II.
Het was acht uur … Marie kon het in de kamer bijna niet meer uithouden, telkens weer liep zij naar het raam, alsof zij in één teug de geheele ruimte, den geheelen hemel wilde leeg drinken. O, door de straten, over de pleinen te loopen, overal en nog elders, zoo ver als zij zelf maar wilde! En te laten zien hoe sterk zij was, hoe zij mijlen ver gaan kon, nu de Heilige Maagd haar genezen had! Het was een onweerstaanbare drang van heel haar wezen, van haar hart, van haar bloed.
Maar toen zij wegging, besliste zij toch, dat haar eerste bezoek met haar vader aan de Grot moest zijn, waar zij samen Notre-Dame de Lourdes danken moesten. Daarna zouden ze vrij zijn, zouden ze nog twee volle uren hebben om te wandelen, waar zij wilden, vóór zij naar het Hôpital terugging om te dejeuneeren en haar zaakjes bij elkaar te pakken.
“Nu, kunnen we gaan?” vroeg mijnheer de Guersaint.
Pierre nam zijn hoed en met hun drieën gingen zij hard pratend en luid lachend als een troepje schooljongens, die vacantie krijgen, de trap af. Zij waren reeds op straat, toen madame Majesté hen achterna snelde. Zij had blijkbaar op hun uitgaan geloerd.
“Mademoiselle, heeren, laat ik u even mogen gelukwenschen … Wij hebben van de buitengewone genade, die u ten deel gevallen is, gehoord, wij zijn zoo gelukkig en voelen ons zoo gevleid, dat de Heilige Maagd een van onze gasten heeft uitverkoren!”
Haar dor, hard gezicht was nu één vriendelijkheid; zij nam de door het wonder genezene met liefkoozende blikken op. Dan riep zij haar man, die juist voorbijging.
“Kijk toch eens manlief, dat is mademoiselle, dat is mademoiselle …”
Het gladgeschoren, van geel vet glimmende gezicht van Majesté kreeg een uitdrukking van vreugde en dankbaarheid.
“Inderdaad, mademoiselle, ik kan u niet zeggen hoe vereerd wij ons gevoelen … Wij zullen nooit vergeten, dat mijnheer uw vader bij ons gelogeerd heeft; dat alleen reeds maakt heel wat afgunstigen.”
Intusschen hield madame Majesté de andere gasten, die uitgingen, staande, wenkte de families, die reeds in de eetzaal zaten, zou de geheele straat binnengeroepen hebben, als zij daar den tijd voor gehad had, om te laten zien, dat zij in haar hotel het wonder had, waarover geheel Lourdes sedert den vorigen avond in stomme bewondering was.
“Kijk, dat is zij, het jonge meisje, u weet wel, het jonge meisje …”
Plotseling riep zij uit:
“Ik ga even Appoline uit het magazijn halen, Appoline moet mademoiselle zien.”
Doch met een waardig gebaar hield Majesté haar tegen.
“Neen, laat Appoline met rust, zij is bezig drie dames te helpen … Mademoiselle en de heeren zullen Lourdes zeker niet verlaten, zonder het een of ander te koopen. De kleine souvenirs, die je meeneemt, bekijk je later met zooveel pleizier! En onze gasten zijn altijd zoo welwillend nooit ergens anders iets te koopen dan bij ons in het magazijn, dat we aan het hotel verbonden hebben.”
“Ik heb reeds mijn diensten aangeboden,” drong madame Majesté aan; “Appoline zal zoo blij zijn mademoiselle het mooiste, wat wij hebben, en tegen ongelooflijke lage prijzen te laten zien. O, prachtige, prachtige dingen!”
Marie begon ongeduldig te worden, dat zij zoo opgehouden werd, terwijl die steeds grooter wordende nieuwsgierigheid om hen heen Pierre zeer onaangenaam aandeed. Mijnheer de Guersaint genoot echter van die populariteit, van dien triomf van zijn dochter. Hij beloofde terug te zullen komen.
“Natuurlijk komen we straks het een en ander koopen; souvenirs voor ons zelf en om cadeau te doen. Maar strakjes, als we terugkomen.”
Eindelijk konden zij wegkomen en liepen de avenue de la Grotte af. Het weer was prachtig na het onweer der twee vorige nachten. De afgekoelde ochtendlucht geurde heerlijk in de volle vroolijkheid der heldere zon. Een drukke, levenslustige menigte bewoog zich op de trottoirs. Welk een verrukking voor Marie, aan wie dat alles nieuw, bekoorlijk voorkwam, niet genoeg op prijs te stellen. ’s Morgens had zij moeten toestaan, dat Raymonde haar een paar laarzen leende, want in haar bijgeloof had zij zich er wel voor gewacht die in haar valies mede te nemen, uit vrees, dat die haar ongeluk zouden brengen. De laarzen stonden haar prachtig, met echt kinderlijke vreugde hoorde zij de hakken vroolijk op de steenen klikklakken. Zij kon zich niet herinneren ooit zulke witte huizen, zulke groene boomen, zulke vroolijke wandelaars gezien te hebben. Al haar wonderlijk fijn ontwikkelde zintuigen schenen te genieten: zij hoorde muziek, rook heerlijke geuren, proefde gretig de lucht als was deze een sappige vrucht. Maar het allerheerlijkste vond zij toch zoo aan den arm van haar vader te wandelen. Nog nooit was haar dat overkomen, al jaren lang droomde zij ervan als van een groot onmogelijk geluk, waarmede je je in zulke langdurige ziekten zoo dikwijls bezig houdt. En nu die droom werkelijkheid geworden was, jubelde haar hart luide op. Zij drukte zich tegen haar vader aan, trachtte goed rechtop te loopen, om hem eer aan te doen. En hij was heel trotsch en even gelukkig als zij, liet haar zien, liep als het ware met haar te koop; zijn hart was één en al vreugde haar, zijn bloed, zijn vleesch, zijn dochter, van nu af aan weer stralend van jeugd en gezondheid, tegen zich aan te voelen.
Toen zij het plateau de la Merlasse, dat reeds vol was met kaarsen- en bloemenverkoopsters, die den pelgrims haar koopwaren opdrongen, overgingen, riep mijnheer de Guersaint uit:
“Wij zullen toch niet met ledige handen naar de Grot gaan.”
Pierre, die aan den anderen kant naast Marie liep, bleef, medegesleept door de lachende vroolijkheid, waarin hij haar zag, staan. Onmiddellijk waren zij omringd door een zwerm koopvrouwen, wier hebzuchtige handen haar waren tot onder hun neus duwden. “Mooie juffrouw, goede heeren, koopt van mij, koopt van mij!” Zij moesten zich losrukken. Mijnheer de Guersaint kocht ten slotte den grootsten ruiker, een bouquet witte margerieten, rond en hard als een bloemkool, van een heel mooi, mollig en blond meisje van hoogstens twintig jaar, dat zich in haar onbeschaamdheid zoo weinig gekleed had, dat men de ronding van haar boezem onder haar half dicht geknoopt jakje zien kon. De bouquet kostte maar twintig sous; hij vond het vervelend die uit zijn slecht voorziene beurs te betalen en was eenigszins van zijn stuk gebracht door de manieren van die groote meid, terwijl hij bij zichzelf dacht, dat die wel op een andere manier haar brood zou verdienen, als de Heilige Maagd haar in den steek liet. Pierre betaalde de drie kaarsen, die Marie gekocht had van een oude vrouw, kaarsen van twee francs, heel goedkoop, zooals zij zeide. De oude vrouw, een hoekige figuur met een roofvogelneus en hebzuchtige oogen, putte zich in honingzoete dankbetuigingen uit: “Moge Notre-Dame de Lourdes u zegenen, schoone dame! Moge zij u en de uwen van uw ziekten genezen!” Dat vroolijkte hen weer op, lachend als kinderen bij de gedachte, dat die wensch der brave vrouw reeds een voldongen feit was, gingen zij verder.
In de Grot wilde Marie zich dadelijk bij de queue aansluiten, om, voor zij nog neerknielde, zelf de bloemen en de kaarsen te geven. Er waren nog niet veel menschen, zij gingen achter in de rij staan en kwamen na een minuut of drie vier aan de beurt! Met welk een verrukte blikken keek zij naar alles, naar het altaar met gegraveerd zilver, het harmonium, de geloftegiften, de van was druipende kandelaars, die in het volle daglicht vlamden! De Grot, die zij nog slechts uit de verte, van uit haar ziekenwagentje gezien had, ging zij nu binnen, zij ademde erin als in het paradijs zelf, badend in een lauwe warmte, in een zachten geur, die haar toch eenigszins bedwelmde. Toen zij de kaarsen in de groote mand neergelegd had en op haar teenen was gaan staan, om den ruiker boven aan een spijl van het hek te steken, kuste zij lang de rots onder het beeld der Heilige Maagd, op de plek, waar millioenen lippen die glad gemaakt hadden. En deze kus, welken zij aan dien steen gaf, was een kus van liefde, waarin zij al haar dankbaarheid legde, een kus, waarin haar hart wegsmolt.
Buiten gekomen, wierp Marie zich op haar knieën en verzonk in een eindeloos dankgebed. Haar vader was eveneens neergeknield en vereenigde zijn vurige dankbaarheid met de hare. Maar hij kon nooit lang zijn aandacht bij dezelfde zaak bepalen, hij begon wat onrustig te worden, fluisterde ten slotte zijn dochter in, dat hij nog een boodschap moest doen, waaraan hij daarnet niet gedacht had. Het zou maar het beste zijn, als zij bleef bidden, tot hij terugkwam. Terwijl zij bad, zou hij zich haasten, waarna zij dan op hun gemak zouden kunnen gaan wandelen. Zij begreep, ja verstond hem zelfs niet. Zij knikte alleen maar, beloofde hier te zullen blijven; ze was weer door zulk een geloofsverteedering aangegrepen, dat haar oogen, die steeds door op het witte beeld der Heilige Maagd gevestigd waren, nat werden van tranen.
Toen mijnheer de Guersaint zich weer bij Pierre, die zich wat op den achtergrond gehouden had, voegde, zeide hij:
“Het is een gewetensquaestie, ik heb den koetsier, die ons naar Gavarnie gereden heeft, beloofd, dat ik aan zijn patroon zou gaan vertellen waardoor wij zoo opgehouden zijn. Je weet wel, den kapper op de place du Marcadal. Trouwens, ik moet me toch ook even laten scheren.”
Ofschoon tegen zijn zin moest Pierre, toen mijnheer de Guersaint zeide, dat ze binnen een kwartiertje terug zouden zijn, wel meegaan. Maar daar het hem nog al ver voorkwam, stond hij van zijn kant erop een rijtuig te nemen, dat hij onder aan het plateau de la Merlasse zag wachten. Het was een soort groenachtige cabriolet; op den bok zat een koetsier, een flinke kerel van een jaar of dertig met een Baskische muts, een sigaret te rooken. Dwars over den bok zittend en met zijn beenen van elkaar reed hij met de rustige ongegeneerdheid van een man, die zich den meester van de straat voelt.
“Wacht maar even,” zeide Pierre, toen zij op de place du Marcadal uitstapten.
“Goed, mijnheer de abbé.”
En terwijl hij zijn mager paard in de volle zon liet staan, ging hij grapjes maken met een flinke, brutale meid, die in een fontein een hond aan het wasschen was.
Cazaban stond juist aan de deur van zijn winkel, welks groote spiegelruiten en lichtgroene verf het trieste, door de week steeds verlaten plein opvroolijkten. Wanneer het niet druk was, stond hij graag te geuren tusschen zijn twee groote vitrines, waarin pommadepotten en fleschjes parfum even zoo vele vroolijke plekken vormden.
Dadelijk herkende hij de heeren.
“Zeer gevleid, zeer vereerd … Gaat u, als het u blieft binnen!”
Bij de eerste woorden, die mijnheer de Guersaint zeggen wilde, om den koetsier, die hen naar Gavarnie gereden had, te verontschuldigen, was hij dadelijk zeer welwillend. Neen, natuurlijk, dat was de schuld van dien man niet, die kon niet beletten, dat er een wiel brak of dat er een onweer losbarstte. Wanneer de reizigers geen klachten hadden, dan was het in orde.
“O,” riep mijnheer de Guersaint uit, “een prachtig, een onvergetelijk land!”
“Welnu, mijnheer, als ons land u bevalt, dan zult u natuurlijk terugkomen, meer vragen we niet!”
Toen de architect op een der stoelen ging zitten en vroeg om geschoren te worden, werd hij een en al voorkomendheid. Zijn bediende was er niet, deed een paar boodschappen voor de pelgrims, die bij hem logeerden, een heele familie, welke een kist vol rozenkransen, gipsen beeldjes der Heilige Maagd en plaatjes onder glas mee wilde nemen. Op de eerste verdieping hoorde men zenuwachtig heen en weer loopen, heftige stemmen, kortom het gewone lawaai van menschen, die door een naderend vertrek opgewonden zijn en nog een berg van dingen in te pakken hebben. In de eetkamer, waarvan de deur open stond, slurpten twee kinderen hun chocolade leeg. Het geheele huis was verhuurd en aan de logé’s overgeleverd; het waren de laatste uren van deze vreemdelingen-invasie, die den kapper en zijn vrouw dwongen hun toevlucht te nemen in het sousterrein, een engen kelder, waarin zij op een kermisbed sliepen.
Terwijl Cazaban hem inzeepte, vroeg mijnheer de Guersaint:
“En is u nog al tevreden over het seizoen?”
“Zeker, mijnheer, ik heb niet te klagen. U hoort, mijn gasten vertrekken vandaag, maar morgen verwacht ik weer anderen; je hebt bijna geen tijd om de boel even schoon te maken.—En dat gaat zoo tot in October toe door.”
Daar Pierre op en neer bleef loopen of ongeduldig naar de muren stond te kijken, keerde hij zich beleefd om:
“Ga toch zitten, mijnheer de abbé, en neem een courant. Het zal niet lang duren.”
En toen de priester met een handgebaar te kennen gaf, dat hij liever bleef staan, ging de kapper in zijn voortdurende behoefte om te spreken voort:
“O, bij mij marcheert het altijd goed, mijn huis staat bekend om zijn zindelijke bedden en zijn goede keuken … Maar in de stad is men allesbehalve tevreden! Ja, ik zou bijna zeggen, dat ik nog nooit zoo’n ontevredenheid meegemaakt heb.”
Hij zweeg even, schoor de linkerwang, hield toen op en zeide plotseling in een kreet, dien de waarheid hem ontrukte:
“Mijnheer, de paters van de Grot spelen met vuur, dat is alles wat ik te zeggen heb.”
Toen was het hek van den dam, praatte hij aan één stuk door. Zijn groote oogen rolden in zijn lang gezicht met de vooruitstekende kaakbeenderen, den door den zon verbranden tint en de vele zomersproeten, terwijl zijn klein, zenuwachtig lichaampje schokte van zijn vele gebaren en woorden. Hij kwam op zijn acte van beschuldiging terug, vertelde de tallooze grieven, die de oude stad tegen de paters had. De hoteliers klaagden, de handelaren in religieuze artikelen verdienden nog niet de helft van vroeger; in het kort, de nieuwe stad legde beslag op de pelgrims en het geld, er was alleen nog maar wat te verdienen voor de pensions, de hotels en de winkels in de onmiddellijke nabijheid van de Grot. Het was een strijd op leven en dood, een van dag tot dag grooter wordende moorddadige vijandschap: de oude stad boette ieder seizoen iets van haar leven in en was ongetwijfeld veroordeeld om te verdwijnen, verstikt en vermoord te worden door de jonge stad. O, die vuile Grot! Hij zou liever zijn voeten laten afhakken dan ze daar neer te zetten. Was het niet schandelijk om naast de Grot een winkel van allerlei snuisterijen neer te plakken? Een echte schande, waarover een bisschop zoo verontwaardigd geworden was, dat hij er aan den paus over geschreven had! Hij, die er zich op beroemde een vrijdenker en een republikein van de oude garde te zijn, die reeds onder het keizerrijk op de candidaten der oppositie stemde, had toch zeker wel het recht om te zeggen, dat hij niet geloofde aan hun vuile Grot, dat hij die aan zijn laars lapte.
“Laat ik u eens één feit noemen, mijnheer. Ik weet het van mijn broer, die lid van den gemeenteraad is … Eerst moet ik u echter vertellen, dat wij tegenwoordig een republikeinschen gemeenteraad hebben, die zich den zedelijken achteruitgang van de stad zeer aantrekt. ’s Avonds kun je niet meer uitgaan zonder overal op straat snollen tegen te komen, die zoogenaamd kaarsen verkoopen. Zij geven zich af met de koetsiers, die in het seizoen hier komen, in het kort een verdacht zootje, dat God mag weten waarvandaan komt … Ook moet ik u even in een paar woorden de verhouding van de paters tegenover de stad uitleggen. Toen zij de terreinen van de Grot van de stad kochten, hebben zij een contract geteekend, waarbij zij zich uitdrukkelijk verbonden geen handel te drijven. Nu hebben zij ondanks hun belofte toch een winkel geopend. Dat is oneerlijke concurrentie, die fatsoenlijke menschen onwaardig is, dat zult u moeten toegeven … De nieuwe gemeenteraad besloot dan ook een commissie naar de paters te zenden, om te eischen, dat zij zich aan hun contract zouden houden en hun uitdrukkelijk te gelasten, den winkel onmiddellijk te sluiten. En weet u wat zij geantwoord hebben, mijnheer?… O, wat ze al twintigmaal geantwoord hebben, wat ze altijd antwoorden, wanneer men ze aan hun verplichtingen herinnert: “Goed, we zullen ze houden, maar wij zijn meester in ons eigen huis, en we sluiten de Grot.””
Hij was rechtop gaan staan, zwaaide met zijn scheermes in de lucht en herhaalde, terwijl hij de woorden scandeerde en zijn oogen, die door deze enormiteit nog grooter geworden waren, wijd opensperde:
“Wij sluiten de Grot.”
Pierre, die nog steeds op en neer liep, bleef plotseling staan en zeide hem vlak in zijn gezicht:
“Dan had de gemeenteraad moeten antwoorden: “Sluit haar!””
Cazaban stikte bijna. Het bloed stroomde naar zijn gezicht.
“De Grot sluiten!… De Grot sluiten!” stamelde hij.
“Ja, natuurlijk! Die Grot ergert jullie immers toch zoo! Zij is immers één voortdurende oorzaak van oorlog, van onrechtvaardigheid, van bederf! Dan zou het uit zijn, zou je er niet meer over hooren praten … Werkelijk, dat zou een prachtige oplossing zijn, en wanneer men daartoe de macht bezat, zou men u een dienst bewijzen door de paters te dwingen hun bedreiging uit te voeren.”
Hoe langer Pierre sprak, des te meer zakte de woede van Cazaban. Hij werd kalm en wat bleek. In zijn groote oogen zag de priester een zekere ongerustheid grooter worden. Was hij niet te ver gegaan in zijn hartstocht tegen de paters? Vele geestelijken waren alles behalve met hen ingenomen, misschien was deze jonge priester alleen maar naar Lourdes gekomen, om een campagne tegen hen op touw te zetten? En wie kon zeggen wat er dan gebeuren zou? Mogelijk zou het op den duur leiden tot een sluiting van de Grot. En daar leefde men toch alleen van. Al ging de oude stad te keer, omdat zij slechts de kruimels kreeg, toch was zij altijd nog blij met dat buitenkansje; en de vrijdenkers zelf, die geld uit de pelgrims sloegen, zwegen verschrikt en met een onbehaaglijk gevoel, zoodra men het ten opzichte van de leelijke schaduwzijde van het nieuwe Lourdes te zeer met hen eens was. Men moest voorzichtig zijn.
Cazaban ging weer naar mijnheer de Guersaint terug. Hij begon met de andere wang te scheren en zeide op onverschilligen toon:
“Wat ik van de Grot zeg, dat zeg ik niet, omdat zij mij hindert. En trouwens, iedereen moet leven.”
In de eetkamer hadden de kinderen, die een oorverdoovend geschreeuw aanhieven, een der koppen chocolade gebroken. Weer zag Pierre de vrome plaatjes, de Heilige Maagd van gips, waarmede de kapper, om zijn huurders pleizier te doen, het vertrek versierd had. Van de eerste verdieping schreeuwde een stem, dat de koffer dicht was en dat de bediende zeker wel zoo goed zou willen zijn om dien, wanneer hij thuis kwam, met een touw toe te komen binden.
Maar Cazaban bleef tegenover de twee heeren, die hij per slot van rekening toch niet kende, wantrouwend en verlegen; allerlei verontrustende veronderstellingen spookten door zijn brein. Het bracht hem bijna tot wanhoop, dat hij ze zoo, zonder iets van hen te weten, moest laten gaan, nadat hij zichzelf zoo gecompromitteerd had. Als hij zijn al te heftige woorden tegen de paters nog maar had kunnen intrekken. Toen mijnheer de Guersaint opstond, om zich af te wasschen, kon hij niet langer weerstand bieden om het gesprek weer te beginnen.
“Hebt u al gehoord van het wonder van gisteren? De heele stad is er vol van, zeker al twintig menschen hebben het me verteld … Ja, het schijnt, dat zij een buitengewoon wonder te boeken hebben, een jonge dame, die verlamd was en die opgestaan is en haar wagentje tot in het koor der Basilica gereden heeft.”
Mijnheer de Guersaint, die, na zich afgedroogd te hebben, weer wilde gaan zitten, lachte welgevallig:
“Die jonge dame is mijn dochter.”
Cazaban straalde van blijdschap, dat hij op den gelukkigen inval gekomen was daarover te beginnen. Gerustgesteld, manoeuvreerde hij magistraal met zijn kam, terwijl hij zijn gebaren- en woordenstroom weer terugvond.
“Ik wensch u van harte geluk, mijnheer, en het is mij een groote eer, u onder mijn handen gehad te hebben … Nu mademoiselle genezen is, is dat voldoende voor het vaderhart, niet waar?”
Ook voor Pierre had hij een vriendelijk woord. Toen hij er eindelijk toe kwam hen te laten gaan, keek hij den priester diep getroffen aan en zeide als een verstandig man, die een definitief oordeel over de wonderen wilde vellen:
“Er komen van die voor iedereen gelukkige wonderen voor, mijnheer de abbé. Van tijd tot tijd moeten we er zoo een hebben.”
Buiten moest mijnheer de Guersaint den koetsier gaan halen, die nog steeds grapjes stond te maken met de meid, wier druipnatte hond zich in de zon stond uit te schudden. Binnen vijf minuten bracht het rijtuig hen beneden aan het plateau de la Merlasse terug. De heele tocht had ongeveer een half uur in beslag genomen. Pierre wilde het rijtuig houden met het plan Marie de stad te laten zien, zonder haar al te veel te vermoeien. Terwijl de vader Marie bij de Grot ging halen, bleef hij onder de boomen wachten.
Onmiddellijk knoopte de koetsier een gesprek met den priester aan. Hij had een nieuwe sigaret aangestoken en deed dadelijk heel familiaar. Hij beklaagde zich volstrekt niet, dat hij uit een dorpje in de omstreken van Toulouse hierheen gekomen was, want hij verdiende hier te Lourdes een prachtig daggeld. Je at er goed, je amuseerde je best, je kon het een Luilekkerland noemen. Hij zeide die dingen met de nonchalance van een man, die niet veel last heeft van godsdienstige gewetensbezwaren, zonder echter den eerbied uit het oog te verliezen, dien hij aan een geestelijke verschuldigd was.
Eindelijk liet hij zich van af zijn bok, waarop hij half lag, terwijl zijn eene been hing te slingeren, zich langzaam de woorden ontvallen:
“Ja, mijnheer de abbé, Lourdes heeft goed opgenomen, maar het is de vraag, of het lang zoo zal duren.”
Getroffen door dit woord, overwoog Pierre er de diepe beteekenis van, toen mijnheer de Guersaint met Marie terugkwam. Hij had haar nog op dezelfde plaats, in hetzelfde dankgebed verdiept, aan de voeten der Heilige Maagd teruggevonden; het leek alsof zij den geheelen gloed der Grot in haar oogen had medegebracht, zoo schitterde zij van hemelsche vreugde over haar genezing. Neen, zij weigerde beslist te rijden. Neen, neen, zij wilde veel liever loopen; het kon haar niet schelen of zij de stad zag of niet; als zij nog maar een uurtje aan den arm van haar vader door de tuinen, door de straten, over de pleinen wandelen kon! Toen Pierre den koetsier betaald had, sloeg zij een laantje van den tuin der Esplanade in en vond het heerlijk zoo met kleine pasjes langs de met bloembedden versierde grasperken onder de groote boomen te wandelen. Het was zoo mooi, zoo frisch, al dat gras, al die bladeren, die schaduwrijke, eenzame lanen, waarin men het eeuwige ruischen van den Gave hoorde. Dan wilde zij weer terug naar de drukke straten, om er de beweging, het lawaai, het leven, waarnaar haar geheele hart uitging, terug te vinden.
Toen in de rue Saint-Joseph Pierre’s oog op het Panorama viel, waarin men de oude Grot met de knielende Bernadette op den dag van het kaarsenwonder zag, kwam hij op het denkbeeld te gaan kijken. Marie was er zoo blijde als een kind over, terwijl mijnheer de Guersaint eveneens de meest onschuldige vreugde liet blijken, vooral toen hij merkte, dat er onder de menigte pelgrims, die zich met hen in de donkere gang verdrongen, verschillende waren, die in zijn dochter de jonge wonderdadig genezene herkenden, wier naam van mond tot mond vloog. Toen men boven op de hooge estrade in het matte licht kwam, dat door een soort velum gedempt werd, werd Marie een soort ovatie gebracht, ontstond er een zacht fluisteren, werden verrukte blikken op haar geworpen, voelden allen een extatische behoefte om haar te zien, haar na te loopen, haar aan te raken.
Het was, alsof een stralenkrans haar omgaf, van nu af aan zou zij overal waar zij kwam, zoo bemind worden. Om haar wat te doen vergeten, stelde de beambte, die met de verklaring belast was, zich aan het hoofd der kleine groep bezoekers, liep met hen rond en vertelde de episode, die het groote, kringvormige, honderd zes-en-twintig meter lange doek voorstelde. Het bracht de zeventiende verschijning van de Heilige Maagd aan Bernadette in beeld, den dag, waarop zij, neergeknield voor de Grot, uit onachtzaamheid gedurende het visioen haar hand op de vlam van de kaars gehouden had, zonder die te branden: het geheele oude landschap der Grot was hersteld, het geheele tooneel was weergegeven met de historische personen, den dokter, die met zijn horloge in zijn hand het wonder constateerde, den burgemeester, den commissaris van politie, den officier van justitie, wier namen de beambte te midden van de verrukte uitroepen van het publiek, dat hem volgde, noemde.
Toen kwamen door een onwillekeurige gedachten-associatie Pierre de woorden weer voor den geest, die de koetsier tegen hem gezegd had: “Lourdes heeft goed opgenomen, maar het is de vraag, of het lang zoo duren zal.” Inderdaad, dàt was de vraag. Hoeveel gewijde heiligdommen waren niet reeds zoo gebouwd op aanwijzing van onschuldige kinderen, uitverkoren onder allen en aan wie de Heilige Maagd verschenen was! Altijd weer was het dezelfde geschiedenis: een verschijning, een herderinnetje, dat men vervolgde en voor leugenaarster uitmaakte, dan een onbewuste drang van de menschelijke ellende, die naar illusie snakte, vervolgens de propaganda, de triomf van het als een vuurtoren stralende heiligdom, en eindelijk de achteruitgang, het verval, de vergetelheid, wanneer elders een ander heiligdom uit den visionnairen droom van een andere zieneres ontstond. Het leek wel alsof de macht der illusie versleten geraakte, alsof men het in den loop der eeuwen moest verplaatsen, het opnieuw opbouwen moest in andere decors, om de macht en de kracht ervan te herstellen. La Salette had de vroegere genezende Maagden van hout of steen onttroond, Lourdes had La Salette onttroond, om straks op zijn beurt ook weer onttroond te worden door de Notre-Dame van morgen, die met haar vriendelijk, glimlachend gelaat zou verschijnen aan een rein kind, dat nog geboren moest worden.
Dat Lourdes een zoo snellen, zoo wonderbaarlijk vluggen opbloei gehad had, dankte het ongetwijfeld aan het oprechte, eerlijke zieltje, aan de heerlijke bekoring van Bernadette. Hier geen bedrog, geen leugen, maar alleen de bloem van het lijden, een zwak, ziekelijk meisje, dat aan het lijdende volk in het wonder den droom van gerechtigheid en gelijkheid bracht. Zij was de eeuwige hoop, de eeuwige vertroosting. Bovendien schenen alle historische en maatschappelijke omstandigheden samengewerkt te hebben om aan het einde van een verschrikkelijke eeuw van empiristische onderzoekingen en nasporingen den drang naar die mystieke vlucht te versterken; daarom zou Lourdes ongetwijfeld nog lang in zijn triomf blijven voortbestaan, alvorens het niets meer zijn zou dan een legende, een van die doode godsdiensten met een sterken, maar vervluchtigden geur.
O, dat oude Lourdes, die stad van vrede en van geloof, de eenig mogelijke wieg, waarin de legende geboren kon worden! Wat kon Pierre het zich makkelijk voor den geest roepen, toen hij het lange doek van het Panorama omwandelde! Dit doek zeide alles, het gaf het beste uitsluitsel over de dingen, dat men geven kon. Naar de eentonige verklaringen van den beambte behoefde men niet te luisteren; het landschap sprak voor zichzelf. In de eerste plaats de Grot, het rotshol aan den oever van den Gave, een woeste plek voor droomen, met struikgewas bedekte hellingen, ineenstortingen van steenen zonder een gebaanden weg; en verder niets, geen verfraaiïngen waren nog aangebracht, geen monumentale kade, geen lanen in Engelsche tuinen, die zigzagden tusschen mooi geschoren hagen, geen prachtig ingerichte, maar misvormde, door een hek afgesloten Grot, en vooral geen winkel van religieuze artikelen, nog geen winkel van simonie, die een ergernis was voor vrome zielen.
De Heilige Maagd had in de woestijn geen bekoorlijker plekje kunnen kiezen om zich aan de uitverkorene van haar hart te openbaren, het arme meisje, dat hier rondliep met den droom van haar pijnlijke nachten, en dood hout sprokkelde. Verder zag hij aan de overzijde van den Gave, achter de rots van het Kasteel, het oude, in vol geloofsvertrouwen ingeslapen Lourdes.
Een andere eeuw rees voor zijn oog op, een klein stadje met zijn nauwe, met kiezelzand geplaveide straatjes, zijn zwarte huisjes, zijn oude, half-Spaansche kerk vol oude beeldhouwwerken, bevolkt met gouden visioenen en geschilderde beelden. Tweemaal per dag kwamen de diligences van Bagnères en Cauterets, die de Lapaca moesten doorwaden, om daarna de steile helling van de rue Basse op te rijden. De geest der eeuw was nog niet over deze vredige daken gestreken, welke de altijd nog kinderlijk gebleven bevolking beschermden, die zich nog steeds voegde in den nauwen band van een strenge, godsdienstige tucht. Geen overdadige weelde, een kalme, eeuwenoude handel was voldoende voor het dagelijksche leven, een armzalig-eenvoudig leven, welks ruwheid de beste bescherming voor de goede zeden was. Nooit had Pierre beter begrepen hoe Bernadette, de dochter van dat land van geloof en strenge zeden, er gebloeid had als een natuurroos, ontloken op de wilde rozestruiken langs den weg.
“Het is toch wel interessant,” zeide mijnheer de Guersaint, toen zij weer op straat waren. “Ik ben blij, dat ik het gezien heb.”
Ook Marie glimlachte vergenoegd.
“Niet waar, papa, je zoudt denken, dat het echt was. Soms is het net, alsof de menschen zich bewegen willen … En hoe verrukkelijk is Bernadette, zooals zij daar in extase geknield ligt, terwijl de vlam van de kaars om haar vingers lekt, zonder een brandwond achter te laten.”
“Kom,” begon de architect weer, “we hebben niet meer dan een uur; als we nog wat willen koopen, moeten we niet al te lang meer wachten. Willen we eens in de winkels gaan kijken? Wij hebben wel aan Majesté beloofd hem de voorkeur te geven, maar dat belet ons niet, om ook verder eens rond te kijken. Wat zeg jij ervan, Pierre?”
“Net zoo als u wilt, hoor!” antwoordde de priester. “We wandelen dan gelijk nog wat.”
En hij volgde het jonge meisje en haar vader, die naar het plateau de la Merlasse teruggingen. Na zijn bezoek aan het Panorama had hij het vreemde gevoel, als was hij in een heel ander land gekomen. Het was, alsof men hem plotseling van de eene stad in een andere gezet had, die er eeuwen ver van verwijderd lag. Hij verliet de eenzaamheid, den ingesluimerden vrede van het oude Lourdes, die nog versterkt werd door het matte licht van het velum, om plotseling neer te vallen in het nieuwe, stralende, luidruchtige Lourdes.
Het was nu even over tienen, op de trottoirs heerschte een levendige drukte, een dichte menigte, die voor het dejeuner de noodige inkoopen doen moest, om vervolgens alleen nog maar aan het vertrek te denken.
De duizenden pelgrims van de nationale bedevaart stroomden, in een laatste gedrang, door de straten, belegerden de winkels. Afgaande op het geschreeuw en lawaai en de herrie zou men hebben kunnen denken aan een kermis, die ten einde loopt. Vele pelgrims voorzagen zich van mondvoorraad voor de reis, plunderden de openluchtstalletjes, waarin men broodjes met worst en ham verkocht. Men kocht vruchten, men kocht wijn, manden vulden zich zóó met flesschen en vette papieren, dat zij bijna barstten. Een koopman, die met kaas liep te venten, zag zijn wagen eensklaps leeg, als was er een stormwind door geloeid.
Maar vooral kocht de menigte religieuze artikelen; ventende kooplui, wier wagentjes vol beeldjes en vrome prentjes waren, deden schitterende zaken. Voor de winkels werd queue gemaakt: vrouwen hadden buitengewoon groote rozenkransen om haar hals gedaan, hielden beeldjes der Heilige Maagd onder haar armen, droegen kruiken, om die in de Grot met het wonderdoende water te vullen. Deze in de hand gedragen of aan een riem hangende kruiken, welke een tot tien liter bevatten konden, ten deele zonder beeld en ten deele met het portret van de Heilige Maagd in blauwe kleuren beschilderd waren, gaven met hun glans van nieuw blik en hun luid gerinkel iets vroolijks aan de menigte.
De koopwoede, het genot, om geld uit te geven en met zakken vol photographieën en medailles terug te keeren, deden de gezichten stralen met een feestelijken glans, veranderde de uitgelaten menigte in een kermistroep, die zijn schrokkige lusten bevredigt.
Op het plateau de la Merlasse kwam mijnheer de Guersaint een oogenblik in de verleiding, om een van de mooiste en drukste winkels binnen te gaan; op het uithangbord stond in groote letters: Soubirous, broeder van Bernadette.
“Als we hier onze inkoopen eens deden? Dat zou er meer lokale kleur aan geven, en onze souvenirs zouden er des te belangrijker door worden.”
Dan echter ging hij verder en herhaalde, dat men eerst alles zien moest.
Toen Pierre den winkel van Bernadette’s broeder zag, kreeg hij een gevoel, alsof hij een prop in zijn keel had. Het hinderde hem: de broer, die de Heilige Maagd verkocht, welke zijn zuster gezien had. Maar hij moest toch leven; en Pierre meende te weten, dat de familie der zieneres in haar winkel naast de van goud stralende Basilica, geen schitterende zaken maakte, zoo scherp was de concurrentie. Het mocht dan waar zijn, dat de pelgrims millioenen in Lourdes achterlieten, er waren meer dan tweehonderd handelaars in religieuze artikelen, ongerekend de hoteliers en pensionhouders, die het grootste gedeelte opstreken, zoodat de zoo vurige betwiste winsten ten slotte middelmatig waren. Het geheele plateau langs, rechts en links van Bernadette’s broer, waren nog andere winkels, één ononderbroken rij winkels naast elkaar, die alle afdeelingen van de door de stad gebouwde galerij innamen en de stad een jaarlijksche huursom van zestigduizend francs opbrachten. Het waren echte bazars, open etalages, die tot op het trottoir stonden en den menschen het loopen bemoeilijkten. Over een lengte van driehonderd meters waren er geen andere zaken: één stroom van rozenkransen, medailles, beeldjes, die eindeloos over de vitrines vloeide. De uithangborden verkondigden in reusachtige letters de meest vereerde namen: de H. Roch, de H. Jozef, Jeruzalem, de Onbevlekte Maagd, het Heilige Hart van Maria, in het kort het beste, wat het Paradijs bevatte om klanten te trekken.
“Ik geloof waarachtig,” zeide mijnheer de Guersaint, “dat het overal precies hetzelfde is. Laten we maar ergens binnengaan.”
Hij had er genoeg van, die eindelooze rij etalages maakte hem doodmoe.
“Maar daar u beloofd hebt bij mijnheer Majesté te koopen,” zeide Marie, die niet moede werd, “moesten we maar teruggaan.”
“Uitstekend, laten we naar Majesté gaan!”
Maar in de rue de la Grotte begonnen de winkels opnieuw. Aan beide kanten stonden zij dicht op elkaar; doch nu waren er ook juweliers, modewinkels, parapluiehandelaars, zelfs was er een confiseur, die doozen Lourdes-water-pastilles verkocht, op het deksel waarvan het beeld der Heilige Maagd geschilderd was. De vitrines van een photograaf lagen vol met gezichten van de Grot en van de Basilica, portretten van bisschoppen en van eerwaarde paters van alle orden, en ansichtskaarten uit de omstreken. Een boekwinkel stalde de laatste Katholieke publicaties uit, boeken met vrome titels, waaronder de talrijke boeken, die sedert twintig jaar over Lourdes verschenen waren en waarvan sommige een groot opzien verwekt hadden. Op dezen grooten, drukken weg vloeide de menigte in een breeden stroom, tinkelden de kruiken, was het één intense levensvreugde in de heldere zon, die de straat in haar geheele lengte bescheen. De beeldjes, de medailles, de rozenkransen schenen nooit op te houden, de eene etalage volgde op de andere, kilometers ver ging het zoo voort door de straten van de geheele stad, die een bazaar met steeds weer dezelfde artikelen scheen geworden te zijn.
Voor het Hôtel des Apparitions aarzelde mijnheer de Guersaint nog even.
“Dus goed afgesproken, we zullen hier onze inkoopen doen.”
“Natuurlijk,” zeide Marie. “Kijk eens hoe mooi de winkel is.”
Zij ging het eerst den winkel binnen, werkelijk een der grootste van de straat en die de geheele linkerhelft van den rez-de-chaussée van het hotel besloeg. Mijnheer de Guersaint en Pierre volgden haar.
Appoline, de nicht van Majesté, die met den verkoop belast was, stond op een klein trapje, om uit een hooge lade wijwaterbakjes te krijgen, die zij moest laten zien aan een jongen man, een eleganten brancarddrager met mooie, gele slobkousen. Zij lachte met het gekir van een tortelduif en zag er bekoorlijk uit met haar dikke zwarte haren, haar prachtige oogen in een iets te vierkant gezichtje met het rechte voorhoofd, de breede wangen en de dikke, roode lippen. Pierre zag heel duidelijk, hoe de hand van den jongen man aan den rand van de rok het ondergedeelte van een been streelde, dat zich daar blijkbaar met die bedoeling had neergezet. Het was een visioen van een seconde. Reeds was het jonge meisje lenig van het trapje gesprongen en vroeg:
“Dus u gelooft niet, dat dit model bakje in den smaak van uw tante zal vallen?”
“Neen, heelemaal niet,” antwoordde de brancardier, terwijl hij wegging; “zie, dat u het andere model krijgt. Ik ga morgen pas weg en kom nog wel terug.”
Toen Appoline hoorde, dat Marie de wonderdadig genezene was, over wie madame Majesté sinds den vorigen avond aan één stuk door sprak, was zij dadelijk zeer voorkomend. Zij keek naar haar met haar vriendelijk glimlachje, waarin een zweempje verbazing en discreet ongeloof was, zoo iets als de geheime spot van een knap, op haar eigen lichaam verliefd meisje, tegenover een kinderlijke, achterlijk gebleven maagdelijkheid. Maar handig verkoopster als zij was, putte zij zich uit in vriendelijke woorden.
“O mademoiselle, hoe heerlijk u iets te mogen verkoopen! Het aan u volbrachte wonder is zoo buitengewoon mooi!… Het geheele magazijn staat voor u open. Wij hebben een prachtige keus.”
Marie werd een beetje verlegen.
“Dank u, heel vriendelijk van u … Wij komen maar een paar kleinigheden koopen.”
“Als u het goed vindt,” zeide mijnheer de Guersaint, “dan willen we graag even rondkijken.”
“Uitstekend, mijnheer, kies zelf uit, dan kunnen we straks verder zien.”
Toen er andere koopers binnenkwamen, vergat Appoline hen al gauw en vatte haar taak als knappe verkoopster weer op met vleiende woorden, verleidelijke bewegingen, vooral voor de mannen, die zij nooit liet vertrekken of zij moesten hun zakken vol hebben.
Van den louis d’or, dien Blanche mijnheer de Guersaint bij het vertrek als zakgeld toegestopt had, waren nog twee francs over. Hij durfde dan ook in zijn keus niet al te ver te gaan. Maar Pierre verklaarde, dat het hem hoogst onaangenaam zijn zou, als men hem niet toestond hun de enkele souvenirs, die zij uit Lourdes wilden meenemen, aan te bieden. Toen kwamen zij overeen, dat zij eerst een cadeau voor Blanche zouden uitzoeken en dat Marie en haar vader ieder het souvenir, dat het meest in hun smaak viel, nemen zouden.
“Laten we ons niet overhaasten,” herhaalde mijnheer de Guersaint eenige malen vroolijk. “Zoek goed uit, Marie … Waar zouden we Blanche het meeste pleizier mee doen?”
Alle drie keken ze en zochten ze. Naarmate zij meer zagen, werd hun besluiteloosheid echter grooter. Het groote magazijn met zijn vele toonbanken, vitrines en kastjes, die het van boven naar beneden versierden, was een zee met tallooze golven, een overvloed van alle mogelijke en onmogelijke religieuze artikelen. Er waren rozenkransen, heele ritsen rozenkransen, die aan de muren hingen, hoopen rozenkransen in de laden, vanaf de gewoonste rozenkransen van twintig sous het dozijn tot rozenkransen van reukhout, van agaat, van lazuursteen, die met goud en zilver opgelegd waren, sommige waren zóó lang, dat men ze dubbel om den hals en het middel dragen kon, hadden zorgvuldig bewerkte kralen, groot als noten en door doodskoppen van elkaar gescheiden. Er waren medailles, een regen van medailles, medailles in volle doozen, van alle grootten, van alle metalen, goedkoope en kostbare, met verschillende opschriften, medailles, die de Basilica, de Grot, de Onbevlekte Ontvangenis voorstelden, gegraveerd, gedreven, geciseleerd, geëmailleerd, met de hand bewerkt of bij het gros tegelijk machinaal vervaardigd.
Er waren beeldjes van Heilige Maagden, kleine, groote, van zink, van hout, van ivoor, van gips vooral, sommige geheel wit, andere beschilderd met levendige bloemen; tot in het oneindige gaven zij de door Bernadette gemaakte beschrijving weer: het vriendelijk lachende gezicht, de zeer lange sluier, de blauwe sjerp, de gouden rozen op de voeten, maar met kleine variaties voor ieder model, om daardoor den eigendom van den vervaardiger te beschermen. Verder was er nog een andere vloed van religieuze artikelen: de honderd verschillende scapulieren, duizenden afdrukken van vrome plaatjes, fijnbewerkte gravures, schreeuwende lithographieën, die verdronken in een zee van kleine gekleurde, vergulde, geverniste, met bouquetjes beschilderde en kant versierde plaatjes. Ook waren er bijouterie-artikelen, ringen, broches, armbanden met steenen en kruisen en versierd met heilige figuren. Eindelijk nog een zondvloed van galanterieën: potloodhouders, porte-monnaies, sigarenpijpjes, presse-papiers, vouwbeenen, tot tabaksdoozen toe, tallooze voorwerpen, waarop onophoudelijk de Basilica, de Grot, de Heilige Maagd terugkwamen, die op alle wijze en volgens alle bekende procédés gereproduceerd waren. In een kast met vijftig-centimes-artikelen lag een opeenstapeling van servetringen, eierdopjes en houten pijpen, waarop de verschijning van Notre-Dame de Lourdes uitgesneden was.
Langzamerhand begon mijnheer de Guersaint er een walg van te krijgen; de geprikkeldheid van iemand, die zich verbeeldt een kunstenaar te zijn, had zich van hem meester gemaakt.
“Het is afschuwelijk, het eene is nog leelijker dan het andere,” herhaalde hij bij ieder nieuw artikel, dat hij bekeek.
Hij gaf zijn hart lucht door Pierre te herinneren aan de mislukte poging, die hij gedaan had, om een omwenteling te brengen in de religieuze platendrukkerij. De overblijfselen van zijn fortuin waren erin gebleven, wat hem tegenover de jammerlijke dingen, waarmede het magazijn volgepropt was, nog strenger maakte. Had iemand ooit zulke dwaas-leelijke en daarbij toch zoo pretentieuse dingen gezien? De alledaagschheid van het denkbeeld en de onnoozelheid in de uitdrukking vonden een waardigen tegenhanger in de banale uitvoering. Het had iets van een modeplaat, van de deksels van bonbondoozen, van wassen poppen, die in de etalages van kappers staan: het was een valsch-mooie, pijnlijk-hinderlijke kunst zonder eenig menschelijk gevoel, zonder uitdrukking, zonder eenige echtheid. De architect, eenmaal op zijn praatstoel, wist niet van ophouden, sprak nu ook zijn afkeuring uit over de gebouwen van het nieuwe Lourdes, de jammerlijk-leelijke inrichting van de Grot, het afschuwelijke van de kolossale hellingen, de ongelukkige wanverhoudingen van de Rozenkranskerk en van de Basilica, gene te zwaar en precies een graanschuur, deze mager als een aan bloedarmoede lijdend gebouw zonder eenigen stijl.
“Waarachtig,” zoo zeide hij ten slotte; “je moet wel veel van de Heilige Maagd houden, om haar tusschen dergelijke monstruositeiten te komen vereeren. Zij hebben alles bedorven en verknoeid, alsof zij er pleizier in hadden, zonder dat één van hen ook maar een minuut van ontroering, van echte naïeveteit, van het oprechte geloof gehad heeft, dat kunstwerken wrocht. Allemaal stomkoppen, allemaal naäpers, geen een, die zijn bloed en zijn ziel gegeven heeft. Wat zal hen dan wèl kunnen inspireeren, wanneer zij niets grootsch te voorschijn hebben kunnen roepen uit dit land van het wonder?”
Pierre gaf geen antwoord. Maar hij werd bijzonder getroffen door deze beschouwingen, eindelijk kon hij nu zich verklaren waarom hem onmiddellijk bij zijn aankomst een gevoel van onbehagen had aangegrepen. Het kwam voort uit den wanklank tusschen het geheel moderne milieu en het geloof der vervlogen eeuwen, dat men weer tot nieuw leven trachtte te wekken. Hij riep zich de oude kathedralen voor den geest, waarin dit geloof der volkeren nog na-huiverde; hij zag weer de oude voorwerpen van den eeredienst, de heiligenbeelden, de goudsmeedkunst, de heiligen van hout en steen met hun wonderbaar krachtige uitdrukking. In die oude, lang vervlogen tijden geloofden de meesters, gaven zij, zooals mijnheer de Guersaint zeide, hun bloed en hun ziel. En nu bouwden de architecten de kerken met dezelfde rustige kunde als waarmede zij een huis van vijf verdiepingen bouwden, evenals de religieuze artikelen, rozenkransen, medailles, beeldjes per gros in de volkrijke buurten van Parijs vervaardigd werden door fuivende werklui, die nooit naar de kerk gingen.
Wat een lorrenpijperij om van te huilen, wat een onnoozele sentimentaliteit om je het hart in je lichaam te doen omkeeren! Lourdes was erdoor overstroomd, verwoest, zoo leelijk gemaakt, dat menschen met een klein beetje fijngevoeligen smaak, die er toevallig verdwaalden, er onpasselijk van werden. Dat alles vloekte brutaal met de wederopstanding, die men beproefd had, met de legenden, met de ceremoniën, de processies van gestorven eeuwen, en Pierre bedacht plotseling, dat de historische en maatschappelijke ondergang van Lourdes daarin lag, dat het geloof bij een volk voor eeuwig gestorven is, wanneer het dit niet meer legt in de kerken, die het bouwt, in de rozenkransen, die het vervaardigt.
Marie had voortdurend met kinderlijk ongeduld in de etalages gezocht; zij weifelde, kon niets vinden, dat den grootschen droom van verrukking, dien zij in zich bewaren wilde, waardig scheen.
“Vader, het wordt te laat, u moet mij naar het Hôpital brengen … En om er een eind aan te maken, ik zal aan Blanche deze medaille met den zilveren ketting geven. Dat is nog het eenvoudigste en het mooiste. Zij kan het als een aardige herinnering dragen … Ik voor mij neem dit beeldje van Notre-Dame de Lourdes, dat kleine model, dat vrij aardig beschilderd is. Ik zal het in mijn kamer zetten en altijd met frissche bloemen omgeven … Dat zal heel aardig zijn, niet?”
Mijnheer de Guersaint knikte goedkeurend. Dan zeide hij, op zijn eigen keus terugkomend:
“Lieve Hemel, ik weet heusch niet, wat ik nemen moet.”
Hij bekeek nog eens de ivoren penhouders, die in kogeltjes, zoo groot als erwten, eindigden, waarin mikroskopische photographieën zaten. En toen hij zijn oog voor een van die miniatuurgaatjes hield, om te kijken, riep hij verrukt uit:
“Kijk, het keteldal van Gavarnie!… Dat is wonderbaarlijk je ziet er alles op, hoe kan die kolos in dit kleine hokje?… Waarachtig, ik neem dien penhouder. Hij zal mij altijd aan mijn uitstapje herinneren.”
Pierre had eenvoudig een portret van Bernadette gekozen, het groote portret, dat haar knielend voorstelt, in haar zwarte kleedje, met een doek over haar haar geknoopt, het eenige, dat naar de natuur gemaakt is. Hij betaalde gauw, en ze wilden met hun drieën weggaan, toen madame Majesté binnenkwam en Marie met alle geweld een kleine herinnering wilde geven; dat zou haar winkel geluk aanbrengen.
“Neem als het u blieft een scapulier, mademoiselle, kijk, een van deze. De Heilige Maagd, die u uitverkoren heeft, zal het mij met voorspoed in zaken betalen.”
Zij sprak luid en maakte zooveel drukte, dat de koopers, waarmede de winkel vol stond, belangstellend naar het jonge meisje keken. Weer begon de populariteit om haar heen, die ten slotte zich ook meester maakte van de straat, toen madame Majesté in de deur van haar winkel ging staan, aan de kooplieden aan den overkant wenken gaf en zoo de geheele buurt in opschudding bracht.
“Gaan we nu eindelijk?” vroeg Marie, die hoe langer hoe meer verlegen werd. Doch haar vader hield haar nog tegen, toen hij een priester zag binnenkomen.
“Ha, mijnheer de abbé des Hermoises!”
Het was inderdaad de mooie, heerlijk geparfumeerde abbé in een fijne soutane; zijn frisch gezicht straalde van vroolijkheid. Hij had zijn reisgenoot van den vorigen dag niet gezien en was dadelijk naar Appoline toegegaan, die hij ter zijde nam.
Pierre hoorde hem half fluisterend zeggen:
“Waarom hebt u mij mijn drie dozijn rozenkransen vanochtend niet gebracht?”
Appoline lachte weer met het gekir van een tortelduif, terwijl zij hem, zonder te antwoorden, ondeugend van onder haar oogwimpers aankeek.
“Ze zijn voor mijn kleine biechtkinderen uit Toulouse, ik wilde ze onder in mijn koffer stoppen, en u hadt mij aangeboden mij bij het inpakken te helpen.”
Zij lachte nog altijd en keek hem weer coquet aan.
“Nu kan ik morgenochtend pas gaan. Breng ze me dan vanavond, als u vrij bent … Het is aan het eind van de straat bij madame Duchêne op den rez-de-chaussée … Wees nu eens aardig en kom zelf.”
Met haar roode lippen zeide zij eindelijk schertsend op een toon, die hem in onzekerheid liet, of zij haar belofte na zou komen:
“Zeker, mijnheer de abbé, ik zal komen.”
Zij werden gestoord: mijnheer de Guersaint ging den priester de hand drukken. Onmiddellijk begonnen zij over het keteldal van Gavarnie: een heerlijk uitstapje, dat zij nooit vergeten zouden. Dan maakten zij zich wat vroolijk over hun twee reisgenooten, weinig gefortuneerde priesters, heele brave menschen, om wier naïeve opmerkingen zij zoo hadden moeten lachen. De architect herinnerde er ten slotte zijn nieuwen vriend aan, dat hij wel zoo goed geweest was hem te beloven, iemand uit Toulouse, die tienmaal millionnair was, te interesseeren voor zijn studies op het gebied van bestuurbare ballons.
“Een eerste voorschot van honderd duizend francs zou wel voldoende zijn,” zeide hij.
“Reken op mij,” antwoordde abbé des Hermoises. “U zult de Heilige Maagd niet vergeefs gesmeekt hebben.”
Pierre, die het portret van Bernadette in zijn hand gehouden had, was getroffen door de sprekende gelijkenis van Appoline met de zieneres. Het was hetzelfde, ietwat plompe gezicht, dezelfde te sterk ontwikkelde mond, dezelfde prachtige oogen; hij herinnerde zich, dat madame Majesté hem reeds op deze buitengewone gelijkenis gewezen had, te meer daar Appoline dezelfde treurige jeugd te Bartrès gehad had, voordat haar tante haar bij zich genomen had, om haar in den winkel behulpzaam te zijn. Bernadette! Appoline! Wat een vreemde toenadering! Welk een onverwachte reïncarnatie in een tijdsverloop van dertig jaar! En plotseling rees met deze zoo coquet lachende Appoline, die afspraakjes maakte, en over wie de aardigste praatjes in omloop waren, het nieuwe Lourdes voor zijn oogen op: de koetsiers, de kaarsenverkoopsters, de kamerverhuursters, die zich bij het station aan het publiek opdrongen, de honderden pensions met hun kleine, discrete kamertjes, de zwerm van vrije priesters en hartstochtelijke hospitaliteitsdames.
Dan dacht hij aan het door den regen van millioenen ontketende geschacher; aan de stad, die geheel aan hebzucht overgeleverd was; aan de winkels, die de straten in bazars veranderden en elkaar dood concurreerden; aan de hotels, die van de pelgrims leefden, tot de Blauwe Zusters toe, die een table-d’hôte hielden, tot de paters der Grot toe, die geld sloegen uit hun God! Hoe troosteloos treurig was het toch! Het visioen van de zoo reine Bernadette bracht de menigte in geestdrift, deed haar zich storten op de illusie van het geluk, voerde een stroom van goud aan, en van dien dag af was alles bezoedeld! Het was voldoende geweest, dat het bijgeloof zijn adem over de wereld liet gaan, dat de menschen zich ophoopten, dat het geld werd aangedragen, om dit tot dusverre zoo eerlijke en fatsoenlijke hoekje der aarde voor eeuwig te bederven. Waar de reine lelie vroeger bloeide, schoot nu in de nieuwe humus van heb- en genotzucht de roos der zinnelijkheid op. Sedert een onschuldig kind de Heilige Maagd gezien had, was uit Bethlehem Sodom ontstaan.
“Nu, wat heb ik u gezegd!” riep madame Majesté uit, toen zij zag, dat Pierre zijn nicht met het portret vergeleek. “Appoline en Bernadette lijken op elkaar als twee druppels water.”
Het jonge meisje kwam met haar vriendelijk glimlachje, eerst gevleid door de vergelijking, wat dichter bij.
“Laat eens kijken!” zeide abbé des Hermoises belangstellend.
Hij nam het portret, vergeleek op zijn beurt en riep verwonderd:
“Het is verwonderlijk, dezelfde trekken … Ik had het nog niet opgemerkt.”
“Toch geloof ik,” zeide Appoline, “dat zij een dikkeren neus heeft.”
Toen riep de abbé bewonderend uit:
“O, u bent veel knapper, veel knapper, dat is zoo … Maar dat neemt niet weg, dat men u voor twee zusters zou houden.”
Pierre kon een lachje niet onderdrukken, zoo zonderling vond hij het woord. Ach, de arme Bernadette was dood en had geen zuster. Zij zou niet kunnen herboren worden, zij was niet meer mogelijk in dit land van lawaai en hartstocht, dat zij van Lourdes gemaakt had.
Eindelijk ging Marie aan den arm van haar vader weg; zij spraken af, dat zij samen haar in het Hôpital zouden komen halen, om met hun drieën naar het station te gaan. Op straat stonden meer dan vijftig personen als in extase te wachten. Men groette haar, liep haar na, een vrouw liet de japon der wonderdadig genezene aanraken door haar ziek kind, waarmede zij terugkwam van de Grot.