WeRead Powered by ReaderPub
De drie steden: Parijs cover

De drie steden: Parijs

Chapter 28: III.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a young priest who moves through Parisian neighborhoods attending to the poor while confronting an older, disgraced colleague and estrangement from a brother living in intellectual seclusion. It evokes mist-shrouded, soot-streaked streets and contrasts districts of want and privilege, showing how charity, scandal, and institutional scrutiny shape private lives. Through intimate scenes of ministry, domestic tension, and civic observation, the work examines faith, hypocrisy, and the burdens of compassion amid urban hardship.

[Inhoud]

III.

Sedert de executie van Salvat was Guillaume buitengewoon stil gebleven. Hij scheen gepreoccupeerd, verstrooid. Uren achter elkaar werkte hij, maakte hij het zoo gevaarlijke kruit, waarvan hij alleen de formule kende, en waarbij hij door niemand geholpen wilde worden. Andere malen ging hij uit, om na lange eenzame wandelingen uitgeput thuis te komen. In den familiekring bleef hij ook verder zeer vriendelijk, dwong hij zich tot een glimlachen, maar wanneer men iets tot hem zeide, scheen hij, plotseling opschrikkend, als uit een verre gedachtenwereld te komen.

Pierre haalde zich in het hoofd, dat zijn broer te veel gerekend had op de heldhaftigheid van zijn verzaking en het verlies van Marie hem ondragelijk was. Was het niet de gedachte aan hem, die hem geen oogenblik losliet; verlangde hij niet naar haar, hoe meer de voor het huwelijk vastgestelde datum naderde? Op een avond waagde hij het uiting te geven aan zijn vrees, hem nogmaals aan te bieden op reis te gaan, te verdwijnen.

Reeds bij de eerste woorden viel Guillaume hem in de rede:

“Pierre, beste jongen! Ik houd te veel van jou, ik houd te veel van jou, om berouw te hebben over mijn daad … Neen, nu ik jullie samen gelukkig zie, ben ik zelf gelukkig, geven jullie mij moed en kracht … En heusch, je vergist je, ik heb niets; mijn werk neemt zeker mijn gedachten heelemaal in beslag.”

Dien avond was hij buitengewoon vroolijk en opgewekt. Onder het middagmaal vroeg hij of de behanger gauw de beide kamertjes, die Marie boven het laboratorium had, in orde zou komen maken voor het jonge paar. Marie, die, sedert de datum voor het huwelijk bepaald was, kalm en [426]glimlachend, zonder overhaasting of verlegenheid wachtte, begon hem nu vroolijk te vertellen wat zij wilde: een met rood katoen van twintig sous per meter behangen kamer; meubelen van verlakt vurenhout, zoodat zij zou kunnen denken buiten te zijn; en eindelijk een tapijt, want een tapijt was voor haar het toppunt van luxe. Zij lachte en hij lachte vroolijk en vaderlijk mede, zoodat Pierre tot de overtuiging kwam, dat hij zich vergist had.

Maar reeds den volgenden dag viel Guillaume in zijn droomerijen terug en Pierre’s ongerustheid begon opnieuw, toen hij opgemerkt had, dat ook Grootmoeder nooit zoo stil geweest was. Daar hij haar er niet naar vragen durfde, kwam hij eerst op de nuttelooze gedachte de drie zoons aan het praten te krijgen, want noch Thomas, noch François noch Antoine wisten iets of wilden iets weten. Alle drie deden met een glimlachende opgewektheid en in grooten eerbied en vereering voor hun vader hun werk. Naast hem levend, vroegen zij hem nooit iets over zijn werk of over zijn plannen, vonden zij, dat wat hij deed slechts rechtvaardig en goed kon zijn, en waren bereid het, zonder nader onderzoek, op de eerste vraag met hem te doen. Maar blijkbaar hield hij hen ver van ieder gevaar verwijderd, wilde hij het offer alleen brengen, was Grootmoeder zijn eenige vertrouwde, de eenige, die hij om raad vroeg en naar wie hij luisterde. Pierre zag er dan ook van af, om te trachten iets van de kinderen te weten te komen, hij maakte zich nog slechts ongerust over haar ernst, vooral sedert hij meende gemerkt te hebben, dat zij en Guillaume ieder oogenblik in haar kamer langdurige conferenties hielden. Zij sloten zich daarin op en gaven zich daar blijkbaar over aan ingewikkelde bezigheden, gedurende welke de kamer als uitgestorven scheen.

Op een dag zag Pierre Guillaume met een schijnbaar zeer zwaren handkoffer uit de kamer komen. Onmiddellijk herinnerde hij zich de vertrouwelijke mededeeling van zijn broeder: het kruit, waarvan een pond genoeg was om een kathedraal in de lucht te laten vliegen, de verschrikkelijke machine, die hij aan Frankrijk wilde geven, om het de overwinning over andere naties te verzekeren. En hij herinnerde zich ook, dat Grootmoeder alleen in het geheim ingewijd was, dat zij langen tijd, toen Guillaume bang was voor een huiszoeking der politie, op de patronen van de vreeselijke springstof geslapen had. Waarom bracht hij de hoeveelheid kruit, die hij [427]sedert eenigen tijd fabriceerde, nu weg? Een vermoeden, een heimelijke vrees gaf hem de kracht zijn broer plotseling te vragen:

“Ben je ergens bang voor, dat je hier niets bewaren wilt? Wanneer je in moeilijkheden verkeert, kan je alles in mijn huis brengen, waar toch niemand komt zoeken?”

Verwonderd keek Guillaume hem aan.

“Ja … Ik weet, dat de arrestaties en huiszoekingen, sedert zij dien ongelukkige geguillotineerd hebben, weer opnieuw begonnen zijn. Zij schijnen te vreezen, dat de een of andere wanhopige hem wreken zal. Bovendien is het heel gevaarlijk kruit, dat zulk een verwoestende kracht heeft, hier te houden. Ik breng het liever op een veilige plaats … In Neuilly, jongen, neen, neen, dat zou niet veilig genoeg zijn!”

Hij sprak heel kalm, nauwlijks beefde hij even.

“Is alles nu klaar?” vroeg Pierre verder. “Ben je van plan eerstdaags je machine aan den minister van Oorlog te geven?”

In zijn openhartige oogen verscheen een aarzeling; hij stond op het punt te liegen. Dan kalm:

“Neen, daar heb ik van afgezien. Ik ben op een andere gedachte gekomen.”

Hij zeide het met een zoo vreeselijke vastberadenheid, dat Pierre niet durfde vragen, wat die andere gedachte was. Maar van af dat oogenblik huiverde hij onder een heimelijke onrust; van uur tot uur voelde hij uit het zwijgen van Grootmoeder en uit de steeds heldhaftiger en vrijer wordende gelaatstrekken van Guillaume, dat iets ontzaglijks, iets verschrikkelijks geboren werd, grooter werd en geheel Parijs overstroomen zou.

Op een middag, dat Thomas naar de fabriek Grandidier gaan zou, hoorden zij, dat Toussaint, de oude werkman, weer een beroerte gehad had. Thomas beloofde, dat hij in het voorbijgaan bij den armen man aan zou loopen, om te zien, of ze hem misschien met iets konden helpen. Pierre wilde medegaan, en zoo gingen zij beiden tegen vier uur weg.

In het eenige vertrek, waarin de Toussaint’s woonden, aten en sliepen, vonden zij den werkman als verpletterd op een lagen stoel bij de tafel zitten. Het was een verlamming aan één zijde van het lichaam, die behalve den arm en het been, ook het rechtergedeelte van het gezicht had getroffen, zoodat hij zijn spraak zoo goed als verloren had. Hij stiet nog slechts onverstaanbare keelklanken uit. Op zijn vijftigste jaar geleek hij wel een grijsaard, tot geen werken meer in [428]staat. Alleen zijn oogen leefden nog, keken de kamer rond, gingen van den een naar den ander, terwijl zijn vrouw, die, hoewel zij niet genoeg eten kon, toch steeds dik bleef, in het ongeluk het hoofd omhoog hield en zoo goed mogelijk voor hem zorgde.

“Een prettig bezoek, Toussaint; mijnheer Thomas met mijnheer den abbé …”

En dan zich kalm verbeterend:

“Met mijnheer Pierre, zijn oom … Je ziet wel, dat ze je nog niet vergeten.”

Toussaint wilde spreken, maar zijn machtelooze poging bracht slechts twee dikke tranen in zijn oogen. Hij keek de bezoekers met een uitdrukking van onbeschrijfelijke troosteloosheid aan; zijn kaken beefden.

“Wind je toch niet zoo op,” zeide zijn vrouw. “De dokter zegt, dat dat heelemaal niet goed voor je is.”

Bij het binnenkomen had Pierre gezien, dat twee personen opstonden en achter in het vertrek waren gaan zitten. Tot zijn groote verbazing herkende hij nu madame Théodore en de kleine Céline, beiden netjes gekleed en er flink uitziende. Toen zij het ongeluk vernomen hadden, waren zij met de goedhartigheid van arme schepsels, die het ergste lijden hadden leeren kennen, onmiddellijk naar haar zwager en oom komen kijken. Zij schenen nu voor de ellende gevrijwaard te zijn; Pierre herinnerde zich nu hoe men hem verteld had van de algemeene sympathie, die zich, na de terechtstelling van haar vader, voor het arme meisje geopenbaard had, de talrijke geschenken, den strijd, wie haar tot zich nemen zou, totdat eindelijk een oud vriend van Salvat haar als het zijne aangenomen had en haar weer op school liet gaan, om haar later ergens in de leer te doen. Madame Théodore zelf was als verpleegster in een ziekenhuis aangesteld. Daarmede waren beiden gered.

Toen Pierre naar het jonge meisje ging, om haar een zoen te geven, zeide madame Théodore tegen haar, dat zij mijnheer den abbé—zoo bleef zij hem eerbiedig noemen—nogmaals hartelijk moest bedanken.

“Ja, u hebt ons geluk aangebracht, mijnheer de abbé. Zoo iets vergeet je niet, en ik zeg haar steeds weer, dat zij u in haar gebeden niet vergeten mag.”

“En ga je weer naar school, beste meid?”

“Ja, mijnheer de abbé, en ik vind het heel prettig. We hebben nu aan niets gebrek meer.” [429]

Een ontroering belette haar verder te spreken en met een snik stamelde zij:

“Als die arme papa ons nog eens kon zien!”

Madame Théodore nam nu afscheid.

“Nu gaan we maar weer … Ik vind het vreeselijk treurig wat jullie nu weer overkomen is … Céline, geef je oom een zoen … Beste kerel, ik hoop, dat je weer gauw op de been zult zijn.”

Zij kusten den lamme op zijn wangen en gingen weg. Toussaint, die geluisterd en rondgekeken had, volgde haar met zijn nog zoo levendige en intelligente oogen, als brandde hij van verlangen, om ook in het leven terug te keeren.

Ondanks haar gewone opgeruimdheid kon madame Toussaint een jaloersche gedachte niet onderdrukken.

“Ja, oude jongen,” zeide zij, na een kussen in zijn rug gelegd te hebben, “die twee hebben meer geluk gehad dan wij. Sedert zij dien idioot van een Salvat een kopje kleiner gemaakt hebben, lukt haar alles. Zij hebben nu altijd wat te eten.”

En zich dan tot Pierre en Thomas wendend:

“Maar wij, arme bliksems, zijn voor de haaien. Wat zal ik u zeggen? Wij zullen van honger omkomen; mijn arme man is niet geguillotineerd, hij heeft alleen maar zijn heele leven lang gewerkt, en nu is het gedaan met hem als met een oud beest, dat nergens goed meer voor is.”

Zij bood hun stoelen aan en antwoordde op hun medelijdende vragen. De dokter was reeds tweemaal geweest en had beloofd den zieke zijn spraak te zullen teruggeven, ja misschien het zóó ver te brengen, dat hij met een stok in de kamer zou kunnen loopen. Maar er was geen sprake van, dat hij ooit weer aan het werk zou kunnen gaan. Doch waartoe dienden dan die andere beloften? De oogen van Toussaint zeiden duidelijk, dat hij liever dadelijk wilde sterven. Wanneer een werkman niet meer werken en zijn vrouw niet meer onderhouden kan, is hij rijp voor de aarde.

“Er zijn menschen,” ging zij voort, “die me vragen, of we geen spaarduitjes hebben … We hadden bijna duizend francs op de spaarbank, toen Toussaint zijn eerste beroerte kreeg … Je kan je niet voorstellen hoe je sparen moet, om zoo’n som op zijde te leggen, want van tijd tot tijd wil je toch wel eens een extraatje hebben, een lekker hapje of een goede flesch wijn. En in de vijf maanden, dat hij niet werken kon, zijn met de geneesmiddelen en de versterkende middelen [430]de duizend francs opgegaan. En nu het weer begint, zullen we niet zoo gauw weer goeden wijn of een schapenbout proeven.”

De goede vrouw, die altijd dol geweest was op een lekker hapje, verried haar angst voor de toekomst nog meer door dien uitroep dan door haar ingehouden tranen. Toch bleef zij flink en dapper; maar welk een ramp zou het voor haar zijn, wanneer zij haar kamer niet netjes meer houden, ’s Zondags niet een stuk kalfsvleesch op schotel hebben kon! Het was veel beter als men hen beiden in de goot wierp en de vuilniswagen hen medenam!

“Bestaat er niet een Asile des Invalides du Travail en zou men uw man daar geen plaatsje kunnen geven?” vroeg Thomas. “Dat is de goede plaats voor hem.”

“Och ja,” antwoordde de arme vrouw; “daar heb ik al over gehoord en ik heb er al naar geïnformeerd ook. Zij nemen geen zieken in die inrichting op. Als je er naar toe gaat, antwoorden ze, dat er voor de zieken ziekenhuizen zijn.”

Met een ontmoedigd gebaar bevestigde Pierre, dat zulk een stap nutteloos was. In een plotseling visioen zag hij zich weer door Parijs loopen van barones Duvillard, de presidente, naar den algemeenen administrateur Fonsègue, om eerst na zijn dood den armen Laveuve opgenomen te krijgen.

Maar op dat oogenblik hoorden zij het huilen van een heel jong kind, en de beide bezoekers zagen tot hun verbazing hoe madame Toussaint in het kleine kabinetje ging, waarin haar zoon Charles zoo lang geslapen had, en er met een kind van een maand of twintig uitkwam.

“Lieve hemel, ja, dat is de kleine van Charles. Hij sliep in het bed van zijn vader en nou is hij wakker geworden. Stelt u voor, dat ik hem juist verleden week Woensdag, een dag voordat Toussaint die beroerte kreeg, van de min gehaald had, omdat zij dreigde hem op straat te zetten, daar Charles, die den verkeerden weg op gaat, haar niet meer betaalt. Ik dacht zoo, dat, nu Toussaint weer aan het werk was, één mondje meer er niet op aan kwam. En nu hij eenmaal hier is, kan ik hem toch moeilijk op straat zetten.”

Al pratend liep zij sussend met het kind heen en weer, om het tot bedaren te brengen. En zij kwam weer terug op die beroerde geschiedenis met het dienstmeisje van den wijnhandelaar aan de overzijde, dat hij zoo stom geweest was met jong te schoppen en dat nu als de eerste de beste lichtekooi er met een anderen man vandoor gegaan was. [431]En als Charles nu nog maar werkte zooals vroeger, voordat hij in dienst geweest was! Toen verzuimde hij geen uur en bracht hij zijn volle loon thuis! Maar nu had hij het land aan het werk, had hij zijn eigen ideeën en zat hij, al ging hij nog niet zoover als die idiote Salvat om bommen te werpen, den halven dag bij socialisten en anarchisten, die zijn hoofd op hol brachten. Het was werkelijk jammer te moeten zien, dat een zoo flinke en sterke jongen zoo den verkeerden kant opging! Maar in de buurt werd beweerd, dat er veel zoo waren, dat de beste en meest intelligente arbeiders genoeg hadden van de ellende, van het werk, dat hun niet genoeg opleverde, om te eten, en dat zij ten slotte liever alles zouden verwoesten, dan oud te worden zonder de zekerheid, dat zij tot hun dood hun brood zouden hebben.

“Ja, de zoons lijken niet veel meer op hun vaders. De jongens van tegenwoordig zullen niet meer het geduld van mijn armen, ouden Toussaint hebben, die zich gewoon doodgewerkt zou hebben. Weet u wat Charles zeide, toen hij dezer dagen zijn vader met verlamde armen en beenen en tong op dien stoel zag zitten? Hij werd boos en schreeuwde, dat hij zijn heele leven een idioot geweest was, om zich zoo voor de bourgeoisie af te jakkeren, die hem nu zelfs geen glas water voor belooning geven zou … En toen is hij, want zijn hart is goed, gaan huilen als een kind.”

Het kind huilde niet meer, maar toch bleef zij er mede op en neer loopen en drukte het tegen haar goed grootmoederhart. Haar zoon Charles zou niets voor hen kunnen doen; hoogstens nu en dan een paar francs, en dan nog moeilijk. Vastgeroest als zij in haar gewoonten was, wilde zij niet probeeren haar oud beroep van linnennaaister weer op te vatten; trouwens het zou al moeilijk zijn om buitenshuis het huishouden te gaan doen, nu zij behalve dit kleine kind ook dit groote nog had, dat zij zou moeten voeren en verschoonen. Wat zou er nu van hun drieën moeten worden? Zij wist het niet en beefde, hoe moederlijk-dapper zij ook schijnen wilde!

Pierre en Thomas voelden hoe een diep medelijden zich van hen meester maakte, toen zij in dit zoo zindelijke vertrek van arbeid en ellende dikke tranen over de wangen van den verpletterden, onbeweeglijk op zijn stoel zittenden Toussaint zagen stroomen. Hij had naar zijn vrouw geluisterd, keek naar haar en naar het arme kleine wezentje, dat op [432]haar armen sliep; nu hij niet meer spreken kon, ontlastte hij zijn hart in tranen.

“Kom, wind je toch niet zoo op,” zeide madame Toussaint. “Nu het eenmaal zoo is, is het zoo.”

Zij was den kleine weer op bed gaan leggen; toen zij terugkwam, wilden Thomas en Pierre haar over mijnheer Grandidier, den werkgever van Toussaint, spreken, toen er een nieuw bezoek kwam. Zij wachtten een oogenblik.

Het was madame Chrétiennot, de vrouw van den kleinen ambtenaar, de tweede, achttien jaar jongere zuster van Toussaint. De mooie Hortense, die van de ramp gehoord had, kwam nu haar sympathie betuigen, ofschoon haar man haar genoodzaakt had bijna geheel met haar familie, waarvoor hij zich schaamde, te breken. Zij had een goedkoop zijden japon aan en een hoed met roode papavers op, dien zij reeds driemaal vermaakt had; maar ondanks dien luxe voelde men het gebrek, hield zij haar voeten om haar afgeloopen schoenen onder haar rokken verborgen. Een miskraam had haar leelijk gemaakt en het verwelken van haar blonde schoonheid verhaast.

Reeds op den drempel scheen het angstaanjagende uiterlijk van haar broeder, de kaalheid van het lijdensvertrek, dat zij betrad, haar te verstijven. Na hem een zoen gegeven te hebben, begon zij dadelijk over haar eigen lot te jammeren, bang als zij was, dat men haar iets vragen zou.

“Je bent zeker vreeselijk te beklagen, beste meid. Maar als je eens wist … Iedereen heeft zijn zorgen … Zoo ben ik door de positie van mijn man genoodzaakt een hoed te dragen en fatsoenlijk gekleed te gaan, maar je kunt je niet voorstellen hoeveel moeite het mij kost rond te komen … Met drie duizend francs inkomen doe je niet veel, vooral als er dadelijk zevenhonderd francs voor huur afgaat. Je zult zeggen, dat we goedkooper zouden kunnen wonen, maar dat gaat niet, want ik heb een salon noodig voor de visites, die ik krijg. Reken nu zelf maar … En dan heb ik mijn twee dochters nog; Lucienne is onlangs met pianospelen begonnen en Marcelle heeft veel aanleg voor teekenen … Tusschen twee haakjes, ik zou ze graag medegebracht hebben, maar ik was bang, dat het een te groote ernst voor haar zijn zou. Je neemt het toch niet kwalijk, wel?”

En zij vertelde nog van andere onaangenaamheden, welke zij door het treurige einde van Salvat met haar man gehad had. Deze, een ijdele, kleinzielige, opvliegende man, was [433]woedend, dat hij nu een geguillotineerde in de familie van zijn vrouw had; hij werd hard tegenover de ongelukkige vrouw, door haar de schuld te geven van hun financieele moeilijkheden, haar verantwoordelijk te stellen voor zijn eigen middelmatigheid. Het bekrompen bureauleven maakte hem dagelijks “zuurder”; verschillende avonden kwam het tot heftige woordenwisselingen, maakte zij hem woedend, door hem te vertellen, dat zij, toen zij nog winkeljuffrouw bij een confiseur in de rue de Martyrs was, had kunnen trouwen met een dokter, die haar mooi genoeg vond. Nu de vrouw leelijk werd en de man zich zelfs met zijn gedroomde vier duizend francs salaris tot eeuwige zorgen veroordeeld zag, heerschte er in het huishouden voortdurend een onaangename, knorrige, twistzieke stemming, die, ondanks den zoo duur betaalden roem “een fijne mijnheer en een fijne dame” te zijn, even ondraaglijk was als de diepste ellende van de arbeidershuisgezinnen.

“Enfin,” zeide eindelijk madame Toussaint, die genoeg kreeg van de jeremiades van haar schoonzuster, “je hebt toch het geluk gehad geen derde kind te krijgen.”

Hortense zuchtte opgelucht.

“Ja, dat is zoo, want ik weet waarachtig niet, hoe we het groot hadden moeten krijgen. Afgezien nog van het feit, dat Chrétiennot mij de vreeselijkste scènes maakte en zeide, dat hij, wanneer ik zwanger was, daaraan onschuldig was en mij, als er een derde kind kwam, zou laten zitten en ergens anders gaan wonen. Je weet, dat ik bij die miskraam bijna gestorven ben. Het was iets vreeselijks; ik ben er nog niet heelemaal boven op. De dokter zegt, dat ik te weinig eet en dat ik mij sterk voeden moet. Maar dat geeft allemaal niets, ik was er erg blij om.”

“Dat begrijp ik, want je wou niets liever.”

“Natuurlijk wilden we niets liever … Chrétiennot riep steeds, dat hij van vreugde zou dansen … En toch … en toch …”

Een plotselinge ontroering deed Hortense’s stem beven.

“Toen de dokter ons aankeek en zeide, dat het een jongen was, deed het mij zoo’n pijn, dat ik bijna stikte; en ik heb heel goed gezien, dat Chrétiennot zich omkeerde om zijn gezicht niet te laten zien … We hebben twee meisjes … het zou dus een genot geweest zijn een zoon te hebben …”

Tranen stroomden uit haar oogen en stamelend ging zij voort: [434]

“Maar daar we ons nu eenmaal niet de weelde veroorloven kunnen er een te hebben, is het beter, dat hij niet gekomen is. Voor zichzelf en voor ons heeft hij er goed aan gedaan terug te keeren vanwaar hij kwam … Maar toch blijft het diep treurig, er is werkelijk te veel beroerdigheid in het leven!”

Zij stond op en wilde, na haar broer nogmaals omhelsd te hebben, weggaan, daar zij bang was voor een nieuwe scène, wanneer haar man haar bij zijn thuiskomst niet vond. Maar zij bleef nog een oogenblik staan en vertelde, dat zij ook haar zuster, madame Théodore, en de kleine Céline gezien had. En met iets van jaloezie in haar stem zeide zij:

“Mijn man stelt er zich mede tevreden zich iederen ochtend op zijn bureau te gaan afbeulen. Hij zal zich nooit een kopje kleiner laten maken en het zal niemand ooit invallen Lucienne en Marcelle een lijfrente na te laten … Enfin, verlies den moed maar niet; laten we hopen, dat alles nog terecht komt.”

Toen zij weg was, wilden Pierre en Thomas, alvorens zelf naar de fabriek te gaan, weten, of mijnheer Grandidier, de eigenaar van de fabriek, op zich genomen had Toussaint te helpen. Hij had nog slechts een vrij vage belofte gedaan, waarom zij besloten voor den ouden werkman, die vijf-en-twintig jaar de firma gediend had, een goed woordje te doen. Ongelukkigerwijze was het reeds lang bestaande plan van een hulp- of pensioenfonds, waartoe vóór de crisis, waarvan de fabriek zich nu herstelde, voorbereidende maatregelen genomen waren, door allerlei complicaties en hindernissen mislukt. Anders zou Toussaint misschien het recht gehad hebben invalide te zijn zonder heelemaal van honger te sterven. Voor den door ziekte getroffen arbeider bestond er behalve in den rechtvaardigheidszin van zijn patroon alleen hoop in de barmhartigheid.

Daar de kleine van Charles opnieuw begon te huilen, nam madame Toussaint hem weer in haar armen en liep met hem op en neer.

Thomas drukte de gezonde hand van den verlamde in de zijne.

“Wij komen terug, we zullen je niet aan je lot overlaten. Je weet, dat we je graag mogen lijden, omdat je een flink, dapper werkman bent … Reken op ons, we zullen alles doen wat we kunnen.”

Zij lieten den ongelukkigen, huilenden man, die alleen nog goed was voor het abattoir, in de sombere kamer achter [435]met zijn vrouw, die het huilende kind wiegde—een ongelukkige meer, die nu zoo zwaar op het oude echtpaar drukte en later eveneens in ellende aan den onrechtvaardigen arbeid crepeeren zou.

Dien arbeid, den inspannenden, hijgenden en morrenden handenarbeid vonden Pierre en Thomas in de fabriek terug. De dunne schoorsteenen op de daken bliezen hun rhythmischen stoomadem uit, als regelden zij de ademhaling zelf van den gemeenschappelijken arbeid. In de verschillende werkplaatsen heerschte een voortdurend druk bezig zijn, smeedde, vijlde, perforeerde een heel volk van arbeiders te midden van de vliegende drijfriemen en de stampende machines. De dagtaak eindigde in de koortsachtige krachtsinspanning, die gewoonlijk aan het luiden van de bel voorafgaat.

Toen Thomas naar mijnheer Grandidier vroeg, antwoordde men hem, dat de patroon na het dejeuner niet meer geweest was, waaruit hij dadelijk begreep, dat zich in het paviljoen met de altijd gesloten luiken, waarin de fabrikant sedert twee jaar met zijn krankzinnige vrouw leefde, weer een vreeselijke scène afspeelde. Van uit de kleine, bijna geheel uit glas gebouwde werkplaats, waar Thomas gewoonlijk arbeidde en waarheen hij nu zijn oom medenam, om zoo lang te wachten, kon men dat uiterlijk zoo rustige paviljoen zien. Plotseling meenden zij een luiden, hartverscheurenden kreet te hooren; dan klonk het als het janken van een geslagen dier. Pierre en Thomas luisterden met bleeke gezichten en keken elkaar bevend aan. Dan hielden de kreten plotseling op en zonk het paviljoen in zijn diepe grafstilte terug.

“Gewoonlijk is zij, naar het schijnt, heel kalm,” zeide Thomas op fluisterenden toon, “en zit zij dagen lang als een klein kind op het tapijt. Hij houdt van haar, brengt haar naar bed, helpt ze opstaan, liefkoost ze en maakt ze aan het lachen! Welk een diep treurig bestaan!… Maar heel zelden heeft zij aanvallen; dan wordt zij woest, wil bijten en zich dooden door zich tegen den muur te gooien, moet hij met haar vechten, want niemand anders dan hij raakt haar aan. Hij tracht dan haar in bedwang te houden, neemt haar in zijn armen, om haar te kalmeeren.… Maar vandaag is het al heel erg. Zoo’n aanval heeft zij, geloof ik, nog nooit gehad.”

Na verloop van een kwartier kwam, toen het heelemaal stil geworden was, Grandidier blootshoofds en nog doodsbleek uit het paviljoen. Toen hij langs de glazen werkplaats ging en Thomas en Pierre daar zag, kwam hij naar binnen [436]en leunde, als iemand, die door een duizeling overvallen wordt, tegen een aambeeld. Zijn zacht, energiek gelaat had een angstige, lijdende uitdrukking behouden; naast zijn linkeroor bloedde een diepe schram.

Onmiddellijk wilde hij spreken, strijden, in zijn werkzaam leven terugkeeren.

“Ik ben erg blij, dat ik je zie, Thomas. Ik heb over wat je me omtrent onzen motor verteld hebt, nagedacht. We moeten er nog eens over praten.”

Toen de jonge man zijn diepe droefheid zag, kreeg hij een barmhartige ingeving: hij dacht, dat een plotselinge afleiding, het ongeluk van een ander, hem misschien uit zijn verdooving zou rukken.

“Daarvoor ben ik juist gekomen … Maar laat ik u eerst vertellen, dat we van dien ongelukkigen Toussaint komen, die weer een beroerte gehad heeft. Het is verschrikkelijk om te zien in welk een ontbering die man na zooveel jaren van arbeid achterblijft.”

Hij legde den nadruk op de vijf-en-twintig jaar, die de oude arbeider in de fabriek gewerkt had, sprak over de rechtvaardigheid, die gebood rekening te houden met alles wat die man van zijn leven gegeven had, en eischte, dat de fabriek hem zoowel uit een oogpunt van billijkheid als uit medelijden helpen zou.

“O, mijnheer,” veroorloofde Pierre zich op zijn beurt te zeggen; “wat zou ik u gaarne een oogenblik medenemen naar de trieste kamer, naar dien armzaligen, ouden, afgetobden, verpletterden man, die zelfs geen woorden meer vinden kan, om zijn lijden uit te schreeuwen. Er bestaat niets rampzaligers dan zoo, aan alle goedheid en gerechtigheid wanhopend, te moeten sterven.”

Grandidier had zwijgend naar hen geluisterd. Dan kwamen dikke tranen in zijn oogen en zijn stem beefde, toen hij fluisterend zeide:

“Weet men eigenlijk wel wat het rampzaligste is? Wie kan van het ergste ongeluk spreken, als hij het ongeluk van anderen niet mede geleden heeft?… Ja zeker, het is vreeselijk voor dien armen Toussaint op zijn leeftijd niet meer te weten of er morgen nog eten voor hem zijn zal. Maar ik ken even groote ellende, verschrikkingen, die het leven nog meer vergiftigen … O, het dagelijksch brood! Welk een dwaze hoop te gelooven, dat het geluk heerschen zal, wanneer iedereen zijn dagelijksch brood hebben zal!” [437]

Zijn beven verried het zoo smartelijke drama van zijn leven. Hij was het hoofd der fabriek, een man, die op het punt stond rijk te worden, die over het kapitaal beschikte en op wien zijn arbeiders naijverig waren; hij had een fabriek, waarin het geluk teruggekeerd was, waarvan de machines geld sloegen, zonder dat hij schijnbaar iets anders te doen had dan het in zijn zak te steken—en toch was hij de ongelukkigste van alle stervelingen, ging er geen dag voorbij, die niet door den hevigsten zielsangst bedorven werd. Voor alles moet men boeten. Deze triomphator, deze gunsteling van het geld snikte van wanhoop op zijn steeds grooter wordenden goudhoop.

Hij was zeer welwillend en beloofde Toussaint te zullen helpen. Maar wat kon hij doen? Nooit zou hij het pensioen-principe erkennen, omdat dat de negatie zelf was van het thans vigeerende loonstelsel. Hij verdedigde zijn rechten als patroon zeer krachtig en herhaalde, dat de scherpe concurrentie hem dwong die onverbiddelijk te handhaven, zoolang het tegenwoordige stelsel bestond. Het was zijn plicht op eerlijke wijze goede zaken te maken. Hij betreurde het, dat zijn arbeiders hun plan om een pensioenfonds op te richten niet uitgevoerd hadden, en gaf zelfs te kennen, dat hij ze zou aansporen het weer op te vatten.

Op zijn wangen was weer een kleur gekomen, hij ging weer geheel op in zijn leven van dagelijkschen strijd.

“Ik wou je naar aanleiding van onzen kleinen motor zeggen …”

En hij praatte lang met Thomas, terwijl Pierre intusschen wachtte. Hij ving sommige woorden op, maar kon al die technische uitdrukkingen niet begrijpen. Vroeger had de fabriek kleine stoommotoren vervaardigd, maar deze schenen in de praktijk niet te voldoen, waarom men naar een andere kracht zocht. De electriciteit, de koningin der toekomst, was door het gewicht van de toestellen, die zij vereischte, nog niet mogelijk. Er bleef dus niets anders over dan petroleum, die echter zulke inconveniënten opleverde, dat hij, die dezen door een nieuwe, tot nog toe onbekende beweegkracht vervangen zou, ongetwijfeld een rijk man worden zou. In het vinden en toepassen van die kracht lag de oplossing van het probleem.

“Ik heb nu haast,” zeide Grandidier. “Ik heb je kalm laten zoeken zonder je lastig te vallen met nieuwsgierige vragen, maar nu wordt een oplossing noodzakelijk.” [438]

Thomas glimlachte.

“Heb nog een beetje geduld; ik geloof, dat ik op den goeden weg ben.”

Grandidier gaf hun beiden de hand en ging dan zijn gewone tournée door de drukke werkplaatsen maken, terwijl het gesloten paviljoen zwijgend en doorhuiverd door de ongeneeslijke smart, waarin hij dagelijks terugkeerde, op hem lag te wachten.

De zon ging reeds onder, toen Pierre en Thomas, na den heuvel van Montmartre weer beklommen te hebben, naar het groote glazen atelier gingen, dat de beeldhouwer Jahan te midden van de loodsen, werkplaatsen en barakken, die noodig waren voor de voltooiing van de basilica van den Sacré-Cœur, had, om den grooten engel, waarvoor hij een opdracht had gekregen, uit te voeren. Hier lagen groote, woeste bouwterreinen, die met alle mogelijke materiaal, met een chaos van gehouwen steenen, balken en machines bedekt waren. Tot de grondwerkers het laatste toilet aan de omgeving zouden komen maken, bleven de fundeeringsgaten open liggen, voerden gebroken trappen nog naar beneden, leidden deuren, die door enkele palen afgesloten waren, nog naar den onderbouw der kerk.

Thomas, die voor het atelier van Jahan was blijven staan, wees met zijn vinger naar een van die deuren, waardoor men tot bij de fundeeringswerken kon komen.

“Bent u nog nooit op het denkbeeld gekomen naar de fundeeringen van de basilica te gaan kijken? Het is een wereld op zichzelf en buitengewoon interessant. Ze hebben er millioenen aan verwerkt. Men moest den vasten grond onder in den heuvel zoeken en ze hebben meer dan tachtig schachten gegraven, die met beton gevuld zijn, om de kerk op die tachtig onderaardsche zuilen te bouwen … Je ziet ze niet, maar zij dragen boven Parijs dit monument van dwaasheid en hoon.”

Pierre was naar het staketsel gegaan en keek, in gedachten verzonken, naar een open deur, een soort donker portaal, vanwaar een trap naar beneden ging. Droomend dacht hij aan die onzichtbare zuilen, aan die onzichtbare energie, aan dien wil om te heerschen, welke het gebouw staande hield.

Thomas moest hem terugroepen. [439]

“We moeten ons haasten. Het wordt donker. Wij zullen niets meer kunnen zien.”

Antoine zou op hen wachten bij Jahan, die hun een nieuwe maquette wilde laten zien. Toen zij binnentraden, waren zijn beide helpers nog bezig aan den monumentalen engel, welks vleugels zij boven op een stelling aan het uithouwen waren; Jahan zat met half-bloote en met klei bedekte handen op een laag stoeltje naar een meter hooge figuur, waaraan hij gewerkt had, te kijken.

“Zoo, zijn jullie daar? Antoine heeft al meer dan een half uur gewacht. Ik geloof, dat hij met Lise naar buiten gegaan is, om de zon over Parijs te zien ondergaan. Zij zullen dadelijk wel terug zijn.”

Dan verzonk hij, onbeweeglijk, weer in zijn zwijgende beschouwing.

Het was een naakte, staande, trotsche vrouwenfiguur van een ondanks den eenvoud der lijnen zoo verheven majesteit, dat zij reusachtig groot scheen. Haar loshangend, weelderig haar straalde als haar gezicht, welks verheven schoonheid glansde als de zon. Met haar beide uitgestrekte armen maakte zij een verwelkomend gebaar; haar beide handen openden zich voor alle menschen.

Langzaam en als in een droom verzonken begon Jahan weer te spreken:

“Herinner je je nog, dat ik een pendant wilde maken van de Vruchtbaarheid, die je indertijd gezien hebt met haar krachtige heupen, in staat, om een wereld te dragen. Ik had een Barmhartigheid, die ik heb laten indrogen, zoo banaal en afgezaagd vond ik die … Toen ben ik op het denkbeeld gekomen een Gerechtigheid te maken. Maar niet met zwaard en weegschaal! Niet de Gerechtigheid in toga en met baret kan mij in geestdrift brengen; neen, ik werd hartstochtelijk bezeten door die andere, die, waarop de armen en lijdenden wachten, die, welke alleen wat orde en geluk onder ons brengen kan … En toen zag ik haar zoo voor mij, naakt, eenvoudig, groot. Zij is de zon, een zon van schoonheid, harmonie en kracht, want de zon is de eenige gerechtigheid. Zij straalt aan den hemel voor allen, geeft met hetzelfde gebaar aan armen en rijken haar pracht, haar licht, haar warmte, die de bron van alle leven zijn. O, mooi, sterk, rechtvaardig zijn—dat is het geheele ideaal.”

Hij stak zijn pijp weer aan en begon hartelijk te lachen. [440]

“Nou, ik geloof, dat de goede vrouw flink op haar beenen staat … Hoe vind je haar?”

Pierre en Thomas putten zich uit in loftuitingen. De eerste was diep ontroerd in deze kunstenaarsphantasie de gedachte terug te vinden, waarmede hij reeds zoo lang rondliep: de nabije aëra der Gerechtigheid op de puinhoopen dezer wereld, die de Barmhartigheid na zoovele eeuwen van ervaring niet voor ondergang had kunnen behoeden.

Vroolijk vertelde de beeldhouwer, dat hij hier aan deze maquette werkte, om zich wat te troosten over dien grooten poppenengel, welks banaliteit hem tot wanhoop bracht. Men had hem weer aanmerkingen gemaakt over de plooien van het kleed, die de dijen te zeer verrieden; hij had de geheele draperie moeten veranderen.

“Alles wat zij willen,” riep hij uit. “Dit is mijn werk niet meer, het is een opdracht, die ik uitvoer, zooals een metselaar een muur maakt. Er bestaat geen kerkelijke kunst meer; het ongeloof en de domheid hebben haar gedood. Maar als de sociale kunst, de echt-menschelijke kunst weer kon ontstaan—hoe heerlijk zou het wezen een van haar verkondigers te zijn!”

Hij viel zichzelf in de rede. “Waar bleven die twee kinderen, Antoine en Lise, toch.” Hij zette de deur van het atelier wijd open en nu zagen zij op het woeste bouwterrein tusschen de puinhoopen de fijne profielen van den grooten Antoine en de tengere, kleine Lise, die zich tegen het onmetelijke, door de afscheid nemende zon vergulde Parijs afteekenden. De jonge kolos steunde haar met zijn krachtigen arm, zoodat zij zonder moe te worden loopen kon, terwijl zij, met de teedere gratie van een eindelijk ontbloeide, eindelijk vrouw geworden vrouw, haar oogen met een eindeloos dankbaar glimlachje, naar de zijne opsloeg om zich geheel te geven, voor eeuwig.

“Ha, daar komen zij terug!… Het wonder heeft zich nu heelemaal voltrokken. Ik kan je niet zeggen, hoe blij ik ben. Ik was wanhopig, ik had het al opgegeven haar ooit te leeren lezen, ik liet haar dagen lang als een halve idioot onbeweeglijk en zwijgend in een hoek zitten. Toen is je broer gekomen en heeft het, ik weet waarachtig niet hoe, klaar gespeeld. Zij luisterde naar hem, begreep hem, begon met hem te lezen, te schrijven, intelligent en vroolijk te zijn. Daar haar voeten echter nog steeds dood bleven en zij haar lijdende trekken van ziekelijk dwergje behield, heeft hij haar [441]eerst in zijn armen hier gebracht en haar gedwongen te loopen, waarbij hij haar steunde, totdat ze eindelijk loopen kon. In enkele weken is zij beslist grooter geworden, slank en bekoorlijk. Ja, waarachtig het is een tweede geboorte, een ware schepping. Kijk ze eens aan!”

Antoine en Lise kwamen langzaam naderbij. Met welk leven baadde hen de avondwind, die uit de groote, door de zon bestraalde en verwarmde stad oprees! De reden, waarom hij deze plek met den verheven horizont, met de vrije, zooveel kiemen met zich voerende lucht gekozen had, om haar te onderwijzen, was ongetwijfeld, dat hij haar nergens ter wereld meer ziel, meer kracht had kunnen inblazen. Hij had de sluimerende, beweging- en gedachtelooze vrouw in zijn armen genomen, haar gewekt, geschapen, lief gehad, om op zijn beurt bemind te worden. Zij was zijn werk, zij was hij.

“Ben jij nu niet moe meer, zusje?”

Een hemelsch glimlachje kwam om haar lippen spelen.

“O, neen; het is zoo heerlijk te loopen … Met Antoine wil ik altijd wel doorloopen!”

De anderen lachten en Jahan zeide met zijn gewone opgewektheid:

“Laten we hopen, dat hij je niet te ver weg brengt. Maar ik zal jullie niet beletten gelukkig te zijn.”

Antoine was voor het beeld der Gerechtigheid gaan staan, waaraan de ondergaande zon een huivering van leven scheen te geven. Tranen kwamen in zijn kunstenaarsoogen.

“Goddelijke eenvoud, goddelijke schoonheid!” prevelde hij.

Zelf had hij onlangs een houtsnede, die de tot begrip en liefde ontwaakte Lise met een boek in haar hand voorstelde, voltooid, een meesterwerk van ontroerende waarheid. Ditmaal had hij zijn ideaal bereikt door het model direct in hout te snijden, en hoopte nu groote en oorspronkelijke werken te kunnen maken, waarin hij den geheelen tijd, waarin hij leefde, zou doen herleven.

Maar Thomas wilde naar huis terug. Zij namen afscheid van Jahan, die, nu zijn dagwerk afgeloopen was, zijn overjas aantrok, om zijn zuster naar de rue du Calvaire, waar zij woonden, te brengen.

“Tot morgen, Lise,” zeide Antoine, die zich vooroverboog, om haar een zoen te geven.

Zij ging op haar teenen staan en bood hem haar oogen, die hij voor het leven geopend had, aan.

“Tot morgen, Antoine.” [442]

Buiten viel de schemering. Pierre, die het eerst naar buiten gegaan was, had in dit onbestemde licht een onverwacht visioen, dat hem eerst verbijsterde. Hij zag duidelijk zijn broer Guillaume uit de deur, uit het naar den onderbouw van de basilica leidende gat komen. Hij kon nog zien hoe hij vlug over het staketsel stapte, en dan deed, alsof hij toevallig hier was en uit de rue Lamarck kwam. Toen hij naar zijn beide zoons toeging en zeide, dat hij van Parijs kwam, vroeg Pierre zich af, of hij gedroomd had. Maar een ongeruste blik, dien zijn broer op hem wierp, gaf hem de zekerheid terug. Een zeer onbehagelijk gevoel, een angstaanjagende argwaan, dat hij nu eindelijk op het spoor was van al het vreeselijke, dat hij sedert eenigen tijd in het kleine, vredige en werkzame huisje voelde, maakte zich van hem meester bij het zien van den man, die anders nooit loog.

Toen Guillaume, zijn beide zoons en zijn broer dien avond in het groote, op Parijs uitziende atelier kwamen, was het zoo in donker gehuld, dat zij het voor ledig hielden. De lampen waren nog niet aangestoken.

“Zoo,” zeide Guillaume; “er is niemand.”

Dan klonk de kalme, ietwat zachte stem van François uit het donker:

“Zeker, ik ben er!”

Hij was aan zijn tafel blijven zitten; en daar het niet licht genoeg meer was om te lezen, hief hij zijn oogen van het boek op en droomde met zijn kin in zijn hand, den blik in de verte, op het in donker gedompelde Parijs gericht. Den heelen middag had hij met zijn hoofd in de boeken gezeten. De tijd van zijn examen naderde; hij leefde in een voortdurenden, ingespannen hersenarbeid.

“Wat zit je daar nog te werken?” vroeg de vader. “Waarom heb je geen lamp gevraagd?”

“Neen, ik keek naar Parijs,” antwoordde François langzaam. “Het is vreemd, hoe geleidelijk en als het ware begrijpend de avond erop nederdaalt. Het laatste verlichte deel was de berg Sainte-Geneviève, het plateau van het Pantheon, waarop alle kennis en wetenschap opgegroeid zijn. De scholen, de bibliotheken, de laboratoria worden nog door een zonnestraal verguld, wanneer de lager gelegen wijken, waarin de kooplieden wonen, reeds in het donker liggen. Ik wil niet zeggen, dat de zon speciaal van ons op de École Normale houdt, maar ik beweer, dat zij nog op onze daken schijnt, wanneer zij nergens anders meer is.” [443]

Hij begon om zijn scherts te lachen, maar toch voelde men uit zijn woorden zijn vurig geloof aan den hersenarbeid, die volgens hem alleen waarheid brengen, gerechtigheid maken, geluk scheppen kon.

Een zwijgen volgde. Donker, onmetelijk, geheimzinnig zonk Parijs steeds meer in den nacht weg. Nu hier, dan daar, vlamden lichtjes op.

“De lampen worden aangestoken, het werk overal hervat,” zeide François.

“Zeker, de arbeid, zeker!” riep Guillaume uit. “Maar wil hij zijn vollen oogst leveren, dan moet een wil dien bevruchten … Er bestaat iets hoogers dan arbeid.”

Thomas en Antoine waren bij hem komen staan. En François vroeg als uit aller naam:

“Wat dan, vader?”

“De daad.”

De drie broeders zwegen een oogenblik, overweldigd door de plechtigheid van het oogenblik en huiverend onder de groote, donkere golven, die uit den onduidelijken oceaan der stad oprezen. Dan antwoordde een jonge stem, zonder dat men kon onderscheiden welke:

“Ook de daad is slechts arbeid.”

Maar Pierre, die den eerbiedigen vrede, het zwijgende geloof der drie zoons niet bezat, voelde zijn ongerustheid nog grooter worden. Weer richtte het verschrikkelijke, angstaanjagende iets zich raadselachtig voor hem op. En een groote huivering streek voorbij in het nu ingetreden duister tegenover dit donkere Parijs, waarin de lampen aangestoken werden voor een geheelen hartstochtelijken nacht van arbeid.