IV.
Pierre reed het wagentje van Marie voor de Grot en plaatste het zoo dicht mogelijk bij het hek. Het middernachtelijk uur had reeds geslagen; er waren nog een honderd menschen, enkelen zittend op banken, de meesten echter op hun knieën en geheel opgaand in het gebed. De door kaarsen verlichte Grot vlamde als een chapelle ardente, zonder dat men er iets anders onderscheiden kon dan het als sterren fonkelende stof, waarin in zijn nis het beeld der Heilige Maagd wit als een droom oprees. Het afvallend groen der bloemruikers nam een smaragdglans aan, de duizend krukken, die het gewelf bekleedden, geleken op een onontwarbaar net van dood hout, dat op het punt stond weer uit te botten. De nacht werd door die felle schittering nog zwarter gemaakt; de omgeving was weggezonken in een dikke donkerte, waarin niets meer was, geen muren, geen boomen. Alleen de onafgebroken murmelende stem van den Gave werd gehoord onder den wijden, donkeren, van onweer zwangeren hemel.
“Zit je zoo goed, Marie?” vroeg Pierre zacht-vriendelijk. “Heb je het niet koud?”
Zij had even gerild. Maar het was slechts van een klein zuchtje, dat de Grot haar scheen toe te waaien.
“Neen, neen, heelemaal niet! Leg alleen die omslagdoek over mijn knieën … Dank je wel, Pierre, en maak je nu verder niet bezorgd over mij; ik heb niemand meer noodig, nu ik bij haar ben …”
Haar stem begaf haar; zij geraakte reeds in extase: haar handen vouwden zich, haar blikken staarden strak naar het witte beeld, op haar arm uitgeteerd gezicht lag een trek van zalige verheerlijking.
Toch bleef Pierre nog enkele minuten. Hij had haar in den omslagdoek willen wikkelen, want hij zag haar kleine, magere handjes beven. Maar hij was bang haar misnoegen op te wekken en stopte haar alleen maar als een kind goed toe, terwijl zij, met haar ellebogen op de beide randen van het wagentje leunend, hem niet eens meer zag.
Vlak bij hem stond een bank; hij was er, om stil in zichzelf te bidden, juist op gaan zitten, toen zijn blik viel op een vrouw, die in de donkerte geknield lag. Zij was in het zwart gekleed en hield zich zoo bescheiden op den achtergrond, dat hij haar eerst niet opgemerkt had, zoo zeer scheen zij één geworden te zijn met de duisternis. Dan kwam het vermoeden in hem op, dat het madame Maze was. En hij herinnerde zich den brief, dien zij in den loop van den dag ontvangen had. Hij kreeg medelijden met haar, hij voelde de verlatenheid van deze eenzame, die geen lichamelijke ziekte om te genezen had, maar aan de Heilige Maagd alleen vroeg het leed van haar hart te verzachten door haar ontrouwen echtgenoot te bekeeren. De brief had blijkbaar een hardvochtig antwoord bevat, want met haar diep gebogen gelaat scheen zij in haar vernedering van arm, gepijnigd en mishandeld schepseltje niets meer te zijn. Slechts in de nachtelijke stilte vertoefde zij hier gaarne, voelde zij zich gelukkig, om hier uren lang te kunnen weenen, haar martelaarschap te kunnen ondergaan, den terugkeer van de verdwenen liefkoozingen te kunnen smeeken, zonder dat iemand haar smartelijk geheim vermoedde. Haar lippen bewogen zich zelfs niet; het was haar gemarteld hart, dat bad en zoo vurig zijn deel aan liefde en geluk opeischte.
O, die onleschbare dorst naar geluk, welke al deze gewonden naar lichaam en naar ziel hier bracht! Ook Pierre voelde hoe die dorst zijn keel droog maakte en een vurige begeerte in hem deed ontstaan die te lesschen. Hij had zich op zijn knieën willen werpen, de goddelijke hulp willen afsmeeken met het deemoedig geloof van die vrouw. Maar zijn ledematen waren als gebonden en woorden vinden kon hij niet. Het was een verlichting voor hem, toen een hand zachtjes zijn schouder aanraakte.
“Ga met mij mee, mijnheer de abbé, als u de Grot niet kent. Ik zal u er heen brengen, het is er zoo heerlijk op dit uur.”
Hij keek op en herkende baron Suire, den directeur van de Hospitalité de Notre-Dame de Salut. Blijkbaar had die welwillende en eenvoudige man sympathie voor hem opgevat. Hij nam de uitnoodiging aan en volgde hem in de Grot, die geheel leeg was. Zelfs deed de baron het hek, waarvan hij een sleutel had, achter hen dicht.
“Ziet u, mijnheer de abbé, dit is het uur, dat men zich hier werkelijk gelukkig gevoelt. Wanneer ik enkele dagen in Lourdes kom doorbrengen, ga ik zelden voor het aanbreken van den dag naar bed, omdat ik gewoon ben hier den nacht door te brengen … Er is dan niemand meer, je bent er heelemaal alleen, en niet waar, je voelt je dan als het ware thuis bij de Heilige Maagd!”
Hij glimlachte goedhartig en nam als oud bezoeker, die weliswaar door ouderdom wat verzwakt is, maar vol liefde bleef voor het bekoorlijke hoekje, de honneurs van de Grot waar. Overigens toonde hij zich ondanks zijn groote vroomheid volstrekt niet gegeneerd, praatte hij, gaf hij uitleggingen met de vertrouwelijkheid van een man, die weet, dat hij met den hemel op vriendschappelijken voet staat.
“O, u kijkt naar de kaarsen … Er branden er dag en nacht bijna tweehonderd tegelijk; dat maakt dan de Grot ten slotte warm … ’s Winters is het hier zelfs warm!”
Inderdaad kreeg Pierre het in de lauwwarme uitwaseming der kaarsen benauwd. Verblind door het felle licht, keek hij naar den grooten kandelaar in het midden, die in den vorm van een driehoekige pyramide geheel met kleine kaarsjes bezet was. Op den achtergrond stonden in een rechten kandelaar, die bijna gelijk met den grond was, dikke kaarsen, die, ongelijk van grootte en sommige zoo dik als een dij, als het ware een rij orgelpijpen vormden. Verder stonden hier en daar op de rotsen nog enkele andere kandelaars, in den vorm van zware kroonluchters, verspreid. Het gewelf der Grot daalde naar links, het gesteente was er als gebakken en zwart gekleurd door die eeuwige brandende vlammen, welke het sedert jaren verhitten. Onafgebroken viel een regen van was als een bijna onzichtbare sneeuw neer; de voetstukken der kandelaars dropen ervan en namen door het steeds dikker wordende stof een witte kleur aan; de geheele rots was ermede overtrokken en voelde vet aan; vooral de bodem was met zoo’n dikke vetlaag bedekt, dat er ongelukken waren gebeurd en men er een soort rietmatten had moeten overleggen, om het vallen te voorkomen.
“Ziet u die dikke daar?” vroeg baron Suire voorkomend. “Dat zijn de duurste: ze kosten zestig francs, maar ze branden dan ook een maand lang … De allerkleinste, die van vijf sous, duren maar drie uur … Oh, wij gaan er niet spaarzaam mee om, maar toch komen we er nooit te kort. Kijk, daar staan nog twee manden vol. Ze hebben zeker nog geen tijd gehad die naar het magazijn te brengen.”
Vervolgens legde hij Pierre uit wat er verder in de Grot stond: een met een hoes overdekt harmonium; een soort kast met groote laden, waar de gewijde gewaden bewaard werden; banken en stoelen voor het kleine bevoorrechte publiek, dat gedurende de ceremoniën in de Grot toegelaten werd, en ten slotte een mooi, met gegraveerde zilveren platen ingelegd, beweegbaar altaar, een geschenk van een voorname dame, dat men echter uit vrees, dat de vocht het zou bederven, alleen maar gedurende de rijke bedevaarten durfde gebruiken.
Pierre voelde zich door het gebabbel van den voorkomenden man eenigszins geërgerd. Zijn godsdienstige ontroering verloor daardoor grootendeels haar bekoring. Bij het binnengaan der Grot had hij ondanks zijn gebrek aan geloof een zekere onrust, een soort zielerilling gevoeld, alsof het mysterie hem eindelijk onthuld zou worden. Het was iets angstigs en weldadig aandoend tevens. Hij zag dingen, die hem tot diep in zijn ziel ontroerden: bloemruikers, die tot bergen opgestapeld aan de voeten der Heilige Maagd lagen, kinderlijke geloftegiften, kleine beschimmelde schoentjes, een klein stalen borstharnasje, een voor een pop passende kruk, die wel een stukje speelgoed leek.
Onder den natuurlijken spitsboog, waar de Heilige Maagd aan Bernadette verschenen was, was op de plek, waar de pelgrims de rozenkransen en de medailles, die zij wilden laten wijden, wreven, de rots uitgesleten en glad geworden. Millioenen vurige lippen hadden zich er met zulk een geloofskracht op gedrukt, dat het gesteente verkalkt, zwart geaderd en glanzend als marmer geworden was.
Maar Pierre bleef staan voor een soort kuil, waarin een groote menigte brieven en allerlei papieren opgestapeld lagen.
“Dat zou ik bijna vergeten,” begon de baron weer, “en eigenlijk is dit het interessantste. Dit zijn de brieven, die de geloovigen dagelijks door het hek in de Grot werpen. Wij rapen ze op en leggen ze daar neer. ’s Winters is het voor mij dan een aardigheid om ze te sorteeren … Zooals u begrijpen zult, kunnen we ze niet verbranden, zonder ze open te maken, want ze bevatten dikwijls geld, tien of twintig sous, en vooral postzegels.”
Hij woelde in de brieven, haalde er op goed geluk een paar uit, liet Pierre de adressen zien en maakte ze dan open om ze te lezen. Bijna alle waren het brieven van arme, onontwikkelde menschen, de adressen luidden meestal in groote, onregelmatige letters: “Aan Notre-Dame de Lourdes.” Vele bevatten in oncorrecte zinnen vragen of dankbetuigingen in een allerverschrikkelijke orthographie, doch dikwijls kon men moeilijk iets aandoenlijkers denken dan de natuur dier vragen, de genezing van een klein broertje, het winnen van een proces, een minnaar, dien men behouden, een huwelijk, dat men graag sluiten wou. Andere brieven hadden een boozen toon, kapittelden de Heilige Maagd, dat zij niet de beleefdheid gehad had den eersten brief door de vervulling van de wenschen van den onderteekenaar te beantwoorden.
Dan waren er nog andere in netter schrift en met goed loopende zinnen, welke bekentenissen en vurige smeekbeden bevatten—brieven van vrouwen, die aan de Koningin des Hemels schreven wat zij in de donkerte van den biechtstoel niet aan een priester durfden vertellen. De laatste enveloppe, die zij openden, bevatte slechts een portret: een meisje zond haar beeltenis aan Notre-Dame de Lourdes met de opdracht: “Aan mijn goede Moeder.” In het kort was dit de dagelijksche post van een zeer machtige Koningin, die smeekbeden en vertrouwelijke mededeelingen ontving en met gunstbewijzen en weldaden antwoorden moest. De tien- en twintig-sous-stukken waren, naïef, eenvoudige liefdesbewijzen, om haar te vermurwen, terwijl de postzegels slechts voor meerder gemak gezonden werden, wanneer zij tenminste geen zuivere onschuld waren, zooals in den brief van een boerin, die er een postcriptum aan toegevoegd had, waarin zij schreef, dat zij een postzegel insloot voor antwoord.
“Ik verzeker u,” zeide de baron, “dat er onder deze brieven heel goede en minder dwaze zijn dan u denken zoudt … Drie jaar lang heb ik zeer interessante brieven gevonden van een dame, die niets doen kon, of zij moest het aan de Heilige Maagd vertellen. Het was een getrouwde vrouw en zij koesterde een allergevaarlijksten hartstocht voor een vriend van haar man … Welnu, mijnheer de abbé, zij heeft dien overwonnen; de Heilige Maagd heeft haar geantwoord door haar de wapenrusting van haar kuischheid te zenden, de goddelijke kracht om aan haar hart weerstand te bieden …”
Doch hij viel zichzelf in de rede:
“Maar kom toch hier zitten, mijnheer de abbé. U zult eens zien, hoe lekker het hier is!”
Pierre ging naast hem zitten op de bank links, daar waar de rots lager wordt. Het was er inderdaad een heerlijk hoekje om te rusten. Geen van beiden sprak meer, een diepe stilte heerschte, toen Pierre eensklaps achter zich een onbestemd gemurmel hoorde, een fijne, kristalheldere stem, die uit het onzienlijke scheen te komen. Hij maakte een beweging, die baron Suire dadelijk begreep.
“Dat is de bron, die u hoort. Zij bevindt zich in den grond achter dat traliewerk … Wilt u haar zien?”
En zonder Pierre’s antwoord af te wachten had hij zich reeds gebukt om een der luiken, die haar beschermden, weg te nemen, waarbij hij Pierre tevens uitlegde, dat men haar zoo afsloot, uit vrees, dat de vrijdenkers er vergif in zouden komen werpen. Deze onbegrijpelijke inval verbijsterde den priester een oogenblik; doch ten slotte stelde hij haar maar op rekening van den baron, die toch zoo iets kinderlijks over zich had.
Intusschen had deze heel veel moeite met het letterslot, dat maar niet wilde opengaan.
“Vreemd,” mompelde hij, “het woord is Rome en ik weet zeker, dat het niet veranderd is … De vocht bederft hier ook alles. Wij zijn verplicht na twee jaar de krukken, die in stof vallen, te vernieuwen … Licht u eens even bij met een kaars!”
Toen Pierre hem met een kaars, die hij uit een der kandelaars nam, had bijgelicht, slaagde hij er eindelijk in het koperen, door kopergroen uitgebeten slot open te maken. Het getralied luik draaide en de bron werd zichtbaar. Het was, in een breuk van de rots, een op een bed van kiezelzand langzaam stroomend water, dat helder en zonder opbruising opborrelde; het scheen over een vrij groote uitgestrektheid te komen. De baron vertelde nog, dat men het, om het naar de bron te leiden, in met cement bedekte buizen gekanaliseerd had. Zelfs bekende hij, dat men achter de vijvers een reservoir had moeten graven, om daarin ’s nachts het water op te vangen, want de geringe door de bron geleverde hoeveelheid zou niet voldoende geweest zijn voor de dagelijksche behoeften.
“Wilt u het proeven?” bood de baron plotseling aan. “Hier, waar het uit den grond komt, is het nog beter.”
Pierre antwoordde niet; hij keek maar naar dat kalme, dat onschuldige water, dat zich in het flikkerende kaarslicht met gouden weerschijn vlamde. Wasdroppels vielen erin en brachten er door de trillingen, die zij veroorzaakten, wat leven in. Hij dacht aan al het geheimzinnige, dat het van de verre helling der bergen meevoerde.
“Drink u toch een glas!”
De baron had een glas, dat daar altijd hing, gevuld en de priester moest het uitdrinken. Het was goed zuiver water, van dat doorschijnende, frissche water, zooals het van alle hooge Pyrenaeën-plateaux komt.
Nadat het letterslot weer gesloten was, gingen zij beiden weer op de eikenhouten bank zitten. Achter zich bleef Pierre voortdurend de bron als het tjilpen van een verscholen vogeltje hooren. Intusschen vertelde de baron over de Grot gedurende de verschillende jaargetijden in een aandoenlijk gebabbel vol kinderlijke bijzonderheden.
De zomer was slechts het ruwe seizoen, de kermisdrukte van de groote bedevaarten, het luidruchtige gedoe van duizenden samengestroomde pelgrims, die tegelijk baden en schreeuwden. Maar in den herfst begonnen de regens te vallen, de zondvloedachtige regens, die soms dagen achtereen op den drempel van de Grot neerkletsten; dan kwamen de bedevaarten uit verre landen, Indiërs, Maleiers, Chineezen zelfs, kleine, stille en extatische groepjes, die op een teeken der missionarissen in de modder neerknielden. Uit Frankrijk zelf zond Bretagne van alle oude provincies de vroomste pelgrims, geheele parochiën, waarin de mannen even talrijk waren als de vrouwen en wier godvruchtig gedrag en eenvoudig geloof wel geschikt waren om de wereld te stichten. Dan kwam de winter, December met zijn vreeselijke koude en zijn dichten sneeuwval, die de bergwegen versperde. In dien tijd namen de families haar intrek in de verlaten hotels, begaven de geloovigen zich toch iederen ochtend naar de Grot, vooral zij, die de stilte liefhadden en in de teedere intimiteit der eenzaamheid met de Heilige Maagd spreken wilden. Zoo waren er eenigen, die niemand kende, die zich alleen vertoonden, wanneer zij zeker waren, dat zij alleen neerknielden en als ijverzuchtige minnaars, alleen de Heilige Maagd liefhebben konden, om, bij de eerste nadering der menigte, schuw weer te vertrekken.
En hoe lieflijk was de Grot bij slecht winterweer! In den regen, in den wind, in de sneeuw behield zij haar vlammenglans. Zelfs gedurende de woeste stormnachten, wanneer er geen levende ziel was, lichtte zij òp in de ledige duisternis, brandde zij als een liefdegloed, die niet uit te blusschen is. De baron vertelde, dat hij gedurende de hevige sneeuwstormen van het vorige jaar heele middagen doorgebracht had op de bank, waarop hij nu zat. Er heerschte dan in de Grot, hoewel zij op het Noorden lag en er nooit een zonnestraal in doordrong, een weldadig aandoende warmte. Ongetwijfeld was de voortdurend door de kaarsen verhitte rots een verklaring voor die milde zachtheid, maar kon men bovendien niet gelooven aan een bekoorlijke weldaad der Heilige Maagd, die daar een eeuwige April heerschen deed. De kleine vogeltjes vergisten er zich dan ook nooit in, alle vinken uit den omtrek zochten er, wanneer de sneeuw hun pootjes verstijfde, hun toevlucht en fladderden in den klimop om het heilige beeld. En dan eindelijk ontwaakte de lente, stuwde de Gave met donderend geweld de gesmolten sneeuw voort, groenden de boomen weer onder den drang van het opschietende sap, terwijl de terugkeerende pelgrimscharen zich luidruchtig van de fonkelende Grot meester maakten, waaruit zij de kleine vogeltjes van den hemel verjoegen.
“Ja, ja,” herhaalde baron Suire langzaam, “ik heb hier in mijn eentje heel wat heerlijke winterdagen doorgebracht. Ik zag slechts één vrouw, die daar tegen het hek neerknielde, om niet nat te worden in de sneeuw. Zij was nog heel jong, vijf-en-twintig misschien, en heel mooi, een brunette met prachtige blauwe oogen. Zij zeide niets, scheen zelfs niet te bidden, bleef daar maar uren lang met een eindeloos droef gelaat geknield liggen … Ik weet niet wie zij was, nooit heb ik haar teruggezien.”
Hij hield op met praten en toen Pierre, zich verbazend over dat zwijgen, twee minuten later naar hem keek, zag hij, dat de baron in slaap gevallen was. Zijn handen over zijn buik gevouwen, zijn kin op zijn borst, sliep hij, met een flauw glimlachje om zijn mond, den gerusten slaap van een kind. Ongetwijfeld had hij, toen hij vertelde, dat hij hier den nacht doorbracht, bedoeld, dat hij er als een gelukkig oud man zijn eersten slaap kwam doen, waarin de engelen hem bezochten.
Toen genoot Pierre eerst goed van de bekoring der eenzaamheid. Het was werkelijk zoo, een zoet gevoel doordrong in dit rotshoekje de ziel. Het ontstond uit den eenigszins benauwenden geur van de was, uit den extatischen roes, waarin men te midden van de schittering der kaarsen verviel. Hij onderscheidde niet duidelijk meer de krukken boven in het gewelf, noch de geloftegiften, noch het altaar met gegraveerd zilver, noch het met een hoes overdekte harmonium. Langzaam aan maakte een bedwelming zich van hem meester, een steeds grooter wordende vernieling van zijn geheele wezen. Vooral had hij hier op den bodem van het ongelooflijke en bovennatuurlijke het goddelijke gevoel ver van de levende wereld te zijn, alsof het eenvoudige ijzeren hek de slagboom van het oneindige geworden was.
Een licht geruisch links van hem deed hem opschrikken. Het was de bron, die steeds maar voortstroomde, voortstroomde met haar vogelgetjilp. O, wat zou hij graag op zijn knieën gevallen zijn, geloofd hebben aan het wonder, de zekerheid bezeten hebben, dat dit goddelijke water slechts uit de rots ontsprongen was ter genezing van de lijdende menschheid! Was hij hier niet gekomen om zich te verootmoedigen, om de Heilige Maagd te smeeken hem het geloof der kleine kinderen terug te geven? Waarom bad hij haar dan niet, smeekte hij haar niet, dat zij hem het koninklijk geschenk der genade schenken zou? Hij voelde zich nog benauwder worden, de kaarsen verblindden hem, alsof hij een flauwte nabij was. En dan kwam plotseling de gedachte in hem op, dat hij in de groote vrijheid, die de priesters te Lourdes genoten, twee dagen verzuimd had de mis te lezen. Hij bevond zich dus in een staat van zonde, misschien was dat het gewicht, dat zoo zwaar op zijn hart drukte. En deze gedachte werd voor hem zoo’n kwelling, dat hij moest opstaan en weggaan. Zacht stiet hij het hek open en liet baron Suire slapen op zijn bank.
Half opgericht op haar ellebogen, en haar door extase verheerlijkt gelaat naar de Heilige Maagd gewend, had Marie zich in haar wagentje niet bewogen.
“Heb je het niet koud, Marie?”
Zij gaf hem geen antwoord. Hij bevoelde haar handen, vond die lauwwarm en zacht, maar toch licht bevend.
“Je rilt toch niet van de koude, Marie?”
Toen zeide zij met een stem, die zacht was als een ademtocht:
“Neen, neen, laat mij met rust, ik ben zoo gelukkig. Ik zal haar zien, ik voel het … O, welk een zaligheid!”
Toen trok hij den omslagdoek wat hooger en ging, door een onuitsprekelijke onrust aangegrepen, de duisternis in. Toen hij uit het felle licht der Grot kwam, was het een nacht, zwart als inkt, een uit donkerte bestaand niets, waarin hij op goed geluk af ronddwaalde. Dan geraakten zijn oogen eraan gewend; hij was weer bij den Gave en volgde nu den oever, een door groote boomen beschaduwde allée, waarin de frissche donkerte weer terugkwam. Die zoo kalmeerende duisternis en frischheid schonken hem verlichting. Het eenige wat hem nog verbaasde was dat hij niet neergeknield lag, dat hij niet gebeden had, zooals Marie bad, met algeheele overgave van zijn ziel. Wat was toch die inwendige belemmering? Vanwaar kwam toch dat hardnekkige verzet, dat hem belette zich af te laten glijden naar het geloof, zelfs nu zijn overspannen wezen naar algeheele overgave smachtte? Hij begreep wel, dat zijn verstand alleen ertegen in verzet kwam; en hij bevond zich nu in een toestand, waarin hij dat vraatzuchtige verstand, dat aan zijn leven knaagde, dat hem belette gelukkig te zijn, gelukkig als de onwetenden en armen van geest, had willen dooden.
Misschien zou hij, als hij een wonder gezien had, den wil om te gelooven bezeten hebben. Zou hij, wanneer hij Marie bijvoorbeeld plotseling had zien opstaan en hem tegemoet loopen, niet, eindelijk overwonnen, op zijn knieën neergevallen zijn? Dit beeld, dat hij zich maakte van een geredde, van een genezen Marie, wond hem zoo op, dat hij met bevende, naar den met sterren bezaaiden hemel opgeheven armen staan bleef. Lieve God, welke een diepe en mysterieuse, met balsemgeuren doortrilde en milde nacht! En welk een vreugde daalde zegenend neer in die hoop op voor eeuwig weergekomen gezondheid, op eeuwige liefde, welke, evenals de lente, steeds weer opnieuw herboren werd! Dan ging hij weer verder, liep de allée tot het einde af. Maar zijn twijfel begon weer: wanneer men een wonder verlangt, om te gelooven, dan beteekent dit, dat men niet in staat is te gelooven. God behoeft het bewijs van Zijn bestaan niet te leveren. En ook weer maakte de onbehaaglijke gedachte zich van hem meester, dat God, zoolang hij zijn plicht als priester niet gedaan had door de mis te lezen, hem niet verhooren zou. Waarom ging hij niet onmiddellijk naar de Rozenkranskerk, waar de altaren van middernacht tot ’s middags ter beschikking stonden van de tijdelijk te Lourdes verblijf houdende priesters? Hij sloeg een tweede allée in en was nu weer onder de boomen op het lommerrijke plekje, vanwaar hij met Marie de processie voorbij had zien trekken. Geen licht meer, een zee van donkerte, zonder grenzen.
Weer kreeg Pierre een aanval van zwakte en werktuigelijk ging hij, als had hij tijd willen winnen, den Abri des pèlerins binnen. De deuren waren open blijven staan, zonder echter voldoende lucht te brengen in het groote, met menschen gevulde vertrek. Zoodra hij binnenkwam, sloeg de zware warmte der opgehoopte lichamen, de dikke en bedorven lucht der ademhalingen en uitwasemingen hem op zijn keel. De walmende lampen verspreidden zoo’n zwak licht, dat hij oppassen moest niet op de overal liggende ledematen te loopen; want de versperring was zóó groot, dat velen, die geen plaats op de banken hadden kunnen vinden, zich maar neergelegd hadden op de vochtige, met fluimen en etensrestjes bevuilde tegels. Het was een namelooze dooreenmengeling, mannen, vrouwen, priesters lagen door elkaar, zooals het toeval ze neergeworpen had. Uitgeput van vermoeienis sliepen zij, als vernietigd, met open monden. Een groot aantal zat met den rug tegen den muur en het hoofd heen en weer slingerend op de borst, te snorken.
Anderen weer waren van de banken gevallen, een jong meisje lag dwars over een ouden plattelandspriester, die, rustig als een kind slapend, tegen de engelen glimlachte. Het was een stal, waarin de armen van de straat binnengingen en dien zij als een onderkomen, dat de fortuin hun gaf, eerden. Daar waren zij, die op dezen mooien feestavond geen dak boven zich hadden en nu, hier gestrand, broederlijk arm in arm ingeslapen waren. Sommigen echter vonden in hun koortsachtige opwinding geen rust, maar lagen te woelen of stonden weer op om den inhoud van hun mand op te eten. Weer anderen zag men met groote open oogen roerloos in het duister liggen staren. Droomgillen of lijdenskreten klonken te midden van het gesnork op. Een medelijden, een diep, beklemmend medelijden boezemde die troep ongelukkigen, welke daar in hun smerige lompen op en door elkaar lagen, in, terwijl ongetwijfeld hun reine, kleine zielen elders, in het blauwe land van hun mystieken droom zweefden.
Pierre begon zich onpasselijk te gevoelen en wilde weggaan, toen een zwak, maar aanhoudend gekreun zijn aandacht trok, en op dezelfde plaats en in dezelfde houding nog zag hij madame Vincent, die de kleine Rose op haar schoot wiegde.
“O, mijnheer de abbé,” fluisterde zij, “zij is nu bijna een uur geleden wakker geworden en van dat oogenblik af heeft zij aan één stuk door gehuild. … En toch heb ik heusch geen vinger bewogen, want ik was zoo blij haar te zien slapen.”
De priester had zich gebukt om naar de kleine, die zelfs geen kracht meer had om haar oogleden op te slaan, te kijken. Het kreunen kwam als de ademhaling zelf uit haar mond, en zij zag zóó bleek, dat hij rilde, want hij voelde den dood komen.
“Lieve God, wat moet ik nu beginnen?” ging de gemartelde moeder, wier krachten uitgeput waren, voort. “Dat kan zoo niet langer, ik kan dat huilen niet meer aanhooren … Als u eens wist wat ik al niet tegen haar gezegd heb: “Mijn schatje, mijn engeltje, mijn lammetje, huil toch niet, wees maar zoet, de Heilige Maagd zal je beter maken!” En zij huilt maar steeds door!”
Zij snikte het uit, dikke tranen vielen op het gezicht van het kind, dat maar niet ophield met kreunen.
“Als het dag was, zou ik allang uit dit vertrek weg zijn, te meer, omdat het kind de anderen hindert ook. Een oude dame is al boos geworden … Maar ik ben bang, dat het te koud voor haar is; en waar zou ik bovendien in den nacht heen moeten?… O, Heilige Maagd, heb toch medelijden met ons!”
Tot tranen toe bewogen, drukte Pierre een kus op de blonde haren van Rose; dan snelde hij, om niet met de smarten-moeder in snikken uit te barsten, weg en ging, als was hij vastbesloten om den dood te overwinnen, regelrecht naar de Rozenkranskerk.
Hij had de Rozenkranskerk reeds bij dag gezien; en dadelijk had hij de kerk leelijk gevonden, die de architect, belemmerd door de tegen de rots stootende ligging, rond en te laag had moeten bouwen, met haar groote, door vierkante zuilen gedragen koepel. Het ergste echter was, dat zij, ondanks den archaïschen Byzantijnschen bouwtrant, ieder religieus karakter miste. Zonder het geheimzinnige en het mystieke leek zij veel op een nieuwe korenhal, die door den koepel en de met ramen voorziene deuren hel verlicht werd. Bovendien was zij nog niet af, de ornamenteele versiering ontbrak nog geheel, groote stukken kale muur, waartegen de altaren gebouwd waren, hadden geen andere versiering dan rozen van gekleurd papier of armzalige geloftegiften; dit alles werkte niet weinig mede om haar te doen gelijken op een groote wachtkamer met een tegelvloer, die, wanneer het regende, nat werd. Het voorloopige hoofdaltaar was van beschilderd hout. Ontelbare rijen banken vulden het schip, banken als uit een armhuis, waarop men ieder uur kon gaan zitten, want dag en nacht bleef de Rozenkranskerk voor de pelgrims open staan. Evenals de Abri was dit een stal, waarin God zijn armen ontving.
Toen Pierre de kerk binnentrad, kreeg hij opnieuw den indruk van een voor iedereen toegankelijke halle. Maar het te schelle daglicht overstroomde nu niet meer de kale wanden; de kaarsen, die altijd door op de altaren brandden, plekten nu als sterren in de vage, onder de gewelven in slaap gevallen duisternis. Te middernacht was er met een buitengewone praal een hoogmis gecelebreerd in de pracht der lichten, der gezangen, der met goud bestikte gewaden en der brandende wierookvaten; van al dezen heerlijken lichtglans was op elk der vijftien altaren niets overgebleven dan de reglementaire, voor het begin van de mis noodige kaarsen. Van af middernacht begonnen de missen, om eerst tegen den middag op te houden. Alleen in de Rozenkranskerk werden er in die twaalf uur een kleine vierhonderd gelezen. Voor geheel Lourdes, dat ongeveer vijftig altaren had, steeg dat aantal gelezen missen tot meer dan tweeduizend per dag. En de toevloed van priesters was zóó groot, dat sommigen slechts met moeite hun plicht vervullen konden en uren lang wachten moesten voor zij een altaar vrij vonden. Pierre was verbaasd, toen hij zag, hoe in dezen nacht de altaren in de halve duisternis als het ware belegerd werden en rijen priesters geduldig hun beurt afwachtten, terwijl de celebreerende geestelijken de Latijnsche zinnen met groote teekenen des kruises afroffelden. De meesten waren zoo uitgeput van moeheid, dat zij op den grond gingen zitten en sommigen, door de inspanning overwonnen, bij elkaar op de treden van het altaar in slaap gevallen waren in de verwachting, dat de koster hen wel zou wekken.
Een oogenblik liep hij besluiteloos rond. Zou hij wachten, zooals de anderen? Maar wat hij zag hield hem terug. Voor alle altaren, bij alle missen, verdrong zich een menigte pelgrims, die haastig met een soort vraatzuchtigen geloofsijver het avondmaal vierden. De hostievazen vulden en ledigden zich onafgebroken, de handen der priesters werden moe van het uitreiken van het brood des levens. Opnieuw werd Pierre met verbazing geslagen, nog nooit had hij een plek op deze aarde zoo met goddelijk bloed besprenkeld gezien, nooit een plek, vanwaar het geloof in zulk een vlucht der zielen omhoog steeg. Het was als een terugkeer naar de heroïsche tijden der Kerk, toen de volkeren onder denzelfden ademtocht van lichtgeloovigheid en in den angst van hun onwetendheid, die zich voor hun geluk geheel aan den Almachtigen God overgaf, neerknielden. Hij had zich acht of negen eeuwen terug kunnen wanen, in de tijden van groote, algemeene vroomheid, toen men het einde der wereld nabij dacht.
Al de eenvoudigen van geest, de geheele schare, die de hoogmis had bijgewoond, was op de banken blijven zitten, voelde zich in Gods huis even behagelijk als in hun eigen. Velen hunner hadden geen onderkomen. Was de kerk niet hun huis, het toevluchtsoord, waar nacht en dag de vertroosting op hen wachtte? Zij, die niet wisten, waar zij moesten slapen, die zelfs in den “Abri” geen plaats hadden kunnen vinden, gingen de Rozenkranskerk binnen en legden zich op een bank neer of strekten zich op den vloer uit. Anderen, die wel een bed hadden, bleven uit vreugde, om een geheelen nacht te kunnen doorbrengen in dit Godshuis vol mooie droomen.
Tot het aanbreken van den dag bleef die opeenhooping, dat pêle-mêle aanhouden: alle rijen banken waren bezet, in alle hoeken lagen achter de pilaren slapenden; mannen, vrouwen en kinderen zaten met hun rug tegen elkaar, terwijl hun hoofd op den schouder van hun buurman viel en hun adem zich in onschuldige rust vermengde; men scheen een plotseling door slaap overweldigde en ter aarde geworpen heilige schare, een toevallig in een nachtverblijf voor dakloozen veranderde kerk te zien, waarvan de deur wijd openstond voor den mooien Augustusnacht en die alle in duisternis wandelenden, de goeden en de slechten, de moeden en de verlorenen binnenkomen liet. Van alle kanten, op ieder altaar, rinkelden zonder ophouden de belletjes ten teeken dat de hostie opgeheven werd; ieder oogenblik stonden uit de menigte slapende groepen geloovigen op, die het avondmaal vieren gingen en zich dan weer voegden bij de kudde zonder naam en zonder herder, die in het halfdonker als in een schaamte-bedekkenden sluier verborgen lag.
Besluiteloos en onrustig bleef Pierre tusschen die groepen doordwalen, toen een oude priester, die op de trappen van een altaar zat, hem wenkte. Twee uur lang zat hij daar reeds te wachten en nu zijn beurt eindelijk kwam, voelde hij zich door zoo’n zwakheid aangegrepen, dat hij uit vrees zijn mis niet te kunnen beëindigen, liever zijn plaats aan een ander afstond. Blijkbaar had de aanblik van den gekwelden, in de donkerte verloren Pierre hem ontroerd. Hij wees hem de sacristie, wachtte nog tot hij terug was met het misgewaad en de kelk, en viel dan op een der nabij staande banken in een diepen slaap. Pierre las toen zijn mis, zooals hij die te Parijs las, als een eerlijk man, die zijn beroepsplicht vervult. Hij bewaarde den uiterlijken schijn van een oprecht geloof. Maar niets ontroerde hem, niets van wat hij meende te kunnen verwachten van de twee dagen, die hij in koortsachtige opwinding doorgebracht had, niets van de vreemde en verbijsterende omgeving, waarin hij sedert den vorigen dag leefde, deed zijn hart smelten. Hij hoopte, dat op het oogenblik der communie, waarin het goddelijke mysterie zich voltrekt, een heftige gemoedsbeweging hem neer zou werpen, dat hij voor den geopenden hemel in het aangezicht voor God, in de genade zou worden ondergedompeld.
Maar niets van dat alles gebeurde, zijn ijskoud hart klopte niet eens luider, hij zeide tot het einde toe de gewone woorden, maakte met de machinale beroepsmatige onberispelijkheid de voorgeschreven bewegingen. Ondanks zijn oprecht pogen kwam hardnekkig steeds weer de gedachte terug, dat de sacristie voor een zoo groot aantal missen toch eigenlijk te klein was. Hoe zouden de kerkbewaarders de gewijde gewaden kunnen leveren? Die gedachte hield zijn geest met dwaze halsstarrigheid vast.
Tot zijn verbazing merkte Pierre eensklaps, dat hij weer buiten was. Opnieuw liep hij in den nacht, een nacht, die hem nog zwarter, nog stiller, nog onmetelijker scheen. De stad was dood; geen enkel lichtje schitterde. Hoorbaar alleen nog was het murmelen van den Gave, dat zijn aan het geluid gewend geraakte ooren echter niet meer hoorden. Daar vlamde plotseling de Grot voor hem op en verlichtte de duisternis met zijn eeuwigen, als liefde onuitbluschbaren gloed. Onbewust was hij erheen gegaan, ongetwijfeld erheen gebracht door de gedachte aan Marie. Het liep tegen drieën, de banken waren zoo goed als leeg, nog slechts een twintigtal menschen waren er, donkere gestalten, onduidelijke groepen van knielenden en in slaap gevallen extatici, die in een goddelijke verdooving geraakt waren. Men kreeg den indruk alsof de nacht, naarmate hij ouder werd, de schaduwen verdicht en de Grot in een droomverte gebracht had. Men was verzwolgen in een heerlijke moeheid, ook het onmetelijke landschap sliep, terwijl de stem der onzichtbare wateren was als de ademhaling zelf van dien slaap, waarin de Heilige Maagd, geheel wit en in een stralenkrans van kaarsen glimlachte. En tusschen die enkele bewustelooze vrouwen lag madame Maze nog steeds met gevouwen handen en gebogen hoofd op haar knieën, zóó klein, dat zij één geworden scheen te zijn met haar vurig gebed.
Dadelijk was Pierre naar Marie gegaan: Hij huiverde en vermoedde, dat zij het bij het naderen van den ochtend koud krijgen zou.
“Marie, sla je doek toch wat meer om! Wil je dan nog meer lijden?”
Hij trok den omslagdoek, die afgegleden was, wat hooger en trachtte dien onder haar kin vast te maken.
“Je hebt het koud, Marie. Je handen zijn als ijs.”
Zij antwoordde niet, zat nog in dezelfde houding als twee uur geleden, toen hij wegging. Met haar ellebogen op de randen van het wagentje leunend, richtte zij zich op, haar verheerlijkt en van hemelsche vreugde stralend gelaat in eenzelfden geestdrift naar de Heilige Maagd toegewend. Haar lippen bewogen, zonder dat er een klank uitkwam. Misschien zette zij een mysterievol gesprek voort in het land der verrukking, in den wakenden droom, dien zij, sedert zij zich daar bevond, had. Hij sprak nog herhaalde malen tegen haar, maar zij antwoordde hem nog steeds niet. Eindelijk prevelde zij uit zichzelf met een stem, die als uit een verre verte klonk:
“O, Pierre, wat ben ik gelukkig! Ik heb haar gezien en haar voor jou gebeden, en zij heeft mij toegelachen en me met een zacht hoofdknikje te kennen gegeven, dat zij mij hoorde en verhoorde … Zij heeft niet tegen mij gesproken, Pierre, maar ik heb begrepen, wat zij mij zeide. Vanmiddag om vier uur, wanneer het Heilige Sacrament voorbij komt, zal ik genezen worden.”
Geschokt hoorde hij haar aan. Had zij met open oogen geslapen? Had zij in haar droom de marmeren Heilige Maagd niet zien knikken en glimlachen? Een rilling doorhuiverde hem bij de gedachte, dat dit reine kind voor hem gebeden had. Hij liep tot aan het hek, viel op zijn knieën en stamelde: “Marie, Marie!” zonder te weten of die hartekreet uitging naar de Heilige Maagd of naar de aangebeden vriendin van zijn jeugd. Dan bleef hij vernietigd liggen in afwachting der genade.
Eindelooze minuten verliepen. Ditmaal was het de bovenmenschelijke poging; het wachten op het wonder, dat hij voor zichzelf was komen zoeken, de plotselinge openbaring, de bliksemstraal, die zijn twijfel vernietigen, hem het geloof der armen van geest teruggeven, hem weer jong maken zou. Hij gaf zich over met zijn geheele ziel, hij zou gewild hebben, dat een onbeperkte kracht zijn wezen vernietigde en herschiep. Maar evenals daareven gedurende zijn mis, hoorde hij in zich niets dan een onbegrensd zwijgen, voelde hij niets dan een bodemlooze leegte. Niets greep in, zijn vertwijfelend hart scheen op te houden met kloppen. En hoe hij ook trachtte te bidden en zijn gedachten tot het uiterste te concentreeren op die machtige, voor de armen zoo goede H. Maagd, zijn geest werd heroverd door de buitenwereld, door nietswaardige bijzonderheden. Aan den anderen kant van het hek in de Grot had hij baron Suire weer gezien, de handen gevouwen op zijn buik, zijn gelukkigen slaap verder slapend. Ook andere dingen trokken zijn aandacht: de bloemruikers aan de voeten der Maagd, de als in een hemelbrievenbus daar neergeworpen brieven, de ragfijne kant van was, die om de vlam der dikke kaarsen bleef staan en deze omgaf als met een rijken goudsmidsarbeid van uitgeslagen zilver. Dan droomde hij, zonder eenig duidelijk verband, weer over zijn kindsheid, kwam de gestalte van zijn broer Guillaume hem zeer duidelijk voor den geest. Sedert den dood van hun moeder had hij hem niet teruggezien. Hij wist alleen, dat hij een zeer afgezonderd leven leidde, zich in het kleine huisje, waarin hij met een huishoudster en twee honden woonde, geheel aan zijn studie wijdend; en hij zou niets meer van hem geweten hebben, als hij niet onlangs in verband met een revolutionairen aanslag zijn naam in de couranten gelezen had. Men zeide, dat hij zich in het bijzonder interesseerde voor ontplofbare stoffen en dat hij omging met de leiders van de meest vooruitstrevende partijen.
Waarom dacht hij nu aan hem in dit oord van extase, te midden van het mystieke licht der kaarsen, en nog wel zooals hij hem vroeger gekend had als goed broeder, die zich liefdevol verzette tegen alle lijden? Vol smartelijk verdriet over die verloren broederliefde, kon hij een oogenblik dat beeld niet van zich afzetten. Dan kwam hij, wederom zonder eenigen overgang, opnieuw tot zichzelf terug: hij begreep, dat hij daar uren lang zou kunnen blijven liggen zonder dat het geloof terugkwam. Toch voelde hij een laatste hoop in zich levend worden, de gedachte, dat hij ongetwijfeld zou gelooven, wanneer de Heilige Maagd het groote wonder deed om Marie te genezen. Het was als een laatste uitstel, dat hij zichzelf gaf, een afspraak, die hij maakte met het geloof dienzelfden dag om vier uur, wanneer het Heilige Sacrament zou voorbijgedragen worden, zooals zij gezegd had. Onmiddellijk hield zijn angst op; door uitputting gebroken en door een onoverwinlijke slaperigheid overmeesterd, bleef hij echter op zijn knieën liggen.
De uren verliepen, de Grot bleef nog steeds haar glans van een chapelle ardente in de duisternis uitstralen, waarvan de weerkaatsing zelfs de gevels der kloosters op de naburige heuvels nog wit kleurde. Maar Pierre zag haar langzamerhand verbleeken; verwonderd en met een koude rilling werd hij wakker: de dag brak aan in een met groote, loodkleurige wolken bedekten hemel. Hij begreep dadelijk, dat een van die in de berglanden zoo plotseling optredende onweersbuien uit het Zuiden opkwam. Reeds rommelde verre donder, terwijl windvlagen de wegen veegden. Misschien had hij ook geslapen, want hij zag baron Suire niet meer, dien hij zich niet herinneren kon weg te hebben zien gaan. Er waren nog hoogstens tien personen voor de Grot, onder wie hij madame Maze met het hoofd tusschen haar handen nog herkende. Maar toen zij merkte, dat het dag was en men haar zag, stond zij op en verdween langs het smalle voetpad, dat naar het klooster der Blauwe Zusters leidde.
Ongerust, ging Pierre tegen Marie zeggen, dat zij niet langer moest blijven, als zij niet de kans wilde loopen doornat te worden.
“Ik zal je naar het Hôpital terugbrengen.”
Zij weigerde en smeekte:
“Neen, neen, ik wacht op de mis, ik heb beloofd hier het avondmaal te vieren … Maak je niet bezorgd over mij en ga naar je hotel om te slapen. Je weet heel goed, dat gesloten wagens de zieken komen halen, als het regent.”
Zij bleef halsstarrig volhouden, terwijl hij verzekerde, dat hij niet naar bed wilde gaan. Inderdaad werd ’s ochtends heel vroeg een mis gelezen in de Grot en het was voor de pelgrims een groote vreugde daar na een langen nacht van zalige verrukking in de glorie van de opgaande zon het avondmaal te kunnen vieren. Juist toen er dikke droppels begonnen te vallen, kwam een priester in kazuifel, vergezeld door twee misdienaars, waarvan een, om de miskelk te beschermen, een witzijden, met goud geborduurde parapluie boven den geestelijke hield.
Pierre, die het wagentje tegen het hek gereden had, om Marie onder het afdak van de rots, waarheen ook de weinige andere aanwezigen gevlucht waren, tegen den regen te beschermen, had juist gezien hoe het jonge meisje de hostie met een gloeiende geestdrift ontving, toen zijn aandacht getrokken werd door een jammervol schouwspel, dat zijn hart verscheurde.
In den zondvloedachtigen regen, die nu in dichte en dikke droppels neerkletterde, had hij madame Vincent gezien, die op haar uitgestrekte armen de kleine Rose, wier dierbare, smartelijke last zij nog steeds droeg, aan de Heilige Maagd voorhield. Toen zij niet in den Abri, waar over het voortdurende huilen en kreunen van het kindje geklaagd was, had kunnen blijven, had zij meer dan twee uur lang wanhopig en half waanzinnig met dit jammervolle vleesch van haar vleesch, dat zij, zonder het wezenlijk verlichting te kunnen schenken, tegen haar borst drukte, in de donkerte rondgezworven. Zij wist niet welken weg zij gevolgd, onder welke boomen zij gedwaald had; haar geheele wezen was in opstand tegen het onrechtvaardige lijden, dat een zoo zwak, zoo rein wezentje, dat nog niet gezondigd kon hebben, zoo hardvochtig trof. Was het geen schande, dat die tangen der ziekte nu al weken lang zonder ophouden dat arme wichtje, wier lijden zij niet kon verzachten, knepen en martelden. Zij droeg het, zij wiegde het onophoudelijk heen en weer, liep er als een razende mee over de wegen in de halsstarrige hoop, dat zij het eindelijk in slaap krijgen, eindelijk dat gekreun, dat haar hart als in stukken reet, zou doen bedaren. En plotseling was zij nu, uitgeput en zelf in doodsstrijd over den doodsstrijd van haar kindje, terechtgekomen voor de Grot aan de voeten der Heilige Maagd, die wonderen wrocht en vergaf en genas.
“O, Heilige Maagd, wonderbare Moeder, genees haar!… O, Heilige Maagd, Moeder der goddelijke genade, genees haar!”
Zij was op haar knieën gevallen, strekte nog altijd haar stervend kind uit op haar bevende armen in een extatische hoop, die haar geheel doortrilde. De regen, dien zij niet op haar hielen voelde, kletterde achter haar neer als een overstroomende bergrivier, terwijl hevige donderslagen de bergen dreunen deden. Een oogenblik dacht zij, dat zij verhoord was: Rose had een lichten schok gehad, alsof zij door den aartsengel bezocht was. Haar oogjes en haar mondje stonden open, haar gezichtje was doodsbleek; zij had nog even zwakjes adem gehaald; zij huilde niet meer.
“O, Heilige Maagd, Moeder van den Verlosser, genees haar!… O Maagd, almachtige Moeder, genees haar …”
Maar zij voelde, dat haar kindje op haar uitgestrekte armen nog lichter geworden was. En nu schrok zij, maakte zij zich angstig het niet meer te kunnen hooren kreunen, het zoo bleek te zien met haar open oogjes en haar open mondje, zonder adem te halen. Waarom glimlachte het niet, als het genezen was? Plotseling een luide, hartverscheurende gil, de gil van de moeder, die den donder in het steeds zwaarder wordende onweer overschreeuwde. Haar kindje was dood. Zij ging rechtop staan en keerde haar rug naar die doove Maagd, die de kinderen sterven liet. Dan vloog zij weer weg in den neerkletterenden slagregen, niet wetend waarheen, nog steeds het arme kleine lichaampje, dat zij al zooveel dagen en zooveel nachten gedragen had, op haar armen wiegende. De bliksem sloeg in en spleet als met een reusachtigen bijlslag een der vlak bij staande boomen met een luid gekraak van versplinterde en gebroken takken.
Pierre was madame Vincent nagevlogen om haar te steunen en te troosten. Maar hij kon haar niet volgen, verloor haar dadelijk achter het donkere regengordijn uit het gezicht. Toen hij terugkwam, was de mis bijna geëindigd; de regen viel minder dicht; ten slotte kon de geestelijke onder de witzijden, met goud geborduurde parapluie vertrekken, terwijl een soort omnibus op de enkele zieken stond te wachten, om ze naar het Hôpital terug te brengen.
Marie drukte de twee handen van Pierre.
“O, wat ben ik gelukkig!… Kom me niet halen voor drie uur vanmiddag.”
Alleen gebleven in den regen, die, fijner nu, vallen bleef, ging Pierre de Grot binnen en op de bank dicht bij de bron zitten. Hij wilde niet naar bed gaan, want in de zenuwoverspanning, waarin hij sedert den vorigen dag verkeerde, was hij ondanks zijn groote moeheid bang voor den slaap. De dood der kleine Rose had hem in een nog koortsachtiger toestand gebracht; hij kon de gedachte van die gemartelde moeder, die met het lijk van haar kindje over de modderige wegen rondzwierf, niet van zich afzetten. Welke waren toch de redenen, die de Heilige Maagd tot een besluit brachten? Het bevreemdde hem, waarom zij een keus kon doen, hij zou willen weten hoe haar hart als Godsmoeder er toe besluiten kon slechts tien zieken op de honderd te genezen, die tien procent wonderen, waarvan dr. Bonamy de statistiek opgemaakt had. Reeds den vorigen avond had hij zich afgevraagd welke hij uitverkoren zou hebben, als hij de macht had er tien te redden. Een vreeselijke macht, een afschuwlijke keuze, waartoe hij niet den moed gehad zou hebben. Waarom deze, waarom gene niet? Waar was de rechtvaardigheid? Waar de goedheid? Rees niet uit de harten de kreet op de oneindige macht te willen zijn en hun allen te genezen? En de Heilige Maagd scheen hem wreed toe, slecht onderricht, even hardvochtig en onverschillig als de gevoellooze natuur, die het leven en den dood verdeelt op goed geluk af, volgens wetten, die de mensch niet kent.
De regen hield op. Pierre zat daar al twee uur, toen hij pas voelde, dat zijn voeten nat waren. Hij keek op en zag tot zijn groote verbazing, dat de bron door het traliewerk der luiken stroomde. Reeds stond de bodem van de Grot onder water, dat onder de banken stond en tot aan de borstwering van den Gave liep. De laatste onweersbuien hadden de bronnen in den omtrek doen zwellen. En hij bedacht, dat die bron, hoe wonderdadig zij ook zijn mocht, aan de wetten van andere bronnen onderworpen was, want zij stond ongetwijfeld in verbinding met natuurlijke reservoirs, waarin het regenwater doordrong en zich ophoopte. En hij ging weg, om niet tot zijn enkels toe nat te worden.