II.
De inzegening van het huwelijk zou om twaalf uur plaats vinden, maar reeds een half uur te voren hadden de uitgenoodigden de met een buitengewone luxe gedecoreerde, met groene planten versierde en met bloemengeur doorbalsemde kerk gevuld. Op het hoofdaltaar brandden duizend kaarsen, terwijl de wijd openstaande deurvleugels in het felle zonlicht het met palmen vol staande voorportaal, de met een breeden looper belegde treden en de nieuwsgierige menigte, die zich op het plein tot in de rue Royale opgehoopt had, lieten zien.
Dutheil, die nog drie stoelen voor laatkomende dames gevonden had, zeide tegen Massot, die de namen in zijn reportersboekje opschreef: [406]
“Wie nu nog verder komen, zullen moeten blijven staan.”
“Wie zijn die drie dames?” vroeg de journalist.
“Hertogin de Boisemont met haar twee dochters.”
“Bliksems, het geheele wapenboek van Frankrijk, de heele financieele en de heele politieke wereld schijnt hier te zijn. Het is nog mooier dan een echt Parijsch huwelijk.”
Inderdaad waren alle maatschappelijke kringen hier vertegenwoordigd. Terwijl de Duvillards de geldkoningen en de politici hier brachten, waren madame de Quinsac en haar zoon vergezeld door de grootste namen der aristocratie. De keuze der getuigen alleen reeds drukte dezen wonderbaarlijken mélange uit: voor Gérard zijn oom, generaal de Bozonnet en markies de Morigny; voor Camille, de groote bankier Louvard, haar neef, en Monferrand, minister van Financiën en minister-president. De rustige uittarting van dezen laatste, die zich onlangs in de zaken van den baron gecompromitteerd had en nu getuige van zijn dochter wilde zijn, omgaf zijn triomf met den glans van onbeschaamdheid. Om de nieuwsgierigheid als het ware nog meer te prikkelen, zou de huwelijksinzegening geschieden door monseigneur Martha, bisschop van Persepolis, agent van de pauselijke politiek in Frankrijk, apostel van het ralliement, de voor het Katholicisme veroverde Republiek.
“Wat zeg ik, een echt Parijsch huwelijk!” herhaalde Massot met een spotlachje. “Dat huwelijk is een symbool. Ja, waarde heer, de apotheose der bourgeoisie: de oude adel offert een van haar zonen op het altaar van het gouden kalf, opdat de goede God en de gendarmen, die weer de meesters van Frankrijk geworden zijn, ons van die schoften van socialisten bevrijden. Trouwens, er zijn geen socialisten meer,” verbeterde hij zich zelf. “Dien hebben ze gisterenavond een kopje kleiner gemaakt.”
Dutheil vond de opmerking heel grappig.
“Maar het is niet makkelijk gegaan,” zeide hij vertrouwelijk. “Heb je vanochtend dat smerige artikel van Sanier gelezen?”
“Ja, ja, maar ik wist het van te voren, iedereen wist het.”
En fluisterend, elkander met een half woord begrijpend, spraken zij verder. Wat de Duvillards betreft, de moeder had den minnaar slechts onder tranen en na een wanhopigen strijd aan haar dochter gegeven, alleen omdat zij Gérard gelukkig en rijk wilde zien, terwijl zij tegenover Camille haar vreeselijken haat van overwonnen mededingster koesteren bleef. Ook madame de Quinsac had een smartelijken tweestrijd [407]moeten voeren; de gravin had in het huwelijk slechts toegestemd, om haar zoon te redden uit het gevaar, waarin hij, zooals zij wist, reeds vanaf zijn jeugd verkeerde. Zij was in haar moederlijke verzaking zóó ontroerend, dat markies de Morigny er zich ondanks zijn verontwaardiging bij neergelegd had getuige te zijn, zoodoende aan de vrouw, die hij steeds lief gehad had, het grootste offer, het offer van zijn geweten, brengend. En deze verschrikkelijke geschiedenis had Sanier dien ochtend onder doorzichtige schuilnamen in de Voix du Peuple verteld—ja, zooals altijd slecht ingelicht en tot leugens steeds bereid, had hij zelfs het middel gevonden, om nog meer vuiligheid eraan toe te voegen, want voor het succes van zijn verkoop was het noodig, dat de dagelijks door hem geopende goot een onophoudelijk zich verdikkende en steeds vergiftigde modder uitdruipen liet. Sedert de overwinning van Monferrand hem gedwongen had het schandaal der Afrikaansche sporen te laten rusten, wierp hij zich op particuliere schandalen, bezoedelde hij families, die hij tot op het hemd toe uitkleedde.
Plotseling vloog Chaigneux op hen af; zijn half versleten rok was nauwelijks toegeknoopt.
“En hoe staat het met uw artikel over Silviane, mijnheer Massot? Het is nu toch goed afgesproken, dat het in de courant komt?”
Duvillard was op het denkbeeld gekomen Chaigneux, die altijd te koop en altijd bereid was als lakei dienst te doen, te gebruiken als een drijver voor het aanstaande succes van Silviane. Hij had hem tot haar beschikking gesteld en zij droeg hem allerlei vernederende werkjes op, dwong hem heel Parijs af te loopen om een claque aan te werven en triompheerende kritieken te krijgen. Zijn oudste dochter was nog niet getrouwd; nog nooit hadden zijn vier vrouwen zoo zwaar op hem gedrukt; het was een ware hel—ja, hij werd zelfs geslagen, wanneer hij den eersten van iedere maand geen duizend francs thuis bracht.
“Mijn artikel,” antwoordde Massot, “zal niet in de courant komen, waarde afgevaardigde. Fonsègue vindt, dat er voor den Globe te veel ophemeling in voorkomt. Hij heeft mij gevraagd of ik wel wist voor welk blad ik het geschreven had.”
Chaigneux werd doodsbleek. Het was een van te voren, uit een mondain oogpunt geschreven artikel over het succes, dat Silviane ’s avonds in Polyeucte in de Comédie zou behalen. Om haar een pleizier te doen, had de journalist het haar zelf [408]voorgelezen; zij was erover in de wolken en rekende er vast op het nu gedrukt in een van de meest ernstige bladen van Parijs te lezen.
“Lieve Hemel, wat moet er van ons worden?” mompelde de ongelukkige afgevaardigde. “Het artikel moet in de courant komen.”
“Ik zou niets liever zien. Maar spreek er zelf met den patroon over … Kijk daar staat hij tusschen Vignon en Dauvergne, den minister van Onderwijs.”
“Dat zal ik zeker … Maar niet hier. Strakjes in de sacristie, bij de gelukwenschen … Dan zal ik ook Dauvergne zien te spreken, want Silviane staat erop, dat hij vanavond in de ministersloge zit. Monferrand komt ook, hij heeft het aan Duvillard beloofd.”
Massot begon te lachen en herhaalde de grap, die na het engagement der actrice de rondte door geheel Parijs gemaakt had.
“Het ministerie Silviane … Dat is hij zijn peet wel schuldig.”
Maar op dat oogenblik vloog de kleine prinses de Hardt als een wervelstorm naar hen toe.
“Weet u, dat ik geen plaats heb?” riep zij.
Dutheil dacht, dat zij hier een goeden stoel wilde hebben.
“Reken niet op mij. Ik kan er niets meer aan doen. Ik heb de grootste moeite gehad hertogin de Boisemont en haar twee dochters een plaats te geven.”
“Neen ik spreek over de voorstelling van vanavond … Je moet me, het koste wat het wil, een hoekje in een loge geven. Het zou beslist mijn dood zijn, als ik onze onvergelijkelijke, onze heerlijke vriendin niet zou kunnen toejuichen.”
Sedert zij Silviane na de terechtstelling van Salvat thuis gebracht had, legde zij een onstuimige bewondering voor haar aan den dag.
“U zult geen enkele plaats meer vinden,” verklaarde Chaigneux gewichtig. “Alles is uitverkocht. Ze hebben me tot driehonderd francs voor een fauteuil geboden.”
“Dat is zoo, tot zelfs om de klapstoeltjes is gevochten,” voegde Dutheil eraan toe. “Het spijt mij vreeselijk, maar reken niet op mij … Alleen Duvillard zou u een plaatsje in zijn loge kunnen geven. Hij heeft mij gezegd, dat hij er een voor mij zou reserveeren. Maar ik geloof, dat wij maar met ons drieën zijn, zijn zoon inbegrepen … Vraag dadelijk aan Hyacinthe of hij u laat inviteeren.” [409]
Rosemonde, die op een avond, dat Hyacinthe haar doodelijk verveelde, in de armen van den afgevaardigde gevallen was, begreep de ironische bedoeling heel goed, maar riep toch verrukt uit:
“Ja, dat kan Hyacinthe mij niet weigeren! Dank je wel voor de inlichting, beste jongen. Je bent een aardig ventje, je weet op alles raad!… En vergeet niet, dat je mij beloofd hebt mij de politiek te leeren. O, ik voel, dat ik mij nooit voor iets zoo hartstochtelijk geïnteresseerd heb als voor de politiek.”
Zij ging weg, drong door de menigte heen en wist ondanks alles ten slotte nog een plaatsje op de eerste rij te bemachtigen.
“Een leuke wildzang!” mompelde Massot.
Toen Chaigneux den rechter van instructie Amadieu tegemoet vloog, om hem onderdanig te vragen of hij zijn fauteuil ontvangen had, fluisterde de journalist den afgevaardigde in:
“Zeg, is het waar, dat Duvillard beginnen wil met dien beruchten spoorweg door de Sahara? Een reusachtige onderneming: het gaat ditmaal over honderden en nogmaals honderden millioenen … Gisterenavond haalde op de courant Fonsègue zijn schouders ervoor op, zeide, dat het krankzinnigenwerk was, dat hij er niet aan geloofde.”
“Dat zaakje komt in orde. Voor we acht-en-veertig uur verder zijn, zal Fonsègue de voeten van den baron kussen,” zeide Dutheil met een schertsend knipoogje.
En vroolijk gaf hij te verstaan welk een gouden manna weer neer zou vallen op de trouwe vrienden, op alle mannen van goeden wil. Wanneer de storm voorbij is, schudt de vogel zijn vleugels. En in de vroolijke zekerheid van het te verwachten geschenk was hij opgewekt en spraakzaam, als had de affaire met de Afrikaansche sporen hem nooit wanhopig gemaakt.
“Bliksems,” zeide Massot, nu ernstig geworden; “dit is dus meer dan een triomf; het is de belofte van een nieuwe oogst. Dan is het ook niet te verwonderen, dat men hier elkaar half dood dringt.”
Op dat oogenblik hief het orgel een triomphantelijk begroetingslied aan. Eindelijk betrad de stoet de kerk. Terwijl deze plechtig in het heldere zonlicht de treden besteeg, ontstond onder de menigte, die tot in de rue Royale stond en het rijtuig- en omnibusverkeer stremde, een luid lawaai. Nu trad hij onder de hooge, echoënde gewelven en schreed [410]tusschen de twee dicht op elkander gedrukte rijen genoodigden naar het hoofdaltaar. Allen waren opgestaan, allen rekten, glimlachend en brandend van nieuwsgierigheid, hun halzen uit.
Eerst schreed, achter den prachtig uitgedosten kerkdienaar, Camille aan den arm van haar vader, baron Duvillard, die trotsch en hoogmoedig als een overwinnaar liep. Zij, gehuld in een sluier van bewonderenswaardige Alençon-kant, welke vastgehouden werd door een diadeem van oranjebloesem, in een japon van geplisseerde zijden mousseline op een onderkleed van wit satijn, was zóó gelukkig, straalde zóó in het bewustzijn van haar overwinning, dat zij bijna knap leek. Zij liep rechtop; het was nauwelijks zichtbaar, dat haar linkerschouder hooger was dan haar rechter. Dan volgde Gérard met zijn moeder, gravin de Quinsac, aan zijn arm: hij zeer mooi en correct, zij voornaam en waardig in haar pauwblauw met staal- en goudparelen bestikt zijden kleed. Maar vooral was het wachten op Eve; iedereen rekte zich uit, toen zij aan den arm van generaal de Bozonnet, een der getuigen en den naasten bloedverwant van den bruidegom, verscheen. Zij droeg een kleed van vieux rose taffetas met Valenciennes-kant van onschatbare waarde; nooit had zij er jonger en blonder uitgezien. Toch zeiden haar oogen, dat zij geweend had, ofschoon zij zich tot een lachje dwong. Met de lijdende gratie van haar geheele persoonlijkheid deed zij aan een weduwe denken, verried zij het smartelijke offer, dat zij met het opgeven van den geliefden man gebracht had. Hierop kwamen de drie andere getuigen, ieder met een dame aan hun arm. Monferrand vooral, die zeer vroolijk en zonder eenige majesteit met zijn dame, een kleine, lichtzinnig uitziende brunette, lachte, werd opgemerkt. In den eindeloozen, plechtigen stoet liep ook nog Hyacinthe, wiens kostuum met de symmetrisch geplooide rokspanden bijzonder in het oog viel.
Nadat het bruidspaar voor de voor hen bestemde bidstoelen en de beide families op de groote, roodfluweelen en vergulde fauteuils plaats genomen hadden, begon de ceremonie met buitengewone pracht. De pastoor der Madeleine officieerde zelf; zangers van de Opera versterkten het koor voor de gezongen mis, die het orgel met een voortdurend jubellied begeleidde. Al de luxe, alle mogelijke mondaine en kerkelijke pracht werd ten toon gespreid, als had men van dit huwelijk een openbaar feest, een overwinning, de apotheose [411]van een klasse willen maken. Ja, zelfs de onbeschaamdheid en het uittartende van dit verschrikkelijke, aan iedereen bekende en op deze wijze geafficheerde huiselijke drama gaf aan de plechtigheid den glans van een afschuwelijke grootschheid. Doch vooral voelde men dit, toen monseigneur Martha, in koorhemd en stola, zelf het huwelijk kwam inzegenen.
Hoog opgericht, blozend en frisch, glimlachte hij half en sprak de sacramenteele woorden met de verheven zalving van een hoogepriester, die gelukkig is de twee groote rijken, wier erfgenamen hij vereenigde, te verzoenen. Met ongeduld verbeidde men zijn toespraak tot de jonggehuwden. Hij overtrof er zichzelf in; zij werd een triomf voor hem. Had hij in deze kerk niet de moeder gedoopt, de nog zoo mooie blonde Eve, de door hem tot het Katholieke geloof bekeerde Jodin? Had hij niet in deze kerk zijn drie beroemde causerieën over den nieuwen geest gehouden, waarvan, naar zijn meening, het bankroet der wetenschap, het ontwaken van het Christelijk spiritualisme, de verzoeningspolitiek, die uitloopen moest op de verovering der Republiek, het gevolg was. Hij mocht zich wel de vrijheid veroorlooven zich met fijne toespelingen met zijn werk geluk te wenschen, nu hij een armen zoon der aristocratie verbond met de vijf millioen van deze burgerlijke erfgename, in wie de overwinnaars van 1789, die thans meesters der macht waren, triompheerden. Alleen de bedrogen, bestolen vierde stand, het volk, maakte het feest niet mede.
Monseigneur Martha bezegelde in deze echtgenooten het nieuwe verbond, verwezenlijkte de politiek van den paus, den heimelijken drang van het Jezuïtische opportunisme, dat de democratie, de macht en het geld verbindt, om er zich dan meester van te maken. In zijn peroratie wendde hij zich tot den glimlachenden Monferrand en scheen het woord tot hem te richten, toen hij het jonge paar een geheel in de vrees van God opgaand leven van Christelijken deemoed en Christelijke gehoorzaamheid toewenschte. Hij bezwoer de ijzeren hand Gods, de ijzeren vuist, als die van den gendarm, welke belast is met de handhaving van den wereldvrede. Iedereen was op de hoogte van de diplomatieke verstandhouding tusschen den bisschop en den minister; er moest het een of ander geheim verdrag bestaan, waardoor beiden hun autoritairen hartstocht, hun heerschzucht bevredigen konden.
“Wat zou de oude Justus Steinberger pleizier hebben, als [412]hij zag, dat zijn kleindochter trouwde met den laatsten de Quinsac!” fluisterde Massot, die bij Dutheil was blijven staan.
“Maar zulke huwelijken zijn juist goed,” antwoordde de afgevaardigde. “Het is de mode. Joden, Christenen, bourgeoisie en adel hebben alle reden om zich te vereenigen, ten einde de nieuwe aristocratie te vormen. We hebben er een noodig, anders zou het volk ons boven het hoofd groeien.”
Massot moest desniettemin lachen om het gezicht, dat Justus Steinberger gezet zou hebben, als hij monseigneur Martha gehoord had. Inderdaad liep het gerucht, dat de oude Joodsche bankier sedert de bekeering van zijn dochter Eve, met wie hij niet meer omging, zich voor alles, wat zij zeide of deed, interesseerde, als zag hij in haar meer dan ooit een wapen van wraak en verovering tegen deze Christenen, van wier verwoesting zijn ras, naar men zeide, droomde. Nu hij Duvillard, door haar aan hem tot vrouw te geven, niet, zooals hij gehoopt had, had kunnen veroveren, troostte hij zich blijkbaar met het buitengewone geluk van zijn bloed, dat zich nu vereenigde met dat van zijn vroegere hardvochtige meesters, welke daardoor geheel ten gronde gericht werden. Was dat niet de definitieve overwinning der Joden, waarover men sprak?
Een laatste triomflied van het orgel besloot de plechtigheid. De beide families en de getuigen gingen naar de sacristie, waar de trouwacte geteekend werd en de gelukwenschen in ontvangst genomen werden.
Intusschen bleven de menschen staan en vormden zich opgewekt pratende groepjes. Monferrand werd dadelijk door velen omringd. Massot maakte er Dutheil op opmerkzaam hoe onderdanig de advocaat-generaal Lehmann hen kwam begroeten. Bijna onmiddellijk daarna verschenen de rechter van instructie Amadieu en ook de vice-president van het Hof de Larombardière, hoewel deze laatste een der laatste getrouwen van den salon der gravin was. Zij waren de vleiende en gehoorzame leenmannen der regeering, die bevordert, benoemt en afzet. Men beweerde, dat Lehmann in de zaak der Afrikaansche spoorwegen Monferrand een grooten dienst bewezen had, door sommige dossiers te laten verdwijnen. En had men den glimlachenden, door en door Parijschen Amadieu niet het hoofd van Salvat te danken?
“Die drie komen hun bedankje halen voor hun geguillotineerde van gisteren,” prevelde Massot. “Monferrand is dien ongelukkige wel grooten dank verschuldigd, want eerst heeft [413]hij met zijn bom den val van het ministerie verhinderd, en later, toen het er om ging een man te vinden, wiens vuist sterk genoeg was om het anarchisme te worgen, heeft hij hem het voorzitterschap van den ministerraad verschaft. Wat een strijd, hè: Monferrand aan den eenen en Salvat aan den anderen kant! Een hoofd moest ten slotte vallen! Hoor, zij praten er nu over!”
Inderdaad werden de drie magistraten, die den almachtigen minister gingen begroeten, door dames, wier nieuwsgierigheid door de verslagen in de bladen koortsachtig geprikkeld was, uitgevraagd. Amadieu, die qualitate qua de terechtstelling bijgewoond had, gaf antwoord, blij, dat hij nog eenmaal gewichtig doen kon, en vastbesloten, dat, wat hij de legende van den heldenmoed van Salvat noemde, te vernietigen. Volgens hem had die misdadiger volstrekt geen waren moed getoond; slechts trots had hem staande gehouden; maar hij was zoo bang en angstig geweest, dat hij reeds dood was alvorens hij onder de bijl kwam.
“Ja, dat is de waarheid,” riep Dutheil. “Ik was er bij.”
Massot trok hem aan zijn arm, verontwaardigd, hoewel hij altijd met alles spotte.
“Jij hebt er niets van gezien. Salvat is zeer dapper gestorven; het is gemeen dezen armen drommel tot in den dood te bezoedelen.”
Maar deze voorstelling van Salvat’s laffen dood was veel te vleiend voor de ijdelheid van vele menschen. Het was als het ware het laatste brandoffer, dat men, om Monferrand aangenaam te zijn, aan diens voeten legde. Hij bleef kalm lachen als een dapper man, die slechts wijkt voor de noodzakelijkheid. Zeer vriendelijk toonde hij zich ten opzichte van de drie magistraten, die hij bedanken wilde voor de dapperheid, waarmede zij hun taak tot het einde toe vervuld hadden. Den vorigen dag had hij, na de terechtstelling, in de Kamer een overweldigende meerderheid verkregen. Overal heerschte orde, alles ging in Frankrijk zoo goed als het maar gaan kon. Toen Vignon, die als kalm speler de huwelijksplechtigheid bij had willen wonen, naderbij kwam, sprak de minister hem aan en fêteerde hem, deels uit coquetterie, deels uit taktiek, daar hij ondanks alles nog steeds bang was, dat de naaste toekomst aan dezen zoo intelligenten jongen man zou toebehooren. Toen een gemeenschappelijke vriend hun mede kwam deelen, dat het met Barroux’ gezondheid heel slecht stond en de doktoren aan zijn herstel wanhoopten, [414]deden zij heel meewarig. Die arme Barroux! Sedert de zitting, waarin hij gevallen was, nam hij van dag tot dag af: de ondankbaarheid van het land trof hem midden in zijn hart; hij stierf aan de afschuwelijke beschuldiging van geschacher en diefstal—hij, die zoo rechtschapen, zoo eerlijk was, die zijn leven voor de Republiek gegeven had!
“Maar wie bekent ook?” herhaalde Monferrand. “Het publiek begrijpt dat niet.”
Op dat oogenblik kwam Duvillard, zijn vaderrol in den steek latend, naar hen toe; van nu af aan werd de triomf van den minister nog grooter door den zijne. Was hij niet de meester, was hij niet het geld, de eenige vaste, eeuwige macht, die boven deze ééndaagsche macht, boven die zoo snel van hand tot hand gaande ministerportefeuilles stond? Monferrand regeerde en zou verdwijnen; Vignon zou regeeren en verdwijnen—Vignon, die reeds aan zijn voeten lag, daar hij zeer goed wist, dat men zonder de millioenen der financieele mannen niet regeeren kan. Was hij dus niet de eenige triomphator, die voor vijf millioen een zoon der aristocratie kocht, die als het ware de belichaming van de almachtig geworden bourgeoisie geworden was, die heerschte als onbeperkt koning, als meester van den algemeenen rijkdom en niets daarvan wilde prijsgeven, zelfs niet onder het springen van bommen. Dit feest was zijn feest; hij alleen zette zich aan het festijn, weigerde toe te stemmen in een nieuwe deeling, nu hij alles veroverd had, alles bezat en nog slechts tegen zijn zin aan de arme drommels van arbeiders, die de Revolutie vroeger bedrogen had, de kruimels van zijn tafel overliet.
Van dit oogenblik af was de zaak der Afrikaansche spoorwegen nog slechts een oude, in een commissie begraven, weggegoochelde zaak. Al degenen, die erin gecompromitteerd waren, de Dutheils, de Chaigneux, de Fonsègue’s lachten in hun vuistje, nu zij bevrijd waren door de ijzeren vuist van Monferrand en mede omhoog geheven werden door den triomf van Duvillard. Het gemeene artikel van Sanier, dat de Voix du Peuple dien ochtend gepubliceerd had, die vuile onthullingen, telde zelfs niet meer mede; men haalde er slechts zijn schouders voor op, zoo moe was het met modder gevoede, met onthullingen en laster oververzadigde publiek al die sensatie-schandalen geworden. Nog slechts één koortsachtige gruweling maakte zich van de menigte meester; het gerucht van het eerstdaags tot stand komen van de [415]beroemde Trans-Sahara-baan, die millioenen op de trouwe vrienden zou doen regenen.
Terwijl Duvillard amicaal met Monferrand en Dauvergne, die zich bij hen gevoegd had stond te praten, zeide Massot fluisterend tegen zijn hoofdredacteur Fonsègue:
“Dutheil heeft mij daareven verteld, dat hun Trans-Sahara-baan klaar is en ze de zaak in de Kamer zullen wagen. Zij zeggen zeker te zijn van het succes.”
Maar Fonsègue was skeptisch gestemd.
“Onmogelijk; zij zullen niet zoo gauw opnieuw durven beginnen.”
Toch had de tijding hem ernstig gemaakt. Ten gevolge van zijn onvoorzichtigheid met de Afrikaansche sporen was hij zoo bang geworden, dat hij zichzelf gezworen had in den vervolge zijn voorzorgsmaatregelen te nemen. Maar dat behoefde niet zoo ver te gaan, om zich buiten alle zaken te houden. Men moest wachten, ze bestudeeren, maar mededoen, aan alles mededoen.
Juist toen hij naar den groep van Duvillard en de twee ministers keek, zag hij een ronselen van Chaigneux, die in de sacristie recruten werven bleef voor de tooneelvoorstelling van dien avond. Hij stak den loftrompet over Silviane, wakkerde de nieuwsgierigheid aan, voorspelde een enorm succes. Dan ging hij naar Dauvergne en zeide, terwijl zijn lange ruggegraat in tweeën boog:
“Waarde minister, ik moet u een verzoek doen uit naam van een schoone dame, wier overwinning vanavond niet volkomen zijn zou, wanneer u u niet verwaardigt uw goedkeuring daaraan te hechten.”
Dauvergne, een mooie, groote, blonde man met achter een lorgnet glimlachende blauwe oogen luisterde met de grootste welwillendheid. Hij had als minister van Openbaar Onderwijs veel succes, hoewel hij absoluut niets wist van de universiteit; maar als echt Parijzenaar uit Dijon was hij, naar men zeide, uiterst taktvol en handig, gaf feesten, waarop zijn jonge en zeer bekoorlijke vrouw schitterde, en ging als een verlicht vriend van schrijvers en kunstenaars door. Het engagement van Silviane aan de Comédie, tot nog toe zijn voornaamste werk, dat iederen anderen minister ten val gebracht zou hebben, had hem door een zeldzamen samenloop van omstandigheden populair gemaakt. Men vond dat iets onverwachts en amusants.
Toen hij begrepen had, dat Chaigneux alleen maar zekerheid [416]wilde hebben, dat hij ’s avonds in zijn loge in de Comédie zou zitten, werd hij dubbel vriendelijk.
“Maar dat spreekt van zelf, waarde heer. Wanneer je een zoo bekoorlijk petekind hebt, laat je haar in de ure des gevaars niet in den steek.”
Monferrand, die met één oor geluisterd had, draaide zich plotseling om.
“Zeg haar, dat ik ook van plan ben te komen, zoodat zij twee vrienden meer in de zaal zal hebben.”
Duvillard boog verrukt en met van ontroering en dankbaarheid schitterende oogen, alsof de ministers hem persoonlijk een onvergetelijken dienst bewezen.
Nu eerst kreeg Chaigneux, die zelf eveneens hartelijk bedankt had, Fonsègue in het oog. Hij vloog naar hem toe en nam hem wat ter zijde.
“O, waarde collega, die zaak moest beslist in orde komen. Zij is van het allerhoogste belang.”
“Maar wat dan?” vroeg Fonsègue verbaasd.
“Dat artikel van Massot natuurlijk, dat je niet wilt opnemen.”
Ronduit verklaarde de directeur van den Globe, dat het artikel niet opgenomen zou worden. Hij verdedigde de waardigheid en den ernst van zijn blad: voor een courant, waarvan hij met zooveel moeite een voornaam orgaan van onaanvechtbare moraliteit gemaakt had, zouden dergelijke loftuitingen op een snol, ja een gewone snol, bezoedelend en bevuilend schijnen. Overigens lachte hij om de heele zaak, sprak in ruwe termen over Silviane, zeide, dat zij gerust in het openbaar haar rokken op mocht lichten, daar had hij niets tegen. Maar de Globe was iets heiligs.
“Kom, waarde collega, doe het alleen maar om mij een genoegen te doen,” drong Chaigneux wanhopig aan. “Als het artikel niet in de courant komt, zal Duvillard denken, dat het mijn schuld is. En u weet, dat ik hem noodig heb. Het huwelijk van mijn dochter zal er weer door uitgesteld worden—ik weet waarachtig niet meer wat ik doen moet.”
En toen hij zag, dat zijn persoonlijk ongeluk Fonsègue volkomen koud liet:
“Maar in uw eigen belang dan, waarde collega, in uw eigen belang. Duvillard heeft het artikel gelezen en juist omdat het zoo ophemelend is, staat hij erop, dat het in den Globe verschijnt. Bedenk toch, dat hij zeker met u breken zal.”
Een oogenblik bleef Fonsègue zwijgen. Dacht hij aan den [417]Trans-Sahara-spoorweg? Zeide hij tot zichzelf, dat het hard zou zijn op dit oogenblik oneenigheid te krijgen, zijn deel niet te ontvangen bij de aanstaande verdeeling onder de trouwe vrienden? Maar de gedachte, dat hij voorzichtig moest zijn en afwachten, behaalde blijkbaar de overwinning.
“Neen, neen, ik kan niet, het is een gewetensquaestie.”
Intusschen bleven de gelukwenschen toestroomen. Het leek wel, alsof geheel Parijs defileerde. En steeds weer dezelfde glimlachende gezichten, dezelfde handdrukken. Het jonge paar en de beide families moesten, hoewel doodmoede, een verrukt gezicht blijven zetten. De hitte werd ondragelijk, een fijn stof steeg op van den bodem als bij het voorbijtrekken van groote kudden.
De kleine prinses de Hardt, die God weet waar en God weet waarmede zich verlaat had, sprong plotseling te voorschijn, viel Camille om den hals, gaf ook Eve een zoen en hield Gérard’s handen in de hare, terwijl zij hem overdreven complimenten maakte. Dan zag zij Hyacinthe, maakte zich van hem meester en nam hem mede in een hoek.
“Ik heb je iets te vragen.”
Hyacinthe zeide dien dag geen woord. Het huwelijk van zijn zuster vond hij een verachtelijke, onzegbaar vulgaire ceremonie. Weer eene en weer een, die deze vuile en gemeene wet der geslachten erkenden en de menschelijke absurditeit der wereld vereeuwigden. Hij had dan ook besloten het huwelijk zwijgend en met een hautain, afkeurend uiterlijk bij te wonen.
Ongerust keek hij Rosemonde aan, want hij was blij met haar gebroken te hebben, vreesde, dat de een of andere luim haar weer tot hem terugbrengen zou. Voor de eerste maal zeide hij dien dag iets.
“Als vriend wil ik alles voor u doen.”
Zij begon te lachen en zeide, dat het haar dood zou zijn, als zij het debuut van Silviane, wier vriendin en hartstochtelijke bewonderaarster zij was, niet zou kunnen bijwonen; zij bezwoer hem aan zijn vader te vragen haar uit te noodigen in zijn loge, waarin, zooals zij wist, nog een plaatsje vrij was.
Nu begon hij bij de gedachte, dat dit een einde van zeldzame en symbolische aesthetiek zou zijn, zelf te glimlachen. Die Silviane zou hem van Rosemonde bevrijden; deze beide vrouwen zouden de onvruchtbare liefde belichamen. Hij was—in naam der schoonheid—voor het éénslachtelijke huwelijk, dat geen kinderen voortbrengt. [418]
“Afgesproken. Ik zal het tegen papa zeggen; er zal een plaats voor je zijn.”
Daar het défilé eindelijk verminderde en de sacristie wat leeggeloopen was, konden het jonge paar en de twee families eindelijk tusschen de roezemoezige menigte, die gedeeltelijk staan bleef, om hen nog eenmaal te zien, ontsnappen.
Gérard en Camille zouden dadelijk na de lunch naar een landgoed, dat Duvillard in Eure bezat, vertrekken. Deze lunch in het op enkele schreden van de Madeleine gelegen koninklijke hôtel in de rue Godot-de-Mauroy gegeven werd, was een nieuwe verrukking. De eetzaal op de eerste verdieping was herschapen in een buffet van wonderbaren overvloed en weelde, terwijl de groote roode salon, de kleine salon in blauw en zilver en al de openstaande luxueuze vertrekken een grootsche receptie mogelijk maakten. Hoewel men gezegd had, dat slechts de intieme vrienden der beide families uitgenoodigd waren, waren meer dan driehonderd personen aanwezig. De ministers hadden zich wegens drukke ambtelijke bezigheden verontschuldigd, maar men zag de journalisten, de magistraten en de afgevaardigden, kortom een groot gedeelte van den stroom, die door de sacristie gevloeid was, terug. Onder de uitgehongerden, die op den aanstaanden buit afkwamen, voelden de enkele gasten van madame de Quinsac zich het allerminst thuis; generaal de Bozonnet en markies de Morigny hadden haar naar een canapé in den grooten rooden salon gebracht en verlieten haar geen oogenblik.
Eve, die gebroken was van moeheid en wier physieke en moreele kracht zoo goed als uitgeput was, had plaats genomen In den kleinen blauwen salon, welken haar hartstocht voor bloemen in een grooten ruiker rozen veranderd had. Zij viel bijna, zij voelde den vloer onder haar voeten beven; maar toch glimlachte zij, zag zij er mooi en bekoorlijk uit, zoo dikwijls een gast haar begroeten kwam. Een onverwachte hulp kreeg zij, toen zij monseigneur Martha zag, die zich verwaardigde de lunch met zijn tegenwoordigheid te vereeren. Hij schoof een fauteuil naast haar en begon op zijn gewone vriendelijke en innemende manier met haar te praten. Ongetwijfeld kende hij het afschuwelijk drama, den vergeefs bestreden zielsangst, die dit arme schepsel verteerde, want hij was vol vaderlijke zorg en troost voor haar. Zij sprak als een ontroostbare weduwe, die van de wereld afstand doet, en liet doorschemeren, dat God alleen nog haar toeverlaat kon zijn. Dan kwam het gesprek op het Oeuvre des Invalides [419]du Travail, en zij zeide vast besloten te zijn haar rol als presidente in den vervolge zeer ernstig op te vatten en zich daaraan geheel te zullen wijden.
“Ik zou u in dit opzicht gaarne een raad vragen, monseigneur … Ik heb iemand noodig, om mij daarbij ter zijde te staan, en ik had gedacht daarvoor een priester te nemen, dien ik bewonder, een echten heilige, abbé Pierre Froment.”
De bisschop werd ernstig en keek verlegen voor zich, toen de kleine prinses, die met Dutheil voorbij kwam, den naam hoorde. Met haar gewone onstuimigheid trad zij op het tweetal toe.
“Abbé Pierre Froment … O ja, dat heb ik u nog niet eens verteld; ik ben hem in jacquet en broek tegengekomen. En zij hebben me verteld, dat hij met een meisje in het Bois de Boulogne fietst … Niet waar Dutheil, we hebben hem gezien.”
De afgevaardigde boog glimlachend, terwijl Eve verschrikt haar handen vouwde.
“Maar dat is niet mogelijk! Zoo’n vurige naastenliefde, zoo’n apostelgeloof!”
Eindelijk kwam de bisschop tusschenbeide:
“Ja, de Kerk wordt dikwijls door diepen rouw getroffen. Ik heb van den waanzin van den ongelukkige, over wien u spreekt, gehoord; ik heb het zelfs mijn plicht geacht hem te schrijven, maar hij heeft mijn brief onbeantwoord gelaten. Ik had zoo gaarne een dergelijk schandaal willen vermijden. Maar er bestaan nu eenmaal van die afschuwelijke krachten, die wij niet overwinnen kunnen. De aartsbisschop heeft dezer dagen het interdict over hem moeten uitspreken … U zult een ander moeten kiezen, madame.”
Het was verschrikkelijk. Eve keek Rosemonde en Dutheil aan, maar durfde geen bijzonderheden vragen; zij kon zich een schepsel, dat het gewaagd had een priester afvallig te maken, niet voorstellen. Zeker de een of andere schaamtelooze deerne, een van die wulpsche schepsels! En het scheen haar toe, dat een dergelijke misdaad haar eigen ongeluk voltooide.
En met een gebaar, dat haar groote luxe, de geurige rozen, waarin zij zich baadde, en de menigte gasten, die zich bij het buffet verdrongen, tot getuigen nam, prevelde zij:
“Ja, overal heerscht bederf. Men kan zich op niemand meer verlaten.”
Op dat zelfde oogenblik was Camille, op het punt met [420]Gérard te vertrekken, alleen in haar jonge meisjeskamer, toen haar broer Hyacinthe bij haar kwam.
“Zoo ben je daar, jongen?… Je moet je haasten, als je me nog een zoen wilt geven … Ik ga dadelijk weg.”
Hij gaf haar een zoen en zeide dan heel pedant:
“Ik had je voor sterker aangezien. Sinds vanochtend toon je een vreugde, die mij tegen de borst stuit.”
Zij bleef hem met een kalme minachting aankijken.
“Je weet heel goed,” ging hij voort, “dat zij je Gérard, dien jij met je oogen verslindt, toch weer ontneemt, zoodra je terug bent.”
Haar wangen werden bleek, haar oogen schoten vuur en met gebalde vuisten kwam zij naar haar broeder toe.
“Zij! Zij zal hem mij weer ontnemen, zeg je?”
Zij spraken over hun moeder.
“Eerder vermoord ik haar, versta je? Laat zij op die vuiligheid niet rekenen, want den man, dien ik eenmaal heb, houd ik … En jou zou ik aanraden je gemeene praatjes voor je te houden, want je weet, dat ik je ken; je bent niet meer dan een snol en een domkop.”
Hij week achteruit, als had een adder haar scherp, zwart kopje voor hem opgericht. En in zijn gewone bangheid voor haar vond hij het beter den terugtocht te aanvaarden.
Terwijl de laatste gasten het buffet bleven plunderen, kwam het jonge paar afscheid nemen alvorens naar het station te vertrekken. Generaal de Bozonnet had een vrij grooten kring om zich verzameld en was weer over den militairen dienstplicht, die hem wanhopig maakte, begonnen; markies de Morigny moest hem terughalen op het oogenblik, dat gravin de Quinsac met bevende handen en zoo ontroerd, dat de markies de vrijheid nam haar te steunen, haar zoon en haar schoondochter Camille omhelsde. Hyacinthe was zijn vader gaan zoeken, dien men nergens vinden kon. Eindelijk ontdekte hij hem in een vensternis in een druk gesprek met Chaigneux, tegen wien hij op een heftige manier tekeer ging; hij was woedend toen hij de gewetensbezwaren van Fonsègue hoorde, want wanneer het artikel niet verscheen, was Silviane in staat het hem alleen te wijten en als straf haar deur weer voor hem te sluiten. Onmiddellijk had hij zijn triomphantelijk uiterlijk weer teruggevonden en snelde toe, om zijn dochter een kus op haar voorhoofd te geven, zijn schoonzoon de hand te drukken en hun beiden op schertsenden toon prettige dagen toe te wenschen. Eindelijk [421]kwam het afscheid van Eve, naast wie monseigneur Martha glimlachend was blijven staan. Zij toonde een ontroerende dapperheid en putte uit haar wil, om tot het einde toe mooi te zijn, een kracht, die haar in staat stelde vroolijk en moederlijk te wezen.
Vol goedheid en waarlijk heldhaftige verzaking nam zij de eenigszins bevende hand van Gérard in de hare en hield die een oogenblik vast.
“Tot ziens, Gérard, blijf gezond en wees gelukkig!”
Dan wendde zij zich tot Camille en kuste haar op beide wangen, terwijl de bisschop met toegeeflijke sympathie naar haar beiden keek.
“Tot ziens, kind!”
“Tot ziens, moeder!”
Maar haar stemmen beefden, haar blikken hadden elkaar als flikkerende zwaarden gekruist, en toen zij elkaar kusten, hadden zij elkaars tanden gevoeld. O, die woede van Camille haar ondanks haar jaren en haar tranen nog altijd mooi en begeerlijk te zien. En welk een marteling voor de moeder te moeten aanschouwen, hoe dat jonge meisje, dat ten slotte overwonnen had, voor eeuwig haar liefde medenam! Wederzijdsche vergiffenis was onmogelijk; zij zouden elkaar haten tot in het familiegraf, waarin zij eenmaal naast elkander rusten zouden.
’s Avonds echter verontschuldigde barones Duvillard zich, om naar de opvoering van Polyeucte te gaan. Zij was moe, wilde vroeg naar bed gaan en huilde den geheelen nacht met haar hoofd in haar kussen.
In de loge van Duvillard, een avant-scène de balcon, zaten dus alleen de baron, Hyacinthe, Dutheil en de kleine prinses de Hardt.
Reeds om negen uur was de zaal gevuld met het gewone roezemoezige, schitterende publiek, dat groote tooneelgebeurtenissen bezoekt. Geheel Parijs, dat ’s ochtends in de sacristie van de Madeleine gedefileerd had, vond men hier terug met dezelfde koortsachtige nieuwsgierigheid, hetzelfde verlangen naar het ongewone en buitenissige; men zag dezelfde gezichten, dezelfde glimlachjes, vrouwen, die elkaar met kleine knikjes van verstandhouding groetten, mannen, die elkander met een woord of een gebaar begrepen. Fonsègue zat met twee bevriende echtparen in de loge van den Globe. [422]In de stalles had de kleine Massot zijn gewonen fauteuil. Ook zag men den rechter van instructie Amadieu, een der trouwe habitués der Comédie, generaal de Bozonnet en advocaat-generaal Lehmann. Maar vooral werd de aanwezigheid van Sanier, den verschrikkelijken Sanier met zijn dikken, apoplectischen kop, opgemerkt, waar hij dienzelfden ochtend nog zoo’n schandelijk artikel geschreven had. Chaigneux, die voor zichzelf slechts een bescheiden klapstoeltje gereserveerd had, liep door alle gangen, vertoonde zich op alle verdiepingen en wakkerde nog voor de laatste maal de geestdrift aan. Toen in de loge tegenover die van Duvillard de twee ministers Monferrand en Dauvergne hun plaatsen innamen, ging er een zacht huiveren door de zaal, kwam er een glimlachje op alle gezichten, want iedereen kende de rol, die zij bij het succes der debutante spelen zouden.
Toch hadden den vorigen dag nog booze praatjes de rondte gedaan: Sanier had verklaard, dat het debuut van Silviane, een algemeen bekende hoer, in de Comédie-Française, en nog wel in de zeer moreele rol van Pauline, een openlijke uittarting van het algemeen schaamtegevoel was. De buitensporige gril van het mooie meisje had trouwens al heel wat stof in de pers opgeworpen. Maar men sprak er nu al een half jaar over en Parijs, dat er al aan gewend was, stroomde in zijn behoefte, om verstrooid te worden, toe. Nog voor het gordijn opging, merkte men aan de stemming in de zaal, dat het publiek vriendelijk gezind en goedlachsch was, bereid om te applaudisseeren, als het vermaakt werd.
En werkelijk was het een buitengewoon schouwspel. Toen Silviane, kuisch gedrapeerd, in de eerste acte optrad, verbaasde zij het publiek door het zuivere ovaal van haar madonnagezichtje met den onschuldigen mond en de vlekkeloos reine oogen. Maar in het bijzonder de manier, waarop zij de rol opgevat had, verbijsterde eerst, maar bekoorde vervolgens. Van af haar vertrouwlijke bekentenis aan Stratonice en haar verhaal van den droom maakte zij van Pauline een mystieke droomgestalte, een soort kerkraamheilige, die de door de wolken rijdende Brünnhilde van Wagner op haar zadel medegenomen hebben zou. Het was volmaakt idioot, tegen alle rede en waarheid in, maar het publiek scheen er zich daardoor des te meer voor te interesseeren. Het volgde daardoor de mode, maar werd bovendien nog meer geprikkeld door het scherpe contrast tusschen deze reine lelie en [423]de deerne met haar ignobele neigingen. Van af dat oogenblik werd het succes van bedrijf tot bedrijf grooter, in het tweede gedurende haar verklaring met Sévère, in het derde in haar scène met Félix, in het vierde in haar tooneel met Polyeucte, om het toppunt te bereiken in de zoo verheven tragische en hartverscheurende scène met Sévère. Een zacht gefluit, waarvan men Sanier verdacht, verzekerde de overwinning. Monferrand en Dauvergne gaven, zooals de couranten berichtten, het sein tot toejuichingen; de geheele zaal geraakte in vuur, Parijs klapte in zijn handen, half uit amusement, half uit ironie. Het huldigde daarbij ook Duvillard en de sterke vuist van het ministerie-Silviane, waarover men in de entr’actes gelachen had.
In de avant-scène van den baron heerschte een koortsachtig gedrang.
“Zeg,” kwam Dutheil vertellen; “die invloedrijke criticus, met wien we eens gesoupeerd hebben, is woedend. Hij blijft volhouden, dat Pauline een burgermeisje is, dat slechts op het laatste oogenblik door het wonder aangeraakt wordt, en dat het een moord is op de rol door haar dadelijk als heilige maagd op te vatten.”
“Laat hij maar kletsen,” zeide Duvillard hoogmoedig, “dan wordt erover gepraat … De hoofdzaak is, dat morgen het artikel van Massot in den Globe komt.”
Maar op dat punt waren de berichten allesbehalve gunstig. Chaigneux, die weer naar Fonsègue gegaan was, vertelde, dat deze ondanks het succes, dat hij belachelijk vond, nog aarzelde. De baron werd boos.
“Ga aan Fonsègue zeggen, dat ik het wil en dat ik een goed geheugen heb.”
Achter in de loge delireerde Rosemonde van enthousiasme.
“Ik smeek je erom, Hyacinthe, breng mij naar de loge van Silviane. Ik kan niet wachten. Ik moet haar een zoen geven.”
“Maar wij gaan er allen heen,” riep Duvillard, die het gehoord had, uit.
De couloirs waren propvol, men verdrong zich tot bij het tooneel. Doch dan deed zich een hinderpaal voor: de deur der loge was gesloten; en toen de baron klopte, antwoordde de kleedster, dat mevrouw den heeren verzocht te wachten.
“O, een vrouw komt er niet op aan,” zeide Rosemonde. en gleed vlug naar binnen. “En jij kan ook binnenkomen, Hyacinthe, dat komt er even weinig op aan.”
Silviane, half naakt, liet haar schouders en haar borst afvegen, [424]zoo warm had zij het. Vol geestdrift vloog Rosemonde op haar af, kuste haar, en in den gloed der vlammende gaslichten en den bedwelmenden geur der bloemen, waarmede het kleine vertrek gevuld was, praatten zij bijna mond tegen mond. Hyacinthe hoorde, hoe zij met van bewondering en hartstocht brandende woorden afspraken elkaar bij den uitgang te zien en dat Silviane ten slotte Rosemonde uitnoodigde een kop thee bij haar te komen drinken.
“Je rijtuig wacht op den hoek van de rue Montpensier, niet?” zeide hij met een welwillend glimlachje tegen de actrice. “Welnu, dan zal ik de prinses daarheen brengen. Dat is wel zoo eenvoudig, dan kunnen jullie samen naar huis rijden.”
“Hoe schattig van je,” riep Rosemonde uit. “Afgesproken.”
De deur ging open; de mannen traden binnen en putten zich uit in loftuitingen. Maar men moest weer gauw terug naar de zaal voor het vijfde bedrijf. Het werd een triomf. Het publiek juichte, toen Silviane het beroemde: “Je vois, je sais, je suis désabusée” met de zielsverrukking van een heilige martelares declameerde. Toen men de artisten terugriep, bracht Parijs aan deze theatermadonna, die volgens Sanier zoo goed de rol van hoer speelde, een laatste ovatie.
Onmiddellijk ging Duvillard met Dutheil achter de coulissen, om Silviane te halen, terwijl Hyacinthe Rosemonde naar het op den hoek van de rue Montpensier staande rijtuig bracht. Dan bleef de jonge man wachten en scheen het heel aardig te vinden, toen zijn vader met Silviane kwam en deze hem met een gebaar tegenhield, toen hij ook wilde instappen.
“Neen, vanavond niet. Ik heb bezoek van een vriendin.”
Het lachende gezichtje van Rosemonde was achter in het rijtuig opgedoken. Hij bleef met open mond staan, toen het rijtuig met de beide vrouwen wegreed. Hij, die sedert zooveel dagen in de weer was, om in genade aangenomen te worden.
“Wat zal ik je zeggen!” zeide Hyacinthe tegen Dutheil, die zelf wat gechoqueerd was. “Zij hing mij de keel uit en toen heb ik haar aan Silviane gegeven.”
Verbijsterd stond Duvillard nog steeds op het trottoir; toen Chaigneux, die uitgeput naar huis ging, hem herkende; hij vloog op hem toe en zeide, dat Fonsègue zich bedacht had en het artikel van Massot opnemen zou.
Hyacinthe nam zijn vader mede en troostte hem als een [425]verstandig kameraad, voor wien de vrouw een onrein dier is.
“Ga mee naar huis … Nu dat artikel verschijnt, kan je het haar morgenochtend brengen. Ze zal dan zeker open doen.”
De beide mannen, die loopen wilden, wandelden rookend en slechts nu en dan een woord wisselend, de op dat uur verlaten en droefgeestige avenue de l’Opéra op, terwijl over het ingeslapen Parijs een eindelooze weeklacht streek, de doodsstrijd van een wereld.