V.
Onder het afloopen der helling zeide dr. Chassaigne tegen Pierre:
“Je hebt den triomf bijgewoond; nu zal ik je twee schreeuwende onrechtvaardigheden laten zien!”
En hij bracht hem naar het kamertje in de rue des Petits-Fossés, dat lage, donkere kamertje, waaruit zij gekomen was, toen de Heilige Maagd haar verscheen.
De rue des Petits-Fossés is een zijstraat van de vroegere rue du Bois, de tegenwoordige rue de la Grotte, en snijdt de rue du Tribunal. Het is een kronkelend, droefgeestig, armoedig straatje, dat flauw helt. Slechts zelden komen er menschen door, men vindt er alleen lange muren, armzalige huizen, melancholieke gevels, waarin nooit een raam opengaat. Een boom ergens op een binnenplaatsje is het eenige vroolijke erin.
“Wij zijn er,” zeide de dokter.
Het straatje werd op dit plekje heel nauw en smal, het huisje lag tegenover een hoogen, grijzen, kalen muur van een schuur. Beiden keken zij naar het kleine huisje, dat met zijn kleine kruisramen en ruwe, blauwachtige pleisterkalk akelig leelijk en armoedig leek. De gang beneden was heelemaal donker en werd slechts door een klein, ouderwetsch hek afgesloten; men moest een opstapje gebruiken om naar boven te komen, dat bij slagregens onder water stond.
“Ga naar binnen, vriend, ga naar binnen. Je behoeft het hek maar open te stooten.”
De gang was vrij diep en Pierre volgde, om geen misstap te doen, met zijn hand den muur. Het kwam hem voor, alsof hij in het donker in een kelder afdaalde en de glibberige grond onder hem steeds nat was van het water. Aan het eind sloeg hij op een nieuwe aanwijzing van den dokter rechts af.
“Buk je, want je zoudt je kunnen stooten, de deur is erg laag … Zoo, we zijn er!”
Evenals de straatdeur, stond ook de kamerdeur wijd open. Pierre, die aarzelend midden in het vertrek was blijven staan, kon, daar zijn oogen nog gewend waren aan het felle daglicht van buiten, niets onderscheiden, nu hij daar in volkomen duisternis terechtgekomen was. Bovendien had een ijzige kilte, gelijk aan het gevoel, dat een natte wasch veroorzaakt, hem bij zijn schouders gegrepen.
Maar langzamerhand geraakten zijn oogen gewoon aan de duisternis. De twee, niet even groote ramen zagen uit op een smalle binnenplaats, waarin slechts een groenachtig licht als in een put viel. Als men midden op den dag in de kamer wilde lezen, moest men een kaars aansteken. De kamer, vier bij drie en een halven meter groot, was met groote, oneffen steenen bevloerd, terwijl de balken aan de zoldering in den loop der tijden een roetkleur gekregen hadden. Tegenover de deur was een armzalige schoorsteenmantel van gips, waarvan de plaat door een oude, vermolmde plank gevormd werd. Tusschen den schoorsteenmantel en een der ramen was een gootsteen. De muren, waarvan de kalk afschilferde en met vochtplekken en scheuren overdekt was, hadden evenals de zoldering, een zwartachtigen tint. Er stonden geen meubels meer in, het vertrek scheen geheel verlaten, men zag er slechts onduidelijk enkele vreemde voorwerpen, die in de diepe duisternis, welke alle hoeken vulde, onherkenbaar waren.
Na een vrij lange stilte begon de dokter te spreken.
“Ja, dit is de kamer, van hier is alles uitgegaan … Niets is erin veranderd, alleen de meubelen zijn er niet meer. Ik heb getracht de kamer weer in mijn geest te meubileeren; de bedden stonden ongetwijfeld tegen den muur over de ramen; drie bedden moeten er minstens geweest zijn, want de Souberous waren met hun zevenen, vader, moeder, twee jongens en drie meisjes … Stel je voor, drie bedden in dit vertrek en zeven menschen, die in deze enkele vierkante meters woonden. Ze waren hier als levend begraven, zonder licht, zonder lucht en zoo goed als zonder brood! Welk een vreeselijke ellende, wat een arme, beklagenswaardige schepsels!”
Maar hij werd in de rede gevallen. Een gestalte, die Pierre eerst voor een oude vrouw hield, kwam binnen. Het was een priester, de vicaris van de parochie, die tegenwoordig het huis bewoonde. Hij kende den dokter.
“Ik hoorde u praten, dokter Chassaigne,” zeide hij, “en ben daarom even naar beneden gekomen … Zoo, laat u de kamer weer eens bekijken?”
“Ja, mijnheer de abbé, zoo vrij ben ik geweest … Het stoort u toch niet?”
“Heelemaal niet … heelemaal niet … Kom maar net zoo dikwijls als u wilt!”
Hij lachte vriendelijk en voorkomend en groette Pierre, die, verbaasd over zijn kalme zorgeloosheid vroeg:
“Maar toch zal het u wel eens lastig zijn met al die menschen!”
Op zijn beurt scheen de vicaris verbaasd.
“Wel neen, er komt hier niemand … U begrijpt, dat het hier niet zoo bekend is. Iedereen blijft daar bij de Grot … Maar ik laat de deur open staan, dan behoef ik niet heen en weer te loopen. Maar er gaan dagen voorbij, zonder dat ik zelfs ook maar het knagen van een muis hoor.”
De oogen van Pierre raakten hoe langer hoe meer aan de donkerte gewend; onder de onduidelijke voorwerpen onderscheidde hij oude tonnen, overblijfselen van een kippenhok, gebroken gereedschappen en allerlei lompen, die je gewoonlijk bij elkaar voegt en dan in den kelder werpt. Verder zag hij aan den zolder provisies hangen, een slamand vol met eieren en ritsen dikke, rose uien.
“Zooals ik zie,” begon hij met een lichte beving in zijn stem, “hebt u gemeend de kamer niet ongebruikt te moeten laten.”
De vicaris begon een beetje verlegen te worden.
“Zeker, zoo is het … Wat zal ik u zeggen? Het huis is klein en ik heb niet veel ruimte! En dan, u hebt er geen idée van hoe vochtig het huis is, het is absoluut onmogelijk het te bewonen … En, lieve God, zoo langzamerhand hoopt het zich van zelf op, zonder dat je het eigenlijk wil.”
“Een soort rommelkamer dus,” merkte Pierre op.
“O, neen, dat niet!… Een onbewoond vertrek, en wanneer u het zoo noemen wilt, een rommelkamer!”
Zijn verlegenheid, waarbij ook wel een beetje schaamte kwam, werd grooter. Dr. Chassaigne bleef zwijgen, kwam niet tusschenbeide; maar hij glimlachte, blijkbaar in zijn schik, dat zijn vriend tegen die menschelijke ondankbaarheid opkwam.
Deze kon zich niet beheerschen en ging voort:
“Neem het me niet kwalijk, mijnheer de vicaris, dat ik er op doorga. Maar bedenk toch, dat u alles aan Bernadette te danken hebt, dat zonder haar Lourdes nog een der minst bekende steden van Frankrijk zijn zou … En werkelijk het komt mij voor, dat de parochie uit dankbaarheid deze kamer in een kapel had moeten veranderen …”
“O, een kapel!” viel de vicaris hem in de rede; “het betreft hier slechts een menschelijk wezen, en de Kerk mag haar geen vereering bewijzen.”
“Nu, laten we dan niet een kapel zeggen, laten wij zeggen, dat er lichten, bloemen, rozen moesten zijn, die de inwoners en de pelgrims uit piëteit steeds weer verfrisschen moesten … In het kort, ik zou hier graag wat meer liefde zien, het een of ander ontroerend aandenken, een beeld van Bernadette, iets, dat op kiesche wijze herinnerde aan de plaats, die zij in alle harten moest innemen … Het is gewoonweg schandelijk, dit vergeten, dit verontachtzamen, die vervuiling, waartoe men dit vertrek heeft laten vervallen.”
De vicaris, een onnadenkend en impressionabel mannetje, was het dadelijk met hem eens.
“In den grond der zaak hebt u volkomen gelijk. Maar ik heb geen macht, ik kan er niets aan doen … Wanneer ze me de kamer komen vragen, om haar in te richten, dan zou ik haar echter dadelijk geven en er mijn tonnen uitnemen, hoewel ik heusch niet weet, waar ik ze zou moeten zetten … Maar, ik herhaal het, dat hangt niet van mij af, ik kan er niets aan doen.”
Onder voorwendsel, dat hij uit moest, nam hij gauw afscheid en maakte zich uit de voeten, terwijl hij nogmaals tegen dr. Chassaigne zeide:
“Blijf net zoo lang als u zelf wilt. U stoort me nooit.”
Toen de dokter weer met Pierre alleen was, nam hij diens beide handen in de zijne en zeide, van vreugde stralend:
“Beste jongen, wat heeft dat me goed gedaan! Wat heb jij hem eens flink gezegd, wat al zoo lang in mijn hart borrelt en kookt!… Ik voor mij heb ook het denkbeeld gehad iederen ochtend hier rozen te brengen. Ik zou eenvoudig het kamertje hebben laten schoonmaken en dan twee vazen rozen op den schoorsteenmantel gezet hebben, want je weet, dat ik voor Bernadette een groote teederheid heb opgevat, en het scheen mij toe, dat die rozen hier het opbloeien, de schittering en de geur van haar aandenken zouden zijn … Maar, maar …”
Hij maakte een wanhopig gebaar.
“De moed heeft mij tot nog toe altijd ontbroken … Ja, ik zeg den moed, want tot nog toe heeft niemand zich openlijk tegen de paters der Grot durven verzetten … Men aarzelt, schrikt terug voor een religieus schandaal. Denk eens aan de betreurenswaardige opschudding, die dat veroorzaken zou; en zij, die evenals ik over wat er thans gebeurt verontwaardigd zijn, moeten wel zwijgen.”
En na even gezwegen te hebben, voegde hij er nog aan toe:
“Ja, beste jongen, het is wel verschrikkelijk, die ondankbaarheid en die hebzucht van de menschen. Iederen keer, dat ik hier in deze ellende kom, schiet mijn hart zoo vol, dat ik mijn tranen niet inhouden kan.”
Hij hield op met spreken, geen van beiden zeide een woord meer, de melancholie, die zich uit het vertrek losmaakte, kneep hun de keel dicht. Duisternis omhulde hen, de vocht deed hen rillen tusschen de vervallen muren en het stof der opgehoopte oude lompen. Wederom kwam de gedachte in hen op, dat zonder Bernadette niets van de wonderen bestaan zou hebben, welke Lourdes tot een eenige stad in de wereld gemaakt hadden. Haar woord had de wonderbare bron doen ontspringen, de van kaarsen vlammende Grot geopend. Reusachtige werken werden uitgevoerd, kerken schoten uit den grond op, kolossale trappen leidden tot God, een geheel nieuwe stad rees, als door een wonder, met haar tuinen, haar boulevards, haar kaden, haar bruggen, haar winkels, haar hotels op. De verst verwijderde volkeren stroomden in menigte samen, de regen van millioenen viel zoo dicht en overvloedig, dat de jonge stad tot in het oneindige scheen te moeten groeien, het geheele dal vullen van het eene einde der bergen naar het andere. Als Bernadette er niet geweest was, zou er niets geweest zijn, het buitengewone avontuur tot niets terugkeeren, het oude Lourdes nog zijn eeuwenlangen slaap aan den voet van het Kasteel slapen. Bernadette was de eenige, die dit geschapen had, en deze kamer, waaruit zij gegaan was, toen zij de Maagd gezien had, deze wieg zelf van het wonder, van het wonderbaarlijke toekomstige fortuin, lag hier verwaarloosd, ten prooi aan de wormen, goed alleen voor een rommelkamer, waarin je uien en oude tonnen bewaarde.
Toen stond de tegenstelling Pierre zoo intens voor den geest, dat hij den triomf, waarvan hij zoo even getuige geweest was, opnieuw zag, de extase in de Grot en in de Basilica, terwijl Marie, te midden van het gejuich der menigte, achter het Heilige Sacrament haar wagentje voortduwde. Maar boven alles straalde de Grot, nu niet langer het woeste rotshol op den wilden oever van den bergstroom, waarvoor het kind vroeger neergeknield had; maar de met rijkdommen en schatten versierde kapel, de in kaarslicht gloeiende kapel, waarin alle naties kwamen bidden. Al het lawaai en alle schittering; alle aanbidding en al het geld waren daar in de pracht van een eeuwigdurenden zegetocht te vinden. Hier echter, in de bakermat van dat alles, geen levende ziel, geen kaars, geen lied, geen bloem. Niemand kwam hier, niemand knielde hier neer, niemand bad hier. Enkele impressionabele bezoekers hadden slechts als aandenken een paar splinters van de half verrotte plank, die als schoorsteenplaat dienst deed, medegenomen. De geestelijkheid wilde niets weten van, kende zelfs deze plek van ellende niet, waarheen de processie zich had moeten begeven als naar een plaats van verheerlijking. Daar had het arme kind in een kouden nacht, liggend tusschen haar beide zusjes, haar droom begonnen, in een aanval van haar kwaal en terwijl de geheele familie in zwaren slaap verzonken lag; vandaar was zij vertrokken en had onbewust dien droom medegenomen, welke in het volle daglicht opnieuw in haar wortel schoot, om zoo liefelijk op te bloeien tot een visionnaire legende. En niemand liep thans meer dienzelfden weg nog eens af, de kribbe was vergeten, in donker en vocht liet men die kribbe, waarin het zoo nederige zaadje ontkiemd was, dat nu daar ginds opwies tot wonderdadige oogsten, welke de arbeiders, die komen als het werk is afgeloopen, te midden van de koninklijke pracht en praal der ceremoniën binnenhaalden.
Pierre, dien de groote echt-menschelijke ontroering over dit alles tot huilen toe bewoog, vatte met zachte stem al zijn gedachten in dezen enkelen zin samen:
“Dit is Bethlehem.”
“Ja,” zeide dr. Chassaigne, “in een armzalige woning, in een ellendig asyl worden de nieuwe godsdiensten van lijden en medelijden geboren … En soms vraag ik me wel eens af, of het zoo eigenlijk niet beter is, of het niet wenschelijk is, dat deze kamer in dezen armoedigen en verlaten toestand blijft. Het komt me dan voor, dat Bernadette daardoor niets verliest, want wanneer ik hier een uur kom doorbrengen, voel ik mij nog meer tot haar aangetrokken.”
Weer zweeg hij even, doch ging dan met een gebaar van verzet voort:
“Neen, neen, ik kan niet vergeten, die ondankbaarheid maakt me woedend … Ik heb je al gezegd, dat ik voor mij overtuigd ben, dat Bernadette zich vrijwillig naar het klooster in Nevers begeven heeft. Maar al heeft dan niemand haar laten verdwijnen, wat een opluchting voor degenen, voor wie zij hier hinderlijk begon te worden. En dezelfde mannen, die hier zoo graag de onbeperkte meesters wilden zijn, doen nu al het mogelijke, om de herinnering aan Bernadette uit te wisschen … O, beste jongen, als je alles eens wist!”
Langzamerhand gaf hij aan zijn overvol hart lucht. De paters van de Grot vreesden de doode Bernadette, wier werk zij zoo hebzuchtig exploiteerden, nog meer dan de levende. Zoolang zij leefde, verkeerden zij ongetwijfeld voortdurend in angst, dat zij naar Lourdes zou terugkeeren, om de prooi te deelen; haar nederigheid en haar ootmoed stelden hen echter al spoedig gerust, want zij was in het minst niet heerschzuchtig, zij zelf had het donker der verzaking gekozen, waarin zij sterven zou. Maar tegenwoordig sidderden zij meer bij het denkbeeld, dat een wil krachtiger dan de hunne, de reliquieën der helderziende zou kunnen terugbrengen. Onmiddellijk na haar dood was er wel in de gemeenteraad over gesproken: de stad wilde een graftombe voor haar oprichten, en men sprak erover een inschrijving te openen. Zeer beslist hadden de zusters van Nevers geweigerd het lijk, dat, naar zij beweerden, haar toebehoorde, uit te leveren. Achter de zusters had iedereen toen den invloed der paters gevoeld, die in hun groote ongerustheid zich in het geheim verzetten tegen den terugkeer van het vereerde gebeente, waarin zij een mogelijke concurrentie met de Grot zagen. Wat een vreeselijke bedreiging was dat niet! Een graftombe op het kerkhof, waarheen de pelgrims zich in processie zouden begeven, waarvan de zieken het marmer zouden gaan kussen, waarbij zich te midden van een heilige geestdrift wonderen voltrekken zouden. Dat was de werkelijke, doodende concurrentie, de verplaatsing der devotie en van het wonder. En steeds weer kwam die eeuwige, die groote vrees terug te moeten deelen, het geld elders heen te zien vloeien, wanneer de nu wijs geworden stad uit de graftombe voordeel zou weten te trekken.
Zelfs werd den paters een laag-arglistig plan toegeschreven. Zij zouden op het denkbeeld gekomen zijn het lijk van Bernadette, dat de zusters van Nevers dan voor hen in den vrede van haar kapel zouden bewaren, voor zichzelf te reserveeren. Maar zij wachtten, zij wilden het niet terugbrengen voor de toevloed van pelgrims zou beginnen af te nemen. Waar zou die plechtige terugkeer goed voor zijn, nu de scharen steeds talrijker samenstroomden, terwijl men van te voren zien kon welk een nieuw ontwaken van het geloof de plechtige terugkeer zou veroorzaken, waarbij de christenheid het gebeente der uitverkorene bezit zou zien nemen van den gewijden grond, waaruit zij zoovele wonderen had doen opschieten, wanneer het buitengewone succes van Notre-Dame de Lourdes, evenals dat met alle aardsche dingen gebeurt, zou gaan tanen. En op het marmer van haar graftombe vóór de Grot of in de Basilica zouden de wonderen opnieuw beginnen.
“Je kunt zoeken, zooveel als je wilt,” ging dr. Chassaigne voort, “maar je zult in heel Lourdes niet een met goedkeuring der geestelijkheid gemaakt beeld van Bernadette vinden. Zeker, haar portret wordt verkocht, maar nergens, in geen enkel heiligdom, is het te vinden … Dit is niets anders dan een, als ik het zoo noemen mag, stelselmatig in den doofpot stoppen, het komt voort uit het gevoel van ongerustheid, dat de stilte en de veronachtzaming bewerkt heeft in deze trieste kamer, waarin we ons nu bevinden. Evenals men bang is voor een mogelijke vereering op haar graf, is men bang, dat de menigte hier zou komen neerknielen wanneer twee kaarsen branden, of twee rozenruikers dezen schoorsteen versieren zouden. En als een verlamde opstond met den uitroep, dat zij genezen was, wat een ergernis, wat een onrust zou dat veroorzaken in die koopmanszielen van de Grot, die daardoor hun monopolie leelijk in gevaar gebracht zouden zien!… Zij zijn de meesters en willen de meesters blijven; zij willen niets loslaten van de prachtige bezitting, die zij veroverd hebben en uitbuiten. Maar zij sidderen toch, ja zij sidderen voor de herinnering aan de oorspronkelijke arbeiders, aan dat kleine meisje, dat een zoo groote doode is en wier erfenis hen met zulk een verterende hebzucht vervult, dat zij, na haar weggezonden te hebben, om in Nevers te leven, zelfs haar lijk, dat onder den grond van een klooster gevangen ligt, niet durven terugbrengen.”
O, welk een erbarmelijk lot van dit arme wezentje, dat van de levenden afgezonderd was en wier lijk nu ook in ballingschap blijven moest. Welk een diep medelijden had Pierre met dit ongelukkige schepseltje, dat slechts uitverkoren scheen te zijn, om zoowel tijdens haar leven als in den dood te lijden. Zelfs aangenomen, dat een krachtige, slechts daarop gerichte wil haar niet had doen verdwijnen en haar daarna in haar graf bewaakt, welke een vreemde en zonderlinge samenloop van omstandigheden dan toch, juist alsof iemand, ongerust om de onbegrensde macht, die zij zou kunnen krijgen, steeds ijverzuchtig getracht had haar op den achtergrond te houden. In Pierre’s oogen bleef zij de uitverkorene, de martelares, en ook al kon hij niet meer gelooven, ook al was de geschiedenis van dit ongelukkige kind voldoende, om het geloof geheel en al in hem te vernietigen, desniettemin ontroerde zij hem in zijn broederlijk gevoel door hem een nieuwen godsdienst te openbaren, den eenigen, waarvan zijn hart nog vol was, den godsdienst van het leven, van het menschelijk lijden.
Juist toen zij de kamer wilden verlaten, riep dr. Chassaigne uit:
“Hier, jongen, moet je gelooven! Kijk hier naar dit donkere gat en denk dan aan de schitterende Grot, aan de triompheerende Basilica, aan die nieuw-gebouwde stad, aan die samenstroomende menschenmassa’s! Maar zou, wanneer Bernadette een visionnaire, een krankzinnige was, het avontuur niet nog verwonderlijker, nog onverklaarbaarder zijn. Wat, geloof je werkelijk, dat de droom van een krankzinnige voldoende zijn zou, om de volkeren zoo in beroering te brengen?… Neen, neen, hier is een goddelijke ademtocht door gestreken, die alleen het wonder verklaren kan.”
Pierre was op het punt te antwoorden. Ja, hier was een ademtocht langs gestreken, de snik van het lijden, het onuitbluschbare verlangen naar de oneindige hoop. Dat de droom van een lijdend kind voldoende geweest was, om de volkeren hier te brengen, om het millioenen te doen regenen en een nieuwe stad uit den grond te doen oprijzen, was dat niet een gevolg van het feit, dat die droom den honger der arme menschheid, den onverzadigbaren honger, dien zij hebben om bedrogen en getroost te worden, eenigszins gestild had? Bernadette had, ongetwijfeld op een maatschappelijk en historisch gunstig oogenblik, het onbekende weer ontsloten; en de menigten hadden er zich hals over kop ingestort. O, zijn toevlucht te vinden in het mysterie, wanneer de werkelijkheid zoo hard is, zich toe te vertrouwen aan het wonder, omdat de wreede natuur één lang, schreeuwend onrecht is! Maar hoe men het onbekende ook organiseert en in dogma’s samenvat en er een geopenbaarden godsdienst van maakt, in zijn diepste diepte is en blijft de lijdenskreet, de kreet van het leven, dat gezondheid, vreugde en geluk eischt, ja bereid is, deze in een andere wereld te aanvaarden, als zij op deze aarde niet bestaanbaar zijn. Waartoe te gelooven aan dogma’s? Is het niet voldoende, als men weent en liefheeft?
Toch kleedde Pierre zijn gedachten niet in woorden. Hij hield het antwoord, dat naar zijn lippen steeg, terug, overtuigd als hij trouwens was, dat de eeuwige drang naar het bovennatuurlijke in den door lijden bezochten mensch het eeuwige geloof zou doen verklaren. Het wonder, dat niet te bewijzen was, moest het voor de menschelijke vertwijfeling noodige brood blijven. En bovendien, had hij zichzelf niet gezworen in zijn barmhartige liefde niemand meer door zijn twijfel te bedroeven?
“Welk een wonder, niet waar?” bleef de dokter aandringen.
“Zeker,” zeide hij eindelijk. “In dit armzalige, zoo vochtige en zoo donkere kamertje heeft zich het geheele menschelijke drama afgespeeld, hebben alle ongekende krachten gewerkt.”
Zwijgend bleven zij nog enkele minuten staan. Nog eenmaal keken zij naar de muren, naar de zwart geworden zoldering, naar het kleine, groenachtige binnenplaatsje. Die armoedigheid met haar spinnewebben, met haar oude, vuile tonnen, haar onbruikbare gereedschappen, haar hoopen rommel, die in de hoeken lagen te verrotten, het was inderdaad hartverscheurend. En zonder verder een woord te zeggen, gingen zij weg, terwijl een onzegbare droefheid hun keel dichtkneep.
Eerst op straat scheen dr. Chassaigne weer te ontwaken. Hij rilde even, versnelde zijn pas en zeide:
“Wij zijn nog niet klaar, jongen; ga mee … Nu gaan we de andere schreeuwende onrechtvaardigheid in oogenschouw nemen.”
Hij sprak over abbé Peyramale en diens kerk. Zij staken de place du Porche over en sloegen de rue Saint-Pierre in; binnen enkele minuten waren zij er. Het gesprek was intusschen weer op de paters van de Grot gekomen, op den vreeselijken oorlog, dien pater Sempé, zonder kwartier te geven, tegen den vroegeren pastoor van Lourdes gevoerd had. Overwonnen, was deze in een hevige verbittering gestorven; en na hem aldus door verdriet gedood te hebben, hadden zij ook zijn kerk, die hij onvoltooid, zonder dak en open liggend voor wind en regen, had achtergelaten, vermoord. Sedert men hem uit het bezit der Grot verdreven, uit het werk van Notre-Dame de Lourdes, waarvan hij met Bernadette de pionier geweest was, weggejaagd had, werd zijn kerk zijn revanche, zijn protest, zijn eigen deel in den roem, het Godshuis, waarin hij in gewijde gewaden triompheeren, van waaruit hij ontelbare processies leiden zou, om den uitdrukkelijken wensen der Heilige Maagd te vervullen. De autoritaire heerscher, die hij in den grond der zaak was, de herder der groote scharen, de tempelbouwer vond er een ongeduldige vreugde in om de werken te verhaasten met de onvoorzichtigheid van alle hartstochtelijke menschen, die zich niet bekommeren om schulden en het geld met handen vol uit te geven, mits er steeds maar een leger van werklieden op de stellages stond. In zijn geest zag hij de kerk grooter worden, zag hij haar op een mooien zomerochtend voltooid in de opgaande zon glinsteren.
Dat telkens weer voor zijn geestesoog opdoemende visioen gaf hem te midden van den sluipmoord, waardoor hij zich omringd voelde, den moed om verder te strijden. Zijn, het groote plein beheerschende kerk, rees eindelijk in haar grootsche majesteit op. Hij had haar in Romaanschen stijl, groot en eenvoudig, negentig meter lang en honderd veertig meter hoog gewenscht. Den vorigen dag van haar laatste stelling ontdaan, glinsterde zij nu in de volle zon nog in de jonge bekoring van haar jeugd, met haar groote, regelmatig opgebouwde steenlagen. In zijn gedachten liep hij om haar heen, verrukt over haar naaktheid en haar kinderlijk-maagdelijke kuischheid, zonder een beeld, zonder een versiering, die haar onnoodig belast zou hebben. De daken van het schip, de kruisbeuk en de apsis lagen op gelijke hoogte onder de streng versierde lijst. Ook de ramen der zijbeuken en van het hoofdschip hadden geen andere versiering dan van lijstwerk voorziene booggewelven.
Hij bleef staan voor de groote ramen van de dwarsbeuk, waarin de rosetten fonkelden; zette dan zijn wandeling voort en liep achter de ronde apsis om, waartegen de sacristie haar twee verdiepingen kleine ramen rijde; dan ging hij weer terug en werd niet moede te kijken naar de koninklijke verdeeling van het bouwwerk, naar de groote lijnen, die zich tegen het blauw afteekenden, naar de boven elkaar gelegen daken, naar die enorme massa, die in haar kracht den eeuwen weerstand bieden zou. Maar wanneer hij zijn oogen sloot, riep hij in een verrukking van trots vooral den gevel voor zijn geest: beneden het voorportaal met zijn drie boven-galerijen, de galerij rechts en de galerij links, waarvan de steenen daken een krans vormden, terwijl de klokketoren, die uit de centrale galerij oprees, zich in het midden met een krachtigen zwaai in de lucht verhief. Ook daar droegen de op sokkels rustende zuilen slechts met lijstwerk versierde booggewelfjes. Tegen den geveltop, op de spits van een tinne, tusschen de twee hooge vensteropeningen van het hoofdschip, stond onder een baldakijn een beeld van Notre-Dame de Lourdes. Daarboven bevond zich nog een verdieping met galmgaten, die met de licht geschilderde klankborden voorzien waren. De beeren rezen op de vier hoeken uit den grond op, van verdieping tot verdieping dunner wordend, tot zij, licht, maar krachtig, de torenspits bereikten, een vermetele, steenen spits, door vier kleinere klokketorentjes geflankeerd en eveneens slechts met tinnen versierd, trotsch in de hoogte rijzend, tot zij zich in den hemel verloor. En het kwam abbé Peyramale voor, alsof zijn vurige priesterziel grooter geworden en met die spits omhoog gestegen was, om daarboven, dicht bij God, door alle eeuwen heen te getuigen van haar geloof.
Andere oogenblikken bracht een ander visioen hem nog meer in verrukking. Dan meende hij op den dag, dat hij er zijn eerste plechtige mis zou celebreeren, het inwendige van zijn kerk te zien. De geschilderde ruiten lieten vurig licht door, dat als edelgesteente fonkelde, de twaalf kapellen der zijbeuken stonden in den gloed van kaarsen. Hij zelf was op het marmeren en gouden hoofdaltaar; de veertien zuilen van het hoofdschip, blokken Pyreneesch marmer uit één stuk en prachtige giften uit alle windstreken der Christenheid, rezen statig op en steunden het gewelf, dat de dreunende orgelklanken met een jubelzang vervulden. Een volk van geloovigen verdrong zich, neergeknield op de vloertegels, tegenover het door een als kantwerk zoo licht hek omgeven koor, dat met prachtig houtsnijwerk bekleed was. De kansel, een koninklijk geschenk van een voorname dame, was een uit eikenhout gesneden kunstwerk. De doopvonten waren door een kunstenaarshand uit hardsteen gehouwen. Schilderijen van meesters versierden de muren, kruisen, hostievazen, kostbare monstransen, gewijde gewaden, schitterend als zonnen, lagen in ontelbaren getale in de kasten der sacristie. Welk een heerlijke droom de hoogepriester van zulk een tempel te zijn, erin te heerschen, na hem eerst met hartstochtelijke geestdrift gebouwd te hebben, er de uit alle hoeken der wereld samengestroomde scharen te zegenen, terwijl de vol klinkende klokken aan de Grot en aan de Basilica verkondigden, dat zij daar in het oude Lourdes een mededingster hadden, een overwinnende zuster, bij wie God eveneens zijn triomfen vierde.
Na een oogenblik de rue Saint-Pierre gevolgd te hebben, sloegen dr. Chassaigne en Pierre de kleine rue de Langelle in.
“Wij zijn er dadelijk,” zeide de dokter.
Pierre keek om zich heen, maar zag geen kerk. Er stonden niets dan armoedige krotten, een echte voorstadswijk met vuile gebouwen. Eindelijk zag hij achterin een slop een stuk van de oude, half vergane omheining, die nog steeds om het groote, vierkante terrein stond, dat door de rues de Saint-Pierre, de Bagnères, de Langelle en des Jardins ingesloten was.
“We moeten links af,” zeide de dokter, die een smalle, tusschen de puinhoopen door leidende gang ingeloopen was. “We zijn er!”
En plotseling verscheen de ruïne te midden van de leelijke en vuile omgeving, die haar maskeerde.
Het geheele, machtige geraamte van het schip en de zijbeuken, van het dwarsschip en van de apsis stond nog. Overal rezen de muren op tot aan het begin der gewelven. Men kwam er als in een echte kerk, kon er in rondloopen en de gewone deelen van een godshuis onderscheiden. Doch wanneer men opkeek, zag men den hemel: het dak ontbrak, de regen viel, de wind gierde vrij binnen. Sedert weldra vijftien jaar lag het werk nu stil en was alles in denzelfden toestand gebleven als waarin de laatste metselaar ze achtergelaten had. Het eerst vielen dadelijk de tien zuilen van het schip en de vier zuilen van het koor op, de prachtige zuilen uit één blok Pyreneesch marmer, die men, om ze tegen alle schade te beschermen, met een mantel van planken bedekt had. De voeten en de kapiteelen waren nog ruw en wachtten op de beeldhouwers. Zij maakten een triesten indruk, die zoo alleen staande, met hout bekleede zuilen. En ook uit de geheele, ommuurde ruimte en uit het gras, dat den woesten, hobbeligen grond van de zijbeuken en van het schip bedekte,—een dicht kerkhofgras, waardoor vrouwen langzamerhand voetpaden gemaakt hadden—steeg een diepe melancholie op. Die vrouwen kwamen hier haar wasch bleeken of drogen. Een echte wasch van armoedzaaiers, dikke lakens, gescheurde hemden, luiers lag er juist te drogen in de laatste zonnestralen, die door de breede ruitlooze ramen binnenvielen.
Langzaam, zonder te spreken liepen Pierre en dr. Chassaigne het inwendige rond. De twaalf kapellen der zijbeuken vormden als het ware een soort compartimenten vol puin en vuil. De grond van het koor was met cement bedekt, blijkbaar om de crypt tegen het doorsijpelen van het water te beschermen; ongelukkig echter schenen de gewelven wat te zakken, want er had zich een inzinking gevormd, die het onweer van den vorigen nacht in een klein meertje herschapen had. Die deelen van het dwarsschip en van de apsis hadden het minst geleden. Geen steen was daar van zijn plaats geraakt, de groote midden-rosetten, boven het triforium, schenen op hun ramen te wachten, terwijl zware eiken platen, die boven op de muren der apsis waren blijven liggen, den indruk hadden kunnen wekken, dat men den volgenden dag met afdekken beginnen zou. Maar toen zij op hun passen teruggekeerd waren en naar buiten gingen, om den gevel te zien, kwam het verschrikkelijk verval van die jonge ruïne nog meer uit. Aan deze zijde was men met het werk niet zoo ver gereed gekomen; en de vijftien jaar van veronachtzaming waren voor de winters voldoende geweest om het beeldhouwwerk, de kleine zuiltjes en het lijstwerk weg te vreten, een werkelijk vreemd en bijzonder vernielingswerk, alsof de sterk ingevreten steen onder tranen weggesmolten was. Het hart kromp ineen bij het zien van die verwoesting, welke het werk reeds aantastte zelfs nog voordat het geheel voltooid was. Nog niet zijn en dan reeds in de open lucht afbrokkelen. Plotseling in den groei tot een reusachtigen kolos gestoord te worden, om langzamerhand tot puin te vervallen!
Zij gingen het schip weer binnen en vonden er de troostelooze triestheid van den op het monumentale gebouw gepleegden moord. Het groote, woeste terrein was door de puinhoopen van steigers versperd, die men, half vermolmd, had moeten afbreken, uit vrees, dat ze anders instorten en mogelijk in haar val menschen verpletteren zouden; overal zag men in het hooge gras planken, steigerhout, balken en hoopen oud touw liggen, dat door het vocht opgevreten werd. Ook stond er een ingevallen geraamte van een lier, dat zich als een galg verhief. Stelen van spaden, gebroken stukken van kruiwagens slingerden nog rond tusschen vergeten gereedschap en hoopen groenachtig geworden, met mos bedekte steenen, waarop slingerplanten bloeiden. Onder de brandnetels zag men hier en daar de rails terug van de kleine spoorbaan, die men voor het vervoer der materialen aangelegd had, terwijl een daarbij behoorende tip ondersteboven in een hoek lag. Maar het meest triest van al die ten doode gedoemde dingen was toch de locomobiel, die onder het dak van een loods, welke haar beschermde, was blijven staan. Sedert vijftien jaar stond zij daar, koud, dood. De loods was ten slotte boven haar ingestort, groote gaten lieten haar bij iedere stortbui doornat van den regen worden. Een uiteinde van de drijfriem, die de lier in beweging bracht, hing als een reusachtige draad van een spin slap neer. Ook stalen en koperen deelen verteerden onder roest en mos en waren met allerlei woekerplanten bedekt, welker geelachtige vlekken haar het aanzien gaven van een heel oude machine, die met gras overwoekerd en door vele winters weggevreten was. Deze doode en koude machine met haar uitgedoofden haard en haar zwijgenden stoomketel was de ziel zelf van het werk, dat stil was blijven liggen in het vergeefsche wachten op het grootmoedige, liefdadige hart, welks komst door de wilde rozestruiken en braamstruiken de Doornroosje-kerk uit haar zwaren puinhoopslaap moest wekken.
Eindelijk begon dr. Chassaigne te spreken.
“O, en te denken, dat vijftig duizend francs voldoende geweest zouden zijn, om zoo’n ramp te verhoeden. Met vijftig duizend francs zou men hebben kunnen afdekken, was het groote werk gered en had men den tijd om te wachten … Maar zij wilden het werk dooden, zooals zij den man gedood hadden.”
Met een gebaar duidde hij de paters der Grot aan, die hij vermeed te noemen.
“En dan te denken, dat zij jaarlijks een inkomen hebben van negenhonderd duizend francs! Maar zij zenden liever geschenken naar Rome, om daar machtige vriendschappen te onderhouden.”
Ondanks zichzelf trok hij weer te velde tegen de tegenstanders van abbé Peyramale. Die heele geschiedenis vervulde hem met een rechtvaardigen, heiligen toorn. Bij het zien van die jammerlijke ruïne vatte hij nog eenmaal de feiten samen: de pastoor wierp zich geestdriftig op den bouw van zijn kerk, maakte schulden, rekende niet meer, terwijl pater Sempé, die op den loer lag, gebruik maakte van ieder van zijn fouten, hem bij den bisschop in discrediet bracht en ten slotte erin slaagde de bron der giften te verstoppen en de werkzaamheden te doen ophouden. Dan volgden, na den dood van den overwonnene, eindelooze processen, vijftien jaren van processen, die aan de winters den tijd gegeven hadden om het werk op te vreten. Nu verkeerde het in zoo’n deerniswaardigen staat, was de schuld tot een zoo hoog bedrag opgeloopen, dat alles voor goed uit scheen. De langzame dood, de dood der steenen voltrok zich. Onder haar ingestorte loods zou de locomobiel, gegeeseld door den regen en opgevreten door het mos, in stukken vallen.
“Ja, ik weet het wel, zij kraaien nu victorie, zij zijn er alleen nog maar, dat is het, wat zij altijd gewild hebben: onbeperkt heer en meester zijn, voor zichzelf alleen al de macht en al het geld behouden … Ja, ik kan je zeggen, dat hun vrees voor concurrentie zoo ver gaat, dat zij de religieuze orden, die zich te Lourdes wilden komen vestigen, daar steeds van verwijderd gehouden hebben. Jezuïeten, Dominicanen, Benedictijnen, Capucijners, Carmelieten hebben erom verzocht; altijd zijn de paters der Grot erin geslaagd het te beletten. Zij dulden slechts vrouwenorden; zij willen alleen maar een kudde … De stad behoort hun toe, zij houden er winkels, zij verkoopen er God in het groot en in het klein.”
Langzaam loopend was hij in het midden van het schip teruggekomen. Met een groot gebaar wees hij op de verwoesting, die hem omringde.
“Kijk eens naar deze verschrikkelijke, troostelooze ellende … En de Rozenkranskerk en de Basilica daar hebben meer dan drie millioen gekost.”
Evenals in het donkere en natte kamertje van Bernadette zag Pierre ook nu, stralend in haar triomf, de Basilica voor zich oprijzen. Niet hier had de droom van abbé Peyramale zich verwezenlijkt, niet hier, waar hij als hoogepriester de knielende menigte had willen zegenen, terwijl het orgel zijn jubelzang uitdreunde. Voor zijn geestesoog rees de Basilica op, waarin alle klokken luidden, die dreunde van het gejuich der bovenmenschelijke vreugde over een wonder en geheel van vlammen gloeide, de Basilica met haar banieren, haar lampen, haar harten van goud en zilver, haar in goud gekleede geestelijkheid, haar monstrans, die was als een gouden zon. Zij vlamde in de ondergaande zon, zij raakte met haar torenspits den hemel aan, terwijl milliarden gebeden, waarvan haar muren beefden, uit haar omhoog zweefden. En hier de kerk dood alvorens geboren te zijn, de kerk door een bisschoppelijk bevel buiten dienst gesteld, de kerk, openstaande voor de vier winden, in puin vallend. Iedere storm nam iets mee van haar steenen; groote, dikke vliegen bromden in de brandnetels, die op den vloer van het schip woekerden; er waren geen andere geloovigen, dan de vrouwen, die er haar armoedige wasch, die op het gras lag, kwamen keeren. In de droefgeestige stilte scheen een stem zacht te snikken, de stem der marmeren zuilen misschien, die onder haar mantel van planken haar onnoodigen luxe beweenden. Soms vlogen vogels door de verlaten apsis en stieten er hun kreten uit. Groote troepen ratten, die onder de puinhoopen der afgebroken steigers een toevlucht gevonden hadden, beten elkaar en sprongen in een duivelschen galop uit hun gaten. Men kon zich niets benauwenders, niets neerdrukkenders denken dan deze met opzet gewilde ruïne, vergeleken bij haar triompheerende mededingster, de van goud stralende Basilica.
Wederom zeide dr. Chassaigne eenvoudig:
“Ga mee!”
Zij gingen de kerk uit, liepen langs den linkerzijbeuk en kwamen voor een ruw, uit enkele over elkaar gespijkerde planken gemaakte deur; toen zij een houten, half vermolmde trap, waarvan de treden onder hun voeten zwiepten, afgedaald waren, bevonden zij zich in de crypt.
Het was een lage ruimte met platte gewelven, die precies de indeeling van het koor weergaf. De in ruwen toestand gelaten, kort in elkaar gedrongen zuilen wachtten ook hier op haar beeldhouwwerk. Overal slingerde materiaal rond, op den grond lagen stukken hout te vermolmen; de geheele groote ruimte was wit van de kalk. Drie op den achtergrond aangebrachte vensteropeningen, die vroeger van ruiten voorzien geweest waren, waarvan er echter geen een meer over was, verlichtten de melancholieke naaktheid der muren met een hel, koud licht.
En daar in het midden sliep het lijk van pastoor Peyramale. Fijngevoelige vrienden waren op het roerende denkbeeld gekomen hem in de crypt van zijn onvoltooide kerk te begraven. Het op een breed voetstuk rustende grafteeken was geheel van marmer. In gouden letters aangebrachte opschriften vertolkten de gedachten der gevers; zij waren als een kreet van waarheid en genoegdoening, die uit het graf oprees. Op de voorzijde las men: “Vrome obolen, uit de geheele wereld saamgekomen, hebben dit grafteeken opgericht tot gezegende nagedachtenis van den grooten dienaar van Notre-Dame de Lourdes.” Aan den rechterkant las men deze woorden uit een breve van Pius IX: “Gij hebt u geheel opgeofferd om een tempel te bouwen voor de Moeder Gods,” terwijl men links het Evangeliewoord las: “Zalig zijn zij, die vervolgd worden om der gerechtigheid wille.” Was dit niet de waarachtige klacht, de gerechtvaardigde hoop van den overwonnene, die zoo lang gestreden had in de eenige begeerte de bevelen der Heilige Maagd, die Bernadette hem overgebracht had, stipt uit te voeren? En Notre-Dame de Lourdes was daar: een klein beeldje, dat boven het grafopschrift aangebracht was tegen den grooten kalen muur, welke alleen versierd was met enkele, aan spijkers opgehangen paarlenkronen. Voor het grafteeken stonden, evenals voor de Grot, vijf of zes banken voor de geloovigen, die hier eenige oogenblikken vertoeven wilden.
De dokter kon een zucht niet onderdrukken.
“Het regent, het regent nu op hem!”
Pierre bleef in een soort heilige ontzetting onbeweeglijk staan. Onder dit neervallend water, onder de windvlagen, die hier ’s winters moesten binnengieren door de gebroken ruiten der ramen, leek deze doode hem zoo deerniswaardig en tragisch. Hij kreeg iets woest grootsch, daar heel alleen in zijn rijk marmeren grafgewelf te midden van de puinhoopen en de ruïne van zijn kerk. Hij was er de eenzame bewaker van, de in slaap gevallen en droomende doode, die de ledige ruimte, welke voor alle nachtvogels open stond, beschermde. Hij was hier het zwijgende, hardnekkige, eeuwige protest. Liggend in zijn kist en de eeuwigheid hebbend om geduld te oefenen, wachtte hij er onvermoeid op de werklieden, die misschien op een mooien Aprilochtend zouden terugkomen. Als zij er tien jaar voor noodig hadden, dan zou hij er zijn; als zij er een eeuw voor noodig hadden, zou hij er nog zijn. Hij wachtte totdat de vermolmde steigers daarboven tusschen het gras van het schip, door een wonder weer zouden worden opgewekt als dooden en langs de muren zouden staan. Hij wachtte tot de met mos bedekte locomobiel plotseling weer gestookt worden en haar adem terugvinden zou, om de dakbalken op te hijschen. Zijn geliefd werk, de reusachtige bouw, stortte in boven zijn hoofd, met gevouwen handen en gesloten oogen bewaakte hij de puinhoopen en wachtte.
Fluisterend vertelde de dokter de wreede geschiedenis verder, hoe men, na pastoor Peyramale en diens werk vervolgd te hebben, thans zijn graf vervolgde. Vroeger was er een borstbeeld van den pastoor geweest en hadden vrome handen het vlammetje van een lamp brandende gehouden. Maar toen een vrouw voorover op den grond gevallen was en zeide, dat zij de ziel van den afgestorvene gezien had, geraakten de paters der Grot in onrust. Zouden daar wonderen gaan gebeuren? Reeds brachten zieken geheele dagen door op de banken voor het grafteeken. Anderen knielden ervoor neer, kusten het marmer, smeekten om genezing. Dat was een schrik: stel je voor, dat zij genazen, dat de Grot een concurrent kreeg in dezen martelaar, die hier alleen lag tusschen oude, door de metselaars vergeten gereedschappen! De bisschop van Tarbes werd op de hoogte gebracht en bewerkt en vaardigde een bevel uit, waarbij de kerk buiten dienst gesteld en iedere vereering, iedere bedevaart, iedere processie naar het graf van den voormaligen pastoor van Lourdes verboden werd. Evenals het met Bernadette gebeurd was, werd ook zijn nagedachtenis in den ban gedaan, was zijn officieel portret nergens te vinden. Even verbitterd als de paters tegen den levende geweest waren, zoo verbitterd waren zij tegen de nagedachtenis van den grooten doode. Zij vervolgden hem tot in zijn graf. Zij alleen verhinderden thans nog, dat het bouwwerk hervat werd, legden telkens nieuwe hinderpalen in den weg, weigerden hun rijke oogst van aalmoezen te deelen. En zij wachtten tot de winterregens vallen en het werk der vernietiging voltooien zouden, tot het gewelf, de muren, het geheele reusachtige bouwwerk op het marmeren grafteeken, op het lijk van den overwonnene in puin vallen zou, zoodat het eronder verpletterd en begraven werd.
“Ach,” prevelde de dokter, “en ik, die hem zoo dapper, zoo vol geestdrift voor edele werken gekend heb! Nu, je ziet het, nu regent het, regent het op hem!”
Moeilijk knielde hij neer en zocht kalmte in een lang gebed.
Pierre, die niet bidden kon, bleef staan. In zijn algemeene menschenliefde had een zoo groote ontroering zich van hem meester gemaakt, dat zijn hart vol schoot. Hij hoorde de zware droppels één voor één in een langzaam rhythme, dat te midden der diepe stilte, de seconden der eeuwigheid te tellen scheen, op het graf uiteenspatten. Hij dacht aan de eeuwige ellende van deze wereld, waarin altijd de besten tot lijden uitverkoren zijn. De twee groote pioniers van Notre-Dame de Lourdes, Bernadette en pastoor Peyramale, leefden weer voor hem op als twee deerniswaardige slachtoffers, gemarteld gedurende hun leven, verbannen na hun dood. Dat alleen zou reeds voldoende geweest zijn om het geloof geheel in hem te dooden, want de Bernadette, die hij aan het einde van zijn onderzoek terugvond, was slechts een mensen, een met alle smarten beladen zuster. Maar desniettemin bleef hij voor haar een vereering vol broederlijke toegenegenheid voelen. En twee tranen rolden langzaam over zijn wangen.