ach, kinderen, ik wilde me daarboven niet verlaten, en ben tweemaal door de processie heengeloopen om hier te komen … Maar wat een gezicht! Het is werkelijk het eerste moois, dat ik zie, sedert ik hier ben!”

En hij begon hun de processie te beschrijven, zooals hij die van af den Calvariënberg gezien had.

“Stel je een tweeden hemel hier beneden voor, welke den glans van dien hierboven weerkaatst, maar een hemel, die heelemaal door één enkel, reusachtig sterrenbeeld ingenomen wordt. En dat sterrengewemel schijnt zich heel ver in donkere diepten te verliezen. De vuurstroom is precies een monstrans, ja, een echte monstrans, waarvan de voet gevormd wordt door de hellingen, de schacht door de twee evenwijdige alleeën en de hostie door het ronde grasperk, dat ze bekroont. Het is een monstrans van brandend goud, die diep in de duisternis met een voortdurend fonkelen van wandelende sterren opvlamt. Je ziet niets dan dien reusachtigen en grootschen monstrans … Waarachtig, ik heb nog nooit zoo iets buitengewoons gezien!”

Hij zwaaide zijn armen heen en weer, was buiten zichzelf van artistieke ontroering.

“Vadertje,” zeide Marie liefdevol, “nu u toch hier bent, moest u maar naar het hotel teruggaan, om nog wat te slapen. Het is nu bijna elf en morgenochtend om drie uur moet u weer weg.”

En om hem over te halen, voegde zij er aan toe:

“Ik vind het zoo prettig, dat u dat uitstapje gaat maken … Maar zorg, dat u morgenavond vroegtijdig terug bent, want u zult zien, u zult zien …”

Zij durfde haar vaste overtuiging, dat zij genezen zou, niet uitspreken.

“Je hebt gelijk, ik ga nu maar naar bed,” zeide mijnheer de Guersaint gekalmeerd. “Nu Pierre bij je is, ben ik niet ongerust.”

“Maar,” riep zij uit, “ik wil niet, dat Pierre vannacht bij mij blijft. Wanneer hij mij straks naar de Grot gebracht heeft, komt hij weer bij u … Ik heb niemand noodig, de eerste de beste brancarddrager zal mij morgenochtend wel naar het Hôpital brengen.”

Pierre zweeg eerst even. Dan, eenvoudig:

“Neen, neen, Marie, ik blijf … Ik zal, evenals jij, den nacht in de Grot doorbrengen.”

Zij wilde aandringen, boos worden. Maar hij had het zoo zacht gezegd, zij had in zijn woorden een zoo smartelijk verlangen naar geluk gevoeld, dat zij, tot in het diepst van haar ziel geroerd, haar woorden terugdrong.

“Enfin, kinderen,” begon haar vader weer, “dat moeten jullie samen maar uitvechten, jullie bent verstandig genoeg. En nu goeden nacht, maakt je over mij maar geen zorg.”

Hij gaf zijn dochter een paar hartelijke kussen, drukte de beide handen van den priester; ging dan weg en verdween in de dichte rijen der processie, waar hij opnieuw doorheen moest.

Nu waren zij alleen in hun donker en eenzaam hoekje onder de groote boomen; zij nog altijd achter in haar wagentje zittend, hij geknield in het gras en met zijn elleboog leunend op een der wielen. Het was aanbiddelijk mooi: het voorbijtrekken der kaarsen duurde voort, terwijl zij zich door het groot aantal bochten, dat zij maakten, tot één groote massa ophoopten. Wat hem vooral aangenaam trof was dat er van het kermisgedoe van overdag niets meer over Lourdes was blijven hangen. Het was, alsof van de bergen een zuiverende wind neergestreken was, die den sterken etensgeur, de vraatzuchtige Zondagsvreugde, al dat gloeiend en vergiftigd kermisstof, die om de stad hingen, weggevaagd had. Nu breidde zich nog slechts een eindelooze hemel met reine sterren over hen uit; de koelte van den Gave verkwikte hen, de zuchtende briesjes droegen geuren van wilde bloemen aan. De oneindigheid van het mysterie ging op in den onbeperkten vrede van den nacht, en van de zware stoffelijke wereld bleef niets over dan die kleine vlammetjes der kaarsen, welke Marie zooeven vergeleken had met lijdende zielen, welke op het punt staan zich te bevrijden. Een weldadige rust, die hem met een oneindige hoop vervulde, kwam over hem. Sedert hij daar was, verdwenen langzamerhand de kwetsende herinneringen van den namiddag, de gulzige vraatzucht, het onbeschaamde schacheren in wat heilig zijn moest, de moreel achteruitgegane en tot prostitutie vervallen oude stad uit zijn geest, om hem geheel te doen opgaan in die goddelijke verkwikking, in dien zoo wondermooien nacht, waarin zijn geheele ziel zich onderdompelde als in een bad der herrijzenis.

Marie, zelf ook door een oneindige teederheid vervuld, prevelde:

“Wat zou Blanche gelukkig zijn, als zij al die heerlijkheden zien kon!”

Zij dacht aan haar zuster, die te Parijs achtergebleven was en zich daar aftobde met het geven van lessen. Maar dit eenvoudige woord, het noemen van den naam van haar zuster, over wie zij sedert haar komst te Lourdes niet gesproken had en die nu plotseling voor haar herinnering oprees, was voldoende om het geheele verleden voor hun geest op te roepen.

Zonder te spreken, doorleefden Marie en Pierre nog eenmaal hun kindertijd, hun spelen van vroeger in de twee aan elkaar grenzende, slechts door een levende haag gescheiden tuintjes. Dan kwam de scheiding, toen hij naar het seminarie ging en zij hem, heete tranen schreiend, op de wangen kuste met de belofte hem nooit te zullen vergeten. Jaren verstreken, en zij vonden elkaar terug, voor eeuwig gescheiden: hij priester, zij aan het ziekbed gekluisterd zonder eenige hoop ooit vrouw te worden. Dat was hun heele geschiedenis, een vurige, zichzelf lang onbewust gebleven liefde, dan een breuk, alsof zij gestorven waren, hoewel zij naast elkander leefden. Nu zagen zij de armzalige woning terug, die de oudste zuster door haar lessen wat behaaglijk trachtte te maken, die armzalige woning, waaruit zij naar Lourdes vertrokken waren na veel strijd en veel beraad: zijn twijfel en haar hartstochtelijk geloof, dat ten slotte overwonnen had. Het was werkelijk heerlijk elkaar zoo alleen weer te vinden in dit donkere hoekje, in dezen wondermooien nacht, waarin op aarde evenveel sterren waren als in den hemel.

Marie had tot nog toe haar kleine kinderzieltje bewaard, een sneeuwwitte ziel, zooals haar vader zeide, een goede, reine ziel. Op haar dertiende jaar door haar ziekte aangetast, was zij niet ouder geworden. Nu, op haar drie-entwintigste, was zij nog altijd dertien, een kinderlijk, in zichzelf gekeerd zieltje gebleven. Men zag het aan haar hartstochtlooze oogen, aan haar verstrooide gelaatsuitdrukking, aan haar onrustig zoekenden blik, aan haar onvermogen om iets anders te willen. Geen vrouweziel was onschuldiger dan de hare, die, achterlijk gebleven als zij was, de ziel van een groot, zedig meisje was, bij wie de ontwakende hartstocht zich met een innigen kus op de wangen tevreden stelt. Zij had geen anderen roman gehad dan het afscheid, dat zij weenend van haar vriend genomen had, en dat was gedurende tien jaar voldoende om haar hart geheel te vullen.

In de eindelooze dagen, die zij op haar ziekbed doorgebracht had, was zij nooit verder in dien droom gegaan, dan dat hij, als zij gezond gebleven was, ongetwijfeld nooit priester geworden zou zijn, om met haar te kunnen leven. Nooit las zij een roman. De vrome boeken, die zij hebben mocht, hielden in haar de geestdrift voor een bovennatuurlijke liefde wakker. Zelfs de geluiden van buiten stierven weg aan de deur van de kamer, waar zij als in een klooster leefde; vroeger, toen men haar van het eene einde van Frankrijk naar het andere, van de eene boeteplaats naar de andere bracht, ging zij door de menigte als een slaapwandelaarster, die niets hoort en niets ziet, doch geheel beheerscht wordt door de idée fixe, dat zij reddeloos verloren was. Vandaar die onschuld en kinderlijkheid, dat aanbiddelijke meisje des lijdens, dat, opgegroeid met haar armzalig lichaam, in haar hart niets bewaarde dan de onbewuste liefde van haar dertien jaar.

Marie’s hand zocht in de duisternis die van Pierre, en toen zij deze, die de hare tegemoet kwam, vond, hield zij die lang en innig vast. Welk een vreugde! Nooit hadden zij een zoo reine en zoo volmaakte vreugde gesmaakt, als nu zij hier samen ver van de wereld in die onbeperkte bekoring van de duisternis en het mysterie waren. Om hen heen was slechts de rondedans der sterren. Het in slaap wiegende gezang zelf was als de duizeling, die hen op vleugelen medevoerde. Marie wist, dat zij den volgenden dag genezen zou worden, wanneer zij een nacht van godsdienstige extase in de Grot doorgebracht had: het was voor haar een absolute zekerheid, dat de Heilige Maagd haar zou verhooren, dat zij haar vermurwen zou, wanneer zij zich van aangezicht tot aangezicht met haar bevond, om haar te smeeken. En zij begreep heel goed wat Pierre ermede bedoelde, toen hij den wensch uitgesproken had ook den nacht voor de Grot door te brengen. Was hij niet besloten een allerlaatste poging te wagen om zijn geloof terug te krijgen, neer te knielen als een klein kind, om de Heilige Maagd te smeeken hem zijn geloof terug te geven. Nu nog, zonder dat zij behoefden te spreken, herhaalden hun in elkaar liggende handen die dingen. Zij beloofden elkaar voor elkander te bidden; zij vergaten zichzelf zoozeer dat de een in de ander geheel opging met een zoo vurigen wensch voor hun genezing, voor hun wederzijdsch geluk, dat zij op dat oogenblik even den grond aanraakten der liefde, die zich geeft en zich opoffert. Het was een hemelsche genieting.

“O,” prevelde Pierre, “die blauwe nacht, die eindelooze duisternis, welke al het leelijke van menschen en dingen wegvaagt, die wijde weldadige vrede, waarin ik mijn twijfel zou willen in slaap wiegen …”

Zijn stem begaf hem. En op haar beurt zeide Marie heel zacht:

“En de rozen, die heerlijke rozengeur … Ruik jij ze niet, Pierre? Waar zijn ze toch, dat jij ze niet gezien hebt?”

“Ja, ja, ik ruik ze, maar er zijn geen rozen. Ik zou ze zeker gevonden hebben, want ik heb goed gezocht.”

“Hoe kan je zeggen, dat er geen rozen zijn, waar zij de lucht om ons heen doorbalsemen en wij als het ware baden in haar geur? Op sommige oogenblikken is hij zoo sterk, dat ik mij bijna bezwijmen voel van de vreugde hem te mogen inademen!”

“Neen, neen, ik zweer het je, ik heb overal gekeken, er zijn geen rozen. Of wel zij moeten onzichtbaar zijn of het gras zelf, dat wij met onze voeten vertrappen, die groote boomen, die ons omringen, of haar geur stijgt op uit de aarde, uit de rivier hier vlak bij, uit de bosschen en uit de bergen.”

Zij zwegen een oogenblik. Dan begonnen zij weer op denzelfden fluisterenden toon:

“Wat ruiken zij heerlijk, Pierre! Het lijkt wel, of onze in elkaar liggende handen ook een rozenruiker zijn.”

“Ja, zij rieken heerlijk lekker. En nu is het, alsof die geur uit jou opstijgt, Marie, alsof de rozen opbloeien uit jouw haren.”

Zij spraken niet meer. De processie trok nog steeds voorbij, steeds nog kwamen helle vonken van achter de Basilica, die als uit een onuitputtelijke bron uit de duisternis opborrelden. De eindelooze stroom der kleine, wandelende vlammen groefde in zijn dubbelen kringloop de duisternis met een vurig lint. Maar het mooiste schouwspel zag men op de place du Rosaire, waar het hoofd der processie, zijn langzame zwenking volhoudend, zich in een steeds nauwer wordenden kring draaide, die de van moeheid half geradbraakte pelgrims ten slotte duizelig maakte en hun gezang tot iets als verbittering deed stijgen. Weldra was deze kring niet meer dan een brandende kern, de kern van een nevelvlek, waaromheen het vurige lint, dat geen einde scheen te nemen, zich langzaam oprolde; en steeds breidde die kern zich uit, werd een vijver, dan een meer. De heele wijde place du Rosaire veranderde in een brandende zee, die haar kleine fonkel-golfjes voortrolde in den wervelstroom van dezen nooit stilstaanden draaikolk. Een dageraad-weerschijn deed de Basilica òplichten. Ter zijde zag men slechts enkele verdwaalde kaarsen alleen wandelen als glimwormen, die met behulp van hun klein lantaarntje hun weg zochten.

Een deel der processie was blijkbaar op den Calvariënberg verdwaald, want ook daar in de hoogte bewogen zich in de open lucht sterren. Eindelijk kwam er een oogenblik, dat de laatste kaarsen verschenen, de grasperken omtrokken en uitstroomden in de vlammenzee, waarin zij verdronken. Dertigduizend kaarsen brandden daar, steeds nog in kringen ronddraaiend en hun gloed aanwakkerend onder den wijden rustigen hemel, waarin de sterren verbleekten. Een lichtdamp steeg op met het gezang, waarvan de obsessie was blijven voortduren. En het dreunen der stemmen, de Ave, ave, ave Maria! waren als het geknetter zelf der vlammende harten, die zich uitputten in gebeden, om de lichamen te genezen en de zielen te redden.

Een voor een waren de kaarsen uitgegaan; de nacht viel weer als onbeperkt heerscher donker en mild neer, toen Pierre en Marie merkten, dat zij daar nog hand in hand onder het mysterie der boomen verborgen waren. In de verte, in het donkere Lourdes, vroegen nog slechts enkele verdwaalde pelgrims den weg, om hun bed terug te vinden. Ritselingen streken door de donkerte, alles wat rondsluipt en den slaap zoekt op het einde van feestdagen. Maar zij vergaten tijd en omgeving, bewogen zich nog steeds niet, onuitsprekelijk gelukkig, in den geur der onzichtbare rozen.