WeRead Powered by ReaderPub
De drie steden: Parijs cover

De drie steden: Parijs

Chapter 17: IV.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a young priest who moves through Parisian neighborhoods attending to the poor while confronting an older, disgraced colleague and estrangement from a brother living in intellectual seclusion. It evokes mist-shrouded, soot-streaked streets and contrasts districts of want and privilege, showing how charity, scandal, and institutional scrutiny shape private lives. Through intimate scenes of ministry, domestic tension, and civic observation, the work examines faith, hypocrisy, and the burdens of compassion amid urban hardship.

[Inhoud]

IV.

Op den middag van dienzelfden dag voelde Guillaume een zóó groote behoefte aan frissche lucht en vrije ruimte, dat Pierre erin toestemde een lange wandeling met hem te maken in het vlak bij hun huisje gelegen Bois de Boulogne. Na zijn terugkeer van het ministerie had hij zijn broeder [257]onder het dejeuner verteld op welke wijze de regeering van plan was zich van Nicolas Barthès te ontdoen. Beiden waren somber gestemd, want zij wisten niet op welke manier zij den ouden man zijn verbanning moesten mededeelen en gaven zich tot den avond tijd om te overwegen hoe zij het bittere ervan voor hem zouden kunnen verzachten. Onder de wandeling zouden zij er nog wel eens over spreken. En bovendien, waarom zouden zij zich nog langer schuil houden, waarom zouden zij dien eersten uitgang niet wagen, nu Guillaume door niets ernstigs bedreigd scheen te worden? De beide broeders gingen door de Porte des Sablons het bosch in.

Het was in de laatste dagen van Maart; het bosch begon groen te worden, maar nog zoo teer, dat de lichte puntjes aan de bladeren op een bleekgroen mos, op een eindeloos fijne kant geleken. De regen, die den geheelen nacht en ochtend gevallen was, had opgehouden; de lucht echter bleef aschgrauw; het weer oplevende, geheel doordrenkte bosch had in de onbeweeglijke, zachte atmospheer, een heerlijke frischheid, een onschuldige jeugd. De feestelijkheden van de Halfvasten hadden blijkbaar de groote menigte naar het hartje van Parijs gelokt, want in de lanen zag men slechts ruiters, equipages en wandelaarsters, die uit haar coupés en landauers gestapt waren, terwijl minnen haar zuigelingen in kanten manteltjes ronddroegen. In het Bois heerschte de hooge elegance, de mondaine beweging van uitgelezen dagen, waarop de kleine luiden zich zelfs niet vertoonen. Slechts hier en daar zag men een paar burgervrouwen uit de buurt met een breiwerk op de banken of op de dicht begroeide plaatsen zitten en naar het spelen van haar kinderen kijken.

Pierre en Guillaume sloegen de allée de Longchamp in, die zij volgden tot den weg van Madrid aux Lacs. Daar gingen zij onder de boomen loopen en volgden den loop van de kleine beek naar Longchamp. Hun plan was tot aan de meren te gaan, die om te wandelen en dan door de Porte Maillot naar huis terug te keeren. Maar het kreupelhout, dat zij doorgingen, was in deze kindsheid der lente zoo rustig en verrukkelijk, dat zij aan hun verlangen om te gaan zitten en van de heerlijke rust te genieten, geen weerstand bieden konden.

Een boomstam diende als bank, zij konden zich inbeelden diep in een echt bosch te zijn. En Guillaume droomde inderdaad na zijn lange vrijwillige gevangenschap van een [258]werkelijk bosch. O, de vrije ruimte, de gezonde lucht, die in de takken waait; deze geheele, reusachtige wereld, die het onvervreemdbare gebied van den mensch zijn moest. De naam van Barthès, den eeuwigen gevangene, kwam weer op zijn lippen en hij zuchtte, weer door droefheid overmand. De marteling, waaronder die ééne, steeds weer in zijn vrijheid beperkte leed, was voldoende om al het genot, dat die heerlijke, reine lucht hem gaf, te bederven.

“Wat wil je tegen hem zeggen? We moeten het hem toch zeggen. Ballingschap is toch in ieder geval te verkiezen boven de gevangenis.”

Pierre maakte een wanhopig gebaar.

“Ja, ja, ik zal hem waarschuwen. Maar mijn hart breekt eronder!”

Op dat oogenblik doemde in dit eenzame, verlaten hoekje, waar zij zich aan het einde der wereld wanen konden, een vreemd schouwspel voor hen op. Plotseling sprong een man uit het kreupelhout en rende voor hen uit. Het was ongetwijfeld een man, maar zoo onherkenbaar, zoo met modder bedekt, dat men hem voor een dier had kunnen houden, voor een door de honden opgejaagd en in het nauw gebracht, wild zwijn. Een oogenblik bleef hij radeloos voor de beek staan, dan liep hij erlangs, maar toen hij passen en zwaar ademhalen achter zich hoorde, ging hij tot zijn dijen in het water, sprong op den anderen oever en verdween achter een boschje pijnboomen. Bijna onmiddellijk daarna vlogen boschwachters onder leiding van een paar agenten langs hen heen, volgden de beek en verdwenen in de verte. Het was een menschenjacht in de teere lente der bladeren, een heimelijke, woeste jacht zonder roode rokken of stooten op hoorns.

“De een of andere schooier,” prevelde Pierre. “De ongelukkige.”

“Altijd de gendarmen en de gevangenis,” zeide Guillaume op zijn beurt ontmoedigd. “Een andere sociale school hebben ze nog niet gevonden.”

De man rende nog steeds verder en verder. Toen Salvat ’s nachts in een plotselinge vlucht het Bois de Boulogne bereikt had en zoo aan de agenten, die hem volgden, ontsnapt was, wilde hij tot aan de Porte Dauphine gaan en daar in de vestinggrachten afdalen. Hij herinnerde zich, dat hij vroeger dikwijls, wanneer hij geen werk had, daar dagen lang op die plek doorgebracht, zonder er ooit iemand ontmoet [259]te hebben. En inderdaad bestond er geen geheimer, meer door struikgewas versperd, meer door hoog gras bezaaid toevluchtsoord. Sommige plekken van de gracht zijn niets dan nesten voor vagebonden en verliefde paartjes. Toen Salvat in het dichtste gedeelte van doorns en klimop binnendrong, had hij het geluk ondanks den neervallenden regen een soort hol met droge bladeren te vinden, waarin hij zich tot aan zijn kin begroef. Hij dreef reeds van het water, want hij was, slechts tastend en dikwijls op handen en voeten kruipend, op de modder en hellingen uitgegleden. Die droge bladeren waren voor hem een ongehoopte weldaad, een soort laken, waaronder hij zich wat kon drogen en uitrusten van zijn dolle jacht door de angstaanjagende duisternis. De regen bleef neerdrenzen, maar alleen zijn hoofd werd nu maar nat, ja ten slotte raakte hij verdoofd, viel hij in den regen in een zwaren slaap.

Toen hij zijn oogen weer opensloeg, werd het licht; het moest ongeveer zes uur zijn. Het hemelwater had ten slotte ook de bladeren vochtig gemaakt, zoodat hij als het ware in een ijskoud bad lag. Toch bleef hij er liggen, want hij voelde zich hier veilig voor de jacht, die zeker op hem gemaakt zou worden. Hier kon geen “smeris” hem ontdekken, want zijn lichaam was heelemaal begraven en zijn hoofd verdween zelfs half onder het struikgewas. Hij bewoog zich niet en bleef liggen kijken, hoe het steeds lichter werd.

Tegen acht uur kwamen politieagenten en boschwachters voorbij en doorzochten de vestinggracht, zonder hem echter te zien. Juist zooals hij gedacht had, was met het aanbreken van den dag de drijfjacht begonnen. Zijn hart klopte met luide slagen, hij kreeg het gevoel alsof hij een stuk wild was, dat door de jagers ingesloten werd. Toevallig had hij juist zijn schuilplaats gezocht onder de kazerne der gendarmen, waarvan het leven tot hem doordrong. Niemand kwam meer voorbij, geen levende ziel was te zien, geen geritsel in het gras te hooren. Slecht in de verte weerklonken de onduidelijke geluiden van het ochtendleven in het Bois de Boulogne, een bel van een fietsrijder, de galop van een paard, het rollen van rijtuigen; het gelukkige, door de frissche lucht bedwelmde niets doen van het mondaine Parijs.

De uren verliepen, negen uur, tien uur. Sedert het niet meer regende, had hij, dank zij den pet en den dikken paletot, dien de kleine Mathis hem gegeven had, minder van de koude te lijden. Maar de honger begon hem weer te kwellen, [260]een brandend gevoel boorde hem als het ware een gat in zijn maag, terwijl vreeselijke krampen zijn lendenstreek bijna braken. Hij had sedert twee dagen niets gegeten en had den vorigen avond, toen hij van Mathis een glas bier kreeg, sedert anderhalven dag een leege maag. Het was zijn plan daar tot den avond te blijven, dan in het donker naar Boulogne te sluipen en door een open plek, die hij aan dien kant kende, het bosch te verlaten. Men had hem nog niet te pakken. Hij trachtte weer in te slapen, maar kon het niet, daar de honger hem te veel kwelde. Om elf uur kreeg hij een duizeling, dacht hij te zullen sterven. Woede maakte zich van hem meester en plotseling sprong hij uit zijn bladerenbed. Hij kon daar niet langer blijven, hij wilde eten, ook al zou het hem zijn vrijheid en zijn leven kosten. Het sloeg twaalf uur.

Nauwlijks had hij de gracht verlaten of hij bevond zich op de groote open ruimte der grasvelden van la Muette. Hij joeg er als een krankzinnige doorheen en ging instinctmatig de richting van Boulogne in, daar hij meende, dat alleen daar een uitweg te vinden zou zijn. Het was een wonder, dat niemand zich om dien zoo dolzinnig voortrennenden man bekommerde. Toen het hem gelukt was onder de boomen te komen, begreep hij hoe onvoorzichtig hij was geweest, werd hij zich den waanzin bewust, die hem in zijn drang om te vluchten medegesleept had. Hij beefde, ging plat op den grond tusschen de bremstruiken liggen en wachtte eenige minuten om zich te vergewissen, dat de agenten hem niet op de hielen zaten. Dan liep hij langzaam verder, steeds loerend en luisterend, met een wonderlijk instinct voor het gevaar. Het was zijn bedoeling tusschen het hoogst gelegen meer en de renbaan van Auteuil door te loopen. Maar daar is slechts een breede, door enkele boomen omzoomde baan; hij moest buitengewoon handig te werk gaan om nooit in het vrije veld te zijn. Hij maakte gebruik van den kleinsten boomstam, van het dunste boomgroepje en waagde dat nog slechts, wanneer hij eerst langen tijd den omtrek afgekeken had. Een nieuwe schrik, het zien van een boschwachter in de verte, dwong hem nog een kwartier plat op zijn buik te blijven liggen. Het naderen van een leeg rijtuig of van een wandelaar was voldoende om hem te doen stilstaan. Hij haalde verlicht adem, toen hij eindelijk aan de andere zijde van den Montemar-heuvel in het kreupelhout tusschen den weg naar Boulogne en de avenue de Saint-Cloud was. Dat kreupelhout is daar zeer dicht en hij behoefde het slechts [261]te volgen, om, op die wijze verborgen, den uitgang, die niet ver meer weg kon zijn, te bereiken. Hij was gered.

Maar plotseling zag hij op ongeveer dertig meter afstand een boschwachter staan, die hem den weg versperde. Hij sloeg links af en vond daar een tweeden, die eveneens onbeweeglijk stond en op hem scheen te wachten. Boschwachters, steeds weer boschwachters om de vijftig pas—een heel cordon was daar als de mazen van een net gespannen. Het ergste was, dat men hem blijkbaar gezien had, want een zacht gefluit liet zich hooren en werd weldra van post tot post, tot in het oneindige toe herhaald. Eindelijk hadden de jagers het goede spoor; voorzichtigheid was nu verder onnoodig, de man behoefde zijn laatste heil nog slechts in de vlucht te zoeken. Hij voelde dat zóó goed, dat hij het onmiddellijk op een loopen zette, over hindernissen heensprong en zonder bang te zijn gezien of gehoord te worden, tusschen de boomen vluchtte. In drie sprongen was hij de avenue de Saint-Cloud over, om zich in het dichte geboomte, dat zich tusschen deze avenue en de allée de la Reine-Marguerite uitstrekt, te werpen. Daar is het kreupelhout nog dichter; het zijn de dichtst begroeide plekken van het Bois de Boulogne, een geheele zee van groen in den zomer, waarin hij zich misschien, als er bladeren aan de boomen geweest waren, schuil had kunnen houden.

Een oogenblik was hij weer alleen: hij bleef staan en luisterde angstig. Hij zag of hoorde de gendarmes niet meer: zou hij ze op een dwaalspoor gebracht hebben? Een stilte, een vrede van eindelooze zachtheid daalde neer van het jonge loof. Doch dan liet het zacht gefluit zich weer hooren en kraakten takken; hij zette zijn krankzinnigen loop weer voort, vluchtte, om te vluchten, recht voor zich uit. Toen hij bij de allée de la Reine-Marguerite kwam, vond hij die versperd: op regelmatige afstanden stonden agenten opgesteld. Hij moest nu, zonder het kreupelhout te verlaten, weer de allée verder volgen. Maar hij verwijderde zich op die manier van Boulogne, keerde op zijn schreden terug. Verward teekende zich in zijn arm brein een laatste plan tot redding af: door het kreupelhout naar het boschje van Madrid loopen, om daar van het eene boomgroepje naar het andere ten slotte bij het water te komen. Dat was de eenige boschweg, die naar de Seine kon loopen, want hij durfde het niet wagen daarheen te gaan over de kale vlakten van den Hippodrome en het exercitieterrein. [262]

Hij rende steeds verder en verder. Toen hij aan de allée de Longchamp kwam, kon hij die niet oversteken, daar zij ook bewaakt was. Nu moest hij zijn plan om over Madrid en de Seine te vluchten, opgeven; hij was gedwongen een omweg te maken langs den Pré Catelan. Onder de leiding van de boschwachters kwamen de agenten dichterbij; hij voelde hoe zij hem in een steeds nauwer en nauwer wordenden kring omsingelden. Weldra ontstond een woeste, wilde, ademlooze jacht, heuvel op, heuvel af, over steeds weer opduikende hindernissen. Hij sprong over doornige struiken, sloeg latwerk in. Driemaal viel hij, daar zijn voeten verward raakten in het ijzerdraad der afgesloten ruimten, die hij in het geheel niet gezien had; maar hoewel hij in de brandnetels terechtgekomen was, stond hij op, zonder iets van het vurige jeuken te merken en zette zijn dolzinnige vlucht voort als werden sporen in zijn zijde gedrukt en hij tot bloedens toe gestriemd.

Toen zagen Guillaume en Pierre hem, onherkenbaar, angstaanjagend, langs zich stormen en in het modderige water van de beek springen, zooals een dier, dat een laatsten wal tusschen zich en de honden opwerpen wil. Hij was op het hersenschimmige denkbeeld gekomen, dat het eiland midden in het meer een onschendbaar asyl zijn zou, als hij het bereiken kon. Hij wilde erheen zwemmen, zonder dat iemand het zag, en zich daar onopgemerkt en verder voor alle nasporingen gevrijwaard, in den grond ingraven. Hij rende steeds verder en verder. Maar weer dwongen boschwachters hem, om te keeren, was hij verplicht steeds weer te gaan in de richting van den kruisweg bij de meren, werd hij teruggedreven naar de vestingwerken, vanwaar hij gekomen was. Het was nu bijna drie uur. Meer dan twee en een half uur rende hij nu steeds verder en verder …

Maar dat was het einde. Hij viel bijna neer. Zijn uitgeputte voeten droegen hem niet meer, bloed stroomde uit zijn ooren; schuim stond op zijn mond. Zijn zijden werden als door een heftigen storm op- en neergejaagd, alsof de woeste sprongen van zijn hart ze wilde breken. Water en zweet droop langs zijn geheele lichaam; met modder bedekt, verwilderd en met een ledige maag werd hij nog meer door den honger dan door de moeheid gekweld. In den nevel, die langzamerhand zijn waanzinnig fonkelende oogen omsluierde, zag hij plotseling achter een door boomen verborgen chalet de deur van een bergplaats open staan. Niemand was er te [263]zien dan een dikke witte kat, die overhaast de vlucht nam. Hij vloog naar binnen en rolde zich in het stroo, dat tusschen de ledige vaten lag. Nauwlijks had hij er zich in begraven of hij hoorde de jacht voorbijrazen, de agenten en boschwachters, die zijn spoor verloren, langs het chalet in de richting der fortificaties verder rennen. Het stampen der zware schoenen hield op; een diepe stilte trad in. Hij had zijn beide handen op zijn hart gedrukt als wilde hij het kloppen ervan verstikken, en viel in een doodelijke uitputting, terwijl dikke tranen uit zijn gesloten oogleden rolden.

Na een kwartier gerust te hebben, hadden Guillaume en Pierre hun wandeling voortgezet, het meer bereikt en wilden tot den carrefour des Cascades loopen, om dan langs een omweg naar Neuilly terug te keeren. Een stortbui dwong hen een schuilplaats te zoeken onder de dikke, nog kale takken van een kastanjeboom; maar toen de regen nog erger werd, keken zij om zich heen en zagen op den achtergrond van een boomgroep een soort chalet staan, een café-restaurant, waarin zij hun toevlucht gingen zoeken. In een zijlaan zagen zij een rijtuig staan; de koetsier zat eenzaam, onbeweeglijk en wijsgeerig in den zachten zomerregen op den bok. Tot zijn groote verbazing zag Pierre Gérard de Quinsac voor zich uitloopen, die, ongetwijfeld ook door den regen overvallen, zich eveneens naar het chalet haastte. Doch dan meende hij zich vergist te hebben, want hij zag den jongen man niet in de zaal. Deze zaal, een soort glaswarande, waarin enkele stoelen en tafeltjes stonden, was geheel leeg. Op de eerste verdieping kwamen vier of vijf kamertjes op een gang uit. Niets bewoog zich er; het huis was nog nauwlijks uit zijn winterslaap ontwaakt; men voelde er nog de vochtigheid, welke in dergelijke etablissementen, die van November tot Maart gesloten zijn, pleegt te heerschen. Er achter bevonden zich een stal, een bergplaats en enkele met mos bedekte bijgebouwen. Verder was het een bekoorlijk hoekje, dat de tuinlieden en de schilders weer spoedig in orde zouden gaan maken voor de galante uitstapjes en de vroolijke drukte op mooie dagen.

“Ik geloof, dat het nog niet geopend is,” zeide Guillaume, toen hij de groote stilte van het huis betrad.

“Maar ze zullen het wel goed vinden, dat we even wachten, [264]tot de regen ophoudt,” antwoordde Pierre, die aan een der tafeltjes was gaan zitten.

Toch liet zich een kellner zien. Hij kwam van de eerste verdieping en zocht, druk doende, in het buffet naar een paar kleine, droge koekjes, die hij op een schotel legde. Eindelijk bracht hij den beiden broeders twee glaasjes chartreuse.

In een der kamertjes boven zat barones Eve Duvillard, die met een rijtuig gekomen was, reeds meer dan een half uur op Gérard te wachten. Hier hadden zij elkaar den vorigen dag op den liefdadigheidsbazar rendez-vous gegeven. De liefste herinneringen wachtten hier op hen, want twee jaar geleden hadden zij er in de wittebroodsweken van hun liaison, toen zij nog niet naar zijn huis durfde gaan en dit op rillerige lentedagen zoo eenzame nestje ontdekt had, heerlijke samenkomsten gehad. Ongetwijfeld, niet de vrees alleen gezien te worden had haar ertoe gebracht dit plekje voor het laatste rendez-vous van hun stervende passie te kiezen, maar ook de poëtische gedachte hier hun eerste kussen te vinden, opdat zij ook de laatste zijn zouden. Het was zoo charmant, dit plekje midden in dit groote, aristocratische bosch, op twee passen van de breede lanen, waar geheel Parijs door kwam. In haar wanhoop over het bittere einde, dat zij voelde komen, werd haar teer, verliefd hart tot tranen toe geroerd.

Maar zij had, zooals vroeger, een jonge zon over het jonge loof willen zien. Deze aschgrauwe hemel, deze regen deed haar rillen. En toen zij het kamertje binnenging, herkende zij het nauwlijks—zoo triest en zoo koud zag het er met zijn versleten divan, zijn tafel en zijn vier stoelen uit. De winter heerschte hier nog, de kille vochtigheid, de schimmellucht van een langen tijd gesloten en niet gelucht vertrek. Het behang was losgeraakt en hing jammerlijk aan flarden. Doode vliegen lagen overal op den grond, en de kellner, die de blinden wilde openmaken, had heel veel moeite met de spanjolet. Toen hij echter den gashaard aangestoken had, werd de kamer weldra vroolijker en behaaglijker.

Eve was, zonder zelfs de dikke voile, die haar gezicht geheel bedekte, op te slaan, op een stoel gaan zitten. Geheel in het zwart gekleed, als droeg zij reeds rouw over haar laatste liefde, liet zij niets van zich zien dan haar nog prachtig blond haar, dat als een kroon van dof goud onder den kleinen zwarten hoed uitkwam. Met haar slank gebleven taille, haar mooien boezem en haar flink, krachtig figuur verried zij in [265]niets, dat zij reeds dicht bij de vijftig was. Zij had twee kop thee besteld, en toen de kellner deze met een schaal kleine, droge koekjes, die waarschijnlijk nog over waren van het vorige jaar, bracht, vond hij haar nog steeds met haar voile voor onbeweeglijk op dezelfde plaats zitten. Dan bleef zij weer in een moedeloos gepeins alleen. Zij was een half uur voor den afgesproken tijd gekomen; zij had de eerste willen zijn, om wat kalmer te kunnen worden en niet dadelijk aan haar eersten aanval van wanhoop toe te geven. Vooral wilde zij niet huilen, want zij had zich voorgenomen waardig te zijn, rustig te praten, te spreken als een vrouw, die wel rechten heeft, maar slechts luisteren wil naar haar gezond verstand. Zoolang zij nog alleen was, zoolang zij de manier overwoog, waarop zij Gérard ontvangen zou, om hem een huwelijk, dat zij als een ongeluk en een misdaad beschouwde, af te raden, was zij tevreden over haar moed, hield zij zich voor kalm, ja zelfs berustend.

Zij snikte en begon te beven. Gérard kwam binnen.

“Wat, ben je de eerste, lieve vriendin? En ik dacht nog al, dat ik tien minuten te vroeg was … En nu heb je je de moeite gegeven thee te bestellen en op mij te wachten.”

Hij was erg verlegen en beefde zelf bij de gedachte aan de vreeselijke scène, die hij voorzag. Maar verder gedroeg hij zich volkomen correct, dwong zich tot een glimlach en deed alsof hij geheel opging in de galante vreugde haar hier weer terug te vinden als in den mooien tijd van hun liefde.

Maar zij stond op—zij had haar voile eindelijk opgeslagen—keek hem aan en stamelde:

“Ja, ik was wat eerder vrij … En voordat er een verhindering kwam, ben ik hierheen gegaan.”

Maar toen zij hem daar nog zoo mooi en liefdevol zag staan, vergat zij al haar plannen en werd als krankzinnig. Al haar mooie redeneeringen, al haar mooie voornemens werden weggevaagd. Het was een niet te bedwingen opwelling, het was als werd haar hart uit haar lichaam gerukt bij de gedachte, dat zij hem nog altijd liefhad, dat zij hem voor zich behouden, dat zij hem nooit aan een ander geven zou. Wanhopig viel zij hem om zijn hals.

“O Gérard, Gérard … Ik lijd te veel, ik kan niet, ik kan niet … Zeg me dadelijk, dat je niet met haar wilt trouwen, dat je nooit met haar zult trouwen!”

Haar stem begaf haar, tranen stroomden uit haar oogen. O, die tranen! Hoe had zij zich voorgenomen niet te huilen! [266]Maar zij stroomden eindeloos, zij overstroomden haar mooie oogen in een vloed van vreeselijke smart.

“Mijn dochter! Groote God, jij met mijn dochter trouwen!… Jij met haar! Zij in jouw armen hier in deze kamer! Neen, neen, dat is te veel! Ik wil het niet! Ik wil het niet!”

Hij werd als verstijfd bij dezen kreet van vreeselijke jaloezie, waarin de moeder niet meer was dan een vrouw, die de jeugd van een mededingster, die vijf-en-twintig jaar, welke niet meer konden terugkeeren, razend maakte. Hij zelf had, toen hij naar het rendez-vous ging, de verstandigste besluiten overwogen en zich voorgenomen eerlijk, als een hoogst beschaafd man, met allerlei mooie en troostende zinnen met haar te breken. Maar tegenover vrouwentranen voelde hij zich zwak en machteloos. Hij trachtte haar te kalmeeren, deed haar plaats nemen op den divan, om zich uit haar omarming los te maken. Dan ging hij naast haar zitten en zeide:

“Kom, lieveling, wees nou verstandig. Wij zijn toch hier gekomen om vriendschappelijk te praten … Ik verzeker je, dat je de dingen overdrijft!”

Maar zij eischte een beslist antwoord.

“Neen, neen, ik lijd te veel, ik moet onmiddellijk alles weten … Zweer mij, dat je nooit, nooit met haar zult trouwen!”

Nogmaals trachtte hij een ontwijkend antwoord te geven.

“Je kwelt jezelf, je weet heel goed, dat ik van je houd.”

“Neen, neen! Zweer mij, dat je nooit met haar zult trouwen, nooit!”

“Maar ik houd toch van jou, ik houd toch van jou alleen!”

Zij trok hem hartstochtelijk naar zich toe, drukte hem aan haar borst, bedekte zijn oogen met kussen.

“Is dat waar? Houd je alleen maar van mij?… Welnu, neem me dan, kus me, laat ik voelen, dat je de mijne, altijd de mijne bent en nooit van die andere!”

Zij dwong Gérard tot liefkoozingen en gaf zich in zoo’n volle overgave aan hem, dat hij, zelf door hartstocht bedwelmd, haar niets weigeren kon. Zonder kracht nu verder, zwoer hij haar alles wat zij wilde, herhaalde hij tot in den treure, dat hij slechts haar lief had en dat hij nooit met haar dochter zou trouwen. Ja, ten slotte ging hij zelfs zoover om te beweren, dat hij met het misvormde kind slechts medelijden had. Zijn goedheid was zijn excuus. Eve echter dronk die medelijdende minachting, welke hij voor haar dochter voelde, al de zekerheid, dat zij de eeuwig mooie, de eeuwig begeerde was, van zijn lippen af. [267]

Toen het voorbij was, bleven zij beiden zwijgend en moede en verlegen op den divan zitten.

“O, ik zweer je, dat ik daar niet voor gekomen ben,” fluisterde zij eindelijk zacht.

Weer viel er een stilte in, die hij wilde verbreken.

“Wil je je thee niet uitdrinken? Hij is bijna koud.”

Maar zij luisterde niet naar hem, en als was er niets gebeurd, als begon de onvermijdelijke verklaring nu pas, zeide zij gebroken en eindeloos bedroefd:

“Kijk eens, Gérard, je kunt niet met mijn dochter trouwen. In de eerste plaats zou het iets laags, bijna een bloedschande zijn … En dan jouw naam, jouw positie … Neem me niet kwalijk, dat ik zoo openhartig ben, maar iedereen zal zeggen, dat je je verkoopt. Het zou een schandaal voor jouw familie en de onze zijn.”

Zij had, zonder toorn nu, als een moeder, die naar beweeggronden zoekt om haar grooten zoon van een afschuwelijke misdaad af te houden, zijn handen in de hare genomen. En hij luisterde met gebogen hoofd, zonder haar aan te kijken.

“Denk eens aan wat de menschen zeggen zullen, Gérard! Ik maak me volstrekt geen illusies; ik weet, dat tusschen jouw kringen en de mijne een groote afgrond gaapt. Rijk zijn helpt niets … het geld maakt dien nog slechts grooter. En al ben ik ook Christin geworden, mijn dochter is en blijft de dochter van een Jodin … O, Gérard, ik ben zoo trotsch op je. Het zou mijn hart breken, wanneer ik je door dat geldhuwelijk met een misvormd meisje, dat jou niet waardig is, dat je niet liefhebben kunt, vernederd en als het ware bezoedeld zag!”

Hij keek haar verlegen en smeekend aan, wilde aan dat pijnlijk onderhoud ontsnappen.

“Maar ik heb je toch gezworen, dat ik alleen jou liefheb, dat ik nooit met haar zal trouwen! De zaak is nu uit. Laten we elkaar niet langer martelen!”

Hun blikken bleven een oogenblik in elkander rusten en drukten alles uit, wat zij niet uitspraken: hun moeheid, hun ellende. De oogleden, de arme, roode oogleden in het plotseling vlekkig en oud geworden gezicht zwollen op van tranen, die over haar bevende wangen begonnen te vloeien. Weer huilde zij eindeloos, maar nu zonder bitterheid.

“Mijn arme, arme Gérard!… O, nu druk ik zwaar op je schouders. Neen, ontken het niet; ik voel, dat ik een ondragelijke last ben, dat ik een hinderpaal voor je ben, dat [268]ik je heelemaal ongelukkig maken zal, wanneer ik je voor mij alleen wil behouden.”

Hij wilde protesteeren, doch zij liet hem niet aan het woord komen.

“Neen, neen, tusschen ons is alles uit … Ik word leelijk … het is uit … En bovendien door mij is jouw toekomst niets meer. Ik kan je in niets helpen, jij geeft mij alles door jezelf te geven, en ik geef je niets terug … En toch is de tijd nu gekomen om je een positie te scheppen. Jij op jouw leeftijd kunt niet leven zonder een gevestigde positie, zonder een huis en het zou laf van mij zijn de hinderpaal voor je geluk te zijn door mij aan je vast te klampen en je met mij te verdrinken.”

Zoo sprak zij door, terwijl zij haar blik steeds op hem gericht hield, hoewel zij hem slechts door haar tranen heen zag. Evenals zijn moeder wist zij, dat hij ondanks zijn knap uiterlijk, zóó zwak en zóó ziekelijk was, dat ook zij ervan droomde hem een kalm leven, een behagelijk hoekje van geluk te verschaffen, waarin hij, tegen de stormen van het noodlot beschermd, rustig oud kon worden. Zij had hem zoo lief—en kon dan de werkelijke goedheid van haar diepe liefde zich niet verheffen tot verzaking, tot opoffering? Zelfs in haar egoïsme van mooie en aangebeden vrouw vond zij redenen om den terugtocht te aanvaarden, opdat het einde van haar levensherfst niet bedorven worden zou door drama’s, die haar verpletterden. En dit alles zeide zij, terwijl zij hem behandelde als een kind, welks geluk zij ten koste van het hare scheppen wilde, terwijl hij weer met neergeslagen blikken onbeweeglijk naar haar luisterde, zonder verder te protesteeren, blij, dat zij zijn bestaan regelde zooals zij het wilde.

“Zeker,” ging zij voort, terwijl zij ten slotte de gronden aanvoerde, die ten gunste van het afschuwelijke huwelijk spraken, “Camille zou je brengen alles wat ik voor je wensch, alles, wat ik voor je droom. Door haar zou, dank zij de omstandigheden, die ik je niet behoef te noemen, je leven gelukkig, verzekerd zijn … En wat de rest betreft, lieve Hemel, daar zijn voorbeelden genoeg van. Niet dat ik onze fout wil verontschuldigen, maar ik zou je tallooze families kunnen noemen, waarin nog heel wat erger dingen gebeurd zijn … En dan, ik had ongelijk, toen ik zooeven zeide, dat het geld een afgrond graaft. Integendeel het brengt de menschen dichter bij elkaar, het doet alles vergeven. [269]Je zoudt niets dan ijverzuchtigen om je heen zien, die zich over je geluk zouden verbazen.”

Gérard stond op en scheen een laatste maal te willen protesteeren.

“Wat, nu zal jij me per slot van rekening toch nog tot een huwelijk met je dochter willen dwingen?”

“Lieve God, neen! Maar ik ben verstandig, ik zeg wat ik zeggen moet. Je moet het nog eens overwegen.”

“Alles is overwogen … Ik heb je liefgehad en heb je nog lief … De rest is onmogelijk.”

Een hemelsch glimlachje speelde om haar lippen; zij nam hem nu weer in haar armen, en beiden stonden nu weer als één in hun omhelzing.

“Hoe goed en lief ben je, Gérard! Als je eens wist hoe lief ik je heb, hoe ik je altijd, ondanks alles, lief hebben zal!”

Haar tranen kwamen weer terug en ook hij weende. Beiden handelden in hun aangeboren teederheid te goeder trouw, terwijl zij de pijnlijke oplossing verschoven en nog op geluk hopen wilden. Maar zij voelden het beiden heel goed; het huwelijk was een uitgemaakte zaak. Er bleef niets meer over dan tranen en zinledige woorden; het leven ging ondanks alles zijn gang, het onvermijdelijke zou in vervulling gaan. De gedachte, die hem zoo week stemde, was waarschijnlijk deze, dat dit hun laatste omhelzing was, hun laatste rendez-vous, want het zou laag zijn, na alles wat zij wisten en tegen elkaar gezegd hadden, elkaar nogmaals op deze wijze te ontmoeten. Toch wilden zij de illusie bewaren, dat zij niet met elkander braken, dat zij eenmaal nog lust konden krijgen elkander weer te kussen. En de smart over het einde van alles snikte in hen.

Toen zij elkander losgelaten hadden, zagen zij het smalle kamertje met zijn verschoten divan, zijn vier stoelen en zijn tafel weer voor zich. Het kleine gashaardje suisde; zij snikten nu bijna in een zware, warme vochtigheid.

“Dus je wilt geen thee?” vroeg hij weer.

Zij stond voor den spiegel haar haar in orde te maken.

“Neen, dank je wel! Die is niet te drinken hier!”

En zij, die hier een zoo verrukkelijke herinnering gedacht had te vinden, werd in deze afscheidsminuut door de trieste omgeving geheel overweldigd, toen het geluid van zware stappen en grove stemmen, haar heelemaal van stuk brachten. Menschen liepen door de gang heen en weer en klopten aan de deuren. Zij vloog naar het raam en zag hoe agenten [270]het restaurant omsingelden. De meest dolzinnige gedachten kwamen in haar op: haar dochter had haar laten volgen; haar man wilde zich van haar laten scheiden om met Silviane te trouwen. Dat beteekende een vreeselijk schandaal, een ineenstorten van al haar plannen. Doodsbleek en radeloos wachtte zij, terwijl hij, even bleek als zij, haar bevend smeekte kalm te blijven en vooral niet te schreeuwen. Maar toen harde slagen de deur deden dreunen en de commissaris van politie zijn naam noemde, moesten zij wel openen. Welk een oogenblik! Welk een schrik, welk een schande!

Beneden hadden Pierre en Guillaume meer dan een uur gewacht tot de regen zou ophouden. Zij spraken half fluisterend in een hoek van de glaswarande en namen eindelijk een besluit in zake het pijnlijke geval van Nicolas Barthès. Zij zouden den volgenden avond Théophile Morin, den ouden vriend van den eeuwigen gevangene, te dineeren vragen; deze moest hem dan de nieuwe verbanning, waardoor hij getroffen werd, maar mededeelen.

“Dat zal het verstandigst zijn,” zeide Guillaume. “Morin houdt veel van hem, zoodat hij het hem zoo voorzichtig mogelijk zal mededeelen, en zal wel tot de grens met hem medegaan.”

Pierre keek zwaarmoedig naar den nog steeds neervallenden regen.

“Alweer weg, alweer het vreemde land, wanneer het het cachot niet is! De arme, vreugdelooze, zijn leven lang opgejaagde man! Zijn geheele leven heeft hij gegeven aan zijn vrijheidsideaal, dat ouderwetsch is, waarom gelachen wordt, dat hij met zichzelf instorten ziet.”

Weer verschenen nu politie-agenten en boschwachters en slopen om het restaurant heen. Ongetwijfeld hadden zij begrepen, dat zij het spoor bijster geworden waren, en keerden nu terug in de meening, dat de man zich in dit chalet verstopt moest hebben. Zij omsingelden het handig en namen, alvorens tot een nauwkeuriger huiszoeking over te gaan, de noodige maatregelen, dat het wild hun niet voor de tweede maal zou ontsnappen. Toen de twee broers deze manoeuvre bemerkten, voelden zij hoe een heimelijke angst zich van hen meester maakte. Het was het vervolg van de drijfjacht op den man, dien zij hadden zien vluchten; maar [271]wie zeide hun dat men hen, nu zij ongelukkigerwijze in de zaak betrokken werden, niet dwingen zou hun identiteit op te geven? Met een blik raadpleegden zij elkaar; zij dachten er een oogenblik over ondanks den stortregen weg te gaan. Doch dan begrepen zij, dat zulks hen in een nog onaangenamer positie zou kunnen brengen. Zij bleven wachten, te meer daar de komst van twee nieuwe bezoekers afleiding bracht.

Een victoria hield voor de deur stil. Eerst stapte een jonge man uit met een correct, doch geblaseerd uiterlijk, dan een jonge vrouw, die, vroolijk door dien aanhoudenden regen, luid lachte. Zij hadden een woordenwisseling, zij vond het schertsenderwijze jammer, dat zij niet op de fiets gegaan waren, terwijl hij dezen wandelrit in een zondvloed idioot vond.

“Maar we moesten toch ergens naar toe, beste jongen! Waarom ben je niet met me naar de maskerade gaan kijken?”

“De maskerade? Neen, dan nog honderdmaal liever het Bois!”

Toen zij binnenkwam, herkende Pierre in de jonge vrouw, die de regen zoo vroolijk maakte, de kleine prinses Rosemonde en in den jongen man, die de Halfvasten zoo afschuwelijk, het Bois verpest en de fiets onaesthetisch vond, den mooien Hyacinthe Duvillard. Na thuis met hem thee gedronken te hebben, had zij hem dien nacht bij zich gehouden en haar gril willen bevredigen door hem bijna als een vrouw geweld aan te doen. Maar hoewel hij erin toestemde bij haar in bed te komen liggen, had hij—niettegenstaande zij hem ten slotte sloeg en zich zelfs zoo ver vergat om hem te bijten—iedere aanraking beslist vermeden. O, die afschuwelijkheid, die afstootende vuilheid van het kind, dat eruit zou geboren kunnen worden. Nu, wat het kind betreft, daar had hij gelijk in, zij wilde er ook geen hebben! Toen had hij gesproken van de zielen, die zich geestelijk paren, zij zeide niet neen, stemde toe het te probeeren; maar hoe moest men dat doen? En toen zij weer over Noorwegen spraken, besloten zij—het eindelijk eens geworden zijnde—’s Maandags hun huwelijksreis naar Christiania te beginnen, om daar de intellectualiteit van hun verbintenis te voltrekken. Het eenige wat hun speet, was dat zij niet meer in het hartje van den winter waren, want was de koude, de witte, de ongerepte sneeuw niet de eenig mogelijke sponde voor een dergelijke huwelijksvoltrekking. [272]

Zoodra de kellner hun, bij gebrek aan kummel, kleine glaasjes anisette gebracht had, boog Hyacinthe, die Pierre en zijn broer Guillaume, met wiens zoons hij op het gymnasium geweest was, herkend had, zich over naar Rosemonde en fluisterde haar den naam van den laatste in het oor. Dadelijk stond zij in een plotselinge opwelling van geestdrift op.

“Guillaume Froment! Guillaume Froment! De groote scheikundige!”

Met uitgestoken handen ging zij naar hem toe:

“O, mijnheer, ik hoop, dat u mij deze ongemanierdheid vergeven zult! Maar ik moet u de hand drukken … Ik bewonder u zoo! U hebt zulke prachtige onderzoekingen met springstoffen gedaan!”

Toen zij de verbazing van den chemicus zag, begon zij als een schoolmeisje te lachen.

“Ik ben prinses de Hardt. Mijnheer de abbé, uw broer, kent mij en ik had mij door hem aan u moeten laten voorstellen … Verder hebben u en ik gemeenschappelijke vrienden, o.a. Janzen, die mij beloofd had mij als zeer bescheiden leerling tot u te brengen. Ik houd mij ook bezig met chemie … uit liefde voor de waarheid en ter wille van goede dingen, meer niet … U wilt mij zeker wel toestaan bij u aan te kloppen, wanneer ik van Christiania terug ben, waarheen ik met mijn jongen vriend daar een eenvoudig pleizier- en ontdekkingsreisje ga doen in het rijk van onbekende gevoelens.”

Zij ratelde maar door, zonder dat het den anderen mogelijk was er één woord tusschen te krijgen. Zij gooide alles door elkaar: haar sympathie voor het internationalisme, die haar een oogenblik in de armen van Janzen geworpen had, in de anarchistische wereld, onder de gevaarlijkste avonturiers der partij; haar nieuwe passie voor mystieke en symbolische kapelletjes, de wraak, die het ideëele op het grove realisme nam, de poëzie der aesthetici, die haar droomen deed van een tot nog toe ongekenden wellust onder den ijzigen kus van den mooien Hyacinthe.

Plotseling hield zij op en begon zij weer te lachen.

“Wat moeten die politieagenten hier zoeken? Willen ze ons misschien arresteeren? Wat een leuke grap zou dat zijn?”

Inderdaad gingen de commissaris van politie Dupot en de agent Mondésir, nadat de agenten vergeefs den stal en de bergplaats doorzocht hadden, ertoe over het restaurant te visiteeren en kwamen de warande binnen. Het stond bij hen vast, dat de man nergens anders zijn kon. Dupot, een [273]klein, kaal, bijziend mannetje met een bril op, had geen wapens bij zich; maar daar hij een woest en woedend verzet van den opgejaagden en in het nauw gebrachten wolf voorzag, had hij Mondésir aangeraden zijn revolver te laden en in zijn zak gereed te houden. Toch moest Mondésir met zijn breeden, vierkanten doggerug en zijn snuffelenden, stompen neus hem uit hiërarchischen eerbied het eerst laten binnen gaan.

Met een vluggen blik van achter zijn bril had de commissaris de vier bezoekers, den priester, de jonge vrouw en de beide anderen opgenomen en wilde, zonder verder acht op hen te slaan, naar de eerste verdieping gaan, toen de kellner, verschrikt door dien plotselingen inval der politie, zijn hoofd verloor en stamelde:

“Maar … boven zijn een heer en een dame … in een kamertje!”

Dupot duwde hem kalm op zij.

“Een heer en een dame zoeken wij niet … Ga onmiddellijk alle deuren open doen, geen kastdeur mag dicht blijven.”

Boven doorzochten zij alle vertrekken en alle hoekjes, totdat alleen nog het kamertje, waarin Eve en Gérard waren en dat de kellner niet openen kon, omdat de grendel er van binnen voorgeschoven was, overbleef.

“Doe toch open,” riep de jongen door het sleutelgat, “het is niet om u te doen.”

Eindelijk werd de grendel weggeschoven, en Dupot, die zich zelfs geen glimlachje veroorloofde, liet de dame en den heer bevend en doodsbleek naar beneden gaan, terwijl Mondésir pour acquit de conscience onder de tafel, achter den divan en in een kleine muurkast kijken ging.

Toen Eve en Gérard beneden de warande doorloopen moesten, vonden zij daar tot hun grooten schrik kennissen, die het meest onvoorziene toeval hier samengebracht had. Het hielp niets, dat een dichte voile haar gezicht bedekte; zij ontmoette den blik van haar zoon en voelde, dat hij haar herkende. Welk een noodlottig toeval! Hij, die zijn zuster, voor wie hij zoo bang was, altijd alles vertelde! En terwijl zij vluchtte, terwijl de graaf, wanhopig over het schandaal, haar in den neerstroomenden regen naar het rijtuig bracht, hoorden zij heel duidelijk hoe de kleine prinses heel vroolijk riep:

“Maar die mijnheer is graaf de Quinsac!… Maar wie is die dame?” [274]

Toen Hyacinthe, die bleek geworden was, niet antwoordde, drong zij aan:

“Jij moet haar toch kennen. Vertel me wie het is!”

“Niemand,” antwoordde hij eindelijk. “De een of andere vrouw.”

Pierre had het begrepen; hij wendde, verlegen door zooveel schande en lijden, zijn blik af en keek Guillaume aan. Maar plotseling, juist toen de commissaris van politie Dupot en de agent Mondésir, zonder den man gevonden te hebben, naar beneden kwamen, veranderde het tooneel. Buiten weerklonken kreten, lawaai en heen en weer geloop. Dan verscheen de chef van den veiligheidsdienst Gascogne, die in de bijgebouwen van het restaurant was blijven zoeken; hij duwde een niet nader te omschrijven pak lompen en modder, dat door twee agenten vastgehouden werd, voor zich uit. Het was de man, het achtervolgde, in het nauw gebrachte en eindelijk gevangen dier, dat men achter in de bergplaats in een ton onder het hooi gevonden had.

Welk een triompheerend halahi na die twee uren waanzinnig geren, na die woeste drijfjacht, welke de borsten buiten adem gebracht en de beenen gebroken had! De menschenjacht, de meest opwindende en hartstochtelijke jacht van alle! Ze hadden den kerel, stootten, sleepten, sloegen hem! En hij, de man, was het jammerlijkst stuk wild, dat men zich denken kon: een wrak, uitgeteerd en aardkleurig door den nacht, dien hij in een met bladeren gevuld gat doorgebracht had, nog nat tot zijn middel, omdat hij midden door die beek gewaad had; zijn armzalige, door den regen gegeeselde, met modder bedekte kleeren hingen aan flarden om zijn lichaam, zijn pet was aan stukken gescheurd, zijn voeten en zijn handen bloedden door de vreeselijke jacht dwars door het met doornen en brandnetels versperde struikgewas. Hij had geen menschelijk gezicht meer; zijn haar plakte aan zijn slapen, de met bloed doorloopen oogen puilden uit hun kassen, het geheele gezicht was vertrokken door angst, woede en lijden. Het was het wild, het was de man. Ze stootten hem nog verder en eindelijk viel hij, vastgehouden door de ruwe vuisten, die hem schudden, in zittende houding op een der tafeltjes van het kleine café neer.

Toen doorhuiverde Guillaume een schrik, waarvan de rilling hem deed verstijven. Hij greep de hand van Pierre; deze keek, begreep, beefde op zijn beurt. Rechtvaardige [275]God, Salvat! Die man was Salvat! Salvat hadden zij als een door een troep honden opgejaagd wild zwijn door het Bois zien vluchten. Dat vuile pak, die door de ellende en het verzet overwonnene was Salvat! En in zijn angst kreeg Pierre nogmaals plotseling het visioen van het kleine loopmeisje onder de koetspoort van het hôtel Duvillard, de knappe blondine, wier buik door de bom opengereten was.

Dupot, Mondésir en Gascogne triompheerden. Toch had de man geen tegenstand geboden, hij had zich zacht als een lam gevangen laten nemen. En terwijl hij daar, zoo ruw in bedwang gehouden, zat, wierp hij moede, onzegbaar trieste blikken om zich heen.

Hij begon te spreken en zijn eerste met heesche en zachte stem gezegd woord was:

“Ik heb honger!”

Hij stierf bijna van honger en moeheid; hij had na twee dagen vasten den vorigen avond niets dan een glas bier gehad.

“Geef hem een stuk brood,” zeide commissaris Dupot tegen den kellner. “Dat kan hij opeten, terwijl wij een rijtuig laten halen.”

Een agent ging een rijtuig zoeken. De regen had opgehouden: men hoorde weer de fietsbellen, de equipages reden weer, het Bois kreeg in de breede, door een bleeken zonnestraal vergulde lanen zijn mondain leven terug.

Maar de man had zich gulzig op het stuk brood geworpen en terwijl hij het met een dierlijke bevrediging verslond, zagen zijn blikken de vier bezoekers, die daar bij elkaar zaten. De opgewonden trekken van Hyacinthe en Rosemonde, die verrukt waren zoo onverwacht getuigen te zijn van de arrestatie van dezen ongelukkige, dien zij voor den een of anderen bandiet hielden, schenen hem te prikkelen. Dan begonnen zijn droevige, met bloed doorloopen oogen te trillen; zij hadden tot hun verbazing Pierre en Guillaume herkend. En nu drukte zich in die oogen, terwijl zij op den laatste gevestigd bleven, niets meer uit dan de gedweeë onderworpenheid van een dankbaren hond, de hernieuwde belofte van een onverbreekbaar zwijgen.

Dan begon hij weer te spreken, als richtte hij zich moedig tot hem, dien hij niet meer aankeek, en ook tot de anderen, de kameraden, die niet aanwezig waren.

“Stom om zoo te rennen … Ik weet niet, waarom ik zoo hard geloopen heb … Laat er een eind aan komen … Ik ben bereid.” [276]