I.
Guillaume wilde ook de executie van Salvat bijwonen; en Pierre, die zich niet gerust gevoelde, omdat hij hem niet van dat plan af had kunnen brengen, bleef ’s avonds in Montmartre, om er met hem heen te gaan. Vroeger, toen hij abbé Rose op zijn liefdadigheidsbezoeken vergezelde, had hij meermalen gehoord, dat men uit een huis op den hoek van de rue Merlin, waarin de socialistische afgevaardigde Mège woonde, de guillotine zien kon. Hij had zich dus als gids aangeboden, en daar de terechtstelling ’s ochtends tegen half vijf plaats zou hebben, gingen de beide broeders niet naar bed, maar bleven, half dommelend en slechts enkele woorden wisselend, in het groote atelier zitten. Tegen twee uur gingen zij weg.
De nacht was wonderlijk kalm en helder. In den wijden, lichten hemel scheen de volle maan als een zilveren lamp en goot haar stil droomachtig licht over het slapende Parijs, dat zich in onmetelijke verten scheen te verliezen. Men had kunnen denken het visioen van een betooverde stad van den slaap voor zich te hebben, waaruit in de uitputting van haar moeheid geen gemurmel meer opsteeg. Een meer van zachtheid en rust bedekte haar, wiegde haar in slaap en dempte tot aan het opgaan der zon het bruisen van haar arbeid en haar lijdenskreet, terwijl men in een afgelegen voorstad druk en in het geheim bezig was een guillotine op te richten, om een mensch te dooden.
In de rue Saint-Eleuthère bleven Pierre en Guillaume staan kijken naar het droomerige, nevelige, bevende, als door een sprookjesachtige schemering overgoten Parijs. Toen zij zich omdraaiden, zagen zij in het licht der volle maan de, hoewel de koepel haar nog niet kroonde, toch reeds reusachtige [388]massa der basilica van den Sacré-Cœur. Zij scheen in dit heldere witte licht, dat de scherpe kanten tegen de groote zwarte schaduwen afteekende en daardoor accentueerde, nog grooter te worden. Zoo gezien, was zij onder den bleeken, nachtelijken hemel als een reusachtige, trotsche, uitdagende bloem. Nog nooit was zij Guillaume zoo geweldig voorgekomen, nog nooit had zij Parijs, zelfs niet in zijn sluimering, met een zoo hardnekkige en verpletterende macht beheerscht.
En dit gevoel was zóó sterk en zóó pijnlijk, dat Guillaume hardop zeide:
“Ja, zij hebben hun plaats goed gekozen! Hoe stom, dat men hen die heeft laten nemen … Ik ken geen grooteren onzin: Parijs gekroond en beheerscht door dezen tot verheerlijking van het absurde gebouwden afgodentempel! Welk een onbeschaamdheid, welk een klap in het aangezicht van de rede na zooveel arbeid, zooveel eeuwen van wetenschap en strijd! En dat juist tegenover, boven ons groot Parijs, de eenige stad in de wereld, wier voorhoofd men niet met deze vlek had mogen bezoedelen!… Te Lourdes of te Rome, à la bonne heure! Maar in Parijs, in dit zoo diep omgeploegde veld der intelligentie, waarin de toekomst kiemt! Dat is de oorlogsverklaring, dat is de brutaal erkende hoop op verovering!”
Gewoonlijk was hij zoo verdraagzaam als een geleerde, voor wien de godsdiensten niet meer dan maatschappelijke verschijnselen zijn. Zelfs erkende hij gaarne de grootschheid of de lieflijkheden der Katholieke legenden. Maar het beruchte visioen van Maria Macoque1, dat aanleiding gegeven had tot de instelling van het Heilige Hart, prikkelde hem, vervulde hem met een soort physieken afkeer. Hoe afschuwelijk was deze open, bloedende borst van Jezus, het reusachtige hart, dat de heilige in de diepe wond had zien kloppen, waarin Jezus het andere, het kleine vrouwenhart gelegd had, om het brandend van liefde terug te geven. Welke een lage en weerzinwekkende stoffelijkheid! Een slagerswinkel met ingewanden, spieren en bloed! Vooral hinderde hem de gravure, die deze afschuwelijkheid voorstelde en welke hij overal als een naïeve anatomische plaat terugvond.
Pierre zweeg en keek eveneens naar de door de maan [389]beschenen basilica, welke als een reusachtige sprookjesvesting oprees om de aan haar voeten sluimerende stad te verpletteren en te veroveren. Toen hij er in den laatsten tijd als met zijn marteling strijdend ongeloovig priester zijn mis las, had zij hem zooveel pijn gedaan. En op zijn beurt begon hij:
“Het nationale geloftegeschenk, ja, het nationale geloftegeschenk van arbeid, gezondheid, kracht en zedelijke verheffing!… Maar zoo vatten zij het niet op. Frankrijk heeft de nederlaag geleden, omdat het verdiende gestraft te worden. Het was schuldig en moet heden boete doen. Waarvoor? Voor de Revolutie, voor een eeuw van vrij onderzoek en wetenschap, voor zijn bevrijde rede, voor zijn arbeid van initiatief en bevrijding, dat zich naar de vier hoeken der wereld verspreid heeft … Daarin bestond de ware schuld, en slechts om ons voor onzen grooten arbeid, voor al de veroverde waarheden, voor onze grooter geworden kennis, voor de nu nabije gerechtigheid te laten boeten, hebben zij daar dien reusachtigen grenssteen gezet, welken Parijs van alle kanten zien zal, maar niet zien kan zonder zich in zijn werk en in zijn roem miskend en beleedigd te gevoelen.”
Met een breed gebaar wees hij op het in het maanlicht als in een zilveren laken slapende Parijs en liep dan met zijn broeder verder de heuvels af naar de nog zwarte en verlaten straten.
Tot den buitenboulevard toe ontmoetten zij geen levende ziel; maar daar hield het leven nooit op; de wijnrestaurants, de café’s, de danshuizen hadden hun deuren nauwlijks gesloten of de op de straat geworpen ontucht en ellende zetten daar haar nachtelijk leven voort. Daar vond men allen, die geen woning hadden, de snollen, die op zoek waren naar de een of andere slaapstee, de vagebonden, die op de banken sliepen, de zwervers, die hun slag trachtten te slaan. Dank zij het medeplichtig duister borrelde de modder, en daarmede het geheele lijden, uit de onderste lagen van Parijs naar de oppervlakte. De ledige straten behoorden aan de brood- en daklooze hongerlijders, voor wie in het volle daglicht geen plaats is, behoorden aan deze wriemelende, verwarde, wanhopige massa, die alleen maar ’s nachts te voorschijn kwam. Welk een spoken van de vreeselijkste ontbering; welk een ver gesteun als van een doodsstrijd rees uit Parijs op in dezen ochtend, waarop men bij het aanbreken van den dag een [390]mensch zou guillotineeren, ook een van dezen, een arme dus een lijdende!
Toen Guillaume en Pierre de rue des Martyrs afliepen, zag de eerste op een bank een ouden man liggen, wiens bloote voeten uit smerige, gapende schoenen staken; met een zwijgend gebaar wees hij ernaar. Enkele passen verder maakte Pierre een zelfde gebaar naar een jong meisje, dat, in lompen gehuld, met open mond tegen een deur zat te slapen. Zij behoefden elkander niet te zeggen welk medelijden, welke woede hun hart in opstand bracht. Nu en dan kwamen twee politieagenten voorbij: schudden de ongelukkigen wakker, dwongen ze op te staan en weer verder te loopen. Ook wel namen zij, wanneer ze hun verdacht voorkwamen of niet gauw genoeg gehoorzaamden, hen mede naar een politiepost. En dan ontstond naast de ellende van deze onterfden de wrok, de besmetting der cachotten, die dikwijls van een eenvoudigen vagebond een dief of een moordenaar maakte.
In de rue des Martyrs en in de rue du Faubourg-Montmartre veranderde het beeld der nachtelijke bevolking, en de beide broeders kwamen nu nog slechts late nachtwandelaars tegen, vrouwen, die langs de huizen slopen, mannen en vrouwen, die elkander sloegen. Verder op de groote boulevards zag men mannen, die uit de clubs kwamen; heeren staken op den drempel van hooge, zwarte huizen, waarin slechts de vensters van één verdieping den nacht verlichtten, hun sigaar aan. Een dame in avondtoilet en met een grooten mantel aan, liep langzaam met een vriendin voort. Enkele rijtuigen reden nog rond; andere stonden al uren lang als dood, terwijl de koetsier en het paard sliepen. Naarmate zij verder op de boulevards kwamen—de boulevard Bonne-Nouvelle na den boulevard Poissonnière en de andere, de boulevard Saint-Denis, de boulevard Saint-Martin tot de Place de la République—begon de ellende en het lijden weer: verlatenen en hongerlijders, al het afval van de menschheid, die in den nacht op straat geworpen waren; maar reeds verscheen het leger der straatvegers, om het vuil van den vorigen dag weg te nemen en te maken, dat Parijs zich niet over al de op één dag opgehoopte onreinheid zou behoeven te schamen.
Maar vooral toen de broers na den boulevard Voltaire de wijken la Roquette en Charonne naderden, voelden zij, dat zij weer in een omgeving van den arbeid kwamen, waarin [391]dikwijls gebrek was aan brood en het leven een smart is. Pierre voelde zich hier dadelijk weer heelemaal thuis, want van die lange, volkrijke straten was er niet één, die hij niet honderdmaal doorloopen had, wanneer hij met den goeden abbé Rose de radeloozen bezocht, zijn aalmoezen bracht en de kleinen uit de goot opraapte. Al de drama’s, die hij medegemaakt had, alle kreten, tranen en al het bloed, al de vaders, moeders en kinderen, die van gebrek, onreinheid en verwaarloozing stierven, rezen als een vreeselijk visioen voor hem op. In die vreeselijke sociale hel had hij ten slotte zijn laatste hoop achtergelaten, was hij zelf snikkend gevlucht, overtuigd, dat barmhartigheid niets meer dan een tijdpasseering der rijken, belachelijk en nutteloos is. En nu hij dezen ochtend de nog even treurige, de nog eeuwig aan de ellende gewijde wijk terugzag, kwam datzelfde gevoel met buitengewone kracht weer in hem terug. Was de oude man, dien abbé Rose op een avond weer tot het leven teruggeroepen had, niet den vorigen dag van honger gestorven? Was hij het meisje, dat hij zelf na den dood van haar ouders in zijn armen had medegenomen, later niet eens tegengekomen, toen zij gilde onder de vuist van een souteneur? Met legioenen waren de ongelukkigen, die niet meer gered konden worden, te tellen! Welk een benauwend zwijgen, welk een diepe duisternis heerschte in deze arbeidersstraten, waarin de slaap de trouwe makker van den dood schijnt te zijn! De honger sluipt door de straten, het ongeluk jammert, spookachtige, onduidelijke gestalten loopen voorbij en verliezen zich in de donkerte.
Hoe verder Guillaume en Pierre kwamen, des te meer stootten zij op donkere menschengroepen. De geheele kudde nieuwsgierigen bewoog zich stampvoetend in de richting van de guillotine. Zij stroomden uit alle hoeken van Parijs samen, als voortgestuwd door een koortsachtigen drang naar dood en bloed. Maar ondanks het doffe stampen van deze menigte bleven de straten donker, werd geen enkel venster aan de voorzijde verlicht, hoorde men zelfs niet het ademen van de door uitputting gebroken arbeiders, die eerst later bij de ochtendschemering van hun jammerlijke lijdenssponden zouden opstaan.
Toen zij op de place Voltaire kwamen en Pierre de menigte zag, die zich daar reeds verdrong, begreep hij, dat het onmogelijk was in de rue de la Roquette te komen. Bovendien zou die straat natuurlijk afgezet zijn. Toen kwam hij op het [392]denkbeeld om verderop de achter de gevangenis om loopende rue de la Folie-Regnault te nemen, ten einde van daaruit op den hoek van de rue Merlin te komen.
En inderdaad was het daar eenzaam en donker. De ontzaglijke massa der gevangenis met haar groote, kale, door de maan beschenen muurvlakten scheen niet meer dan een koude, sedert eeuwen doode steenhoop. Aan het einde van de straat kwamen zij weder in een menigte, in een dichte, wriemelende menigte, waarin slechts de bleeke vlekken der gezichten te onderscheiden waren. Met groote moeite drongen zij door tot het huis, dat Mège op den hoek van de rue Merlin bewoonde. Maar de luiken op de vierde verdieping—Mège’s etage—waren hermetisch gesloten, terwijl voor al de andere ramen, die wijd openstonden, zich hoofden bewogen en beneden het wijnrestaurant propvol met menschen zat, die in afwachting van het schouwspel een lawaai als een oordeel maakten.
“Ik durf niet aankloppen bij Mège,” zeide Pierre.
“Neen, neen, geen quaestie van!” riep Guillaume. “Laten we hier maar binnengaan. We zullen van het balkon af wel kunnen zien.”
De zaal op de eerste verdieping had een groot balkon, dat reeds dicht met dames en heeren bezet was. Toch gelukte het den broers zich ertusschen te dringen en zij bleven daar eenige oogenblikken staan en trachtten het donker in de verte te doorboren. Tusschen de twee gevangenissen, de groote en de kleine Roquette, verbreedde de oploopende straat zich tot een soort vierkant plein, dat door vier platanengroepen, die naast de trottoirs geplant waren, beschaduwd werd. De lage gebouwen, de kwijnende boomen, de geheele armzalige, leelijke omgeving scheen zich op gelijke hoogte met de aarde uit te strekken onder den onmetelijken hemel, waarin, nu de maan ter kimme ging, de sterren weer verschenen. Het plein was geheel ledig; slechts meer naar achteren was een zwakke, onduidelijke beweging waar te nemen, terwijl twee rijen gardes de menigte in bedwang hielden en in alle zijstraten terugdreven. Vijf verdiepingen hooge huizen waren er aan de eene zijde slechts op den hoek van de veel te ver verwijderde rue Saint-Maur en aan de andere zijde alleen op de hoeken van de rue Merlin en de rue de la Folie-Regnault, zoodat het zelfs uit de best gelegen vensters bijna onmogelijk was iets van de terechtstelling te zien. De nieuwsgierigen op de straat zagen slechts [393]de ruggen der gardes, wat echter het steeds grooter worden van den menschenstroom, waaruit men het toenemend lawaai hoorde opstijgen, niet belette.
Dank zij de gesprekken van de dames, die reeds lang over den rand van het balkon lagen te loeren, konden de twee broeders eindelijk toch iets zien. Het was half vier en de guillotine moest reeds opgericht zijn. Die flauwe, onduidelijk zich bewegende gestalten voor de gevangenis onder de boomen waren de beulsknechten, die de valbijl vastmaakten. Een lantaarn ging langzaam op en neer, vijf of zes schaduwen dansten op den grond. Verder echter was er niets te zien; het plein geleek op een groot, donker gat, waartegen van alle kanten de onophoudelijk sterker wordende golfslag der bruisende, onzichtbare menigte sloeg. Aan den anderen kant zag men niets dan de als vuurtorens hel verlichte wijnrestaurants. De armzalige arbeiderswijk sliep nog, de werkplaatsen en stellingen bleven donker, uit de hooge, koud geworden fabrieksschoorsteenen pluimde nog geen rook.
“Wij zullen niets zien,” zeide Guillaume.
Maar Pierre gaf hem een teeken om te zwijgen. Hij had in een eleganten heer, die dicht naast hem stond, den vriendelijken afgevaardigde Dutheil herkend en meende vast, dat hij in gezelschap was van de kleine prinses de Hardt, die, daar hij haar medegenomen had naar het proces, nu ook heel goed bij de terechtstelling kon zijn. Doch weldra zag hij, dat de dicht tegen hem aan gedrukte, warm ingestopte jonge vrouw de mooie Silviane met haar madonnagezichtje was. Trouwens zij verborg zich heelemaal niet, maar zij begon hardop te praten, zoodat de beide broeders al heel gauw op de hoogte waren. Blijkbaar was zij dronken. Duvillard, Dutheil en andere vrienden zaten met haar aan het souper, toen zij plotseling om een uur hoorde, dat Salvat terechtgesteld zou worden en den inval kreeg, om daarnaar te gaan kijken. Vergeefs had Duvillard getracht haar van haar plan af te brengen, en daar hij ditmaal woedend wegging, daar het hem tegen de borst stuitte getuige te zijn van de terechtstelling van den man, die zijn hôtel in de lucht had willen laten vliegen, had zij Dutheil alles beloofd wat hij zou willen, indien hij haar luim bevredigde. Hoewel hij een afschuw had van alle akelige tooneelen, had zijn vurige, steeds weer teleurgestelde begeerte naar Silviane de overwinning behaald.
“Hij snapt niet, dat je zoo iets aardig vindt,” zeide zij, [394]sprekend over den baron. “Maar enfin, morgen ligt hij toch weer aan mijn voeten.”
“De vrede is dus weer gesloten?” vroeg Dutheil. “Heb je hem, sedert je verbintenis aan de Comédie geteekend is, zijn rechten als heer en meester weer teruggegeven?”
“Wat, de vrede?” riep zij uit. “Geen quaestie van, versta je? Ik heb eenmaal gezworen: niet zóóveel, alvorens mijn debuut plaats gehad heeft … Wanneer ik ’s avonds van het tooneel af kom, zullen we verder zien.”
Beiden lachten zij. Om haar het hof te maken, vertelde Dutheil hoe Dauvergne, de nieuwe minister van Openbaar Onderwijs en Schoone Kunsten dadelijk alles in het werk gesteld had om de moeilijkheden, welke tot nog toe de deuren van de Comédie voor haar luim en de wanhopige pogingen van Duvillard gesloten hielden, uit den weg te ruimen. Een charmant iemand, die Dauvergne, een hand als fluweel, het sieraad en de bloem zelf van dit zeer populaire ministerie, welks ijzeren vuist de vreeselijke Monferrand was.
“Hij zeide, lieve vriendin, dat een mooi meisje overal op haar plaats is.”
En toen zij zich gevleid tegen hem aan drukte:
“En overmorgenavond dus de reprise van Polyeucte, waarin je zult triompheeren … Wij komen je allemaal toejuichen.”
“Ja, overmorgen, juist op denzelfden dag, dat de baron zijn dochter uithuwelijkt. Dat zal een dag vol emoties worden.”
“Waarachtig, dat is zoo, dien dag trouwt onze vriend Gérard met mademoiselle Camille Duvillard. De menschen zullen zich eerst in de Madeleinekerk verdringen en dan in de Comédie. Ja, je hebt gelijk, er zullen dien dag in de rue Godot-de-Mauroy heel wat hartkloppingen zijn.”
Weer begonnen zij te lachen en met een afschuwelijke ruwheid en meedoogenlooze toespelingen grappen te maken over den vader, de moeder, den minnaar en de dochter.
“Zeg beste jongen, het begint me hier aardig te vervelen. Ik zie niets en ik zou vlak bij willen zijn, om goed te kunnen zien … Je moest me naar de guillotine brengen.”
Dat bracht hem in verlegenheid, te meer daar zij op dat oogenblik Massot op straat zag en hem met gebaren en luide woorden riep. Van het balcon naar het trottoir ontwikkelde zich een heel gesprek.
“Niet waar Massot, een afgevaardigde heeft overal toegang en kan een dame brengen waar hij wil?”
“Geen quaestie van! Massot weet heel goed, dat een [395]afgevaardigde zich meer nog dan een ander voor de wet buigen moet.”
Bij dien uitroep van Dutheil begreep de journalist, dat hij het balkon niet verlaten wilde.
“Neen, u hadt een uitnoodiging moeten hebben, mevrouw. Dan had men u een plaatsje gegeven voor een der ramen van de Petite-Roquette. Een vrouw mag nergens anders komen … Maar u behoeft u heusch niet te beklagen; u hebt daar een prachtig plaatsje.”
“Maar ik zie heelemaal niets, beste Massot.”
“U zult in ieder geval meer zien dan prinses de Hardt, die ik in haar rijtuig in de rue du Chemin-Vert gezien heb, dat de politie niet door wil laten.”
Dit nieuwtje bracht Silviane weer in een goede luim, terwijl Dutheil nog beefde om de netelige positie, waarin hij zich bevonden had; want Rosemonde zou, als zij hem met een andere vrouw gezien had, ongetwijfeld een vreeselijke scène gemaakt hebben. Plotseling kreeg hij den inval om voor zijn mooie vriendin, zooals hij haar noemde, een flesch champagne en gebak te laten komen. Zij verging van den dorst en vond het heerlijk, dat zij zich, toen een kellner erin geslaagd was een tafeltje naast haar neer te zetten, verder kon bedrinken. Nu was alles even aardig en chic! Weer opnieuw te kunnen drinken en eten in afwachting van den dood van den man, die strakjes geguillotineerd zou worden.
Guillaume en Pierre konden niet langer blijven. Wat zij hoorden en zagen, vervulde hen met walging. Langzamerhand had de verveling van wachten alle nieuwsgierigen in de zaal en op het balkon in drinkers veranderd. De kellner had geen handen genoeg om bier, wijn, biscuits, ja zelfs koud vleesch rond te dienen. En toch waren er slechts rijke heeren uit de bezittende klasse, het gewone elegante publiek. Maar men moet den tijd, wanneer hij lang valt, wel dooden; vroolijk gelach, flauwe en wreede grappen, een heel koortsachtig lawaai steeg in den sigarenrook op. Toen de twee broers het lokaal op den rez-de-chaussée doorliepen, vonden zij daar hetzelfde gedrang, hetzelfde tumult terug, dat nog erger werd door de kerels in arbeiderspakken, die aan de als zilver glanzende toonbank wijn met liters tegelijk dronken. De kleine tafeltjes waren ook bezet; het was een voortdurend komen en gaan van mannen uit de lagere klassen, die hun dorst kwamen lesschen. En wat voor mannen waren het! [396]Het schuim, het plebs, al de werkeloozen, die op zoek naar wat werk van af den morgenstond rondzwerven!
Buiten op de straat leden Guillaume en Pierre nog meer. In de door de gardes in bedwang gehouden menigte zag men hier slechts de opgewoelde modder van het uitschot van Parijs: de prostitutie en de misdaad, de toekomstige moordenaars, die zien wilden hoe men sterven moet. Vuile snollen met loshangende haren renden door de menigte heen onder het zingen van de liederlijkste refreinen. Andere bandieten stonden in groepjes te praten en twistten over de glorierijke wijze, waarop beroemde geguillotineerden gestorven waren.
Omtrent één waren zij het allen volkomen eens; zij spraken over hem als over een groot veldheer, als een held van onsterfelijken moed. In het voorbijgaan vingen de broeders brokstukken van vreeselijke zinnen, schandelijke fanfaronnades, van bloed druipende vuilheden op. En over dat alles lag een bestiale koorts, een bronstigheid van den dood, die dit volk tot razernij bracht: het warme, roode bloed moest nu toch maar gauw vloeien, opdat men het op den grond kon zien stroomen, erin rondtrappelen kon. Maar bij deze terechtstelling, welke niet die van een gewoon man was, kwamen ook zwijgende mannen met koortsachtig brandende oogen, die in een zichtbare overprikkeldheid, waarin men den besmettelijken waanzin van de wraak in het martelaarschap grooter voelde worden, rondslopen.
Guillaume dacht juist aan Victor Mathis, toen hij hem onder nieuwsgierigen, die het cordon der gardes in bedwang hield, meende te ontdekken. Hij stond daar in de eerste rij met zijn mager, baardeloos, bleek gezicht naast een groot, rossig, druk gesticuleerend meisje; hij bewoog zich niet, zeide geen woord en hield zijn ronde, vurige, de duisternis doordringende, strakke nachtvogeloogen op de gevangenis gericht. Een garde duwde hem ruw weg, maar geduldig en als met haat verzadigd drong hij weer naar voren, daar hij ondanks alles wilde zien, om te trachten nog meer te haten.
Toen Massot ditmaal Pierre zonder soutane zag, verwonderde hij zich in het geheel niet, maar zeide heel vroolijk:
“Zoo, mijnheer Froment, ook nieuwsgierig om het te zien?”
“Ja, ik ben met mijn broer medegekomen, maar ik ben bang, dat we niet veel zullen zien.”
“Zeker, als u hier blijft.”
En onmiddellijk voegde hij er als bekend journalist, voor [397]wien alle consignes niet gelden en die graag zijn macht laat zien, welwillend aan toe:
“Wilt u met mij mede gaan? Ik ken toevallig den commissaris heel goed.”
Zonder het antwoord af te wachten, sprak hij dezen laatste aan en vertelde hem levendig en met drukke gebaren, dat het twee collega’s waren, die hij medegebracht had. Eerst aarzelde de commissaris, wilde weigeren. Dan maakte hij in de heimelijke vrees, welke de politie altijd voor de pers heeft, een moe, toestemmend gebaar.
“Komt gauw mede,” zeide Massot en trok de beide broeders voort.
Verbaasd zagen dezen, dat het politiecordon zich plotseling voor hen opende; zij waren nu op de groote, vrij gehouden ruimte. Het was voor hen, die uit de lawaaierige menigte kwamen, alsof er onder die kleine platanen een doodsche stilte en eenzaamheid heerschte. De nacht verbleekte, de schemering van het morgenrood begon als een fijne asch van den hemel te regenen.
Nadat Massot de broeders dwars over het plein gebracht had, bleef hij met hen voor de gevangenis staan en ging voort:
“Ik ga nu naar binnen, want ik wil het opstaan en het toilet maken zien. Gaat u beiden maar wat rondloopen en kijken; niemand zal u iets vragen. Straks ben ik weer bij u.”
In de schaduw stonden ongeveer een honderd personen, journalisten en nieuwsgierigen. Aan beide zijden van den korten, geplaveiden weg, die van de poort der Roquette naar de guillotine leidde, had men palen geslagen, zooals men ze in den schouwburg voor een queue neerzet. Er stonden reeds menschen tegen aan geleund, om zoo dicht mogelijk bij den veroordeelde te zijn, wanneer hij langs zou komen. Anderen liepen langzaam op en neer, terwijl zij fluisterend spraken. De beide broers kwamen dichterbij.
Onder de takken stond onder het teere groen van de eerste bladeren de guillotine. Eerst zagen zij niets dan deze; zij werd verlicht door een gaslantaarn, waarvan de vlam geel leek in den ontwakenden dag. Men was juist klaar gekomen met het opslaan, zonder dat iets anders te hooren was dan de doffe hamerslagen. De beulsknechten liepen in zwarte gekleede jassen en met hooge hoeden geduldig op en neer. Maar zij zelf—hoe gemeen en schandelijk zag zij eruit, [398]zooals zij daar als een vuil dier plat op den grond lag, alsof zij zelf walgde van het werk, dat zij straks verrichten moest. Was dat het toestel, dat de maatschappij wreken, een voorbeeld stellen moest! Deze enkele balken vlak bij den grond, waarop twee andere korte, drie meter hooge balken, welke de valbijl tegenhielden, zich verhieven. Waar was dan het rood geschilderde schavot, waarheen een trap van tien treden leidde, dat een paar reusachtige, bloedige armen uitstrekte, de toegestroomde menigte beheerschte en het volk den afschrik van de kastijding durfde laten zien. Maar in den laatsten tijd was het dier ter aarde geworpen en daardoor gemeen, gluiperig en laf geworden. Den dag, waarop de menschelijke gerechtigheid in de armzalige rechtzaal een mensch ter dood veroordeelde, was zij zonder eenige majesteit geweest; thans op den verschrikkelijken dag, waarop zij hem terechtstelde, was het niet meer dan een afschuwelijke slachterij met behulp van de meest barbaarsche en afstootelijke werktuigen.
Guillaume en Pierre keken ernaar, terwijl afschuw en walging hun geheele wezen opwoelden. Langzamerhand werd het lichter en kwam de omgeving duidelijk uit: eerst het plein met de twee lage en grijze gevangenissen tegenover elkander, dan de verder af gelegen huizen, de wijnrestaurants, de grafsteen- en bloemenwinkels, welke hier door de nabijheid van Père-Lachaise in grooten getale gevonden werden. Men begon nu in een breeder geworden kring duidelijk de zwarte lijn der menigte te zien, de vensters en de balkons, waarop het wriemelde van hoofden; ja tot op de daken toe zaten de menschen. De kleine Roquette was in een soort tribune voor de genoodigden veranderd. In het midden van de groote, vrij gehouden ruimte bewogen zich langzaam bereden gardes. Maar de hemel werd hoe langer hoe lichter en aan gene zijde der menigte, in de geheele wijk langs de breede, eindelooze straten ontwaakte de arbeid. Langzamerhand begon men een snuiven te hooren; de machines in de gebouwen hervatten hun werk en uit het woud der hooge schoorsteenen, welke overal uit de duisternis oprezen, kronkelde reeds de rook.
Toen voelde Guillaume, dat de guillotine in dat stadsdeel der ellende volkomen op haar plaats was als een eindpunt en een bedreiging. Leidden de onwetendheid, de armoede en het lijden niet tot haar? Had zij niet ieder maal, dat zij te midden van deze werkstraten opgeslagen werd, tot taak [399]de onterfden, de door de eeuwige ongerechtigheid verbitterde en de tot verzet steeds bereide hongerlijders in toom te houden? Men zag haar niet in de wijken van rijkdom en genietingen; dezen behoefde men geen schrik aan te jagen; daar zou zij in al haar vreeselijke afzichtelijkheid nutteloos en bezoedelend voorkomen. Het tragische, het verschrikkelijke was, dat deze man, die, van ellende krankzinnig, de bom geslingerd had, nu hier op dit plein der ellende geguillotineerd zou worden.
Nu was de dag geboren; het moest tegen half vijf zijn. De opgewonden menigte daar in de verte voelde de minuut naderen. Een rilling huiverde door de lucht.
“Hij komt dadelijk,” zeide de kleine Massot, die weer uit de gevangenis kwam. “Hij houdt zich buitengewoon flink.”
Hij schilderde het ontwaken, het binnenkomen in de cel van den directeur der gevangenis, van den rechter van instructie Amadieu, van den geestelijke en van enkele andere personen, de manier, waarop Salvat, die in een diepen slaap lag, bij den eersten oogopslag dadelijk alles begreep en, hoewel bleek, onmiddellijk zichzelf volkomen meester was. Hij had zich zonder hulp aangekleed en het glas cognac en de sigaret, die de geestelijke hem aangeboden had, geweigerd, evenals hij het crucifix met een zacht, maar beslist gebaar ter zijde had geschoven. Zonder dat er een woord gesproken werd, had men vlug zijn handen achter zijn rug gebonden, zijn beenen met een los touw gebonden en zijn hemd tot aan zijn schouders uitgesneden. Hij glimlachte, toen men hem moed insprak, en richtte zich, alleen uit vrees voor een nerveuze zwakte, in zijn volle lengte op. Hij had nog slechts één verlangen, waarin zijn geheele wezen zich spande: hij wilde als held sterven, de martelaar blijven van het vurige geloof aan waarheid en gerechtigheid, waarvoor hij stierf.
“Zij zijn nu bezig het protocol op te maken,” vertelde Massot verder. “Kom wat dichter bij en ga tegen de palen staan, wanneer u hem van dichtbij wilt zien … Wilt u wel gelooven, dat ik bleeker ben en meer beef dan hij. Ik geloof, dat ik nergens meer gevoelig voor ben; maar enfin, een mensch, die sterven gaat, is niet zoo’n heel vroolijke aanblik … U weet niet wat voor pogingen men gedaan heeft, om hem te redden. Een deel der pers heeft gratie gevraagd. Maar het heeft niet mogen gelukken; de terechtstelling scheen onvermijdelijk te zijn, zelfs in de oogen van degenen, [400]die haar als een fout beschouwden. En toch had men een zoo roerende gelegenheid hem genade te verleenen, toen zijn dochtertje, de kleine Céline, aan den president der Republiek den mooien brief geschreven heeft, welken ik het eerst in den Globe gepubliceerd heb … Dat is een brief, die er zich op beroemen kan mij bekend gemaakt te hebben.”
Bij het hooren van den naam van Céline voelde Pierre, die door het wachten op het vreeselijke schouwspel van streek was, de tranen in zijn oogen komen. Hij zag het kleine meisje met de berustende en melancholieke madame Théodore weer voor zich in het koude, kleine kamertje, waarin de vader niet meer terugkomen zou. Daaruit was hij op een ochtend vol woede met een ledige maag en brandende hersenen weggegaan en nu was hij hier aangekomen—tusschen de beide balken onder de valbijl.
Massot bleef bijzonderheden mededeelen en vertelde nu hoe woedend de doktoren waren, dat men het lijk niet onmiddellijk na de terechtstelling aan hen geven zou. Maar Guillaume luisterde niet meer naar hem. Op de houten palen leunend wachtte hij en staarde steeds door naar de gevangenisdeur. Een beven bewoog zijn handen, zijn gezicht had een zoo angstige uitdrukking, als moest hij zelf terechtgesteld worden. De beul was te voorschijn gekomen, een klein mannetje met een boos gezicht, die eruit zag als had hij haast. In een groep van andere heeren wezen de omstanders elkaar den chef van den Veiligheidsdienst Gascogne met zijn streng ambtenaarsgezicht en den rechter van instructie Amadieu, die glimlachte en ondanks het vroege uur reeds zeer zorgvuldig toilet gemaakt had. Hij kwam uit plicht en gewichtigdoenerij, als na het vijfde bedrijf van een beroemd drama, waarvan hij zich den schrijver waande. Uit de menigte steeg een luid lawaai op, en toen Guillaume een oogenblik opkeek, zag hij onder den bleekblauwen hemel, waaraan de zon weer triomphantelijk opstijgen zou, de beide grijze gevangenissen, de platanen in haar voorjaarskleed, de met menschen volgepropte huizen.
“Daar heb je hem! Let op!”
Wie had het geroepen? Een zacht, dof geluid, het knarsen van een opengaande deur, deed alle harten beven. Men zag niets meer dan zich uitrekkende halzen en starre blikken. Alles ademde moeilijk. Salvat stond op den drempel. Toen de geestelijke, achterwaarts loopend, voor hem uitging, om de guillotine aan zijn blik te onttrekken, bleef hij staan, [401]want hij wilde haar zien, haar leeren kennen voor er naar toe te loopen. Rechtopstaande liet hij nu zijn naakten hals zien, zijn lang, oud geworden, door het al te ruwe leven doorgroefd gezicht, waarin zijn vlammende, droomerige oogen brandden. Een geestdrift hief hem als het ware op; hij stierf voor zijn ideaal. Toen de beulsknechten naar hem toekwamen, om hem te steunen, weigerde hij dit opnieuw. Met kleine pasjes en zoo vlug en zoo hoog opgericht als het touw, waarmede zijn beenen gebonden waren, het toeliet, liep hij voort.
Plotseling voelde Guillaume de oogen van Salvat op de zijne rusten. Onder het voortloopen had de veroordeelde hem gezien en herkend; toen hij op nauwlijks twee meter afstand langs hem ging, glimlachte hij flauwtjes en boorde zijn blik zóó diep in hem, dat Guillaume het branden daarvan steeds voelen zou. Wat voor een laatste gedachte, wat voor een uiterste wilsbeschikking liet hij hem ter overpeinzing, ter uitvoering misschien, na? Het was zoo pijnlijk, dat Pierre, bang, dat zijn broer het onwillekeurig uit zou schreeuwen, zijn hand op diens arm legde.
“Leve de anarchie!”
Salvat had het uitgeschreeuwd, maar de veranderde, verstikte stem verklonk in de diepe stilte. De enkele aanwezigen verbleekten, de verre menigte was als gestorven. Midden in de groote, vrij gehouden ruimte hoorde men het paard van een garde hinniken.
Nu volgde een voorbeeldeloos ruw en schandelijk tooneel. De beulsknechten stortten zich op Salvat, die langzaam en met opgeheven hoofd voortschreed. Twee pakten hem bij zijn hoofd, vonden echter slechts weinige haren en konden dat slechts in de laagte krijgen door aan zijn nek te gaan hangen; intusschen grepen twee anderen zijn beenen en wierpen hem ruw op de plank die begon te wankelen. Met stooten werd het hoofd in het gat gedrongen. Dan viel de bijl met een zwaren en doffen schok. Twee bloedstralen sprongen uit de doorgesneden aderen, terwijl de beenen zich krampachtig bewogen. Anders zag men niets. De beul wreef zich werktuigelijk in zijn handen, terwijl een knecht het afgesneden, van bloed druipende hoofd uit de kleine mand nam, om het in de groote te leggen, waarin het lichaam reeds door een ruk geworpen was.
O, die doffe, die zware schok van de bijl! Guillaume had hem in de verte, in de geheele wijk der ellende en van den [402]arbeid hooren weerklinken tot in de armzalige kamers, waarin op dat oogenblik duizenden arbeiders opstonden voor hun harde dagtaak. Die schok kreeg hier een vreeselijke beteekenis, sprak de verbittering over de ongerechtigheid uit, den waanzin van het martelaarschap, de smartelijke hoop, dat het vergoten bloed de overwinning der onterfden zou verhaasten.
Boven het plein, boven de menigte hing de wijde stilte van den helderen hemel. Hoe lang had het vreeselijke geduurd? Een eeuwigheid misschien, twee of drie minuten in werkelijkheid. Eindelijk ontwaakten de menschen, schudden met bevende handen, bleeke gezichten en oogen vol medelijden, afschuw en vrees de nachtmerrie van zich af.
“Dus weer een … Dat is de vierde, wien ik een kopje kleiner maken zie,” zeide Massot, die zich allesbehalve op zijn gemak gevoelde. “Ik houd per slot van rekening toch meer van huwelijksplechtigheden… Laten we gaan; ik kan nu mijn artikel schrijven.”
Werktuigelijk volgden Guillaume en Pierre hem, staken het plein over en bevonden zich weer op den hoek van de rue Merlin. Dan zagen zij precies op dezelfde plek Victor Mathis met zijn vlammende oogen in zijn bleek en zwijgend gelaat staan. Hij kon niets duidelijk gezien hebben; maar de schok van de bijl weerklonk nog in zijn hersens. Een agent duwde hem weg en schreeuwde hem toe door te loopen; door een plotselinge woede geschokt, keek hij hem een oogenblik aan, als wilde hij hem naar de keel vliegen. Dan verwijderde hij zich kalm en ging de rue de la Roquette in, aan het einde waarvan men in het licht der opgaande zon de groote boomen van Père-Lachaise zag.
De twee broeders echter vielen midden in een scène, die zij tegen hun zin bijwoonden. Prinses de Hardt kwam eindelijk, nu het schouwspel ten einde was; haar woede was des te grooter, nu zij bij de deur van het wijnrestaurant haar nieuwen vriend Dutheil in gezelschap van een vrouw zag.
“Jij bent ook een mooie, om me zoo in den steek te laten! Het is onmogelijk om met je rijtuig erbij te komen; ik moest te voet door al dat plebs gaan en me laten beleedigen en uitjouwen.”
Wel wetend, wat hij deed, stelde hij haar onmiddellijk aan Silviane voor en fluisterde haar daarna in, dat hij een vriend een dienst bewees door met haar mede te gaan. Rosemonde, die reeds lang van verlangen brandde om de actrice te [403]leeren kennen—de over haar loopende geruchten van haar beruchte liefdesavonturen hadden haar waarschijnlijk geprikkeld—werd dadelijk kalm en buitengewoon vriendelijk.
“Ik had zoo gaarne dat schouwspel met een artiste van uw gaven gezien; ik bewonder u zoo, zonder dat ik het u nog ooit heb kunnen zeggen.”
“U hebt niet veel verloren door uw late komst! We stonden boven op het balcon en ik heb niets gezien dan mannen, die een anderen voortduwden … Het was de moeite niet waard ervoor te komen.”
“Enfin, nu wij eenmaal kennis gemaakt hebben, hoop ik, dat u mij toe zult staan uw vriendin te zijn.”
“Zeker, ook mij zal het een genoegen en een eer zijn de uwe te mogen zijn!”
Hand in hand glimlachten zij tegen elkaar. Silviane dronken, maar toch haar rein Madonnagezichtje terugvindend, terwijl Rosemonde koortsachtig was door een nieuwe nieuwsgierigheid, want zij wilde alles, zelfs dat, proeven.
Dutheil, nu weer geheel opgelucht, had nog slechts het verlangen, om Silviane naar huis te brengen, ten einde te trachten beloond te worden voor zijn welwillendheid. Hij hield Massot, die juist aankwam, staande en vroeg hem, of hij een standplaats voor rijtuigen wist. Maar reeds bood Rosemonde het hare aan, zeide, dat de koetsier in een zijstraat wachtte, en stond er op eerst de actrice en daarna den afgevaardigde thuis te brengen. Ondanks zijn wanhoop moest hij het wel goed vinden.
“Dus tot morgen in de Madeleine,” zeide Massot vroolijk weer, terwijl hij de prinses de hand gaf.
“Ja, tot morgen, in de Madeleine en in de Comédie.”
“Dat is waar ook,” riep hij uit, terwijl hij Silviane’s hand kuste, “’s Morgens in de Madeleine en ’s avonds in de Comédie … Wij zullen voor een groot succes zorgen.”
“Daar reken ik op … Tot morgen.”
“Tot morgen.”
De menigte verspreidde zich roezemoezig, moe, met een soort teleurstelling en onbehaaglijk gevoel. Enkele geestdriftigen bleven nog om den wagen, die het lijk van den terechtgestelde weg zou brengen, te zien vertrekken, terwijl de in het volle daglicht weggeteerd uitziende zwervers en snollen floten en elkaar nog een laatste liederlijkheid toeriepen. Vlug takelden de beulsknechten de guillotine af. Weldra zou het plein weer zijn gewone aanzien hebben. [404]
Nu wilde Pierre ook Guillaume, die, door den doffen bijlslag als verdoofd, nog geen woord gezegd had, medenemen. Vergeefs wees hij met zijn hand naar de luiken van Mège’s woning, die te midden van al de andere wijd geopende ramen in den gevel van het hooge huis hardnekkig gesloten waren gebleven. Dit was, hoewel hij de anarchisten vervloekte, ongetwijfeld een protest van den socialistischen afgevaardigde tegen de doodstraf. Terwijl de menigte naar het vreeselijke schouwspel toestroomde, lag hij met zijn gezicht naar den muur gekeerd te droomen op welke wijze hij ten slotte de menschheid dwingen zou onder de gebiedende wet van het collectivisme gelukkig te zijn. Het verlies van een kind had zijn arm vaderhart een zwaren slag toegebracht. Hij hoestte veel, maar wilde toch leven. Wanneer hij nu door een interpellatie het ministerie-Monferrand ten val gebracht had, zou hij aan het bewind komen, de guillotine afschaffen en volkomen gerechtigheid en volkomen geluk decreteeren.
“Zie je wel, Guillaume,” herhaalde Pierre zacht, “Mège heeft zijn ramen niet opengemaakt. Toch een flinke kerel, al mogen onze vrienden Bache en Morin hem niet.”
En toen zijn broeder, geheel in gedachten verdiept, niet antwoordde:
“Kom, wij moeten naar huis.”
Beiden sloegen nu de rue de la Folie-Regnault in en kwamen door de rue du Chemin-Vert op de buitenboulevards. Op dit uur was in het heldere licht van de opgaande zon eindelijk de geheele wijk aan het werk; de lange, aan beide zijden met lage werkplaatsen en fabrieken begrensde straten leefden op in het lawaai der stoomketels, terwijl de rookpluimen der hooge, door de eerste zonnestralen vergulde schoorsteenen rose werden. Vooral op den boulevard Ménilmontant kregen zij een indruk van de exodus der arbeiders naar Parijs, die voortduurde op den boulevard de la Belleville, op den boulevard de la Villette, den boulevard de la Chapelle tot den heuvel van Montmartre en den boulevard Rochechouart. Steeds en steeds weer nieuwe scharen arbeiders en arbeidsters. Later kwamen de kleine ambtenaren, de fatsoenlijke armoede in jas en broek, heeren, die onder het harde voortloopen hun stukje brood opaten, vervolgd werden door den angst, dat zij hun huur niet zouden kunnen betalen, en niet wisten waarvan vrouw en kinderen tot aan het laatst der maand moesten eten. De zon steeg aan den horizont; [405]de geheele mierenhoop was naar buiten gekomen, de werkdag begon weer met zijn voortdurende verspilling van energie, moed en lijden.
Nooit had Pierre de noodzakelijkheid van den verzoenenden en reddenden arbeid zoo duidelijk beseft. Reeds bij zijn bezoek aan de fabriek Grandidier en later toen hij zelf behoefte aan bezig zijn voelde, had hij al tegen zichzelf gezegd, dat daarin de wereldwet moest liggen. Maar welk een straal van hoop was het na dezen verschrikkelijken nacht, na dit vergoten bloed van den in den waanzin van zijn droom vermoorden arbeider de zon weer te zien opkomen en den eeuwigen arbeid zijn taak te zien opnemen. Zou, hoe verpletterend deze arbeid, hoe monsterachtig de onrechtvaardige verdeeling zijn mocht, toch die arbeid niet eenmaal gerechtigheid en geluk scheppen?
Plotseling zagen de beide broeders, toen zij de steile helling opgingen, boven hun hoofden tegenover zich de verheven en triomphantelijke basilica van den Sacré-Cœur. Het was niet meer een door de maan beschenen sprookjesverschijning, een spook der heerschappij, dat zich voor het nachtelijk Parijs verhief. De zon baadde haar in een gouden, trotschen, overwinnenden glans en deed haar in onsterfelijken roem opvlammen.
Guillaume, die nog steeds zwijgend verder liep en nog den laatsten blik van Salvat in zich voelde, scheen plotseling tot een definitief besluit te komen: hij keek haar met zijn brandende oogen aan en sprak het doodvonnis over haar uit.