WeRead Powered by ReaderPub
De drie steden: Parijs cover

De drie steden: Parijs

Chapter 21: II.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a young priest who moves through Parisian neighborhoods attending to the poor while confronting an older, disgraced colleague and estrangement from a brother living in intellectual seclusion. It evokes mist-shrouded, soot-streaked streets and contrasts districts of want and privilege, showing how charity, scandal, and institutional scrutiny shape private lives. Through intimate scenes of ministry, domestic tension, and civic observation, the work examines faith, hypocrisy, and the burdens of compassion amid urban hardship.

[Inhoud]

II.

Op een avond na een flinken werkdag raakte Pierre, die Thomas hielp, verward in zijn soutane en viel bijna.

“Waarom doe je die toch niet uit?” riep Marie met een klein gilletje van schrik.

Zij zeide het zonder eenige bedoeling, eenvoudig omdat zij die soutane voor sommige werken wat zwaar en lastig vond.

Maar dit zoo openhartige, zoo besliste woord drong diep in Pierre’s geest door en verliet dien niet meer. In den beginne werd hij er slechts door getroffen, maar toen de nacht gekomen en hij alleen in zijn klein huisje te Neuilly was, voelde hij hoe dat woord hem langzamerhand benauwde, hem een pijn, een ondragelijke koorts veroorzaakte. “Waarom doe je die niet uit?” Inderdaad, hij had haar moeten uittrekken; wat had hem tot dusverre verhinderd dat kleed af te leggen, dat zoo zwaar, zoo pijnlijk over zijn schouders hing? De vreeselijke strijd begon: hij bracht een afschuwelijken, slapeloozen nacht door, waarin hij al zijn vroegere martelingen herleefde.

En toch leek het zoo makkelijk de soutane uit te trekken, nu hij zijn ambt niet meer uitoefende. Sedert eenigen tijd las hij zijn mis niet meer; dat was de ware breuk, het definitieve opgeven van zijn priesterschap. Maar hij kon weer beginnen de mis te lezen, terwijl hij voelde, dat hij den dag, waarop hij zijn soutane zou afleggen, het priesterschap voor goed opgaf, het verliet, om er nooit meer toe terug te keeren. Een onherroepelijk besluit diende genomen te worden. Uren lang liep hij in angstvollen strijd door zijn kamer.

O, welk een mooie droom was het geweest, menschenschuw [314]en eenzaam, steeds hooger te stijgen, niet meer te gelooven, maar toch als kuisch en eerlijk priester over het geloof van anderen te waken! Niet tot meineed en tot de vernederende laagheid van den renegaat af te dalen, maar zelfs in de troosteloosheid van zijn Niets de dienaar der goddelijke illusie te blijven! Op die wijze was men hem, die alles loochende, die ledig was als een graf, waaruit de wind zelfs de asch weggeblazen heeft, ten slotte als een heilige gaan aanbidden. Nu echter begon zijn geweten hem dien leugen te verwijten—een onbehaaglijk gevoel, dat hij tot nog toe niet gekend had; de gedachte kwam in hem op, dat hij slecht zou handelen, indien hij door bleef gaan zijn ideeën en zijn leven niet met elkaar in overeenstemming te brengen.

Het conflict was duidelijk. Met welk recht bleef hij de priester van een godsdienst, waaraan hij niet meer geloofde? Gebood de eerlijkheid alleen hem niet uit een Kerk te treden, waarin hij ontkende, dat God zijn kon? De dogma’s waren voor hem slechts hinderlijke dwalingen en toch bleef hij er hardnekkig bij om ze te leeren als eeuwige waarheden. Het was een afschuwelijk werk, waartegen zijn geweten nu met schrik in opstand kwam. Vergeefs trachtte hij den vurigen gemoedstoestand, den drang naar barmhartigheid en martelaarschap, die hem er toe gebracht hadden zichzelf op te offeren, die hem hadden doen denken, dat hij gaarne wilde lijden onder zijn twijfel en onder zijn verwoest en verloren leven, mits hij den armen nog den troost van de hoop brengen kon, terug te vinden. Ongetwijfeld hadden de waarheid en de natuur zich reeds te veel weer van hem meester gemaakt: deze valsche apostelrol stuitte hem thans tegen de borst, hij voelde niet meer den afschuwelijken moed in zich Jezus met een gebaar tot de knielende geloovigen te roepen, waar hij heel goed wist, dat Jezus niet tot hen afdalen zou. Alles stortte in: zijn pose van verheven herder, het offer, dat hij bracht in zijn eigen persoon doordat hij alles voor het geloof gaf, zelfs de marteling het verloren te hebben.

Wat dacht Marie van zijn leugen? “Waarom doe je die niet uit?” klonk het opnieuw in zijn ooren. Zijn geweten werd als in stukken gereten. Zij, die zoo oprecht, zoo eerlijk was, moest hem daarom wel verachten. In haar vatte hij al de afzonderlijke verwijten, al de heimelijke kritiek, die zijn handelwijze uitlokte, samen. Het was thans voor hem voldoende, [315]dat zij hem ongelijk gaf, om zich schuldig te gevoelen. Toch had zij hem nooit door één woord haar afkeuring te kennen gegeven. En mocht zij zijn gedrag niet goedkeuren, dan voelde zij zich blijkbaar niet gerechtigd zich in zijn tweestrijd te mengen. De mooie, vrijmoedige en gezonde kalmte, waarvan zij steeds blijk gaf, verbaasde steeds hem, dien het spook van het ontbrekende, de obsessie van het hiernamaals altijd in een vreeselijken doodsstrijd verkeeren deden. Dagen lang had hij haar bestudeerd, haar met zijn blikken gevolgd, zonder haar ooit op een toestand van twijfel of wanhoop te kunnen betrappen. Dat kwam, zeide zij, omdat zij al haar vreugde, al haar kracht, al haar plichtsgevoel gebruikte om zóó te leven, dat het leven voor haar voldoende was, zonder ooit tijd te vinden zich door hersenschimmen te laten bang maken en verlammen. Hij zou dus die soutane uittrekken, welke hem benauwde en brandde, omdat zij hem op haar zoo kalme manier gevraagd had, waarom hij die niet uittrok.

Maar toen hij zich tegen den ochtend op zijn bed geworpen had en meende, nu hij een besluit genomen had, kalmer geworden te zijn, moest hij door een plotselinge benauwdheid weer opstaan. De afschuwelijke angst begon opnieuw. Neen, neen, hij kon die soutane, welke als het ware aan zijn lichaam vastkleefde, niet uittrekken. Zijn huid zou aan het laken blijven hangen, zijn geheele innerlijk wezen zou erdoor worden uitgerukt. Was het priesterschap niet onuitwischbaar, teekende het niet den priester voor eeuwig, plaatste het hem niet altijd buiten de kudde? Zelfs wanneer hij het kleed met de huid van zich afrukte, zou hij de priester blijven, een voorwerp van ergernis en schande, uitgestooten uit het gemeenschappelijke leven, onmachtig en machteloos. Waarom dan zou hij het doen, nu de kerker toch gesloten bleef, nu het arbeidzame en vruchtbare leven buiten in de volle zon niet meer voor hem geschapen was? O, deze machteloosheid, deze machteloosheid! Hij meende die tot in zijn beenderen, tot in zijn merg te voelen. Hij kon geen besluit nemen en eerst twee dagen later ging hij weer, zonder een besluit genomen te hebben, naar Montmartre terug. Zijn martelingen waren weer teruggekeerd.

Trouwens ook het gelukkige huis daar was in een koortsachtig opgewonden stemming, waardoor zelfs Guillaume aangetast was, die geheel in beslag genomen werd door de zaak-Salvat. De zwijgende en waardige houding van Salvat, [316]die verklaarde geen medeplichtige te hebben, die alles bekende, maar een schuw stilzwijgen bewaarde, zoodra hij bang was iemand te zullen compromitteeren, had hem zeer getroffen. De instructie was wel geheim, maar de rechter Amadieu, die ermede belast was, leidde haar met een buitengewoon lawaai; de geheele pers stond vol van zijn persoon, van zijn verhouding tot den beschuldigde, van berichten, interviews en indiscreties. Dank zij Salvat’s kalme bekentenis had hij de geschiedenis van den aanslag uur voor uur kunnen volgen; alleen bestond nog twijfel omtrent de samenstelling van de gebruikte springstof en de vervaardiging van de bom zelf. Als Salvat, zooals hij beweerde, de bom werkelijk bij een vriend had kunnen laden, moest hij liegen, wanneer hij vertelde, dat het kruit eenvoudig dynamiet was en afkomstig uit andere bommen, die zijn kameraden gestolen hadden, want de deskundigen beweerden, dat dynamiet nooit zoo’n verschrikkelijke uitwerking had kunnen hebben. Hier bleef iets geheimzinnigs hangen, dat de instructie vertraagde, en de couranten maakten daar misbruik van om dagelijks de dolzinnigste verhalen, de meest ongerijmde berichten te publiceeren, welker opzienbarende opschriften de oplaag deden stijgen.

Zoo werd Guillaume iederen ochtend steeds meer geprikkeld. Ondanks zijn minachting voor Sanier en hoewel hij trilde van verontwaardiging, moest hij, of hij wilde of niet, de Voix du Peuple koopen, als werd hij aangetrokken door de modder, die eruit stroomde. Trouwens ook de andere couranten, zelfs de zoo correcte Globe, publiceerden onbewezen berichten en trokken daaruit de meest onrechtvaardige conclusies. De taak van de pers scheen hierin te bestaan, dat Salvat bezoedeld en bevuild moest worden, om in zijn persoon het anarchisme naar beneden te halen. Zijn geheele leven was op die wijze een aaneenschakeling van schanddaden geworden: op zijn tiende jaar, toen hij als een arm, verlaten kind op straat rondzwierf, was hij een dief, later een slecht soldaat, een slecht werkman, die in dienst voor insubordinatie gestraft, uit de werkplaatsen, waarin hij door zijn propaganda een slechten geest bracht, weggejaagd was; nog later was hij als een verdacht avonturier naar Amerika gegaan, waar hij allerlei onbekend gebleven misdaden gepleegd moest hebben—afgezien nog van zijn groote immoraliteit, zijn samenleven na zijn terugkeer in Frankrijk met zijn schoonzuster, die zijn dochtertje opgevoed had en die hij onder de [317]oogen van het kind tot zijn vrouw gemaakt had. Zoo werden zijn gebreken ten toon gespreid en vergroot, zonder dat men de oorzaken, welke deze veroorzaakt hadden, in aanmerking nam, het milieu, waar zij erger geworden waren, als verontschuldiging gelden liet. Hoe moesten het menschelijkheids- en rechtvaardigheidsgevoel van Guillaume in opstand komen in hem, die den waren Salvat kende—dezen teerhartigen mysticus, dezen hersenschimmigen, hartstochtelijken geest, die weerloos in het leven geslingerd, door de verbitterde ellende steeds verpletterd en eindelijk tot den droom gebracht was door de verwoesting van de geheele wereld de gouden eeuw weer terug te doen keeren, treffen.

Het ergste was, dat Salvat door alles verpletterd werd, sedert hij in strenge afzondering gehouden werd en in de onbeperkte macht van den eerzuchtigen en mondainen Amadieu was. Guillaume wist door zijn zoon Thomas, dat de beschuldigde op geen steun van zijne vroegere kameraden in de fabriek Grandidier behoefde te rekenen. De fabriek begon weer te bloeien, ging, dank zij de fabricatie van rijwielen, met den dag vooruit; en men zeide, dat Grandidier nog slechts op den door Thomas gezochten, kleinen motor wachtte, om tot de vervaardiging in het groot van automobielen over te gaan. Maar juist die eerste successen, welke nauwlijks een belooning waren voor de vele jaren van inspanning, hadden hem voorzichtig en streng gemaakt; hij ontsloeg enkele werklieden, die in den reuk stonden anarchist te zijn, daar hij niet wilde, dat die pijnlijke geschiedenis van Salvat, die vroeger bij hem gewerkt had, zijn firma in discrediet brengen zou. Dat hij Toussaint en diens zoon Charles niet ontsloeg, hoewel de eerste een zwager van den beklaagde was en de tweede van sympathie voor het anarchisme verdacht werd, vond alleen zijn reden hierin, dat beiden daar reeds twintig jaar werkten. Toussaint, die na de attaque van een beroerte slechts met moeite weer aan het werk gegaan was, had zich voorgenomen, om, wanneer hij als getuige à décharge gedagvaard werd, alleen maar te vertellen wat hij wist van Salvat’s huwelijk met zijn zuster.

Op een avond, dat Thomas thuiskwam uit de fabriek, waar hij nu en dan proeven met zijn motor ging nemen, vertelde hij, dat hij madame Grandidier gezien had, de arme jonge vrouw, die tengevolge van een door het verlies van een kind veroorzaakte kraamvrouwenkoorts krankzinnig geworden was en die haar man, ondanks de dikwijls hevige [318]aanvallen, ondanks het droevig dagelijksch leven dat hij met dit zoo beklagenswaardige groote kind leidde, nooit in een krankzinnigengesticht had willen doen en steeds bij zich gehouden had in het groote paviljoen, dat hij naast de fabriek bewoonde. De blinden bleven steeds gesloten, en het was dan ook een groote verrassing, toen een der ramen geopend werd en de zieke in den heerlijken zonneschijn van den vroegtijdigen lentedag daarvoor kwam staan. Haar blond, mooi, glimlachend kopje was echter slechts even als een wit en vluchtig visioen zichtbaar geweest, want al heel gauw had een dienstbode het raam weer gesloten en was het paviljoen in zijn doodsche stilte teruggezonken. In de fabriek werd verteld, dat zij sedert een maand geen aanval gehad had en dat het krachtige en tevreden uitzien van den patroon, de sterke, maar eenigszins ruwe hand, waarmede hij den toenemenden bloei van zijn firma verzekerde, daarin hun oorsprong hadden.

“Hij is niet kwaad,” zeide Thomas, “maar hij wil in den vreeselijken concurrentiestrijd, dien hij doormaakt, ontzag inboezemen. Hij zegt, dat in onzen tijd, nu het kapitaal en de loonarbeid elkander dreigen te vernietigen, de arbeiders, als zij willen blijven eten, zich gelukkig mogen achten, dat het kapitaal in krachtige en verstandige handen valt. Hij veroordeelt Salvat alleen daarom zoo meedoogenloos, omdat hij meent, dat er een voorbeeld gesteld moet worden.

Toen de jonge man dien dag uit de fabriek ging, had hij in de wijk van de rue Marcadet, die als een van werken zoemende bijenkorf is, een hartverscheurende ontmoeting gehad. Madame Thérèse en de kleine Céline kwamen er juist uit, nadat zij een weigerend antwoord gekregen had van Toussaint, die haar zelfs geen tien sous had kunnen geven. Sedert de arrestatie van Salvat hadden de arme vrouw en het kind niets meer te eten; verlaten, met schele oogen aangezien, uit haar ellendig krot verjaagd, zwierven zij rond op goed geluk af, in de hoop hier en daar een aalmoes te krijgen.

“Ik heb gezegd, dat ze maar eens hier moesten komen, vader. Ik had zoo gedacht, dat we den huiseigenaar een maand vooruit moesten betalen, dan hebben ze tenminste een dak boven haar hoofd … Daar zijn ze zeker!”

Guillaume had rillend geluisterd en verweet zichzelf, dat hij niet eerder aan die twee arme schepsels gedacht had. Het was de vreeselijke, eeuwige, oude geschiedenis: de man [319]verdwijnt, vrouw en kind worden dak- en broodloos. De gerechtigheid, die den man treft, slaat achteruit en doodt de onschuldigen.

Schuchter en angstig kwam madame Théodore binnen. Zij was bijna blind en de kleine Céline moest haar leiden. Deze had ondanks haar in flarden hangend jurkje nog steeds haar smal, intelligent, fijn gezichtje, dat niettegenstaande alles nu en dan nog door een jeugdig lachje opgevroolijkt werd.

Pierre en Marie waren beiden diep geroerd. In de kamer zat ook Madame Mathis, de moeder van den kleinen Victor, die Grootmoeder met het verstelwerk hielp. Zij ging dikwijls zoo uit werken, om daardoor haar zoon nu en dan een twintigfrancsstuk toe te kunnen stoppen. Maar Guillaume alleen richtte het woord tot madame Théodore.

“Och, mijnheer,” stamelde zij; “wie had nu ooit kunnen gelooven, dat Salvat tot zoo iets in staat zou zijn. Hij is altijd zoo goed en vriendelijk! En toch is het waar, want hij heeft alles aan den rechter bekend … Ik zeide tegen iedereen, dat hij in België was. Ik was er niet heelemaal zeker van, en ik vind het maar prettiger, dat hij niet bij ons teruggekomen is, want ik zou het vreeselijk gevonden hebben, als hij bij ons gearresteerd was … En nu zij hem hebben, zullen zij hem natuurlijk ter dood veroordeelen.”

Céline, die nieuwsgierig rondgekeken had, begon plotseling met dikke tranen in haar oogen te jammeren:

“O neen, mama, zij zullen hem geen kwaad doen.”

Guillaume gaf haar een zoen en bleef verder vragen.

“Wat zal ik u zeggen, mijnheer? De kleine is nog niet in staat om te werken en ik kan zoo goed als niets meer zien. Men wil mij zelfs niet meer als huishoudster nemen, zoodat je wel van honger crepeeren moet … O, ik heb familie genoeg—een zuster van mij is heel goed getrouwd met een ambtenaar, mijnheer Chrétiennot, die u misschien wel kent. Maar hij is een beetje hoog in zijn wapens, en om mijn zuster scènes te besparen, kom ik er niet meer, ook al, omdat zij tegenwoordig wanhopig is, daar zij weer in positie verkeert, wat in een huishouden een ware ramp is, als je al twee dochtertjes hebt … Daarom heb ik bijna niemand anders dan Toussaint, mijn broer. Zijn vrouw is zoo kwaad niet, maar zij is toch niet meer dezelfde, sedert zij steeds door in angst leeft, dat haar man een tweede attaque zal krijgen. Met de eerste zijn al haar spaarduitjes [320]weggegaan; en wat moet er van haar worden, als hij later nog eens lam wordt? En dan is er nog meer, dat haar hindert; want u moet weten, dat haar zoon Charles zoo dom geweest is het dienstmeisje van een wijnhandelaar met jong te schoppen; maar die is er natuurlijk vandoor gegaan en heeft hem met het kind laten zitten … Het is dus heel goed te begrijpen, dat zij het zelf krap hebben. Ik neem het hun niet kwalijk; zij hebben mij al dikwijls genoeg tien sous geleend, zij kunnen het niet blijven doen.”

Zoo bleef zij maar doorpraten, zij beklaagde zich echter alleen om Céline. Was het niet om te huilen—een zoo flink, handig meisje, dat op school zulke goede vorderingen maakte en nu als een bedelares op straat moest zwerven? En verder merkte zij heel goed, dat men om Salvat niets met haar te doen wilde hebben. De Toussaints wilden zich in zoo’n geschiedenis niet compromitteeren, Charles alleen had gezegd, dat hij begrijpen kon, dat men op een goeden dag zoo zeer het hoofd verloor, dat men de bourgeois in de lucht wilde laten vliegen—gemeen en walgelijk was hun manier van doen.

“Ik zeg niets, mijnheer, want ik ben maar een arme vrouw. Maar wanneer u weten wilt, wat ik denk—ik denk, dat Salvat beter gedaan had, als hij wat hij deed niet gedaan had, omdat wij tweeën, de kleine en ik, eigenlijk degenen zijn, die gestraft worden … Ziet u, het wil er niet bij mij in: het kind van een ter dood veroordeelde …”

Maar weer viel Céline haar in de rede en viel haar om den hals.

“O, mama zeg dat toch niet. Het kan niet waar zijn!”

Pierre en Marie hadden een blik vol eindeloos medelijden gewisseld, terwijl Grootmoeder boven in de kast was gaan kijken, of zij niet wat linnengoed en kleeren voor die twee ongelukkige stakkerds had. Guillaume, die tot tranen toe bewogen was en vol woede tegen een wereld, waarin dergelijke dingen gebeuren konden, liet zijn aalmoes in de hand der kleine glijden en beloofde aan madame Théodore, dat hij met den huiseigenaar zou gaan spreken.

“O mijnheer Froment,” begon de ongelukkige weer, “Salvat had wel gelijk, toen hij zeide, dat u een brave man bent … U weet ook wel, dat hij niet slecht is, want hij heeft een paar dagen bij u gewerkt. Nu hij in de gevangenis zit, spreekt iedereen over hem alsof hij een bandiet is, en dat verscheurt mijn hart” [321]

En zich dan tot madame Mathis wendend, die stil en bescheiden was blijven werken:

“Ik ken u ook, madame, en vooral uw zoon Victor, die dikwijls bij ons is komen praten … Wees maar niet bang, ik zal niets zeggen, want ik wil niemand in gevaar brengen. Maar wanneer Victor praten kon, dan zou hij alleen in staat zijn de denkbeelden van Salvat te verklaren.”

Verbijsterd keek madame Mathis haar aan. Daar zij van het ware leven en de ware gedachten van haar zoon niets wist, schrok zij bij het denkbeeld, dat er een band kon bestaan tusschen hem en dergelijke menschen. Maar bovendien geloofde zij er niets van.

“U vergist u blijkbaar … Victor heeft mij verteld, dat hij bijna nooit meer in Montmartre komt, dat hij altijd op zoek is naar werk.”

Uit den ongerusten, bevenden toon van haar stem begreep madame Théodore, dat zij die vrouw niet in haar treurige zaken had moeten mengen, en dadelijk maakt zij nederig haar excuses.

“Neem me niet kwalijk, madame, ik wilde u niet beleedigen. En misschien vergis ik mij wel.”

Madame Mathis was weer kalm aan het naaien gegaan, als wilde zij zoo gauw mogelijk in haar eenzaamheid terugkeeren, waarin zij nauwlijks genoeg te eten had. Het hinderde haar niet, dat haar aangebeden zoon haar veronachtzaamde, zij hoopte toch op hem, hij bleef haar laatste droom … Eens zou hij haar met alle mogelijke geluk overstelpen!

Grootmoeder kwam met een pak kleeren en linnengoed weer naar beneden en met eindelooze dankbetuigingen gingen madame Théodore en Céline weg. Nog lang na haar vertrek bleef Pierre zwijgend en met diepe rimpels in zijn voorhoofd, op en neer loopen, zonder dat het hem mogelijk was weer aan het werk te gaan.

Toen Pierre den volgenden dag terugkwam, was hij tot zijn verbazing getuige van een heel ander bezoek. Een windvlaag kwam naar binnen—fladderende rokken, lachgilletjes, en daar was de kleine prinses Rosemonde, die den jongen Hyacinthe Duvillard correct en stijf op den voet volgde.

“Ik ben het, waarde meester, ik had u als door uw genie in geestdrift gebracht leerling een bezoek beloofd … En hier is onze jonge vriend, die zoo goed is mij dadelijk na [322]mijn terugkeer uit Noorwegen bij u te brengen, want mijn eerste bezoek is voor u.”

Zij draaide zich om en begroette heel gratieus Pierre, Marie, François en Antoine, die ook in het atelier waren.

“O, dat Noorwegen, waarde meester, u kunt u niets maagdelijkers voorstellen. Wij moesten allen uit die nieuwe, ideale bron gaan drinken, wij zouden er gelouterd, verjongd en tot groote opofferingen in staat van terugkeeren.”

In werkelijkheid had zij zich er doodelijk verveeld, daar zij zich niet had kunnen wennen aan het “melkdieet”, dat haar jonge minnaar haar oplegde. Deze huwelijksreis, niet in het warme Italië, maar in het land van ijs en sneeuw, was wel buitengewoon elegant geweest en had wel getuigenis afgelegd van de voornaamheid van hun liefde, die vrij was van alle materialistische grofheid. Slechts hun zielen waren op reis en zij wisselden niets dan zielskussen. Maar helaas werd zij op een nacht, dat hij er beslist bij bleef haar als een symbolische, reine lelie te behandelen, zoo verbitterd, dat zij een rijzweep nam en hem daarmede een rammeling toediende. Hij zelf was zoo zwak geweest om boos te worden en haar een flink pak slaag te geven, waarop zij in elkaars armen vielen en elkander als heel gewone menschen toebehoorden. Bij het ontwaken vond zij deze sensatie, die zij zoo ver was gaan zoeken, vrij middelmatig, terwijl hij haar nooit vergaf, dat zij dit avontuur, waarvan hij een intellectueel genot verwachtte, tot een zoo vernederend einde gebracht had. Waartoe diende het het maagdelijke, hemelsche Noorden te gaan ontwijden, waar een reeds bevlekte Fransche stad even goed geweest zou zijn? En daar zij niet rein genoeg meer waren en zich niet verwant meer voelden aan de zwanen op de droomzeeën, gingen zij den volgenden dag weer aan boord.

Plotseling onderbrak zij haar verrukte schildering van Noorwegen, want het diende nergens voor aan allen hun treurig échec te bekennen, en riep uit:

“Tusschen twee haakjes, weet u wat mij bij mijn terugkomst wachtte? Ik heb mijn hôtel heelemaal geplunderd gevonden … een plundering, waarvan u u geen voorstelling maken kunt—en daarbij een vuiligheid, een smeerlapperij!… We hebben dadelijk begrepen, dat de vriendjes van Bergaz erin betrokken waren.”

Guillaume had den vorigen dag in de courant gelezen, dat een troep jonge anarchisten ingebroken had in het hôtel [323]van prinses de Hardt, dat deze geheel onbewaakt had achtergelaten. De vriendelijke bandieten hadden er zich niet mede tevreden gesteld alles ondersteboven te halen, maar zij hadden blijkbaar twee dagen in het huis doorgebracht, den wijn uit den kelder opgedronken, met de medegebrachte voorraden feestmaaltijden aangericht, de kamer bevuild en overal sporen van hun verblijf achtergelaten.

Toen Rosemonde thuis kwam, was zij meer verbaasd dan boos geweest en had dadelijk gedacht aan den avond, dien zij met Bergaz en zijn twee lievelingen Rossé en Sanfaute in het Cabinet des Horreurs had doorgebracht. Van haar zelf hadden zij gehoord, dat zij naar Noorwegen zou gaan. Inderdaad waren die beiden dan ook gearresteerd, maar Bergaz was gevlucht. Zij verwonderde er zich niet al te zeer over, want zij was reeds gewaarschuwd en wist, dat zich onder het zeer gemengde gezelschap, dat zij in haar hartstocht voor internationale excentriciteiten bij zich ontving, de grootste bandieten bevonden. Janzen had haar een paar vuile geschiedenisjes verteld, die men aan Bergaz en zijn bende toeschreef. Ditmaal echter stak hij zijn meening niet onder stoelen of banken en vertelde aan iedereen, die het weten wilde, dat na Raphanel, Bergaz zich aan de politie verkocht had, en dat deze geheele geschiedenis een streek van hem was, om door dien opzienbarenden diefstal, die te midden van zooveel vuiligheid gepleegd was, het anarchisme voor altijd te bezoedelen. Lag het bewijs daarvan niet in het feit, dat de politie hem had laten ontvluchten?

“Ik had gedacht,” zeide Guillaume, “dat de couranten overdreven … Zij vinden op dit oogenblik, om het geval van den armen Salvat nog erger te maken, zooveel afschuwelijke dingen uit.”

“O neen,” antwoordde Rosemonde vroolijk; “zij hebben niet alles kunnen zeggen, het was te smerig … Ik kon nu zonder eenig gewetensbezwaar naar een hôtel gaan, waar ik het veel prettiger vind, want het begon mij thuis te vervelen … Maar in ieder geval is het anarchisme een vuil zootje; ik durf niet meer te zeggen, dat ik er sympathie voor voel.”

Zij lachte en sprong plotseling op een andere gril over; zij wilde, dat de meester haar over zijn nieuwe onderzoekingen vertelde, ongetwijfeld om hem te laten zien, dat zij in staat was hem te begrijpen. Maar de geschiedenis van Bergaz had hem ongerust gemaakt. Hij bepaalde zich tot [324]enkele algemeenheden en was tegenover de prinses slechts koel-beleefd.

Inmiddels hernieuwde Hyacinthe de kennis met François en Antoine, met wie hij op het lyceum-Condorcet geweest was. Hij was slechts tegen zijn zin met haar medegegaan; hij gaf alleen aan haar toe door den angst, dien hij voor haar had, sedert zij hem sloeg. Dit kleine huis van een als het ware verbannen scheikundige vervulde hem met een medelijdende minachting en hij meende verplicht te zijn zijn meerderheid nog meer te laten uitkomen tegenover oude kameraden, die hij als gewone werkmenschen terugvond.

“O ja, dat is waar ook, je bent naar de École Normale gegaan,” zeide hij tegen François, die bezig was aanteekeningen uit een boek te maken. “Je wilt, geloof ik, examen doen!… Och, wat zal ik je zeggen? Ik voor mij kan het denkbeeld van een halsband niet verdragen. Zoodra het om een examen of zoo iets gaat, weet ik absoluut niets meer … En tusschen ons gezegd en gezwegen, is wetenschap toch niet veel meer dan voor-den-gek-houderij! En wat wordt je horizont erdoor beperkt! Neen, je kan beter het kleine kind blijven, welks oogen het onzichtbare aanschouwen. Zoo’n kind weet er meer van!”

François, die dikwijls ironisch kon zijn, vond het aardig hem gelijk te geven.

“Zeker, je hebt volkomen gelijk. Maar je moet er een natuurlijken aanleg voor hebben, om dat kleine kind te blijven … Ik ben ongelukkigerwijze behept met een drang, om alles te willen weten. Het is zonde en jammer, want ik zit nu heele dagen met mijn neus in de boeken … O, ik zal nooit veel weten, dat is zeker, en misschien is dat wel de reden, waarom ik altijd probeer meer te weten … Maar je zult me moeten toegeven, dat werken even goed als niets doen een manier is om het leven door te komen, o zeker, heel wat minder elegant, want jij vindt natuurlijk, dat werken minder aesthetisch is!”

“Minder aesthetisch, dat is het juiste woord,” zeide Hyacinthe. “Schoonheid is slechts te vinden in het niet-uitgedrukte; ieder leven, dat tot werkelijkheid wordt, zinkt weg tot alledaagschheid.”

Maar hoe onnoozel hij in de geniale enormiteit van zijn pretenties was, voelde hij toch den spot. Hij wendde zich tot Antoine, die aan zijn houtsnede was blijven werken, het [325]portret van Lise, dat hij in zijn verlangen, om het ontwaken van het kind tot begrip en leven uit te drukken, telkens weer opgaf, om het dan opnieuw te beginnen.

Zoo heb jij je aan het graveeren gewijd … Sedert ik van het verzen-maken en van mijn gedicht, Het Einde der Vrouw, heb afgezien, omdat ik de woorden zoo plomp en zoo grof en zoo bezoedelend vond, heb ik er ook over gedacht mij aan het teekenen of aan het graveeren te wijden … Maar waar is de teekening, die het mysterie, het hiernamaals, de eenige wereld, die bestaat en belangrijk is, tot uitdrukking brengt? Met welk potlood die te verkrijgen, op welke plaats die weer te geven? Er zou iets ontastbaars, dat niet bestaat, dat alleen het wezen van dingen en menschen suggereert, voor noodig zijn.”

“Toch kan de kunst slechts door het stoffelijke van haar middelen dat weergeven, wat zij het wezen van dingen en menschen noemt en wat in den grond der zaak haar volkomen beteekenis is, tenminste die, welke wij haar toekennen … Het leven weergeven is mijn groote passie, en er bestaat geen ander mysterie dan dat van het leven in het diepst der wezens achter de dingen … Wanneer mijn houtsnede leeft, ben ik tevreden, omdat ik geschapen heb.”

Een spottende trek op Hyacinthe’s gezicht drukte zijn afkeer voor vruchtbaarheid uit. Een heele kunst! De eerste de beste schoft maakte een kind. Iets uitgelezens en zeldzaams was slechts de geslachtslooze, door zichzelf bestaande idée. Hij wilde dat uitleggen, raakte echter in zijn woorden verward en begon dan over de uit Noorwegen medegebrachte zekerheid, dat het met kunst en litteratuur in Frankrijk uit was, dat zij gedood waren door de alledaagschheid, ja zelfs het misbruik der productie.

“Dat is zoo,” merkte François vroolijk op, “niets doen is reeds talent hebben.”

Pierre en Marie keken en luisterden; deze vreemde invasie in het gewoonlijk zoo ernstige en zoo kalme atelier maakte hen verlegen. Toch was de kleine prinses heel voorkomend; zij kwam naar het jonge meisje toe en bewonderde het fijne borduurwerk, waar zij juist de laatste hand aan legde. Zij wilde niet weggaan voor Guillaume zijn handteekening gezet had in een album, dat Hyacinthe uit het rijtuig moest gaan halen. Hij voldeed aan haar verzoek met een zichtbaren tegenzin; zij waren elkaar reeds moe, maar in afwachting van een nieuwe gril liet zij hem niet [326]los en vermaakte zij zich ermee hem te terroriseeren. Toen zij hem, nadat zij Froment verzekerd had, dat deze dag onvergetelijk voor haar zou blijven, medenam, bracht zij hen allen aan het lachen door de woorden:

“Zoo, kennen de jongelui Hyacinthe van het lyceum … Een goede jongen niet? Ja, hij zou zelfs aardig zijn als hij net was als andere menschen.”

Dienzelfden dag kwamen Janzen en Bache den avond bij Guillaume doorbrengen. De intieme samenkomsten van Neuilly werden eens per week in Montmartre voortgezet. Pierre ging op zulke dagen eerst heel laat naar huis; zoodra de twee vrouwen en de drie volwassen zoons naar boven gegaan waren, werden er in het atelier, welks openstaand raam op het nachtelijke, van gaslicht fonkelende Parijs uitzag, eindelooze gesprekken gehouden. Théophile Morin kwam tegen tien uur, daar hij eerst nog had moeten werken.

“Maar dat is een halve gekkin,” riep Janzen uit, toen Guillaume hun van het bezoek der prinses verteld had. “Een oogenblik, toen ik pas met haar kennis gemaakt had, heb ik gehoopt haar voor onze zaak dienstbaar te kunnen maken. Zij leek zoo overtuigd, zoo dapper … Maar zij is een der meest perverse vrouwen op de heele wereld, steeds uit op nieuwe emoties.”

Het bloed steeg hem naar de wangen; eindelijk liet hij zijn gewone gereserveerdheid, de geheimzinnigheid, waarin hij zich steeds hulde, varen. Ongetwijfeld had hij geleden onder de breuk met haar, die hij eens de kleine koningin van het anarchisme genoemd had en wier rijkdom en talrijke relaties in alle kringen hem prachtig propaganda- en overwinningsmateriaal toegeschenen was.

“Zooals je weet,” ging hij, wat kalmer geworden, voort; “is die plundering en bevuiling van haar hôtel een streek van de politie … Men heeft, kort voor het proces van Salvat, het anarchisme heelemaal in discrediet willen brengen.”

Guillaume luisterde aandachtig.

“Ja, dat heeft zij mij verteld … Maar ik geloof niet veel van dat verhaal. Als Bergaz slechts gehandeld had onder den invloed, waarover je daarnet sprak, dan zou de politie hem met de anderen gearresteerd hebben, zooals ze indertijd Raphanel en hen, die hij verraden had, ook tegelijkertijd ingerekend hebben … En bovendien, ik ken Bergaz langer dan vandaag; hij is altijd een halve plunderaar geweest.” [327]

Zijn stem was somber geworden en hij maakte een bedroefd gebaar.

“Zeker, ik begrijp alle eischen, zelfs alle wettige vergeldingsmaatregelen … Maar een diefstal, een cynische diefstal alleen uit genot om te stelen, neen, daar kan ik niet bij … De trotsche hoop op een rechtvaardige en betere maatschappij wordt daardoor in mij verwoest … Dien diefstal in het hôtel de Hardt vind ik diep en diep treurig.”

Om Janzen’s lippen speelde het raadselachtige, als een dolkmes zoo snijdende glimlachje.

“Dat is een quaestie van atavisme! De eeuwen van beschaving en geloof, die achter ons liggen, protesteeren in jou. Je moet wel terugnemen wat ze je niet willen teruggeven … Het eenige wat mij hindert, is dat Bergaz dit oogenblik uitgekozen heeft, om zich te verkoopen. Een comedie-diefstal, een oratorisch effect, dat de officier van justitie hebben wil om het hoofd van Salvat te eischen.”

In zijn haat tegen de politie en misschien ook ten gevolge van een oneenigheid, die hij met Bergaz, met wien hij vroeger bevriend was, gehad had, bleef Janzen bij deze verklaring. Het leven van dezen vaderlandlooze, die zijn bloedigen droom door geheel Europa met zich droeg, bleef ondoorgrondelijk. Guillaume zag van een verdere discussie af en zeide eenvoudig:

“Die ongelukkige Salvat. Alles komt op hem neer, alles zal hem verpletteren!… Je kunt je niet begrijpen hoe woedend dat geval mij maakt. Al mijn voorstellingen van gerechtigheid en waarheid komen daartegen in verzet. Zeker, hij is een krankzinnige, maar een, die zooveel verontschuldigingen heeft, die in den grond der zaak slechts een op het dwaalspoor gebrachte martelaar is! En nu is hij het uitverkoren slachtoffer, de zondenbok, die voor ons allen boeten moet.”

Bache en Morin schudden hun hoofd zonder te antwoorden. Zij staken hun afkeer voor het anarchisme niet onder stoelen of banken. Morin, die vergat, dat zijn eerste leermeester Proudhon het woord, ja bijna de zaak zelf in de wereld gebracht had, herinnerde zich nog slechts zijn afgod Auguste Comte, om zich met hem in het mooie, hiëratische rijk der wetenschappen op te sluiten. Hij was bereid zich aan de tyrannie te onderwerpen tot den dag, waarop het ontwikkelde en tot vrede gebrachte volk het geluk waard zijn zou. De oude humanitaire mysticus Bache werd door de individualistische [328]dorheid van de libertaire theorie in zijn diepste overtuiging gekwetst: hij haalde zacht zijn schouders op en zeide, dat iedere oplossing te vinden was bij Fourier, die de toekomst voor eeuwig verwezenlijkt had door de alliantie van talent, kapitaal en arbeid te decreteeren. Toch waren beiden met de burgerlijke republieken, die de hervormingen zoo langzaam tot stand brachten, niet tevreden; zij vonden, dat hun ideeën bespot werden, dat alles steeds slechter ging en ergerden zich eveneens over de manier, waarop de verschillende partijen Salvat trachtten uit te buiten, om de macht te behouden of die in handen te krijgen.

“Als je bedenkt, dat die ministerieele crisis nu al bijna drie weken duurt,” zeide Bache. “Alle begeerten en hartstochten worden in hun volle naaktheid bloot gelegd, het is een walgelijk schouwspel … Hebben jullie in de ochtendbladen gelezen, dat de president er weer toe heeft moeten besluiten Vignon op het Elysée te ontbieden?”

“O, kranten lees ik niet meer,” prevelde Morin met zijn moede stem. “Waarom zou ik dat doen? Die worden zoo slecht geschreven en liegen toch allemaal.”

Inderdaad kwam er aan de ministerieele crisis geen eind. De president der Republiek had de aanwijzingen, die de zitting, waarin het ministerie Barroux gevallen was, hem gaf, gevolgd en zeer correct Vignon, den overwinnaar, ontboden om hem met de vorming van een nieuw ministerie te belasten. Het scheen een heel eenvoudige zaak te zijn, die nauwlijks twee of drie dagen zou in beslag nemen, want reeds maanden lang noemde men de namen der vrienden, die de jonge leider der radicale partij in zijn kabinet zou opnemen. Maar allerlei moeilijkheden hadden zich voorgedaan, Vignon had tien dagen lang te midden van zoo onoverkomelijke hinderpalen moeten strijden, dat hij uit vrees, dat hij al zijn krachten voor later uitputten zou, wanneer hij hardnekkig volhouden bleef, den president medegedeeld had, dat hij van de opdracht afzag. Dadelijk had deze andere afgevaardigden ontboden, totdat hij er eindelijk een vond, die dapper genoeg was om op zijn beurt een proef te nemen.

Maar ook hij was op dezelfde moeilijkheden gestooten: eerst scheen het, dat een voorloopige lijst binnen enkele uren definitief zou worden, maar dan kwamen er aarzelingen, verslappingen, een langzame verlamming, die ten slotte tot een echec leidden. Het was, alsof het heimelijke woelen, dat Vignon’s werk onmogelijk gemaakt had, opnieuw begon, [329]alsof een bende onzichtbare medeplichtigen bezig was de verschillende combinaties met een verborgen doel te doen mislukken. En de president had de vorming van een kabinet opnieuw moeten opdragen aan Vignon, die ditmaal een bijna volledige lijst in zijn zak had en zeker scheen binnen tweemaal vier-en-twintig uur te slagen.

“Maar het is nog niet uit,” zeide Bache verder. “Goed ingelichte personen verzekeren, dat Vignon nu evenmin als den eersten keer zal slagen. Niets kan mij van mijn idee afbrengen, dat Duvillard’s bende dat heele zaakje leidt. Maar ten voordeele van wien, dat weet ik niet. Maar je kunt ervan overtuigd zijn, dat het er in de allereerste plaats om gaat de zaak van de Afrikaansche sporen in den doofpot te stoppen … Als Monferrand niet al te zeer gecompromitteerd was, dan zou ik gelooven, dat hij erachter zit. Heb je niet opgemerkt, hoe de Globe, die plotseling Barroux in den steek gelaten heeft, bijna dagelijks met een eerbiedige sympathie over Monferrand spreekt. Dat is een ernstig symptoom, want Fonsègue heeft anders de gewoonte niet de overwonnenen zoo vroom op te rapen … Enfin, wat kan je van die vervloekte Kamer verwachten? In ieder geval gebeurt er weer iets vuils.”

“En dan die sul van een Mège,” zeide Morin, “die voor alle partijen zorgt, behalve voor zichzelf. Is het niet belachelijk dat hij denkt, dat hij alleen maar het eene ministerie na het andere behoeft omver te werpen, om eindelijk zelf kabinetsformateur te worden?”

Bij den naam van Mège protesteerden allen, één in hun gemeenschappelijken haat, luid. Bache, die in vele opzichten toch precies hetzelfde dacht als de apostel van het Staatscollectivisme, veroordeelde iedere redevoering, iedere daad van hem met een onverbiddelijke strengheid. Janzen noemde hem eenvoudig een burgerlijken reactionnair, dien men als een van de eerste wegvegen moest. Dat was de hartstocht van hen allen; dikwijls konden zij rechtvaardig zijn tegenover hun onverzoenlijkste tegenstanders, die geen enkel van hun denkbeelden duldden, terwijl het een groote, onvergeeflijke misdaad was bijna eender te denken als zij, zonder het in alle opzichten volkomen met hen eens te zijn.

Dan kwam het gesprek op Sanier, wiens blad de modder iederen dag als uit een riool haalde. Guillaume, die volgens zijn gewoonte op en neer was gaan loopen, ontwaakte uit zijn droef gepeins, om uit te roepen: [330]

“O, die Sanier! Wat een vuil werk verricht die! Heel gauw zal er niets of niemand meer zijn, op wien hij niet gespogen heeft. Je denkt, dat hij het met je eens is, en plotseling wordt je bevuild … Heeft hij gisteren niet verteld, dat men bij zijn arrestatie op Salvat valsche sleutels gevonden heeft en portemonnaies, die hij van wandelaars gestolen zou hebben … Altijd Salvat! Salvat, het onuitputtelijk onderwerp voor artikelen! Salvat, wiens naam voldoende is om de oplaag der couranten te verdriedubbelen! Salvat, de gelukkige afleiding voor de omgekochten van de Afrikaansche sporen! Salvat, het slagveld, waarop ministeries vallen en gevormd worden! Allen buiten hem uit en wurgen hem!”

Na dezen kreet van verzet en medelijden namen de vrienden afscheid. Pierre had den geheelen avond voor het open raam gezeten en zonder een woord te zeggen geluisterd. Hij was ten prooi aan zijn twijfel, aan zijn innerlijken tweestrijd, en nog geen van de vele elkaar tegensprekende meeningen hadden hem een oplossing, een bevrediging gebracht. Zij waren het er slechts over eens, dat de oude wereld verdwijnen moest, zonder dat zij in een zelfde broederlijke krachtsinspanning de toekomstige wereld van gerechtigheid en waarheid vermochten op te bouwen.

Toen Pierre op zijn beurt ook eindelijk wegging, legde Guillaume zijn beide handen op de schouders van zijn broer en keek hem, ondanks zijn toorn diep geroerd, lang aan.

“Jij lijdt ook, arme jongen, dat zie ik al een paar dagen. Maar jij bent de meester van je lijden, want de strijd wordt slechts in jou zelf gestreden, jij kunt je zelf overwinnen, terwijl men de wereld niet kan overwinnen, wanneer het lijden het gevolg is van haar slechtheid en ongerechtigheid!… Kom, wees dapper, handel volgens je rede, ook al moet het je tranen kosten, en je zal kalm worden.”

Toen Pierre dien nacht in zijn kleine huisje te Neuilly, waarin nog slechts de schimmen van zijn vader en van zijn moeder terugkeerden, alleen was, hield een allerlaatste strijd hem nog lang wakker. Nooit nog had hij een zoo sterken afschuw gevoeld voor zijn leugen, voor dat priesterschap, dat een zinloos gebaar voor hem geworden was, voor die soutane, welke hij eigenlijk slechts als een soort vermomming droeg. Misschien had wat hij bij zijn broeder gezien en gehoord had—de maatschappelijke ellende van sommigen, de nuttelooze en dwaze agitatie van anderen, het ondanks alle onderlinge tegenspraak hardnekkig blijvende [331]verlangen naar een betere menschheid—hem de noodzakelijkheid van een eerlijk, in het volle licht normaal te leiden leven nog dieper doen gevoelen. Nu kon hij aan den langen droom, dien hij eens gedroomd had, dat menschenschuwe en eenzame leven van een vroom priester, die hij niet was, niet denken, zonder dat een rilling van schaamte hem doorhuiverde, zijn geweten in opstand kwam tegen die lange leugen. Nu stond het vast: hij zou niet langer liegen, zelfs niet uit barmhartigheid, om aan anderen de goddelijke illusie te geven. Maar welk een losscheuren uit alles wat hem eens lief geweest was, was het afleggen van die soutane, welke hij aan zijn huid meende te voelen plakken. Hoe troosteloos was het voor hem tegen zichzelf te moeten zeggen, dat hij, zelfs wanneer hij zich losrukte, zwak, gewond, verminkt zou blijven, zonder ooit weer te kunnen worden als andere menschen.

Daarin bestond in dien vreeselijken nacht wederom zijn strijd en zijn marteling. Zou het leven nog iets van hem willen weten? Was hij niet geteekend om eeuwig afzonderlijk te blijven staan? Hij meende zijn eed als een rood gloeiend ijzer in zijn vleesch te voelen. Waartoe diende hij zich te kleeden als andere mannen, daar hij toch nooit meer een man zijn kon? Tot nog toe had hij zoo bevend, zoo onhandig, zoo verloren in zijn verzaking en in zijn droomwereld geleefd! Niet meer kunnen! Niet meer kunnen! Deze vrees, waardoor hij bang was te zullen verlammen, liet hem niet los. En toen hij een besluit nam, deed hij het in angst, alleen uit eerlijkheid.

Toen Pierre den volgenden dag naar Montmartre terugging, droeg hij een donkere jas en broek. Grootmoeder en de drie zonen lieten hun verbazing noch door een uitroep, noch door een blik blijken. Was het niet heel natuurlijk? Zij begroetten hem op dezelfde kalme manier als altijd, misschien zelfs met nog meer hartelijkheid en liefde, om de eerste oogenblikken makkelijker voor hem te maken. Maar Guillaume lachte hem vriendelijk toe. Hij zag daarin zijn werk. De genezing kwam, zooals hij gehoopt had, door hem en bij hem, in de volle zon, in het leven, dat de groote glazen deur in breede stroomen binnen vallen liet.

Ook Marie had opgekeken en zag Pierre aan. Zij wist niet wat haar zoo logisch woord: “Waarom trek je die niet uit?” hem had doen lijden. Dat hij zijn soutane afgelegd had, vond zij eenvoudig makkelijker voor het werk. [332]

“Kom eens kijken, Pierre … Toen ik kwam, zat ik juist te kijken, hoe de wind al die rookwolken naar het Oosten drijft. Je zoudt ze voor schepen kunnen aanzien, voor een niet te tellen eskader, dat de zon purper kleurt. Ja, ja, het zijn gouden schepen, duizenden gouden schepen, die uit den oceaan van Parijs uitloopen, om de aarde beschaving en vrede te brengen!”