WeRead Powered by ReaderPub
De drie steden: Lourdes cover

De drie steden: Lourdes

Chapter 23: III.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a community of pilgrims and invalids traveling to a famous shrine, centering on a sick woman named Marie who hopes for healing. Through close observation of communal prayers, miraculous claims, and medical examinations, the work examines tensions between religious faith and scientific skepticism, and considers suggestion, hysteria, and the social rituals that surround reported cures. Episodes alternate between intimate bedside scenes, public devotions, and clinical inquiry, presenting a nuanced, often ambivalent account of belief, bodily suffering, and the human need for hope.

III.

Abbé Judaine zou in de processie van vier uur het Heilige Sacrament dragen. Sedert de Heilige Maagd hem van een oogziekte genezen had, een wonder, waarover de Katholieke bladen nog steeds vol stonden, was hij een glorie van Lourdes; men plaatste hem daar op den voorgrond en eerde hem door allerlei voorkomendheden.

Om half vier stond hij op en wilde de Grot verlaten. Maar hij was bang voor den buitengewonen toevloed der menigte; hij vreesde te laat te zullen komen, als hij er zich niet uit bevrijden kon. Gelukkig echter kreeg hij hulp.

“Mijnheer de pastoor,” zeide Berthaud tegen hem, “als ik u was, zou ik niet probeeren over de place du Rosaire te gaan, want daar komt u niet door. Het beste zal zijn de slingerpaadjes te nemen … Volg mij maar!”

Met zijn ellebogen baande hij door de dichte menigte een weg voor den priester, die zich in dankbetuigingen uitputte.

“Te vriendelijk van u … Het is mijn schuld. Ik heb me verlaat … Maar lieve hemel, hoe moeten wij hier straks met de processie door komen?”

Die processie bleef ook Berthaud zorg baren. Op gewone dagen verwekte zij bij het voorbijtrekken reeds een razenden aanval van geestdrift, die hem dwong bijzondere maatregelen te nemen. Wat zou er nu niet kunnen gebeuren door die samengepakte menigte van dertig duizend personen, die reeds zoo opgezweept waren, dat zij in goddelijke razernij vervallen schenen te zijn. Heel verstandig maakte hij dan ook van de gelegenheid gebruik, om den priester de uiterste voorzichtigheid aan te raden.

“Och, mijnheer de pastoor, zeg, wat ik u verzoeken mag, aan de heeren geestelijken geen onderlinge tusschenruimte te bewaren, maar vlak achter elkaar te loopen … En laten zij vooral de banieren goed vasthouden, opdat zij niet omslaan … En wat u zelf betreft, mijnheer de pastoor, let er op, dat de mannen, die het baldakijn dragen, flinke krachtige kerels zijn, en zie er niet tegen op den monstrans met beide handen en stevig vast te houden.”

Een beetje verschrikt door die raadgevingen, bedankte de priester Berthaud nog steeds.

“Zeker, zeker, heel vriendelijk van u … Wat ben ik u dankbaar, dat u mij uit al die menschen geholpen hebt.”

Eindelijk zich vrij kunnende bewegen, haastte hij zich langs het zigzagpaadje, dat zich over de helling slingert, naar de Basilica, terwijl Berthaud zich weer in de menigte dompelde, om zijn surveillance voort te zetten.

Op hetzelfde oogenblik stootte Pierre, die Marie in haar wagentje reed, aan den anderen kant, op de place du Rosaire tegen den ondoordringbaren muur der menigte. Om drie uur had het kamermeisje hem gewekt, om Marie in het Hôpital te halen. Zij hadden geen haast, zij hadden tijd in overvloed om vóór de processie in de Grot te komen. Maar deze ontzaglijke menigte, die weerstand biedende muur, waar hij niet door wist te komen, maakte hem ten slotte ongerust. Nooit zou hij er met het wagentje doorkomen, als de menschen niet wat medewerkten.

“Als het u blieft, dames … U ziet toch, dat het voor een zieke is!”

Maar de dames bewogen zich niet; zij waren als gehypnotiseerd door den aanblik van de in de verte gloeiende Grot en gingen op haar teenen staan, om toch maar niets van het schouwspel te verliezen. Trouwens het geschreeuw der litanie was op dat oogenblik zóó sterk, dat men zelfs de vraag van den jongen priester niet hoorde.

“Mijnheer, wees zoo goed en laat mij even voorbij … Een klein beetje plaats voor een zieke, als ik u verzoeken mag!”

Maar de mannen, buiten zichzelf van geestdrift en in een blinde en doove verrukking, bewogen zich evenmin als de vrouwen.

Marie glimlachte kalm en rustig, alsof zij niets van den hinderpaal merkte en zeker was, dat niets ter wereld haar beletten zou haar genezing tegemoet te gaan. Toch werd, toen Pierre een gaatje gevonden en zich in den bewegelijken stroom begeven had, de situatie moeilijker. Van alle kanten sloeg de deining tegen het ranke wagentje en dreigde het te overstroomen. Bij iederen pas moest hij stil blijven staan, wachten, opnieuw de menschen smeeken. Nog nooit had Pierre zoo’n gevoel van angst voor de menigte gehad. Zij had niets dreigends over zich, was zoo rustig en passief als een kudde schapen, maar een vreemde ademtocht, een verontrustende huivering, die er uit opsteeg, maakte hem bang. En ondanks zijn liefde voor de armen kreeg hij een gevoel van walging door de leelijke, gemeene, zweetende gezichten, den bedorven adem, de oude, naar ellende stinkende kleeren.

“Als het u blieft, dames en heeren, een klein beetje plaats voor een zieke!”

Het verdronken, in deze groote zee heen en weer geslingerde wagentje kwam slechts met schokjes vooruit en had minuten noodig om enkele meters terrein te winnen. Een oogenblik dacht men dat het verzwolgen was, kwam het niet meer boven. Doch dan dook het ter hoogte van den vijver weer op. Ten slotte was er een liefderijke sympathie ontstaan voor dit zieke, door het lijden uitgeteerde, nog zoo mooie jonge meisje. Wanneer de menschen aan het halsstarrige dringen van den priester toe hadden moeten geven, keerden zij zich om, maar durfden niet boos worden; integendeel zij werden door dat magere smarten-gezichtje, dat in het aureool van haar blonde haren straalde, verteederd. Woorden van medelijden en bewondering gingen van mond tot mond. Het arme kind! Was het niet verschrikkelijk om op dien leeftijd al zóó hulpbehoevend te moeten zijn? Mocht de Heilige Maagd haar genadig zijn! Anderen weer werden getroffen door de extase, waarin zij haar zagen, door haar mooie groote oogen, die in het hiernamaals der hoop schenen te staren. Zij zag den hemel, zij zou zeker genezen worden. Het was als het ware een kielwater van verbaasdheid en broederlijke liefde, dat het kleine wagentje achterliet in de golf, die het met zooveel moeite doorkliefde.

Pierre was wanhopig: hij voelde zijn krachten verminderen, toen gelukkig brancarddragers hem te hulp kwamen, die trachtten een weg vrij te maken voor de processie, dien Berthaud hun bevolen had te beschermen met touwen, welke zij op afstanden van twee meter vasthielden. Van af dat oogenblik kon hij Marie ongehinderd voortrijden en haar eindelijk in de gereserveerde ruimte brengen, waar zij links van de Grot stil hielden. Men kon er zich niet bewegen, de menschenvloed scheen van minuut tot minuut toe te nemen.

Na het vertrek uit het Hôpital had Marie nog niet gesproken. Hij begreep, dat zij hem wat zeggen wilde, en hij boog zich over haar heen.

“Is vader er?” vroeg zij. “Is hij nog niet van zijn uitstapje terug?”

Hij moest wel antwoorden, dat mijnheer de Guersaint nog niet terug was, dat hij zich, ongetwijfeld buiten zijn wil, verlaat had. Toen voegde zij er met een glimlachje aan toe:

“Die goede vader zal blij zijn, als hij mij genezen terugziet!”

Met een ontroerde bewondering keek Pierre haar aan. Hij kon zich niet meer herinneren haar, ondanks de langzame verwoesting der ziekte, ooit zoo bekoorlijk gezien te hebben. Haar haren, het eenige, dat gespaard gebleven was, hulden haar als in een gouden kleed. Het kleiner en fijner geworden gezichtje had een droomende uitdrukking aangenomen, haar trekken waren onbeweeglijk, alsof zij in een idée fixe ingeslapen was en wachtte tot de schok van het verwachte geluk haar zou wekken. Haar geest had zich als het ware van haar los gemaakt, om in haar terug te keeren, zoodra God het wilde. En dit, ondanks haar drie-en-twintig jaren, bekoorlijke, kleine meisje, dat in den ontwikkelingstoestand gebleven was, waarin zij verkeerde, toen een ongeluk haar in haar geslachtsleven getroffen had, dat haar ontwikkeling tegengehouden, haar verhinderd had vrouw te worden, dat meisje was thans in een stadium, waarin zij het bezoek van den engel verwachtte, den wonderdadigen schok, die haar uit haar verstijving zou doen opstaan. De ’s morgens ingetreden extase was gebleven, haar handen lagen gevouwen, een verrukking van haar geheele wezen had haar, zoodra zij het beeld der Heilige Maagd gezien had, aan de aarde ontrukt. Zij bad en bracht zichzelf der Godheid ten offer.

Het was voor Pierre een uur van groote beproeving. Hij voelde, dat het drama van zijn priesterleven zich ging afspelen, dat, wanneer hij zijn geloof thans niet terugvond, het nooit terugkomen zou. En hij was zonder slechte gedachten; zonder tegenstand te bieden wenschte ook hij vurig, dat zij beiden genezen zouden worden. O, overtuigd te worden door haar genezing, samen te gelooven, samen gered te zijn! Hij wilde bidden als zij, vurig. Maar ondanks hem zelf, werd zijn geest bezig gehouden door de menigte, die eindelooze menigte, waarin het hem zooveel moeite kostte, op te gaan, te verdwijnen, niet meer te zijn dan een blad in het woud, dat in het ritselen van alle bladeren verloren gaat. Hij moest haar analyseeren, haar beoordeelen, of hij wilde of niet. Hij wist, dat zij sedert vier dagen opgezweept werd, onder den invloed van suggestie stond: de koortsachtige opwinding van de lange reis en van het zien van nieuwe landschappen, de dagen doorgebracht voor den gloed der Grot, de slapelooze nachten, de geprikkelde, naar illusie hongerende pijn. Daarbij kwam nog de obsessie van de gebeden, van de gezangen, van de litanieën, die haar zonder onderbreking schokten. Een andere priester had de plaats van pater Massias ingenomen; en hij hoorde, hoe deze, een magere, donkere abbé, met een als zweepslagen striemende stem de Heilige Maagd en Jezus aanriep, terwijl pater Massias en pater Fourcade, aan den voet van den kansel, de kreten der menigte, wier geweeklaag hooger in den fellen zonneschijn oprees, leidden. De opwinding was nog toegenomen, het was het oogenblik, waarop het den hemel aangedane geweld over de wonderen besliste.

Plotseling was een lamme opgestaan en liep, haar kruk in de hoogte houdend, naar de Grot; en die recht boven de deining der hoofden gehouden en als een vaandel gezwaaide kruk ontlokte juichkreten aan de geloovigen. Men loerde op de wonderen, men verwachtte ze met de zekerheid, dat zij ontelbaar, opzienbarend komen zouden. Oogen meenden ze te zien, koortsachtige ooren hoorden ze naderen. Weer een, die genezen was, en nog een, en nog een! Een doove, die weer hoorde; een stomme, die weer sprak; een teringlijdster, die weer opleefde! Wat, een teringlijdster? Ja, natuurlijk, dat kwam toch dagelijks voor! Verrassingen waren buitengesloten, zonder verbazing zou men geconstateerd hebben, dat een afgezet been weer aangroeide. Het wonder werd het natuurlijke, het gewone, banaal bijna, omdat het zoo dikwijls voorkwam. Voor die oververhitte phantasieën schenen in de logica van wat zij van de Heilige Maagd verwachtten, de ongelooflijkste verhalen eenvoudig. Men moest de verhalen, die de rondte deden, de kalme verzekeringen, de absolute zekerheid hooren, wanneer een opgewonden zieke gilde, dat zij genezen was. Nog een, en nog een! Een enkele maal hoorde men een troostelooze stem zeggen: “Die is genezen, die heeft geluk!”

Reeds op het geneeskundig bureau had Pierre zich geërgerd aan de lichtgeloovigheid van de daar aanwezige personen. Maar hier werd alles overtroffen; hij maakte zich boos over de buitensporigheden, die hij hoorde en die zoo kalm en met een glimlachje gezegd werden. Hij trachtte dan ook aan iets anders te denken en naar niets meer te luisteren. “God, geef toch, dat mijn verstand vernietigd wordt, dat ik niets meer wil begrijpen, dat ik het onwerkelijke en onmogelijke aanvaard!” Gedurende een oogenblik meende hij, dat de drang om alles, wat om hem heen gebeurde, te onderzoeken, in hem gestorven was, liet hij zich medesleepen door de smeekbede: “Heer, genees onze zieken … Heer, genees onze zieken!” Hij herhaalde haar met al de barmhartige liefde, die in hem was, hij vouwde zijn handen, keek strak naar het beeld der Heilige Maagd, tot hij er duizelig van werd en zich verbeeldde, dat zij zich bewoog. Waarom zou hij niet kind worden als de anderen, daar toch geluk alleen bestaanbaar is in onwetendheid en leugen? De besmetting zou eindelijk bij hem ook wel werken, hij zou niet meer zijn dan het zandkorreltje onder de zandkorreltjes, de nederige onder de nederigen, zonder zich te bekommeren om de krachten, welken den molensteen, die ze verplettert, in beweging brengen.

En juist in die seconde, toen hij hoopte den ouden mensch in zich gedood, zich met zijn wil en zijn rede vernietigd te hebben, begon in zijn boezem weer het heimelijke, onafgebroken, onoverwinnelijke gedachtenwerk. Hoe hij er zich ook tegen verzette, hij keerde langzamerhand tot zijn onderzoekingen terug, twijfelde, zocht. Welke was toch die ongekende kracht, die zich uit de menigte losmaakte? Een levensfluïdum, dat machtig en krachtig genoeg was, om de enkele genezingen, die toch werkelijk plaats vonden, te bewerken? Hier was een verschijnsel, dat geen physioloog nog bestudeerd had. Moest men gelooven, dat een menigte niet meer was dan één wezen, dat de macht der auto-suggestie met vertiendubbelde kracht op zich kon laten inwerken? Kon men aannemen, dat in bepaalde gevallen van de uiterste overspanning een menigte de drager van een onbeperkten wil werd, die de stof dwong te gehoorzamen? Dat zou dan tevens verklaren waarom de gevallen van plotselinge genezing zich juist voordeden bij die personen, welke zich het meest en oprechtst aan hun zielsoverspanning overgaven. Alle ademtochten vereenigden zich in één ademtocht, en de werkende kracht was een kracht van troost, van hoop en van leven.

Deze door menschelijke barmhartige liefde ingegeven gedachte ontroerde Pierre. Een oogenblik nog kon hij zichzelf weer meester worden, kon hij, zeer geroerd door dit geloof, dat hij aldus voor zijn deel medewerkte aan de genezing van Marie, om de genezing van allen bidden. Maar plotseling, zonder dat hij zelf wist door welke gedachtenassociatie, kwam de herinnering in hem op aan het consult, dat hij vóór het vertrek naar Lourdes over het geval van het jonge meisje geëischt had. Het tooneel stond wonderduidelijk voor zijn geest: hij zag weer de kamer met haar grijs, blauwgebloemd behang, hij hoorde de drie geneesheeren beraadslagen en beslissen. De twee, die certificaten gegeven hadden, concludeerden tot ruggemergsverlamming, spraken met de langzame bezadigdheid van bekende, geëerde en geziene doktoren, die een lange praktijk achter den rug hebben, terwijl hem nog in de ooren klonk de levende, warme stem van zijn achterneef Beauclair, den derden geneesheer, een jongen man met een helder, koen verstand, die door zijn collega’s koel en als een avontuurlijke geest behandeld werd. En tot zijn verbazing vond Pierre op dit kritieke oogenblik in zijn herinnering dingen terug, waarvan hij niet wist, dat zij zich daar bevonden; vond hij die terug krachtens dat vreemde verschijnsel, dat nauwelijks gehoorde, slecht begrepen, onwillekeurig opgeslagen woorden na een lange vergetelheid weer wakker worden, uitbreken en zich aan den geest opdringen. Het scheen hem toe, alsof de nadering van het wonder de omstandigheden, waaronder Beauclair hem voorspeld had, dat het zich zou voltrekken, voor den geest riep.

Vergeefs trachtte Pierre door met verdubbelde innigheid te bidden, die herinnering van zich af te zetten. De beelden kwamen weer terug, de eenmaal gehoorde woorden weerklonken opnieuw en vulden zijn ooren als met trompetgeschal. Nu zat hij, na het vertrek der twee anderen, met Beauclair in de eetkamer. En deze deed hem het verhaal der ziekte: de val van een paard op de voeten op veertienjarigen leeftijd; een daardoor veroorzaakte ontwrichting van het gekantelde, op zijde geworpen orgaan, die ongetwijfeld gepaard gegaan was met een scheuring der banden, waarvan het zware gevoel in de onderbuik en in de lendenen, de tot verlamming overgegane zwakheid der beenen het gevolg was; daarna het langzaam herstel der storingen, het orgaan, dat vanzelf weer op zijn goede plaats gekomen was, het heelen en toetrekken der banden, zonder dat de pijnlijke verschijnselen hadden kunnen ophouden bij dit groote, zenuwachtige kind, wier hersenen, die door het ongeval eveneens aangedaan waren, zich niet losmaken konden van de herinnering er aan, zoodat haar aandacht steeds op dat punt, waar zij pijn had, gelocaliseerd bleef en zij niet in staat was nieuwe voorstellingen te krijgen; op die wijze was, zelfs na de genezing, de pijn blijven aanhouden en een neuropathische toestand ingetreden met een daaraan onvermijdelijk verbonden zenuwuitputting, die ongetwijfeld verergerd werd door bijkomstige, nog niet voldoende bestudeerde voedingsstoornissen.

Aldus kon Beauclair dan ook makkelijk de tegenstrijdige en verkeerde diagnosen verklaren van de talrijke geneesheeren, die haar behandeld hadden, zonder haar nauwkeurig te onderzoeken, en dus in het duister rondtastten, waardoor sommigen aan een tumor, de meesten aan een ruggemergaandoening geloofden. Hij alleen had, na zich vergewist te hebben van het erfelijk belast zijn der zieke, vermoed, dat men hier te doen had met een eenvoudig geval van auto-suggestie, waaruit zij zich na den eersten schok en de hevige pijnen niet had kunnen losrukken. En hij gaf gronden en redenen voor zijn vermoeden: het kleiner geworden gezichtsveld, de starre oogen, de verstrooide, als afwezige gelaatsuitdrukking, vooral echter den aard van het lijden, dat het orgaan verlaten had, om zich te verplaatsen naar den linker eierstok, waar het zich openbaarde door een zware, ondraaglijke drukking, die soms in benauwende aanvallen opklom tot de keel. Alleen een plotselinge wil om zich uit de valsche voorstelling van haar kwaal los te rukken, een wil om op te staan, vrij adem te halen, geen pijn meer te hebben, kon haar, als onder den zweepslag van een groote opwinding genezen en veranderd, weer op den been brengen.

Een laatste maal nog trachtte Pierre niets meer te zien, niets meer te hooren, want hij voelde, dat dit de onherstelbare ineenstorting van het wonder in hem was. En ondanks zijn pogingen, ondanks het vuur, waarmede hij het: “Jezus, zoon van David, genees onze zieken!” uitschreeuwde, zag en hoorde hij nog steeds Beauclair, die hem op zijn kalme en glimlachende wijze uitlegde, hoe het wonder zich als in een bliksemstraal zou voltrekken in het oogenblik der uiterste opwinding, waarin op het beslissende moment de spieren zich zouden ontspannen. In de verrukking van een vreugde-delirium zou de zieke dan opstaan en loopen, zouden haar beenen plotseling licht worden, bevrijd van de drukking, die ze sedert zoo langen tijd zoo zwaar als lood maakte, alsof die zwaarte weggesmolten en in den grond weggevloeid was. Doch met name het gewicht, dat op haar buik drukte, dat hooger optrok, haar borst en haar keel beklemde, zou, als door een stormwind voortgedreven, verdwijnen en de geheele ziekte met zich meenemen. Werd op die wijze in de Middeleeuwen niet de duivel uitgedreven uit den mond der bezetenen, wier maagdelijk lichaam langen tijd de martelingen ondergaan had? En Beauclair had eraan toegevoegd, dat Marie eindelijk vrouw zou zijn, dat het bloed van het moederschap zou gaan vloeien, wanneer met een hosanna-kreet dat kind gebleven, achterlijke en door een zoo langen lijdensdroom gebroken lichaam ontwaken en plotseling met levende oogen en een stralend gelaat aan de gezondheid teruggeven worden zou.

Pierre keek Marie aan, en toen hij haar zoo jammerlijk in haar wagentje liggen zag, zoo vurig smeekend, zoo vol overgave aan Notre-Dame de Lourdes, die het leven gaf, werd zijn onrust nog grooter. O, mocht zij toch gered worden al was het voor den prijs van zijn eigen verdoemenis. Maar zij was te ziek, de wetenschap loog en bedroog al even hard als het geloof; hij kon niet gelooven, dat dit kind met haar gedurende zoovele jaren afgestorven beenen zou herleven. En in den woesten twijfel, waarin hij viel, riep zijn bloedend hart nog luider, herhaalde tot in het oneindige tezamen met de waanzinnig ijlende menigte:

“Heer, zoon van David, genees onze zieken!… Heer, zoon van David, genees onze zieken!”

Op dat oogenblik ontstond er een tumult en deed de menigte deinen. De menschen huiverden, hoofden draaiden zich om en rekten hun halzen uit. Het was de processie van vier uur, die zich wat verlaat had, en waarvan het kruis onder een boog van de monumentale trap tevoorschijn kwam. Er ontstond zoo’n gejuich, zoo’n heftig instinctief dringen, dat Berthaud met groote gebaren aan de brancarddragers beval de menschen terug te drijven door krachtig aan de touwen te trekken. Genen, die een oogenblik meegesleurd werden, moesten zich met gewonde vuisten naar achter zien te werpen; ten slotte slaagden zij erin den vrij gehouden weg nog iets breeder te maken, zoodat de processie zich langzaam kon gaan voortbewegen. Aan het hoofd ging een kranige, in blauw met zilver gekleede kerkbewaarder, op wien het hooge, als een ster stralende processiekruis volgde. Dan kwamen de delegaties van de verschillende bedevaarten met haar banieren, fluweelen of satijnen standaards, met goud en zilver en veelkleurige zijde geborduurd, met geschilderde figuren versierd; zij droegen de namen der steden: Versailles, Reims, Orléans, Poitiers, Toulouse. Een, geheel wit en rijk versierd, had in roode letters het opschrift: “Oeuvre des Cercles catholiques d’ouvriers”. Vervolgens kwamen de geestelijken, twee of driehonderd priesters in soutane, een honderd met het koorhemd, een vijftigtal in gouden als sterren schitterende misgewaden. Allen droegen brandende kaarsen, allen zongen met luider stemme Laudate Sion Salvatorem.1

In koninklijke pracht en praal volgde dan de baldakijn van purperen zijde met goudgalon; hij werd gedragen door vier priesters, die men waarschijnlijk onder de krachtigsten uitgekozen had. Daaronder droeg, tusschen twee andere assisteerende priesters, abbé Judaine het Heilige Sacrament, dat hij, zooals Berthaud hem aangeraden had, stevig met zijn beide handen vasthield; de eenigszins onrustige blikken, die hij rechts en links op de aandringende menigte wierp, bewezen duidelijk, dat hij bang was of hij dezen zwaren, goddelijken monstrans, die hem nu reeds zulke pijnen in zijn polsgewrichten veroorzaakte, wel in veilige haven zou brengen. Wanneer een zonnestraal er schuin op viel, zou men hem voor een tweede zon gehouden hebben. Koorknapen zwaaiden wierookvaten in het verblindende stof van het felle licht, dat de geheele processie tot één schittering maakte. Eindelijk kwam daarachter een ordelooze stroom van pelgrims, een rondtrappelende kudde, geloovigen en nieuwsgierigen.

Sedert enkele oogenblikken had pater Massias den kansel weer bestegen en ditmaal had hij een andere oefening uitgedacht. Na de verterende kreten van geloof, hoop en liefde, die hij uitgestooten had, beval hij plotseling volkomen stilte, opdat iedereen met gesloten lippen in het geheim twee of drie minuten met God alleen zou kunnen spreken. Die momenteele stilte te midden van de groote menigte, die minuten van stil gebed, waarin alle zieken hun geheimste binnenste openden, waren buitengewoon aangrijpend en verheven. Het plechtige ervan kreeg iets angstaanjagends, men hoorde de vlucht van het smeekende verlangen, van het onmetelijke verlangen naar het leven voorbij ruischen. Dan noodigde pater Massias de zieken alleen uit te spreken, God te smeeken hun toe te staan, wat zij van Zijn almacht vroegen. Toen ontstond een jammerlijk geweeklaag: honderden gebroken stemmen bibberden òp en vereenigden zich tot een samengejammer van tranen; “Heer Jezus, als gij het wilt, kunt gij mij genezen!… Heer Jezus, erbarm u over uw kind, dat van liefde sterft!… Heer Jezus, maak, dat ik zie; maak, dat ik hoor; maak, dat ik loop!”

De doordringende stem van een meisje overstemde, licht en scherp als een fluittoon, het algemeene snikken en herhaalde: “Red de anderen, red de anderen, Heer Jezus!”

Tranen stroomden uit aller oogen, want deze smeekbeden ontroerden de harten en brachten de hardvochtigsten in een bedwelming van liefde, in een verheven geestvervoering, waarin zij met beide handen hun borst geopend zouden hebben, om aan hun naaste hun gezondheid en hun jeugd te geven. Pater Massias wilde die geestdrift niet laten bekoelen, maar hervatte zijn kreten en zweepte er opnieuw de delireerende menigte mede aan, terwijl pater Fourcade op een der treden van den kansel ook snikte en zijn door tranen overstroomd gelaat ten hemel hief om God te bevelen neer te dalen.

Maar de processie naderde, de delegaties en de priesters hadden zich rechts en links in rijen opgesteld; en toen de baldakijn de voor de zieken tegenover de Grot gereserveerde ruimte binnenkwam en dezen het als een zon schitterende Heilige Sacrament, Jezus als Hostie, in de handen van abbé Judaine zagen, toen was er geen leiding meer mogelijk, raakten de stemmen verward, sleepte een duizeling alle wilskracht mede. De kreten, de aanroepen, de gebeden gingen in gezucht en gekerm over. Lichamen richtten zich van hun lijdenssponde op, bevende armen strekten zich uit, verschrompelde handen schenen het wonder in het voorbijgaan tegen te willen houden. “Heer Jezus, red ons, wij vergaan!… Heer Jezus, wij aanbidden u, genees ons!… Heer Jezus, gij zijt de Christus, de zoon des levenden Gods, genees ons!”

Driemaal stootten de stemmen in de uiterste opwinding en vertwijfeling deze jammerklacht uit met een geweld, dat den hemel doorboren moest; de tranen verdubbelden en overstroomden de brandende gezichten, die door de heilbegeerte verheerlijkt werden. Een oogenblik werd het delirium zoo hevig, het instinctieve opdringen naar het Heilige Sacrament zoo onweerstaanbaar, dat Berthaud den brancarddragers, die daar stonden, een ketting vormen liet. Deze beschermingsmanoeuvre werd slechts in den uitersten nood toegepast: een rij van dragers werd dan rechts en links van den baldakijn gevormd, waarbij ieder van hen stevig een arm om den nek van zijn buurman sloeg, om op die wijze een soort levenden muur te vormen. Er bleef geen spleet open, niemand kon er door. Maar desniettemin wankelden deze menschelijke barrières onder den druk van de naar het leven smachtende ongelukkigen, die Jezus wilden aanraken en kussen; zij slingerden heen en weer, werden tegen den baldakijn teruggeslagen, dien zij beschermden; en de baldakijn zelf dreef, voortdurend bedreigd door de menigte meegesleurd te worden, onder deze rond als een heilige bark, die in nood verkeert.

En toen, nu de heilige waanzin zijn toppunt bereikt had, braken, als wanneer bij een onweer de hemel zich opent en de bliksem neerslaat, onder smeekbeden en snikken de wonderen los. Een lamme stond op en wierp haar krukken weg. Een doordringende kreet en een vrouw, gewikkeld in een wit laken als in een doodshemd, rees op van haar matras; men zeide, dat het een reeds half doode teringlijdster was, die tot het leven terugkeerde. Vlak na elkaar openbaarde de genade zich nog tweemaal: een blinde, die plotseling de Grot zag; een stomme, die op haar knieën viel en met een luide en helder klinkende stem de Heilige Maagd dankte. En allen knielden, buiten zich zelf van vreugde en dankbaarheid, neer aan de voeten van de Heilige Maagd.

Pierre had Marie niet uit het oog verloren en werd door wat hij zag, machtig aangegrepen en ontroerd. De oogen der zieke, levenloos nog, waren grooter geworden, terwijl haar arm, bleek gelaat samentrok, alsof zij vreeselijk pijn geleden had. Zij sprak niet, maar ongetwijfeld geloofde zij, dat zij opnieuw door haar kwaal aangegrepen was. Plotseling toen het Heilige Sacrament voorbijging en zij de ster ervan zag flikkeren in de zon, werd zij zoo verblind, dat zij meende door den bliksem getroffen te zijn. Aan dien glans had het vuur van haar oogen zich ontvonkt; zij vonden eindelijk haar levensvlam terug en fonkelden als sterren. Haar gelaat kreeg, onder den aandrang van een nieuwe kracht, leven en kleur, straalde van jubelende vreugde en gezondheid. En hij zag, dat zij plotseling oprees en in haar wagentje staan bleef, wankelend en slechts in staat de gestamelde woorden uit te brengen.

“Pierre … Pierre!”

Vlug was hij naar haar toegesneld, om haar te steunen. Maar met een gebaar hield zij hem op een afstand; zij richtte zich hoog op, zoo ontroerend mooi in haar zwart wollen japon en haar pantoffels, die zij altijd aan had, slank en rijzig, met goud omstraald door haar prachtig-blonde haren, die met een eenvoudig kanten doekje bedekt waren. Heel haar maagdelijk lichaam bleef ten prooi aan hevige schokken, alsof een krachtige gisting het opnieuw vormde. Eerst werden haar beenen bevrijd van de ketenen, die ze geboeid hielden. Dan overviel haar, terwijl zij de bloedbron, het leven van de vrouw, de echtgenoote en de moeder in zich voelde ontspringen, een laatste beklemmende angst, want een loodzwaar gewicht steeg van haar buik naar haar keel. Doch ditmaal bleef het daar niet, gaf het haar geen benauwenis, maar sprong uit haar open mond en vloog weg in een kreet van hemelsche verrukking.

“Ik ben genezen … Ik ben genezen!”

Toen volgde een buitengewoon schouwspel. De deken lag aan haar voeten, triomphantelijk straalde haar gezicht. En haar kreet van genezing had met zoo’n verrukking weerklonken, dat de geheele menigte er sprakeloos door werd. Slechts zij bestond nog, men zag slechts haar, grooter geworden, stralend als een goddelijke verschijning.

“Ik ben genezen!… Ik ben genezen!”

Pierre begon in de heftige ontroering, waardoor zijn hart aangegrepen werd, te weenen, en opnieuw stroomden tranen uit aller oogen. Te midden van uitroepen, dankzeggingen, en lofprijzingen maakte een woest, krankzinnig enthousiasme zich allengs van de menigte meester en bracht de duizenden pelgrims, die zich verdrongen, om haar te zien, in een toestand van onbeschrijflijke opwinding. Bijvalsbetuigingen ontketenden zich, een furie van bijvalskreten, die donderend van het eene einde van het dal naar het andere rolden.

Pater Fourcade zwaaide met zijn armen, terwijl pater Massias zich eindelijk verstaanbaar kon maken.

“Geliefde broeders en zusters, God is in ons midden geweest … Magnificat anima mea Dominum…”2

En alle stemmen, de duizenden stemmen hieven het lied der aanbidding en dankzegging aan. De processie was tot stilstand gedwongen, en abbé Judaine, die met den monstrans de Grot had kunnen bereiken, wachtte geduldig alvorens hij den zegen uitsprak. Buiten het hek wachtte de door priesters in koorhemd en misgewaad omgeven baldakijn, in de stralen der ondergaande zon schitterend als goud en sneeuw.

Intusschen was Marie snikkend op haar knieën neergevallen, en den geheelen tijd, dat het gezang duurde, steeg een vurig gebed vol geloof en liefde op naar Gods troon. Maar de menigte wilde haar zien loopen, door haar gelukkige vrouwen riepen haar, een troep, die haar bijna in de hoogte lichtte, omringde haar, en drong haar mede naar het bureau van dr. Bonamy, opdat het wonder bewezen zou worden, stralen zou als het licht der zon. Haar wagentje werd vergeten; Pierre vergezelde haar, terwijl zij, die in geen zeven jaar haar beenen gebruikt had, stamelend en aarzelend, met een aanbiddelijke onhandigheid en met den angstigen en toch verrukten blik van een klein kind, dat zijn eerste stappen doet, voortliep. Het was zoo ontroerend, zoo heerlijk, dat hij aan niets meer dacht dan aan het grenzenlooze geluk haar tot een nieuwe jeugd herboren te zien. De lieve vriendin uit zijn kindsheid, zijn vriendin uit lang vervlogen dagen zou dan eindelijk tot de mooie en bekoorlijke vrouw opbloeien, die het jonge meisje vroeger beloofde te worden, toen zij in den kleinen tuin te Neuilly zoo vroolijk en mooi was onder de groote boomen, waarin het zonlicht door het loof speelde.

De menigte bleef haar stormachtig toejuichen; een groote menschengolf vergezelde haar. En toen zij het bureau, waarin Pierre alleen met haar toegelaten werd, was binnengegaan, bleven allen in koortsachtige verwachting voor de deur staan.

Dien middag waren er weinig menschen in het bureau. In het kleine vierkante vertrek, met zijn gloeiend-heete houten muren, zijn primitief meubilair, zijn rieten stoelen en zijn twee tafels van ongelijke hoogte, bevonden zich, behalve het gewone personeel, slechts vijf of zes doktoren, die zwijgend hier en daar zaten. Voor de tafels stonden de chef van den vijverdienst en twee jonge abbé’s in de registers te bladeren, terwijl pater Dargelès aanteekeningen voor zijn courant maakte. Dr. Bonamy was juist bezig den lupus van Elise Rouquet te onderzoeken, die voor de derde maal kwam laten constateeren, dat haar wond steeds meer dicht trok.

“Nu, mijne heeren,” riep dr. Bonamy uit, “hebt u ooit een lupus zoo snel zien genezen. O, zeker, ik weet heel goed, dat er een nieuw werk verschenen is over de genezende kracht van het geloof, waarin beweerd wordt, dat sommige wonden van nerveuzen aard kunnen zijn. Maar niets is meer betwistbaar dan dat, vooral bij lupusgevallen, en ik tart iedere commissie van geneeskundigen, om te verklaren, dat deze genezing langs natuurlijken weg heeft plaats gehad …”

Hij viel zichzelf in de rede, om tegen pater Dargelès te zeggen:

“U hebt toch goed opgeteekend, niet waar Pater, dat de ettering volkomen opgehouden heeft en de huid haar natuurlijke kleur terugkrijgt?”

Maar hij wachtte het antwoord niet af. Marie kwam met Pierre binnen, en aan het stralend gezicht der door een wonder genezene zag hij onmiddellijk, dat zich hier iets buitengewoons had voorgedaan. Zij was bewonderenswaardig en er als voor geschapen om de massa’s mede te sleepen en te bekeeren. Onmiddellijk zond hij Elise Rouquet weg, vroeg den naam van den begenadigde, verzocht een der jonge priesters hem het dossier te geven. Toen zij even wankelde, wilde hij haar in den fauteuil laten plaats nemen.

“Neen, neen,” riep zij. “Ik ben zoo blij, dat ik mijn beenen gebruiken kan.”

Pierre keek rond of hij dr. Chassaigne niet zag, maar vond hem tot zijn spijt niet. Hij ging wat achteraf staan en wachtte, terwijl men in de wanordelijke laden zocht, zonder het dossier te kunnen vinden.

“Wacht even,” herhaalde dr. Bonamy; “Marie de Guersaint, Marie de Guersaint … Ik weet zeker, dat ik den naam gezien heb!”

Eindelijk ontdekte Raboin het dossier, dat op een verkeerde letter lag. Toen de dokter kennis genomen had van de certificaten, die het bevatte, geraakte hij in geestdrift.

“Dat is al heel interessant, heeren. Ik verzoek u aandachtig te luisteren … Mademoiselle hier leed aan een zeer ernstige ruggemergsverlamming. Wanneer iemand den minsten twijfel mocht koesteren, dan zouden deze twee certificaten voldoende zijn om de meest ongeloovigen te overtuigen, want zij zijn geteekend door twee geneesheeren van de Parijsche Faculteit, wier namen aan al onze collega’s goed bekend zijn.”

Hij liet de certificaten rondgaan onder de aanwezige geneesheeren, die ze met goedkeurende hoofdknikjes lazen. Hier viel niets op af te dingen; de onderteekenaars waren bekende en knappe doktoren.

“Welnu, mijne heeren, wanneer de diagnose niet bestreden wordt—en die kan niet bestreden worden, wanneer een zieke ons zulke waardevolle documenten brengt—dan zullen wij nu nagaan, welke veranderingen er in den toestand van mademoiselle gekomen zijn.”

Maar alvorens haar te ondervragen, wendde hij zich tot Pierre.

“Mijnheer de abbé, als ik mij niet vergis, bent u met mademoiselle de Guersaint van Parijs gekomen. Hebt u, vóór het vertrek, het oordeel van doktoren ingewonnen?”

Ondanks zijn groote blijdschap voelde de priester een ijskoude huivering.

“Ik ben bij het consult tegenwoordig geweest.”

Weer rees het tooneel voor zijn geest op. Hij zag weer de twee ernstige en verstandige doktoren, hij zag Beauclair weer glimlachen, toen zijn collega’s hun gelijkluidende certificaten opmaakten. Moest hij deze waardeloos maken en de andere diagnose, die het mogelijk maakte de genezing wetenschappelijk te verklaren, mededeelen? Het wonder was voorspeld en daardoor bij voorbaat ten gronde gericht.

“U zult inzien, mijne heeren,” begon dr. Bonamy weer, “dat de aanwezigheid van den abbé een nieuwe bewijskracht aan deze stukken geeft … En nu wil mademoiselle zeker wel zoo goed zijn precies te zeggen, wat zij gevoeld heeft.”

Hij boog zich over den schouder van pater Dargelès en fluisterde hem in Pierre een getuigenrol in zijn verslag te geven.

“Lieve hemel, hoe moet ik u dat vertellen, heeren?” riep Marie met hijgende, door geluk gebroken stem uit. “Sedert gisteren wist ik zeker, dat ik genezen zou worden. En toch, zoo even nog, toen dat prikkelen in mijn beenen weer begon, was ik bang, dat het een nieuwe aanval zijn zou, heb ik een oogenblik getwijfeld … Toen zijn die prikkelingen opgehouden. Daarna zijn zij, zoodra ik begon te bidden, weer teruggekomen … O, ik bad, ik bad met geheel mijn ziel. Ten slotte heb ik mij overgegeven als een kind. ‘Heilige Maagd, Notre-Dame de Lourdes, doe met mij wat u wilt …’ Het prikkelen hield niet op, ik had een gevoel of mijn bloed kookte en ziedde, en een stem riep mij toe: ‘Sta op, sta op!’ En ik voelde het wonder in een gekraak van al mijn beenderen, van mijn geheele lichaam, alsof ik door den bliksem getroffen was.”

Heel bleek luisterde Pierre. Beauclair had hem wel voorspeld, dat de genezing als een bliksemstraal komen zou, wanneer, onder den invloed van de overspannen phantasie, haar zoo lang ingesluimerde wilskracht plotseling zou ontwaken.

“Eerst heeft de Heilige Maagd mijn beenen bevrijd,” ging zij voort. “Ik heb heel goed gevoeld, dat de ijzeren banden, die ze omsloten, als gebroken ketenen langs mijn huid afgleden … Toen is het gewicht, dat me altijd hier in mijn linkerzij benauwde, naar boven getrokken; ik dacht, dat ik sterven zou, zoo pijnigde het me. Maar het is langs mijn borst en mijn keel gegaan, ik kreeg het in mijn mond en heb het toen met alle kracht uitgespuwd … Het was uit, ik had geen pijn meer, alles was weggevlogen.”

Zij maakte het gebaar van een nachtvogel, die zijn vleugels uitslaat, terwijl zij glimlachend naar Pierre keek, die geheel van streek was. Dat alles had Beauclair voorspeld met bijna dezelfde woorden, bijna dezelfde vergelijkingen. Punt voor punt kwam zijn prognose uit, er waren hier slechts vooruitgeziene en natuurlijke verschijnselen.

Raboin had geluisterd met wijd geopende oogen en de verrukking van een bekrompen vrome, die nooit losgelaten wordt door de gedachte aan de hel.

“Dat is de duivel, dien zij uitgespuwd heeft,” riep hij uit.

Maar dr. Bonamy, die verstandiger was, beval hem te zwijgen en wendde zich tot de doktoren.

“Mijne heeren, u weet, dat wij het altijd vermijden hier het woord wonder uit te spreken. Maar hier staan we voor een feit, en ik ben nieuwsgierig, hoe u dit langs natuurlijken weg zult verklaren … Sedert zeven jaar was mademoiselle lijdend aan een ernstige verlamming, die blijkbaar het gevolg was van een ruggemergaandoening. En dat zal niet ontkend kunnen worden, de certificaten wijzen het onbetwistbaar uit. Zij liep niet meer, zij kon geen beweging maken, zonder de hevigste pijnen te gevoelen; zij was ten slotte in dien toestand van uiterste uitputting gekomen, welke den dood vooraf gaat … En ziet, nu loopt zij voor u, lachend en stralend van gezondheid. De verlamming is volkomen verdwenen; pijn heeft zij niet meer; zij is even gezond als u en ik … Komt mijne heeren, onderzoekt haar en zegt mij wat er gebeurd is!”

Hij triompheerde. Geen van de geneesheeren zeide iets. Twee, ongetwijfeld geloovige Katholieken, hadden goedkeurend met hun hoofd geknikt. De anderen bleven onbeweeglijk en eenigszins verlegen zitten, zij schenen weinig lust te hebben zich met deze geschiedenis in te laten. Toch stond er eindelijk een op, een klein mager mannetje, wiens oogen achter zijn brilleglazen schitterden, om Marie van dichterbij te zien. Hij nam haar hand, keek naar haar pupillen, scheen alleen belang te stellen in de uitdrukking van verheerlijking, die over haar uitgestort scheen te zijn. Dan ging hij, zonder zelfs te willen discussieeren, weer zitten.

“Het geval is door de wetenschap niet te verklaren, dat is alles wat ik constateer,” begon dr. Bonamy weer. “Ik vestig er nog de aandacht op, dat wij hier niet te doen hebben met een langzaam voortschrijdend herstel, maar dat de volkomen genezing plotseling en ten volle is ingetreden … Ziet mademoiselle slechts aan. Haar oogen schitteren, haar tint is rose, de gelaatsuitdrukking heeft haar levendige opgewektheid weer teruggevonden. Ongetwijfeld zal het herstel der weefsels nog wel eenigen tijd vorderen, maar toch kunnen we zeggen, dat mademoiselle herboren is. Niet waar, mijnheer de abbé, u, die haar vroeger zoo dikwijls gezien hebt, u herkent haar niet meer?”

“Ja, ja, dat is zoo!” stamelde Pierre.

Inderdaad scheen zij hem reeds krachtig toe, haar wangen waren gevuld en frisch en bloeiend. Maar nogmaals, Beauclair had dit alles voorzien, die plotselinge, hosanna-blijde opflikkering van levenskracht, die heerlijke wederopstanding van het gebroken lichaam, wanneer het leven met den wil om te genezen en gelukkig te zijn in haar zou terugkeeren.

Weer had dr. Bonamy zich gebogen over den schouder van pater Dargelès, die zijn verslag, een soort klein volledig proces-verbaal, schreef. Zij wisselden fluisterend enkele woorden. Na een korte beraadslaging begon de dokter weer:

“Mijnheer de abbé, u bent van deze wonderen getuige geweest, u zult zeker niet weigeren het verslag, dat de eerwaarde pater voor het Journal de la Grotte gemaakt heeft, te onderteekenen?”

Wat, hij dit verslag vol dwaling en leugen onderteekenen! Een verzet steeg in hem op, hij stond op het punt de waarheid uit te schreeuwen. Maar hij voelde het gewicht van zijn soutane op zijn schouders; en vooral vervulde de hemelsche vreugde van Marie zijn hart. Hij voelde zich van zoo’n groot geluk doordrongen, nu hij haar gered zag. Toen men haar niet meer ondervroeg, was zij op zijn arm komen leunen, lachte zij hem met van vreugde dronken oogen toe.

“Pierre,” zeide zij heel zacht, “wees de Heilige Maagd dankbaar. Zij is zoo goed geweest, zie eens hoe gezond, hoe mooi, hoe jong ik ben … En wat zal mijn vader, mijn arme vader blij zijn!”

Toen teekende Pierre. Alles stortte in hem ineen, maar het was voldoende, dat zij gered was. Het zou heiligschennis van hem zijn, indien hij zijn vingers uitstak naar het geloof van dit kind, dit groote, reine geloof, dat haar genezen had.

Buiten begonnen de juichkreten, toen Marie het bureau verliet, opnieuw, de menigte klapte in haar handen. Het wonder was nu officieel geconstateerd. Toch hadden medelijdende personen, die bang waren, dat zij zich te veel zou vermoeien en haar wagentje, dat door haar voor de Grot achtergelaten was, noodig hebben zou, dit naar het bureau gebracht. Toen zij het weer terugzag, werd zij diep ontroerd. O, dit kleine wagentje, waarin zij zooveel jaren geleefd had, die rijdende doodkist, waarin zij soms dacht levend begraven te zijn, wat had het een tranen, een wanhoop, een ongelukkige dagen gezien! En plotseling kwam de gedachte bij haar op, dat het, waar het zoo lang getuige geweest was van haar verdriet, nu ook deel moest nemen aan haar triomf. En in een goddelijke ingeving, in een heiligen waanzin greep zij het handsvat.

Op dat oogenblik kwam de processie voorbij, die terugkeerde uit de Grot, waar abbé Judaine den zegen gegeven had. En nu ging Marie met haar wagentje achter den baldakijn rijden. Op haar pantoffels, het hoofd bedekt met een kanten doekje, liep zij rechtop, het hoofd omhoog en met een verheerlijkt, stralend gelaat, het wagentje, de rijdende doodkist, waarin zij zooveel smarten geleden had, voortduwend. En de menigte, die haar toejuichte, de tot waanzin opgezweepte menigte volgde haar.