I.
Met haar rug tegen de kussens leunend was Marie dien ochtend in het Hôpital des Notre-Dame des Douleurs op haar bed blijven zitten. Nu zij den geheelen nacht in de Grot had doorgebracht, wilde zij er zich niet weer heen laten rijden. Toen madame de Jonquière een der kussens, dat naar beneden gegleden was, wat op kwam trekken, vroeg zij:
“Welke dag is het vandaag, madame?”
“Maandag, kindlief.”
“O ja, dat is waar ook! Je weet heusch niet meer, hoe je leeft … En bovendien voel ik me zoo gelukkig! Vandaag zal de Heilige Maagd mij genezen.”
Een hemelsch glimlachje speelde op haar gezicht als van een wakende droomster; haar oogen staarden in het verre niet; zij ging zoo geheel op in haar idée fixe, dat zij in de verte niets zag dan de zekere verwezenlijking van haar hoop. De zaal Sainte-Honorine was langzamerhand leeg geworden, alle zieken waren naar de Grot gegaan, alleen madame Vêtu was, stervend, op het bed naast haar achtergebleven. Maar zij zag haar zelfs niet, zij vond de plotselinge vredige kalmte, die om haar ontstaan was, zoo heerlijk. Men had een der ramen, die op de binnenplaats uitkwamen, open gezet; de stralende ochtendzon viel in een breeden straal naar binnen, waarvan het gouden stof precies op haar lakens danste en op haar witte handen speelde. Het was zoo heerlijk, nu die ’s nachts zoo lugubere zaal met haar opeenhooping van pijnlijk-smartelijke ziekbedden, met haar stank, met gekerm van nachtmerries, plotseling door de zon verlicht en door de ochtendlucht verfrischt werd.
“Waarom probeer je niet wat te slapen?” vroeg madame de Jonquière moederlijk bezorgd. “Je moet dood op zijn van zoo’n heelen nacht waken!”
“Maar ik ben heelemaal niet moe, ik heb geen slaap … Slapen, neen, dat zou ik nu niet graag doen, want dan zou ik niet weten, dat ik beter word.”
Madame de Jonquière moest om die woorden lachen.
“Maar waarom heb je dan niet naar de Grot willen gaan? Je zult je hier alleen in bed zoo vervelen!”
“Ik ben niet alleen madame, zij is bij me!”
En terwijl zij zich het visioen weer voor den geest riep, vouwde zij in haar extase haar handen.
“U weet toch, dat ik haar vannacht gezien heb en dat zij mij toeknikte en tegen mij geglimlacht heeft. Ik heb haar goed begrepen en heel goed haar stem gehoord, hoewel zij haar lippen niet opendeed. Om vier uur, wanneer het Heilige Sacrament voorbijgedragen wordt, zal ik genezen worden.”
Madame de Jonquière wilde haar wat kalmeeren; zij maakte zich eenigszins ongerust over dit soort somnambulisme, waarin zij haar zag. Maar de zieke herhaalde:
“Neen, heusch niet, ik voel me niet slechter, ik wacht … Maar u begrijpt, mevrouw, dat ik vanochtend niet naar de Grot behoef te gaan, nu ik met haar voor vanmiddag vier uur afgesproken heb.”
En fluisterend voegde zij haar toe:
“Om halfvier zal Pierre me komen halen, en om vier uur ben ik beter.”
Langzaam kroop de zon langs haar bloote, doorschijnende, ziekelijk magere armen, terwijl haar prachtige blonde haren, die over haar schouders afgleden, een uitvloeiïng zelf van het hemellichaam schenen, die haar geheel omgaf. Op de binnenplaats zong een vogel, waardoor de huiverige stilte der zaal wat opgevroolijkt werd. Blijkbaar speelde er ook een kind, dat men echter niet zag, want nu en dan liet zich een zacht gelach in de heerlijke stille, lauwe lucht hooren.
“Slaap dan maar niet, als je geen slaap hebt,” zeide madame de Jonquière, “maar wees nou verstandig en blijf kalm liggen, dan rust je in ieder geval goed uit.”
In het bed ernaast lag madame Vêtu te sterven. Uit vrees, dat zij onderweg den laatsten adem uit zou blazen, had men haar niet naar de Grot durven brengen. Sinds eenige oogenblikken lag zij met haar oogen dicht, en zuster Hyacinthe, die haar zoo zag liggen, wenkte madame Désagneaux. Beiden bogen zij zich nu over de stervende heen en keken met stijgende ongerustheid naar haar. Haar gelaat was nog geler geworden, het had nu een modderachtige kleur; de oogkassen waren dieper geworden, haar lippen schenen steeds meer te vermageren. Een reutelen, een zachte, verpestende, door den kanker, die haar maag opvrat, vergiftigde ademhaling. Plotseling sloeg zij haar oogleden op; zij schrok, toen zij die twee gezichten over het hare gebogen zag. Naderde de dood, dat men haar zoo aankeek? Een eindelooze droefheid, een hopeloos verlangen om te blijven leven kwam in haar oogen. Maar tot een heftig verzet kwam het niet, zij had de macht niet meer om zich te verzetten; maar hoe vreeselijk was het haar winkel, haar gewoonten, haar man te hebben verlaten, om zoo ver te moeten sterven! De verschrikkelijke marteling van zoo’n reis te verduren, overdag te bidden, ’s nachts te bidden en dan niet verhoord worden, sterven, terwijl anderen genazen!
Zij kon slechts stamelen:
“Ik heb zoo’n pijn, ik heb zoo’n pijn … Ik smeek u, doe ten minste iets, zorg, dat ik niet zoo’n pijn heb!”
De kleine madame Désagneaux met haar knap, melkblank kroeskopje was geheel van streek. Zij was het niet gewend bij doodsstrijden aanwezig te zijn, zij zou, zooals zij zich uitdrukte, de helft van haar hart willen geven, om die arme vrouw te redden. Zij richtte zich weer op en begon met zuster Hyacinthe, die ook tot tranen toe ontroerd was, maar reeds berustte nu zij wist, dat de vrouw een goeden dood zou sterven, te praten. Was er werkelijk niets meer aan te doen? Kon men niets meer probeeren, zooals de stervende gevraagd had? Twee uur geleden had abbé Judaine haar het laatste oliesel gegeven en het avondmaal toegediend. Zij had nu de hulp van den hemel, de eenige, waar zij nog op rekenen kon, nu zij sedert lang niets meer van de menschen verwachtte.
“Neen, neen, wij moeten het probeeren!” riep madame Désagneaux uit.
En zij ging madame de Jonquière, die bij Marie zat, halen.
“Hoort u niet, hoe vreeselijk die ongelukkige lijdt. Zuster Hyacinthe beweert, dat zij hoogstens nog een paar uur te leven heeft. Maar wij kunnen haar niet zoo laten kermen … Er zijn toch kalmeerende middelen. Waarom kan die jonge dokter niet eens komen?”
“Zeker, waarom niet?” antwoordde de directrice. “Dadelijk!”
In de ziekenzalen dacht men nooit aan den geneesheer. De gedachte, om hem te roepen, kwam eerst in de dames op, wanneer een der zieken in een heftigen aanval lag te gillen van pijn.
Zuster Hyacinthe zelf verwonderde er zich over, dat zij niet aan Ferrand gedacht had, hoewel zij wist, dat hij in de kamer ernaast was, en vroeg:
“Wil ik mijnheer Ferrand even halen, madame?”
“Ja, graag, en breng hem gauw hier!”
Toen de zuster weg was, liet madame de Jonquière zich door madame Désagneaux helpen, om het hoofd van de stervende wat op te richten, daar zij dacht, dat dit haar wat verlichting geven zou. Toevallig waren deze twee dames dien ochtend alleen, alle anderen waren weg om haar godsdienstige plichten te vervullen of voor particuliere aangelegenheden. Achter in de groote, ledige zaal, met haar zachten vrede, waarin de zon zoo heerlijk warm scheen, hoorde men niets dan nu en dan het zachte gelach van het kind, dat men niet zag.
“Maakt Sophie al dat leven?” vroeg de directrice, die een beetje zenuwachtig was door de catastrophe, die zij voorzag, plotseling.
Zij liep naar het einde der zaal; het was inderdaad Sophie Couteau, de wonderdadig genezene van het vorige jaar, die achter een bed op den grond zat en hoewel ze al veertien jaar was, zich amuseerde met het maken van een pop uit lappen. Zij praatte ermee, zij ging zoo in haar spel op, dat zij van harte lachte.
“Sta recht, jongejuffrouw! Dans eens een polka! Een, twee! Dans en spring en zoen wie je wilt!”
Maar madame de Jonquière kwam naar haar toe.
“Kindlief, een van onze zieken heeft vreeselijk veel pijn … Je moet niet zoo hard lachen!”
“Ik wist het heusch niet, madame.”
Zij was opgestaan en hield, ernstig nu, haar pop in haar hand.
“Zou zij sterven, madame?”
“Ik ben er bang voor, lieve kind.”
Nu gaf Sophie geen kik meer. Zij was de directrice nageloopen en zat nu op een bed ernaast met haar groote oogen in een brandende nieuwsgierigheid, zonder eenigen angst naar den doodsstrijd van madame Vêtu te kijken. Madame Désagneaux werd zenuwachtig en ongeduldig, dat de dokter niet kwam, terwijl Marie in haar extase, en in den zonneschijn liggend, in de zalige verwachting van het wonder niets van wat er om haar gebeurde, scheen te merken.
Zuster Hyacinthe had Ferrand niet in het kleine kamertje, waar hij gewoonlijk was, gevonden en zocht hem nu door het geheele gebouw. Sedert twee dagen voelde de jonge dokter zich hoe langer hoe minder op zijn gemak in dit vreemde ziekenhuis, waar men zijn hulp slechts voor stervenden inriep. Het kleine apotheekkistje, dat hij medegenomen had, bewees geen enkelen dienst; want hij behoefde er niet aan te denken iemand iets voor te schrijven, daar de zieken hier niet kwamen om zich te laten verplegen, maar om in den bliksemstraal van een wonder beter te worden. Het eenige, wat hij doen kon, was een paar opiumpillen geven, om de pijnen wat te verzachten. Tot zijn groote verbijstering had hij een wandeling van dr. Bonamy door de zalen medegemaakt. Het was werkelijk niet meer dan een wandeling: de dokter kwam uit nieuwsgierigheid en interesseerde zich niet in het minst voor de zieken, die hij niet onderzocht of ondervroeg. Hij bemoeide zich enkel en alleen met de beweerde genezingen, bleef slechts staan voor de bedden der vrouwen, die hij kende, omdat hij ze gezien had op zijn bureau, waar de wonderen geconstateerd werden. Een van haar had drie kwalen en de Heilige Maagd had zich tot nog toe slechts verwaardigd er één te genezen; maar men koesterde goede hoop voor de beide andere.
Soms antwoordde een ongelukkige, die den vorigen dag genezen was, op zijn vragen, dat haar pijnen weer teruggekomen waren, wat echter op de opgeruimdheid van den dokter niet den minsten invloed had; hij liet aan den hemel over te voleindigen wat de hemel begonnen had. Was het al niet heel mooi, als er een begin van beterschap te constateeren viel? Zijn stopwoordje was dan ook: “Er is een begin, heb nou maar geduld!” Het meest echter was hij bang voor den overlast van de directrices, die hem allen wilden laten blijven om haar buitengewone zieken te laten zien. Ieder van haar had de ijdelheid de aan haar zorg toevertrouwde zieken voor de ernstigste, exceptioneele gevallen te houden, zoodat zij van verlangen brandde die te laten constateeren, om er zich later op te kunnen beroemen. Deze trok hem aan den arm en zeide, dat zij zeker geloofde een melaatsche te hebben. Een tweede sprak weer van een jong meisje, wier lendenen met vischschubben bedekt waren. Een derde fluisterde hem verschrikkelijke bijzonderheden over een getrouwde vrouw uit de hoogste kringen in. Hij weigerde echter er ook maar één te onderzoeken, beloofde later, wanneer hij meer tijd had, terug te zullen komen. Als je naar die dames wilde luisteren, zeide hij, zou je heele dag heengaan met nuttelooze consulten. Dan bleef hij plotseling weer voor het bed van een genezene staan, wenkte Ferrand en riep uit: “Dat is nu nog eens een interessante genezing!” En Ferrand moest dan tot zijn groote verbijstering aanhooren, hoe hij de ziekte, die bij de eerste onderdompeling in den vijver totaal verdwenen was, in haar geheel reconstrueerde.
Eindelijk hoorde zuster Hyacinthe van abbé Judaine, dat de jonge dokter in de salle des ménages geroepen was. Dat was nu al de vierde maal, dat hij naar beneden was voor broeder Isidore, wiens pijnen maar niet wilden ophouden. Hij kon hem slechts volstoppen met opium. Onder al zijn marteling vroeg de broeder niets anders dan een weinig verlichting van pijn, ten einde de kracht te hebben ’s middags nog naar de Grot te kunnen gaan, wat dien ochtend onmogelijk geweest was. Maar de pijnen werden erger, en hij verloor zijn bewustzijn.
Toen de zuster binnenkwam, zag zij hem aan het bed van den missionaris zitten.
“Mijnheer Ferrand,” riep zij, “ga gauw met me naar de zaal Sainte-Honorine; we hebben een zieke, die op sterven ligt.”
Hij had tegen haar geglimlacht; nooit kon hij haar zien, zonder zich opgevroolijkt en gesterkt te voelen.
“Ik ga dadelijk mee, zuster. Nog één minuut. Ik wou dezen ongelukkige eerst even bijbrengen.”
Zij oefende geduld en was zelfs nog behulpzaam. Ook de salle des ménages lag nu geheel in de zon en baadde in de frissche lucht, die door de drie groote ramen, welke op een klein tuintje uitzagen, binnenstroomde. Dien ochtend was met broeder Isidore mijnheer Sabathier de eenige, die te bed gebleven was, om wat uit te rusten, terwijl mevrouw Sabathier van die gelegenheid gebruik maakte, om medailles en bidprentjes te gaan koopen, die zij ten geschenke wilde geven. Met zijn rug tegen de kussens zittend, rolde hij de kralen van een rozenkrans tusschen zijn vingers; hij bad echter niet, hij deed het voor een soort machinale afleiding, terwijl hij zijn oogen niet af had van zijn buurman, wiens doodsstrijd hij met smartelijke belangstelling volgde.
“Zuster,” zeide hij tegen zuster Hyacinthe, die dichterbij gekomen was, “ik bewonder dien armen broeder. Gisteren heb ik een oogenblik aan de Heilige Maagd getwijfeld, daar ik zag, dat zij al de zeven jaar, die ik hier nu kom, zich niet verwaardigt mij te hooren, maar nu doet deze martelaar, die zoo berustend zijn martelingen draagt, mij me schamen over mijn klein geloof … U kunt u niet voorstellen wat hij lijdt, en dan moet u hem zien voor de Grot met zijn oogen, waarin een verheven hoop brandt … Het is werkelijk grootsch. Ik ken slechts een schilderij van een onbekenden Italiaanschen meester in den Louvre, waarop een monnikskop door een dergelijk geloofsvuur vergoddelijkt is.”
De intellectueel, de met litteratuur en kunst gevoede voormalige leeraar kwam weer boven in dezen door het leven verpletterden man, die niet meer dan een arme had willen zijn, om den hemel te vermurwen. Hij begon nu weer over zichzelf en zeide in de taaiheid van zijn hoop, die zeven vruchtelooze reizen naar Lourdes niet hadden kunnen vernietigen:
“Enfin, ik heb vanmiddag nog, nu we eerst morgenochtend vertrekken. Het water is wel koud, maar ik zal me nog een laatste maal laten indompelen; den geheelen ochtend heb ik al gebeden en vergiffenis gevraagd voor mijn ongeloof van gisteren … Niet waar, zuster, de Heilige Maagd heeft maar één seconde noodig, wanneer zij een van haar kinderen genezen wil … Haar wil geschiede en haar naam zij geheiligd!”
Hij was weer begonnen met de Ave’s en de Pater’s, terwijl hij de kralen van zijn rozenkrans nu langzamer door zijn vingers rolde en zijn oogen zich half sloten in zijn slap gezicht, waarop weer een kinderlijke uitdrukking terugkwam, nu hij weer zooveel jaren als van de wereld afgesneden was.
Ferrand had Marthe, de zuster van broeder Isidore, een wenk gegeven bij hem te komen. Zij stond met neerhangende armen aan het voeteinde van het bed en keek zonder één traan in haar oogen, met haar berusting van bekrompen boerenkind naar den stervende, dien zij aanbad. Zij was niet meer dan een trouwe hond en had met opoffering van haar weinige spaarduitjes haar broer gevolgd, zonder dat zij iets anders doen kon dan hem zien lijden. Toen de dokter haar dan ook zeide, dat zij den zieke in haar armen nemen en hem wat oprichten moest, voelde zij zich gelukkig eindelijk ergens in te kunnen helpen. Haar opgezet, droefgeestig en met sproeten bezaaid gezicht vroolijkte wat op.
“Houd u hem vast, dan zal ik trachten hem dit in te geven!”
Zij richtte hem op en Ferrand slaagde erin een paar druppels tusschen zijn op elkaar geklemde tanden te gieten. Bijna onmiddellijk sloeg de zieke zijn oogen open en zuchtte diep. Hij was kalmer, het opium deed zijn uitwerking, stilde de pijn, die hij als een roodgloeiend ijzer in zijn rechterzijde voelde. Maar hij bleef zoo zwak, dat men, toen hij wilde praten, zijn oor vlak bij zijn mond moest brengen, om hem te kunnen verstaan.
Met een zwak handgebaar had hij Ferrand gevraagd zich over hem heen te buigen.
“U bent de dokter, nietwaar, mijnheer? Geef mij de kracht, dat ik vanmiddag naar de Grot kan gaan … Ik weet zeker, dat de Heilige Maagd mij zal genezen, als ik dat kan.”
“Maar natuurlijk gaat u,” antwoordde de jonge dokter. “Voelt u u niet veel beter?”
“Veel beter? Neen, dat niet … Ik weet heel goed, wat ik heb, want ik heb verscheidene broeders in Senegal zien sterven. Wanneer de lever aangedaan is en het abces naar buiten doorbreekt, is het afgeloopen. Dan begin je vreeselijk te zweeten, krijg je ijlkoortsen … Maar wanneer de Heilige Maagd de kwaal met haar pink aanraakt, ben je genezen. O, ik smeek u allen mij naar de Grot te laten brengen, zelfs wanneer ik niet meer bij kennis ben.”
Ook zuster Hyacinthe had zich over den zieke heen gebogen.
“Maak u maar niet bezorgd, broeder! U zult vanmiddag naar de Grot gaan en wij zullen allen voor u bidden.”
Eindelijk kon zij Ferrand medenemen. Zij was radeloos door al dit oponthoud en maakte zich ongerust over madame Vêtu. Doch ook was zij met een diep medelijden voor broeder Isidore vervuld, en terwijl zij naar boven liep, vroeg zij den dokter of er heelemaal geen hoop meer was. Deze maakte een gebaar, dat een doodvonnis beteekende. Het was dwaasheid om in zoo’n toestand naar Lourdes te komen.
Met een glimlach verontschuldigde hij zich.
“Neem me niet kwalijk, zuster. U weet, dat ik het ongeluk heb niet te gelooven.”
Maar nu lachte zij op haar beurt als een verdraagzame vriendin, die de onvolmaaktheden van hen, die ze liefheeft, vergeeft.
“O, dat beteekent niets, ik ken u en ik weet, dat u toch een eerlijk man bent … En bovendien, wij zien zooveel menschen en gaan naar zooveel heidenen, dat wij wel dagwerk zouden hebben met ons te ergeren!”
Boven vonden zij madame Vêtu nog altijd kermend en ten prooi aan ondragelijke pijnen. Bleek en geheel van streek door dat steeds maar aanhoudende kermen stonden madame de Jonquière en madame Désagneaux bij haar bed. Toen zij fluisterend aan Ferrand vroegen, wat hij ervan dacht, haalde hij slechts zijn schouders op: de vrouw was verloren, het was een quaestie van enkele uren, minuten misschien. Alles wat hij doen kon, was haar verdooven, om den zwaren doodsstrijd, dien hij voorzag, wat makkelijker te maken. Zij keek hem aan, want zij was nog bij haar bewustzijn, en volgde gewillig zijn voorschriften op. Evenals de anderen, had zij nog maar één vurigen wensch: naar de Grot te kunnen gaan.
Eindelijk stamelde zij met de stem van een kind, dat bang is niet gehoord te worden:
“Naar de Grot, nietwaar, naar de Grot …”
“Ze zullen u er straks heen brengen, ik beloof het u,” zeide zuster Hyacinthe. “Maar wees nu verstandig en tracht wat te slapen, om wat krachten te verzamelen.”
De zieke scheen in te sluimeren en madame de Jonquière vond, dat zij nu met madame Désagneaux aan het andere einde der zaal de wasch kon gaan tellen, wat haar echter alles behalve makkelijk viel, daar er eenige servetten zoek waren. Sophie was nog steeds roerloos op het bed tegenover dat van madame Vêtu blijven zitten. Zij had de pop op haar schoot gelegd en wachtte nu, tot de vrouw sterven zou, daar men haar gezegd had, dat zij zou sterven.
Zuster Hyacinthe was bij de stervende gebleven en daar zij geen tijd ongebruikt voorbij wilde laten gaan, had zij naald en draad genomen, om het lijfje van een van haar zieken, dat van ouderdom aan de mouwen begon te scheuren, te verstellen.
“U blijft zeker nog wel even hier, niet waar?” vroeg zij aan Ferrand.
Deze nam madame Vêtu nog eens goed op.
“Zeker, zij kan iedere minuut weggenomen worden. Ik ben bang voor een bloeduitstorting.”
Toen hij Marie in het bed ernaast zag, vroeg hij fluisterend:
“Hoe is het met haar? Voelt zij zich wat beter?”
“Nog niet. Het lieve kind! Wij bidden allen zoo vurig voor haar! Zoo jong, zoo bekoorlijk en dan al zoo bezocht!… Kijk eens naar haar! Wat is zij mooi! Je zoudt zeggen een heilige, zooals zij daar in de zon ligt met haar groote oogen vol extase en haar gouden haar, dat wel een aureool lijkt!”
Ferrand keek haar een oogenblik met groote belangstelling aan. Zij verbaasde hem door haar verstrooiden, afgetrokken blik, door haar totale onverschilligheid voor alles, wat er om haar heen gebeurde, haar vurig geloofsvertrouwen, haar vurige innerlijke vreugde, die haar tot zichzelf deden inkeeren.
“Zij zal genezen,” prevelde hij, alsof hij een voorspelling wilde fluisteren. “Zij zal genezen.”
Dan ging hij naar zuster Hyacinthe, die in het kozijn van het raam, dat hoog open stond in de warme lucht van de binnenplaats, was gaan zitten. De zon begon te draaien en gleed nog slechts als een smalle gouden streep over het witte kapje en de witte schort. Hij bleef voor haar staan leunen tegen de vensterleuning en keek hoe zij naaide.
“Weet u wel, zuster, dat die reis naar Lourdes, die ik als een corvee op mij genomen heb, om een vriend een dienst te bewijzen, een van de weinige gelukkige dagen van mijn leven zal worden?”
Zij begreep hem niet en vroeg naïef:
“Hoe dat?”
“Maar natuurlijk, omdat ik u teruggevonden heb, omdat ik met u hier ben en u een beetje in uw bewonderenswaardig werk helpen kan. En als u eens wist, hoe dankbaar ik u ben, hoe ik van u houd, hoe ik u vereer!”
Zij keek op, om hem in zijn gezicht te kunnen zien en begon zonder eenige verlegenheid te lachen. Zij zag er zoo bekoorlijk uit met haar leliëntint, haar klein, vroolijk mondje en haar prachtige, blauwe oogen, die altijd glimlachten. Zij was zoo teer en zoo slank, haar boezem niet ontwikkelder dan een in onschuld en toewijding opgegroeid meisje.
“Houdt u zoo van me? Maar waarom?”
“Waarom ik van u houd?… Maar omdat u het beste, het meest troostrijke, het hartelijkste schepseltje bent. U bent tot nog toe in mijn leven de diepste, de liefste herinnering, die ik mij altijd voor den geest roep, als ik behoefte heb aan opbeuring en aanmoediging … Herinnert u zich dan de maand niet meer, die wij samen hebben doorgebracht in mijn armzalig kamertje, toen ik ziek was en u mij zoo liefderijk hebt verpleegd?”
“Natuurlijk!… Ik heb zelfs nooit zoo’n lieven patiënt gehad als u. Alles wat ik u gaf, nam u in; en wanneer ik u verschoond en daarna toegestopt had, bleef u zoo rustig liggen als een kind.”
Zij bleef hem met haar ongekunsteld lachje aankijken. Hij was mooi en sterk, zijn neus een beetje te groot misschien, zijn oogen schitterend, zijn mond rood onder de donkere snor in zijn jeugd-krachtig gezicht. Maar zij scheen alleen gelukkig hem zoo tot tranen geroerd voor zich te zien.
“O, zuster, zonder u zou ik gestorven zijn. U hebt mij weer heelemaal beter gemaakt!”
En terwijl zij met ontroerde blijdschap naar elkaar keken, rees die zalige maand weer voor hun geestesoog op. Zij hoorden het reutelen van madame Vêtu niet meer, zagen niet meer de met bedden volgepropte zaal, die in haar wanorde aan een na een groote ramp geïmproviseerde ambulance denken deed. Ergens heel hoog in een donker huis vonden zij elkaar terug, in een klein dakkamertje van het oude Parijs, waarin licht en lucht slechts binnentraden door een klein raam, dat uitzag op een oceaan van daken. Maar welk een bekoring lag er in dat samen alleen daar zijn, hij op het ziekbed geworpen door koorts, zij daar neergevallen als een goede engel, die als een goede kameraad, die niets te vragen heeft, uit haar klooster gekomen was. Zij verpleegde op die wijze al naar het viel, vrouwen, kinderen of mannen, volkomen gelukkig, als zij maar druk bezig zijn en lijden verzachten kon, zonder dat ook maar éénmaal de gedachte aan haar sexe in haar opkwam. Ook hij scheen nooit eraan gedacht te hebben, dat zij een vrouw kon zijn, ook al had zij zachte handen en een liefkoozende stem. Maar toch stroomden de teederheid van een moeder, de liefde van een zuster van haar uit. Gedurende drie weken had zij hem, zooals zij het uitdrukte, als een kind verpleegd, hem in en uit bed geholpen, zonder verlegenheid of zonder weerzin hem de intiemste diensten bewezen, beiden steun vindend in de reine heiligheid van het lijden en der barmhartigheid. Alles geschiedde alsof het boven het leven stond. En welk een heerlijke kameraadschap, wat een lachen als oude vrienden, toen herstel ingetreden was! Zij waakte toen ook nog over hem, gaf hem een tikje op zijn arm, wanneer hij dien eigenzinnig niet onder de dekens wilde doen. Hij keek naar haar, wanneer zij in een kom zeepsop maakte en zijn hemd waschte, om op die manier vijf stuivers waschgeld voor hem uit te sparen. Nooit kwam iemand naar boven, zij waren alleen, duizend mijl van de wereld verwijderd maar gelukkig in die eenzaamheid, waarin hun jeugd zoo kameraadschappelijk en vroolijk ontlook.
“Herinnert u zich den ochtend nog, zuster, dat ik voor de eerste maal geloopen heb? U hebt mij uit bed geholpen en mij ondersteund, terwijl ik als een onhandige jongen struikelde en niet wist, hoe ik mijn beenen gebruiken moest … We moesten er zoo om lachen.”
“Ja zeker, u was gered, en daar was ik zoo blij om!”
“En den dag, dat u kersen voor mij medegebracht hebt … Ik zie ons nog voor mij, ik in mijn kussens en u op den rand van het bed met de kersen op een groot stuk wit papier tusschen ons in. Ik wilde er geen aanraken, als u niet mee at … Toen hebben we er ieder op de beurt een genomen, en het papier raakte leeg en de kersen waren lekker.”
“Ja, ja, heel lekker … Het was precies als met de bessensap: die wou u ook niet drinken, als ik het niet deed.”
Zij lachten luider, want die herinneringen stemden hen zoo vroolijk. Maar een pijnlijke zucht van madame Vêtu riep hen weer tot het heden terug. Hij boog zich over de zieke, die zich niet bewogen had, heen en keek weer naar haar. De zaal had nog haar groote, huiverige stilte, welke alleen door de heldere stem van madame Désagneaux, die het linnen aan het tellen was, gestoord werd.
Met een door aandoening verstikte stem begon hij weer:
“O, zuster, al word ik honderd jaar, al leer ik alle vreugden en genietingen der wereld kennen, nooit zal ik een vrouw liefhebben, als ik u lief heb!”
Toen boog zuster Hyacinthe, maar toch zonder verlegenheid, haar hoofd en begon weer te naaien. Een nauwlijks merkbaar blosje had haar leliëntint rose gekleurd.
“Ik houd van u ook veel, mijnheer Ferrand. Maar u moet mij niet zoo trotsch maken. Ik heb voor u gedaan, wat ik voor zooveel anderen doe. Dat is mijn taak. En mijn belooning daarvoor is, dat de goede God u genezen heeft!”
Weer werden zij gestoord. La Grivotte en Elise Rouquet kwamen vóór de anderen van de Grot terug. Onmiddellijk kroop la Grivotte op haar matras, die voor het bed van madame Vêtu op den grond lag, en haalde uit haar zak een stuk brood, dat zij begon te verslinden. Sedert den vorigen dag had Ferrand zich voor deze teringlijdster geïnteresseerd, die zoo’n merkwaardige periode van onrust doormaakte en door een overdreven honger en een koortsachtige behoefte om zich te bewegen aangegrepen was. Maar op dit oogenblik trof het geval van Elise Rouquet hem nog meer; hij kon er nu niet meer aan twijfelen: de lupus, die haar gezicht weggevreten had, was merkbaar minder geworden. Zij had haar wasschingen aan de wonderbron volgehouden en kwam nu juist van het geneeskundig bureau, waar dr. Bonamy getriompheerd had. Verbaasd ging Ferrand naar haar toe en onderzocht de reeds bleeker en eenigszins droger geworden wond, die nog lang niet genezen was, maar waaraan toch wel degelijk een begin van genezing te constateeren viel. Het geval scheen hem zoo bijzonder, dat hij zich voornam enkele aanteekeningen erover te maken voor een van zijn vroegere leermeesters, die bezig was den nerveuzen oorsprong van sommige huidziekten, die het gevolg zijn van voedingsstoornissen, te bestudeeren.
“Hebt u geen prikkelingen gevoeld?” vroeg hij.
“Heelemaal niet, mijnheer, ik wasch mij en bid daarbij met heel mijn ziel den rozenkrans, dat is alles!”
La Grivotte, ijdel en jaloersch, en die sedert den vorigen dag triompheerde, riep den dokter.
“Ik ben genezen, mijnheer, genezen, heelemaal genezen!”
Hij glimlachte met een vriendschappelijk gebaar, maar wilde haar niet onderzoeken.
“Ik weet het, beste meid; je mankeert niets meer!”
Doch op dit oogenblik riep zuster Hyacinthe hem terug. Zij had haar naaiwerk weggeworpen, toen zij madame Vêtu, door een vreeselijke misselijkheid overvallen, zich zag oprichten. Hoe zij zich ook haastte, zij kwam nog te laat met haar kom: de zieke had weer een zwarten, roetachtigen golf uitgebraakt, waarin zich ditmaal ook bloed bevond, violetachtige bloeddraden. Dat was de bloeduitstorting, het naderende einde, waar Ferrand bang voor was.
“Waarschuw de directrice,” zeide hij fluisterend, terwijl hij zelf een stoel bij het bed trok.
Zuster Hyacinthe ging madame de Jonquière halen. Het linnen was geteld en zij vond haar in een druk gesprek met haar dochter Raymonde, terwijl madame Désagneaux haar handen aan het wasschen was.
Raymonde was een oogenblik uit het refectorium ontsnapt, waar zij dienst deed. Zij vond het een vreeselijk werk: van die lange, smalle zaal met haar twee rijen vette tafels, haar walgelijken stank van etensrestjes en ellende, keerde haar hart in haar lichaam om. Zij was gauw naar boven gekomen, profiteerend van het halve uurtje, dat zij, voor het terugkomen der zieken, nog vrij had. Buiten adem, met een kleur en schitterende oogen vloog zij haar moeder om de hals:
“O, mama, wat een geluk!… Het is zoo ver!”
Verwonderd, haar hoofd nog vol van de leiding der zaal, begreep madame de Jonquière haar niet.
Toen fluisterde Raymonde, terwijl een blos haar wangen kleurde:
“Mijn huwlijk.”
Nu was het de beurt der moeder om blij te zijn. Een levendige voldoening straalde op haar mollig gelaat van rijpe, knappe, nog aantrekkelijke vrouw. Onmiddellijk zag zij haar kleine woning in de rue Vaneau terug, waarin zij, na den dood van haar man, haar dochter met de enkele duizenden francs, die hij haar nagelaten had, zoo krap opvoedde. Een huwlijk beteekende een nieuw leven, opende voor haar weer de salons.
“Kind, wat ben ik blij!”
Maar een plotselinge verlegenheid maakte zich van haar meester. God was haar getuige, dat zij sedert drie jaar naar Lourdes kwam uit een drang van Christelijke liefde, om de vreugde haar zieken te kunnen verzorgen. Misschien zou zij, als zij haar geweten nauwkeurig nagegaan had, in haar toewijding ook iets gevonden hebben van haar autoritaire natuur, die haar het bevelen zoo aangenaam maakte. En de hoop om voor haar dochter een man te vinden onder de jongelui van haar stand, die zooveel in de Grot dienst deden, zou pas in de laatste plaats gekomen zijn. Zij dacht er wel aan, doch alleen als aan iets, dat mogelijk was en waarover zij niet sprak.
Maar haar geluk ontrukte haar een bekentenis.
“Ach kind, het verwondert me eigenlijk niets, ik had het vanmorgen aan de Heilige Maagd gevraagd!”
Dan wilde zij een zekerheid hebben, vroeg naar bijzonderheden. Raymonde had haar nog niets verteld van de lange wandeling van den vorigen dag aan den arm van Gérard, daar zij liever alleen over die dingen wilde praten, wanneer zij de zekerheid bezat eindelijk een echtgenoot veroverd te hebben. En nu was het zoo ver, zooals zij het zoo vroolijk uitriep: ’s ochtends nog had zij in de Grot den jongen man gezien, die uitdrukkelijk zijn woord gegeven had. Ongetwijfeld zou mijnheer Berthaud, vóór zij uit Lourdes vertrokken, voor zijn neef haar hand komen vragen.
“Nu,” zeide madame de Jonquière, die haar gewetensbezwaren op zij zette, lachend, “ik hoop, dat je gelukkig zult zijn. Geef me een zoen, kind!”
Op dat oogenblik kwam zuster Hyacinthe zeggen, dat madame Vêtu op het uiterste lag. Raymonde was al weggeloopen. Madame Désagneaux, die haar handen afdroogde, maakte zich boos op die dames, die juist op den ochtend, dat je ze noodig kon hebben, allemaal verdwenen waren.
“En met die madame Volmar is het precies zoo!… Waar kan die toch gebleven zijn. Sedert wij hier zijn, heb ik ze nog geen minuut gezien.”
“Laat madame Volmar toch met rust!” antwoordde madame de Jonquière eenigszins korzelig. “Ik heb je toch gezegd, dat ze ziek is.”
Beiden haastten zij zich naar madame Vêtu. Ferrand stond erbij te wachten. Op een vraag van zuster Hyacinthe of er niets meer aan te doen was, antwoordde hij met een hoofdknikje van neen. Als opgelucht door die eerste braking, was de stervende onbeweeglijk en met gesloten oogen blijven liggen. Maar die verschrikkelijke onpasselijkheid kwam terug en weer braakte zij een zwarte, met violetachtige bloeddraden vermengde golf uit. Dan volgde er een oogenblik van rust; zij sloeg haar oogen op en zag la Grivotte, die op haar matras gulzig haar brood naar binnen slokte. En daar zij voelde, dat zij stierf, vroeg zij:
“Zij is genezen, niet waar?”
La Grivotte hoorde het en riep opgewonden:
“Ja, ja, madame, genezen, genezen, heelemaal genezen!”
Een oogenblik scheen madame Vêtu ten prooi aan een afschuwlijke droefheid, aan een opstand van geheel haar wezen, dat niet wilde sterven, waar anderen bleven leven. Maar reeds berustte zij en hoorde men haar zacht zeggen:
“De jongen moeten blijven.”
Haar oogen, die wijd open bleven staan, keken rond en schenen afscheid te nemen van al de menschen, die zij daar tot haar verbazing vond. Zij trachtte zelfs te glimlachen, toen zij den begeerig-nieuwsgierigen blik ontmoette, dien de kleine Sophie op haar gevestigd bleef houden: het lieve kind was haar vanochtend in bed nog een zoen komen geven. Elise Rouquet had, onverschillig voor iedereen en alles, haar spiegel genomen en was verdiept in de aanschouwing van haar gezicht, dat zij met de minuut mooier meende te zien worden, sedert de wond opdroogde. Maar vooral de aanblik van de in haar extase zoo bekoorlijke Marie scheen de stervende in verrukking te brengen. Zij keek haar lang aan, steeds weer werd haar blik naar haar getrokken als naar een visioen van licht en vreugde. Misschien geloofde zij reeds de heiligen van het paradijs in de glorie van het zonlicht te zien.
Plotseling begon het braken opnieuw; maar nu was het niets meer dan bloed, bedorven, wijnkleurig bloed. De golf was zoo groot, dat hij op de deken spatte en het geheele bed bevuilde. Vergeefs droegen madame de Jonquière en madame Désagneaux, beiden even bleek en op haar beenen bevend, servetten. Ferrand was, in zijn onmacht om te helpen, weer bij het raam gaan staan, waar hij daareven zoo’n heerlijk oogenblik doorleefd had, terwijl ook zuster Hyacinthe in een instinctieve beweging, die zij zich zeker niet bewust was, naar dat gelukkige raam kwam, als wilde zij zich dicht tegen hem aan drukken.
“Mijn God!” prevelde zij, “kan je er niets doen?”
“Neen, niets! Zij zal uitgaan als een lamp, die leeg raakt!”
Uitgeput nu, terwijl een bloederige draad nog uit haar mond vloeide, staarde madame Vêtu madame de Jonquière aan, terwijl haar lippen zich bewogen. De directrice boog zich over haar heen en hoorde de langzame, half gebroken woorden:
“Het is voor mijn man, mevrouw … De winkel is in de rue Mouffetard, o, heel klein, niet ver van de Gobelins … Hij is horlogemaker, hij is, om de klanten, natuurlijk niet mee kunnen gaan. Hij zal leelijk in verlegenheid raken, als hij me niet ziet terugkomen … Ja, ik poetste het zilverwerk en deed de boodschappen.”
Haar stem werd zwakker, door het reutelen kwamen de woorden er met horten en stooten uit.
“Ik zou u willen vragen hem te schrijven, omdat ik het niet gedaan heb en het nu afloopt met me … Zeg hem, dat mijn lijk te Lourdes blijft, anders zou het te duur worden … En dat hij weer trouwen moet, dat moet in den handel … De nicht, zeg hem, de nicht …”
Verder was het niet meer dan een verward gemompel. De zwakte was te groot, de ademhaling stond stil. Toch bleven in het gele, waskleurige gelaat de wijd geopende oogen nog leven. En die oogen schenen zich wanhopig en radeloos vast te hechten aan het verleden, aan alles, wat straks niet meer voor haar bestaan zou, aan den kleinen horlogewinkel in een volksbuurt, aan den eentonigen en regelmatigen gang van het huishouden naast een werkzaam man, die altijd over horloges gebogen zat, aan het groote genoegen, om ’s Zondags bij de fortificaties vliegers te zien opgaan. Dan verwijdden haar oogen zich en trachtten vergeefs iets te onderscheiden in den donkeren nacht, die opkwam.
Een laatste maal boog madame de Jonquière, die opnieuw de lippen bewegen zag, zich over haar heen. Het was nu niets meer dan een zwakke luchttrilling, een stem uit het hiernamaals, die als uit de verte met een grenzenlooze verslagenheid stamelde:
“Zij heeft mij niet genezen!”
En zacht blies madame Vêtu den laatsten adem uit.
Alsof zij erop gewacht had, sprong de kleine Sophie Couteau, bevredigd, van het bed en ging aan het andere einde der zaal weer met haar pop spelen. Noch la Grivotte, die haar brood opat, noch Elise Rouquet, die alleen oogen had voor haar spiegel, hadden iets van het geval gemerkt. Maar van den laatsten ademtocht, die langs haar streek, en door het angstig fluisteren van madame de Jonquière en madame Désagneaux, voor wie die sterfbedden iets ongewoons waren, scheen Marie te ontwaken uit haar hoopvolle verrukking, waarin het woordlooze gebed van geheel haar wezen haar gebracht had. En toen zij begreep wat er gebeurd was, werd zij, die zeker was van haar genezing, aangegrepen door een zusterlijk medelijden met haar lijdensgenooten, dat haar de tranen in de oogen bracht.
“De arme vrouw, zoo ver van huis en zoo alleen in het uur der wedergeboorte te moeten sterven.”
Ferrand, die ondanks zijn beroepsonverschilligheid toch diep geroerd was, kwam naderbij, om den dood te constateeren; op een teeken van hem sloeg zuster Hyacinthe het laken over het gezicht der doode, want er viel niet aan te denken het lijk thans weg te dragen. De zieken kwamen in groepjes van de Grot terug, de zooeven in het zonlicht nog zoo vredige zaal vulde zich weer met haar gewoon tumult van ellende en lijden, met zwaar gehoest, sleepende beenen, den muffen geur, de jammerlijke uitstalling van alle menschelijke ziekten.