IV.
Dien dag zou er in de basilica van den Sacré-Cœur een groote plechtigheid plaats vinden: tien duizend pelgrims zouden de zegening van het Heilig Sacrament bijwonen. Tot het vastgestelde uur—vier uur—zouden de hellingen van Montmartre zwart van menschen zijn, de winkels van religieuze artikelen belegerd, de restauraties bestormd worden, in het kort een heel kermisfeest, terwijl de zware klok, de Savoyarde, over dit vroolijk gestemde volk beieren zou.
Toen Pierre dien ochtend in het groote atelier kwam, vond hij daar Guillaume en Grootmoeder alleen; een woord, dat hij opving, deed hem staan blijven en zich achter een [444]hoogen, draaibaren boekenmolen verbergen, om verder te luisteren. Grootmoeder zat op haar gewone plaatsje voor het raam te werken. Guillaume stond voor haar.
“Alles is klaar, moeder; vandaag gebeurt het,” zeide hij zacht.
Zij liet haar werk in haar schoot vallen en keek, heel bleek, naar hem.
“Zoo!… Ben je besloten?”
“Ja, onherroepelijk. Om vier uur ben ik beneden, zal alles uit zijn.”
“Het is goed. Doe wat je wilt.”
Er volgde een angstwekkende stilte. De stem van Guillaume scheen uit de verte, als reeds van buiten de wereld, te komen. Men voelde, dat hij niet meer aan het wankelen was te brengen, geheel opging in zijn tragischen droom, in zijn idée fixe van martelaar. Grootmoeder keek hem met haar bleeke, heldhaftige oogen aan. Zij was in het lijden van anderen, in de verzaking en toewijding van een onverschrokken hart, dat nog slechts door de idee van plicht tot geestdrift gebracht werd, oud geworden; zij had hem geholpen de kleinste bijzonderheden te regelen, kende dus zijn vreeselijk plan. Maar al mocht de rechtdoenster in haar na de vele ongerechtigheden, die zij gezien en waaronder zij geleden had, het denkbeeld van een vreeselijke boetedoening, van een reiniging der wereld door de vlammen van den vulkaan aanvaarden, toch geloofde zij te zeer aan de noodzakelijkheid om het leven tot aan het einde toe dapper onder de oogen te zien, dan dat zij den dood ooit goed en vruchtbaar zou kunnen vinden.
“Beste jongen,” ging zij zacht verder; “ik heb je plan zien rijpen; het heeft me noch verbaasd noch tot verzet geprikkeld; ik heb het beschouwd als den bliksem, als het hemelvuur zelf, verheven-rein en verheven-krachtig. Sedert heb ik je geholpen; ik wilde je geweten en je wil zijn … Maar ik zeg je nogmaals: men mag het leven niet in den steek laten.”
“Het is nutteloos er verder over te spreken, moeder! Ik heb mijn leven gegeven, ik kan het niet terugnemen … Wilt u dus niet meer mijn wil zijn, zooals u dat noemt, mijn wil, die achterblijven en handelen moet?”
Zij antwoordde niet, maar vroeg langzaam ernstig op haar beurt:
“Het geeft dus niets, dat ik van de kinderen, van mij, van [445]het huishouden spreek? Je hebt alles goed overwogen en bent vast besloten?”
En toen hij eenvoudig ja zeide, herhaalde zij:
“Het is goed … Doe wat je wilt … Ik zal achterblijven en handelen. Wees niet bang, je testament is in goede handen. Alles wat we samen vastgesteld hebben, zal uitgevoerd worden.”
Weer zwegen zij. Dan vroeg zij nog:
“Om vier uur dus, op het oogenblik der inzegening?”
“Ja, om vier uur.”
Zij keek hem nog steeds met haar bleeke oogen aan. En deze blik vol oneindige dapperheid, maar ook vol diepe droefheid, vervulde hem met een plotselinge ontroering. Zijn handen beefden, toen hij vroeg:
“Mag ik u een zoen geven, moeder?”
“Graag jongen! Al beschouw ik de plicht anders dan jij, toch zie je, dat ik je respecteer en dat ik van je houd.”
Zij omhelsden elkaar en toen Pierre achter den molen te voorschijn kwam, zat Grootmoeder al weer kalm te werken, terwijl Guillaume heen en weer liep en een plank van zijn laboratorium in orde maakte.
’s Middags moesten zij voor het dejeuner een oogenblik op Thomas wachten, die te laat was. De beide andere zoons, François en Antoine, die reeds lang thuis waren, maakten zich lachend boos en zeiden, dat zij van honger vergingen. Marie had juist slagroom gemaakt, waarop zij heel trotsch was; zij riep, dat ze alles zouden opeten en dat laatkomers niets kregen. Toen Thomas eindelijk kwam, werd hij met hoongelach ontvangen.
“Maar het is mijn schuld niet,” legde hij uit. “Ik ben zoo dom geweest door de rue de la Barre terug te komen. Je weet niet hoe propvol het daar is. Het lijkt wel, alsof al de tien duizend pelgrims daar gekampeerd hebben. Ik heb hooren vertellen, dat er zooveel als mogelijk was in het asyl Saint-Joseph ondergebracht zijn. De anderen hebben onder den blooten hemel moeten slapen. Nu zitten ze zoowat overal en nergens te eten. Je durft bijna je voet niet neer te zetten uit vrees, dat je er een zult dood trappen.”
Het dejeuner was zóó opgewekt, dat Pierre het overdreven, ja bijna gekunsteld vond. De kinderen wisten blijkbaar niets van het vreeselijke íets, dat in de schitterende zon van dien middag steeds onzichtbaar tegenwoordig was. Guillaume glimlachte als alle dagen; hij was misschien alleen wat [446]bleeker en zijn stem had een liefkoozend zachten klank. Grootmoeder echter had nog nooit zoo zwijgend en ernstig aan deze broederlijke tafel gezeten, aan het hoofd waarvan zij als vereerde en gehoorzaamde koningin-moeder zat. De slagroom van Marie had een groot succes; ze overlaadden haar met complimentjes en deden haar blozen. Plotseling viel weer een diepe stilte in; een doodelijke koude blies over de gezichten en deed hen verbleeken, terwijl de kleine lepels de borden ledigden.
“O, die klok!” riep François uit. “Het is als een obsessie!”
De Savoyard was begonnen te luiden, een zwaar gebeier, welks golven zich hardnekkig over het reusachtige Parijs uitbreidden. Allen luisterden.
“Duurt dat tot vier uur zoo?” vroeg Marie.
“Om vier uur zal je nog wel anders hooren. Dan is het een gejubel, een triomfgezang!”
Guillaume glimlachte nog steeds.
“Ja, als je niet wilt, dat je trommelvlies springt, zal je de ramen moeten sluiten. Het ergste is, dat Parijs het hooren moet of het wil of niet.”
Grootmoeder bleef zwijgend en onbeweeglijk zitten. Antoine hinderde het meest de afschuwelijke handel in religieuze plaatjes, die de pelgrims elkaar ontrukten, die bonbonnière-Jezusvoorstellingen met open borst en bloedend hart. Er was niets afstootelijkers te bedenken. Toen zij van tafel opstonden, moesten zij hard praten, om elkaar te kunnen verstaan.
Dan gingen allen weer aan het werk. Grootmoeder begon weer aan haar eeuwig naaiwerk, terwijl Marie naast haar zat te borduren. De drie zoons hadden weer plaats genomen aan hun tafel en verdiepten zich in hun arbeid, waarvan zij nu en dan opkeken, om een enkel woord te wisselen. Tot half drie scheen Guillaume ook geheel in zijn werk op te gaan. Pierre alleen liep op en neer en zag hen allen als in een boozen droom; de meest onschuldige woorden kregen voor hem een verschrikkelijke beteekenis. Gedurende het dejeuner had hij moeten zeggen, dat hij wat hoofdpijn had, om zijn gedruktheid te verklaren; nu wachtte hij, keek hij, luisterde hij met een toenemenden angst.
Even voor drie uur nam Guillaume, na op zijn horloge gekeken te hebben, zijn hoed.
“Ik ga eens uit.”
De drie zoons, Grootmoeder en Marie keken op. [447]
“Ik ga uit … Tot ziens.”
Toch ging hij niet. Pierre voelde, hoe hij zich, door een vreeselijken innerlijken strijd geschokt, vermande en al zijn krachten inspande om niet te beven en niet bleek te worden. Wat moest het hem kosten, dat hij zijn drie zoons nog niet een laatste maal omhelzen kon, als hij geen vermoedens wilde opwekken, zij zouden hem beletten zich op te offeren! En hij overwon met een uitersten heldenmoed.
“Tot straks, kinderen!”
“Tot straks, vader … Komt u weer gauw terug?”
“Ja, ja … Maak je maar niet ongerust om mij! Werk maar rustig door.”
Grootmoeder bleef hem in haar verheven zwijgen met haar strakke oogen aanstaren. Maar haar had hij een zoen gegeven. Hij keek haar aan; hun blikken smolten een oogenblik samen; zij herhaalden voor elkaar nogmaals alles wat hij gewild, wat zij beloofd had, hun gemeenschappelijken droom van waarheid en gerechtigheid.
“Zeg, Guillaume,” riep Marie vroolijk; “wil je, als je door de rue des Martyrs komt, een boodschap voor mij doen?”
“Natuurlijk.”
“Ga dan even bij de naaister zeggen, dat ik morgenochtend mijn japon kom passen.”
Zij bedoelde haar trouwjapon, een grijszijden japon, over de groote luxe waarvan zij dikwijls grapjes maakte. Als zij erover sprak, begonnen zij en al de anderen te lachen.
“Afgesproken, beste meid,” antwoordde Guillaume, eveneens lachend. “Asschepoesters hofjapon, het brokaat en de kant van de fee, om heel mooi en gelukkig te zijn.”
Maar het lachen verstomde, en in de plotselinge stilte scheen nogmaals met luiden vleugelslag de dood te strijken, een vreeselijke koude, waarvan de huivering de harten der achterblijvenden deed verstijven.
“Maar nou ga ik toch heusch … Tot ziens kinderen!”
Pierre verzon een voorwendsel om ook uit te gaan en volgde hem na twee minuten. Om hem niet uit het oog te verliezen, behoefde hij hem slechts op de hielen te volgen, want hij wist waarheen hij ging. Een innerlijke, volkomen zekerheid zeide hem, dat hij hem terug zou vinden bij de deur, die naar de basilica leidde en waaruit hij hem den vorigen dag had zien komen. Hij trachtte dan ook niet hem onder de menigte pelgrims, die naar de kerk stroomden, terug te vinden, maar ging zoo gauw mogelijk naar het [448]atelier van Jahan. Toen hij daar kwam, zag hij, zooals hij verwacht had, Guillaume door het staketsel sluipen en verdwijnen. Het gedrang van de groote menigte stelde hem in staat zijn broeder te volgen en ongezien door de deur te gaan. Een oogenblik moest hij blijven staan, om adem te halen, zoo benauwde hem het heftige kloppen van zijn hart.
Van het smalle portaal leidde een dadelijk donker wordende trap steil naar beneden. Pierre waagde zich met de grootste voorzichtigheid in dezen steeds dieper wordenden nacht en zette zijn voeten zacht neer, om geen leven te maken. Met zijn hand tegen den muur tastend, draaide hij rond en liet zich afdalen als in een put. Het afdalen duurde echter niet lang. Toen hij weer vasten grond onder zijn voeten voelde, bleef hij staan, durfde zich niet bewegen uit vrees zijn aanwezigheid te verraden. De duisternis was zwart als inkt. Een zware stilte, geen geluid, geen ademtocht. Welken kant moest hij uitgaan?
Hij aarzelde nog, toen hij plotseling een twintig passen voor zich een lichtstraaltje zag, een lucifer, die afgestreken werd. Het was Guillaume, die een kaars aanstak. Hij herkende zijn breede schouders en behoefde slechts door een soort gemetselde, overwelfde, onderaardsche gang het lichtje te volgen. De weg leek eindeloos en het kwam Pierre voor, dat hij in Noordelijke richting, onder het schip der basilica, liep.
Plotseling bleef het kleine lichtje stil staan. Pierre liep nog wat door, maar bleef in het donker, om te kunnen kijken. Guillaume was midden in een soort lage rotonde onder de crypt op zijn knieën gaan liggen en had het uiteinde van de kaars op den grond zelf gezet. Dan schoof hij een langen, platten steen, die een gat scheen af te sluiten, weg. De twee broers bevonden zich in de fundeeringen van de basilica, waar men een van die pijlers, een van die schachten zag, waarin beton gestort was, om het gebouw te steunen. Dicht bij dien pijler zelf bevond zich het gat, hetzij een natuurlijke spleet in den grond, hetzij een door de aardverschuiving ontstane groote scheur. In de omgeving waren andere pijlers, waarover de spleet zich door naar alle richtingen vertakkende kleine scheuren eveneens scheen uit te strekken. Toen Pierre zijn broer zoo gebukt zag als een mijnwerker, die voor de laatste maal de door hem gelegde mijn nakijkt, alvorens de lont in brand te steken, begreep hij plotseling het vreeselijke en ontzettende, dat [449]gebeuren zou: aanzienlijke hoeveelheden van de ontzettende springstof waren hier bij verschillende gelegenheden heimelijk gebracht, het kruit in de spleet naast den pijler gestort, van waaruit het zich in de kleinere scheuren verspreidde, den bodem tot op groote diepte verzadigde en op die wijze een mijn van onberekenbare kracht vormde. Het kruit kwam tot onder den steen, dien Guillaume weggeschoven had. Hij behoefde er slechts een lucifer in te werpen en alles zou in de vlucht vliegen.
Een verstijvende schrik nagelde Pierre een oogenblik als het ware aan den grond vast; hij zou niet in staat geweest zijn een stap te doen of een kreet te uiten. Hij zag de wriemelende menigte boven weer voor zich, de tien duizend pelgrims, die zich in de hooge schepen der basilica ophoopten voor de zegening van het Heilig Sacrament. De dreunende Savoyarde luidde uit alle macht, de wierook kronkelde op, de tien duizend stemmen hieven een lof- en jubellied aan. En plotseling zou een donderslag, een aardbeving volgen, een vulkaan zich openen, die in een vloed van vlammen en rook de geheele kerk met haar volk van geloovigen verslinden zou. Ongetwijfeld zou de buitengewone kracht der ontploffing, door de steunpijlers te breken en den nog weinig vasten ondergrond om te woelen, het gebouw splijten, de helft ervan op de naar Parijs afdalende hellingen tot aan de place du Marché slingeren, terwijl de rest, de koorzijde, op de plaats zelf ineenstorten zou. En welk een vreeselijke lawine zou dit brekende bosch van stellages, deze regen van reusachtige materialen op de daken beneden storten! Geheel Montmartre zelf dreigde door de kracht van den schok in een onmetelijken puinhoop veranderd te worden.
Guillaume was weer opgestaan. De op den grond geplaatste kaars, die met een rechte, hooge vlam brandde, projecteerde zijn groote schaduw, die het geheele souterrain scheen te vullen. Het kleine licht leek in al dit donker niet meer dan een onbeweeglijk, triest sterretje. Hij kwam wat dichterbij om op zijn horloge te kijken. Vijf minuten over drieën. Hij moest dus nog bijna een uur wachten. Dus ging hij geduldig op een steen zitten en bewoog zich niet meer. De kaars verlichtte zijn bleek gezicht, zijn groot, torenvormig voorhoofd, het geheele energieke gezicht, dat de schitterende oogen en de bruine snor nog altijd mooi en jong maakten. Geen van zijn gelaatstrekken bewoog, hij staarde in het Niet. Welke gedachten schoten in deze laatste minuten door zijn [450]brein? Geen huivering in de lucht: rondom de drukkende nacht, het eeuwige, diepe zwijgen der aarde.
Toen ging Pierre, het kloppen van zijn hart bedwingend, naar hem toe. Bij dit geluid van stappen was Guillaume dreigend opgestaan, maar dadelijk herkende hij zijn broeder. Hij scheen in het geheel niet verbaasd te zijn.
“Zoo, ben je mij gevolgd?… Ik voelde wel, dat je mijn geheim wist. Maar het is een groot verdriet voor me, dat je er misbruik van maakt door naar mij toe te komen … Je hadt me die laatste smart moeten besparen.”
Pierre vouwde zijn bevende handen en wilde dadelijk smeeken.
“Broeder, broeder!”
“Neen, zeg nog niets. Wanneer je het met alle geweld wilt, dan zal ik straks naar je luisteren. Wij hebben nog bijna een uur tijd, we kunnen op ons gemak praten. Maar ik wil, dat je de nutteloosheid van alles, wat je meent me te moeten zeggen, inziet. Mijn besluit staat vast, ik heb het lang overwogen en zal slechts volgens mijn verstand en mijn geweten handelen.”
En nu vertelde hij op zijn kalme manier hoe hij, eenmaal tot een groote daad besloten, langen tijd geaarzeld had over de keuze van het gebouw, dat hij verwoesten zou. Eerst had de Opéra hem aangelokt, maar dan was die storm van woede en gerechtigheid, welke deze kleine wereld van genotzoekers wegvaagde, hem zonder eenige hoogere beteekenis, als bevlekt met lage, ijverzuchtige gevoelens toegeschenen. Vervolgens had hij aan de Beurs gedacht: daar trof hij het alles bedervende geld, de kapitalistische maatschappij, waaronder de loonarbeiders reutelen. Maar was ook dat niet iets beperkts, iets speciaals? Ook de gedachte aan het Paleis van Justitie, in het bijzonder de zaal van het gerechtshof, had hem langen tijd vervolgd. Hoe verleidelijk was het gerechtigheid te oefenen over de menschelijke gerechtigheid, den schuldige in de lucht te doen vliegen met de getuigen, met den advocaat-generaal, die hem aanklaagt, met den advocaat, die hem verdedigt, met de magistraten, die hem veroordeelen, met het nieuwsgierige publiek, dat daar komt als om een feuilleton te lezen! En welk een bittere ironie lag er in deze hoogste primitieve gerechtigheid van den vulkaan, die alles verslindt, zonder zich met bijzonderheden op te houden!
Maar het plan, dat hij het langst gekoesterd had, was den [451]Arc de Triomphe in de lucht te laten vliegen. Dat was in zijn oogen het verdoemenswaardige monument, dat den oorlog, den haat tusschen de volkeren, den valschen, zoo duur en zoo bloedig gekochten roem der groote veroveraars vereeuwigde! Deze kolos, die opgericht was voor de vreeselijkste bloedbaden, waarvoor zooveel levens nutteloos opgeofferd waren, moest gedood worden. Wanneer hij hem in den grond had kunnen doen wegzinken, dan zou hij den heldhaftigen moed bezeten hebben om geen anderen dood te veroorzaken door den zijne, om, door den steenen reus verpletterd, alleen te sterven. Welk een graf! En welk een herinnering zou hij aan de wereld achterlaten!
“Maar er was geen toegang, geen onderbouw, geen kelder,” ging hij voort. “Ik heb van het plan moeten afzien … Bovendien wil ik gaarne alleen sterven. Maar trouwens bestaat er een vreeselijker en hoogere les dan de onrechtvaardige dood van een onschuldige menigte? Evenals onze menschelijke maatschappijen door de ongerechtigheid, de ellende en de meedoogenlooze hardheid van haar raderwerk onschuldige slachtoffers maken, zoo moeten aanslagen als deze inslaan als de bliksem en op hun toevalligen weg met hun onverbiddelijke verwoesting menschenlevens vernietigen. Het is de voet van een mensch midden in een mierenhoop.”
Verontwaardigd stiet Pierre een kreet van vurig protest uit.
“Broeder, broeder, ben jij het die zoo spreekt?”
“Dat ik ten slotte deze basilica van den Sacré-Cœur gekozen heb, is, omdat zij zoo dicht bij de hand, zoo makkelijk te verwoesten is. Maar ook omdat zij mij hindert en verbittert, heb ik haar reeds sedert lang ten doode opgeschreven … Ik heb het je al meer gezegd: je kan je geen grooteren onzin denken, Parijs, ons groot Parijs, bekroond en beheerscht door dezen tot verheerlijking van het absurde gebouwden tempel. Is na zooveel eeuwen van wetenschap deze kaakslag aan het gezond verstand, deze onbeschaamde triomfzucht in het volle daglicht niet onduldbaar? Zij willen, dat Parijs berouw heeft, boete doet, omdat het de bevrijdende stad van waarheid en gerechtigheid is! Neen, neen, het behoeft slechts alles weg te vagen wat het hindert, wat het op zijn weg van bevrijding belemmert!… Laat de tempel met zijn god van leugen en knechtschap instorten! Laat hij onder zijn puinhoop het volk van zijn geloovigen verpletteren, opdat de catastrophe als een der vroegere geologische [452]revoluties in het hart der menschheid weerklinke en verandere en herscheppe!”
“Broeder, broeder,” herhaalde Pierre buiten zichzelf; “ben jij het, die zoo spreekt? Jij, de groote geleerde met je groot hart, bent zoover gekomen! Welke rampzalige storm heeft zich van je meester gemaakt, dat je zulke afschuwelijke dingen denkt en zegt?… Op den avond, waarop wij in wanhopige liefde alles voor elkaar gebiecht hebben, heb je me je droom van een ideale anarchie verteld: de vrije harmonie van het leven, dat, aan zijn natuurlijke krachten overgelaten, het geluk scheppen zou. Maar toen kwam je in verzet tegen diefstal en moord, wierp je de daad ver van je, verklaarde en verontschuldigde je haar slechts … Wat is er toch gebeurd, dat je van het denkende brein de wreede hand, die handelen wil, geworden bent?”
“Salvat is geguillotineerd,” zeide Guillaume eenvoudig, “en ik heb zijn testament in zijn laatsten blik gelezen. Ik ben slechts de uitvoerder van zijn laatsten wil … Wat er gebeurd is? Maar alles, waaronder ik lijd, alles wat ik reeds sedert vier maanden uitschreeuw, al die gruwelen, welke ons omringen en die een einde moeten nemen!”
Een stilte volgde. In de donkerte stonden de twee broeders tegenover elkaar en keken elkander aan. Nu begreep Pierre de verandering, die in Guillaume plaats gegrepen had, dat, wat de vreeselijke ademtocht van de over Parijs strijkende revolutionnaire besmetting van hem gemaakt had. Dit vormde een deel van het dualisme, dat hem zoo tegenstrijdig deed lijken: aan de eene zijde de geleerde, die geheel opging in waarneming en ervaring, die tegenover de natuur met een voorzichtige logica te werk ging; aan de andere zijde de door broederschap, gelijkheid en rechtvaardigheid vervolgde sociale dweper, die in een vurige behoefte aan liefde het algemeen geluk eischte. Op die wijze was eerst de theoretische anarchist geboren, dat mengsel van wetenschap en hersenschimmen: de menschelijke maatschappij moest teruggegeven worden aan de wet der wereldharmonie, ieder mensch in een slechts door de liefde geregeerde vrije associatie vrij zijn.
Théophile Morin met Proudhon en Comte, Bache met Saint-Simon en Fourier hadden zijn verlangen naar het absolute niet kunnen bevredigen; alle stelsels schenen hem onvolmaakt en chaotisch toe, vernietigden elkaar wederkeerig en leidden tot dezelfde levensellende. Alleen Janzen bevredigde [453]hem meermalen door zijn korte woorden. Dan was het tragische lot van Salvat als een giststof van het hoogste verzet komen vallen in dit hart, dat de gedachte aan ellende in opstand bracht, het onrechtvaardige lijden van armen en ongelukkigen verbitterde. Weken lang had hij in koorts, met brandende handen en door toenemenden angst dichtgeknepen keel geleefd: hij dacht aan de bom van Salvat, waarvan hij den schok nog voelde; aan de meedoogenlooze couranten, die zich op den ongelukkige gestort hadden als op een dollen hond; aan den in het Bois de Boulogne vervolgden man, die met modder bedekt en stervend van honger in de handen der politie gevallen was, aan de rechters, aan de gendarmen, aan de getuigen, aan geheel Frankrijk, aan die allen tegen één, die voor aller misdaad boeten moest; eindelijk aan de guillotine, de monsterachtige, vuile guillotine, die in naam der menschelijke gerechtigheid de niet meer goed te maken ongerechtigheid voltrok. Slechts één gedachte bleef in hem over, de gedachte aan gerechtigheid, die hem krankzinnig maakte, tot zij in zijn brein alles vernietigde en niets overliet dan de vurige voorstelling van een rechtvaardige daad, waardoor hij het onrecht weer goed maken, het eeuwige heil brengen zou. Salvat had hem aangekeken, de besmetting had gewerkt: hij leefde nog slechts in de zucht om te sterven, zijn bloed te geven, het bloed van anderen in stroomen te laten vloeien, opdat de menschheid, door schrik en afschuw aangegrepen, de gouden eeuw decreteeren zou.
Pierre begreep de hardnekkige verblinding van een dergelijken waanzin, en de gedachte, dat hij dezen niet overwinnen zou, maakte hem radeloos.
“Broeder, je bent krankzinnig, ze hebben je krankzinnig gemaakt. Er woedt een storm van gewelddadigheid; eerst is men met al te meedoogenlooze onhandigheid tegen hen opgetreden, en nu zij elkander gaan wreken, bestaat er geen reden meer, waarom het bloed zou ophouden te vloeien … Ontwaak uit dezen boozen droom, Guillaume. Het is niet mogelijk, dat jij een Salvat wordt, die doodt, een Bergaz, die steelt. Denk aan het hôtel van prinses de Hardt, dat zij geplunderd hebben, aan het arme, blonde, lieve kind, dat we met opengereten buik hebben zien liggen … Je behoort niet tot hen, broeder, je kan niet tot hen behooren! Heb erbarmen, heb medelijden!”
Met een handgebaar wees Guillaume die nuttelooze redenen [454]af. Hij meende reeds in het rijk des doods te zijn. En wat bekommerde hij zich dan om die paar levens, welke tegelijk met het zijne in den eeuwigen levensstroom terugkeeren zouden? Nooit was er een nieuwe phase in de wereld ontstaan, zonder dat er milliarden levens door verpletterd werden.
“Maar je hadt een grootsch doel,” riep Pierre uit, om hem, door hem op zijn plicht te wijzen, te redden. “Het staat je niet vrij op deze manier uit het leven te verdwijnen.”
Koortsachtig trachtte hij den trots van den geleerde in hem te wekken. Hij sprak over het geheim, dat hij hem had toevertrouwd, over de oorlogsmachine, die in staat was legers te verwoesten en steden in stof te doen vallen, die hij aan Frankrijk wilde geven, opdat het, als overwinnaar in den nabijen oorlog, de bevrijder der wereld zou kunnen worden. En dat buitengewoon grootsche doel had hij opgegeven, zijn vreeselijke springstof wilde hij gebruiken, om onschuldigen te dooden, om een kerk te vernietigen, die met behulp van millioenen weer opgebouwd zou worden en waarvan men een heiligdom van martelaren maken zou!
Guillaume glimlachte.
“Ik heb mijn plan niet opgegeven, ik heb het eenvoudig veranderd. Heb ik je niet van mijn twijfel, van mijn vreeselijken tweestrijd verteld? O, te denken, dat men het lot van de wereld in zijn handen heeft, en dan te beven en te aarzelen en je af te vragen, of je ook zeker het begrip, de wijsheid hebt, om de goede beslissing te nemen! Tegenover de vlekken, die ons groot Parijs bezoedelen, tegenover al de misdaden, die wij in den laatsten tijd gezien hebben, weifelde ik, vroeg ik mij af, of het kalm, of het rein genoeg was, dat men het wagen mocht het de almacht toe te vertrouwen. Welk een ramp zou het worden, als een uitvinding als de mijne in de handen van een krankzinnig volk, misschien van een dictator, misschien van een usurpator vallen zou, die haar zou willen gebruiken, om de naties te terroriseeren en onder de gemeenste slavernij te doen bukken … Neen, ik wil den oorlog niet vereeuwigen, ik wil hem dooden.”
Met vaste stem legde hij hem zijn nieuw plan uit en Pierre vond daarin tot zijn verbazing de denkbeelden weer terug, die generaal de Bozonnet hem in tegenovergestelden zin uiteengezet had. De oorlog ging, bedreigd door zijn eigen buitensporigheden, zijn ondergang tegemoet. Vroeger, ten tijde der huurlegers, later, ten tijde van de conscriptie, toen een klein aantal door het lot aangewezen werd, was hij een [455]stand en een hartstocht. Maar van het oogenblik af, dat de geheele wereld vechten moet, wil niemand het meer. Alle naties onder de wapenen is door de logische kracht der dingen het toekomstige einde der legers. Hoe lang zouden zij nog op dien voet van dood brengenden vrede blijven, verpletterd door steeds toenemende budgetten, milliarden uitgevend om elkaar in bedwang te houden. Welk een kreet van verlichting zou er opgaan, wanneer het verschijnen van een vreeselijke machine, die met één streek legers en steden wegveegt, den oorlog onmogelijk maken, de volkeren noodzaken zou tot algemeene ontwapening over te gaan. De oorlog zou gedood worden—hij, die zoovelen sterven liet, zou eveneens sterven. Dat was zijn ideaal, de zekerheid het dadelijk te zullen verwezenlijken, bracht hem in geestdrift.
“Alles is geregeld. Wanneer ik sterf, wanneer ik verdwijn, geschiedt dat, opdat de idee triompheeren zal … Je hebt gezien hoe ik mij in de laatste dagen geheele middagen met Grootmoeder opgesloten heb. Wij hebben toen alle documenten geclassificeerd en alle schikkingen getroffen. Zij heeft mijn aanwijzingen en zal die uitvoeren, ook al zou het haar haar leven kosten … Zoodra ik dood, onder deze steenen begraven ben, zoodra zij de explosie gehoord zal hebben, die Parijs doet schokken en de nieuwe aëra inluidt, zal zij aan iedere groote mogendheid de formule van de springstof, de teekening van de bom en van het speciale kanon, de complete dossiers, die zij onder haar berusting heeft, doen toekomen. Op die wijze geef ik aan alle volkeren het vreeselijke geschenk van verwoesting, van almacht, dat ik in den beginne slechts aan een wilde geven, opdat alle volkeren, op gelijke wijze met den bliksem gewapend, de wapenen neerleggen.”
Met open mond luisterde Pierre naar hem, als had deze vreeselijke voorstelling, waarbij het kinderlijke met het geniale streed, hem als een drijfwerk verpletterd.
“Maar waarom, nu je je geheim aan alle volkeren geeft, deze kerk in de lucht te doen vliegen, waarom te sterven?”
“Opdat men mij gelooven zal,” riep hij met een geweldige kracht uit. “Het gebouw moet tegen den grond liggen en ik eronder. Wanneer de proef niet genomen, wanneer het ontzettende niet de vreeselijke, verwoestende kracht van de springstof verkondigt, zal men mij voor een visionnairen uitvinder uitmaken … Veel dooden, veel bloed, opdat het bloed voor eeuwig ophoude te vloeien.” [456]
Dan kwam hij met een groot gebaar weer op de noodzakelijkheid der daad terug.
“En bovendien heeft Salvat mij deze daad der gerechtigheid nagelaten. Dat ik haar nog uitgebreid heb door er een beteekenis aan toe te voegen, door haar te gebruiken, om het einde van den oorlog te verhaasten, is, omdat ik een intellectueel, een geleerde ben. Misschien zou het beter geweest zijn, als ik maar een eenvoudige van geest was en kwam als de vulkaan, die den bodem verandert, maar de zorg, om een menschheid te herscheppen, aan het leven overlaat.”
De kaars brandde op, en Guillaume stond op van den steen, dien hij geen oogenblik verlaten had. Hij keek op zijn horloge: nog tien minuten. Door den zwakken tocht, welken zijn bewegingen veroorzaakte, begon het licht te flikkeren. Het was alsof de duisternis dichter werd door het steeds aanwezige gevaar van de open mijn, die een vonk in de lucht kon doen vliegen.
“Het is dadelijk tijd … Kom, Pierre, geef mij een zoen en ga weg. Je weet hoeveel ik van je houd, welk een liefde voor jou weer in mijn oud hart ontwaakt is. Heb mij dus ook lief, vind de kracht, mij genoeg lief te hebben, om mij naar mijn eigen zin en volgens mijn geweten te laten sterven … Geef mij een zoen en ga weg zonder nog om te kijken.”
Zijn groote liefde deed zijn stem beven; hij streed, drong zijn tranen terug, en reeds buiten de menschheid, buiten de wereld staande, kon hij zich overwinnen.
“Neen, broeder, je hebt mij niet overtuigd,” zeide Pierre, zonder zijn tranen te verbergen, “en juist, omdat ik zooveel van jou houd, als jij van mij, ga ik niet … Nogmaals het is onmogelijk, je kunt niet de gek, de moordenaar zijn, die je wezen wilt.”
“Waarom? Ben ik niet vrij? Ik heb mijn leven van alle plichten, van alle banden vrij gemaakt … Mijn zoons zijn volwassen, hebben mij niet meer noodig. Mijn hart had nog slechts één boei: Marie en die heb ik aan jou gegeven.”
Pierre voelde, hoe hem door die woorden een sterk argument in handen gegeven werd, en maakte er hartstochtelijk gebruik van.
“Dus je wilt sterven, omdat je mij Marie gegeven hebt. Beken het, je hebt haar nog altijd lief.”
“Neen,” riep Guillaume; “ik heb haar niet meer lief, ik [457]zweer het je. Ik heb haar aan jou gegeven. Ik heb haar niet meer lief.”
“Dat geloofde je, maar je ziet nu heel goed, dat je haar nog lief hebt; want nu ben je heelemaal van streek, terwijl je daareven onbewogen bleef onder al de verschrikkelijke dingen, die we gezegd hebben … Omdat je Marie verloren hebt, wil je sterven.”
Guillaume rilde en op zachten toon, als ondervroeg hij zijn eigen hart, zeide hij:
“Neen, neen, het zou een bezoedeling zijn van mijn hoog doel, wanneer een liefdesmart mij tot die vreeselijke daad gebracht had … Neen, neen, ik heb er vrijwillig toe besloten, ik voer haar uit zonder eenig persoonlijk belang, alleen uit naam der gerechtigheid en voor de menschheid, tegen den oorlog, tegen de ellende.”
En dan in een kreet vol lijden:
“Het is slecht van je, broeder, heel slecht om zoo mijn stervensvreugde te vergallen. Ik heb al het geluk, waartoe ik in staat was, om mij heen geschapen; ik was gelukkig, dat ik jullie allen gelukkig achterliet, en nu kom jij mijn dood bederven … Neen, hoe ik mijn hart ook onderzoek, het bloedt niet meer; ik heb Marie niet meer lief zooals ik jou lief heb.”
Maar zijn onrust bleef: hij was als het ware bang, dat hij zichzelf voorloog. En langzamerhand maakte een woede zich van hem meester:
“Luister, Pierre, nu is het genoeg! De tijd dringt … Voor de laatste maal, ga! Ik beveel het je, ik wil het!”
“Ik zal je bevel niet gehoorzamen … Ik blijf. Nu mijn redeneering je niet van je waanzinnig plan kan afbrengen, moet je de lont maar in het kruit steken en zal ik met je sterven.”
“Jij sterven? Jij hebt er het recht niet toe, je bent niet vrij!”
“Vrij of niet, ik zweer je, dat ik met je zal sterven … En wanneer het alleen maar noodig is, die kaars in het gat te gooien, zal ik dat zelf doen.”
Hij maakte een gebaar; zijn broer dacht, dat hij zijn bedreiging uitvoeren wilde. Heftig greep hij hem bij zijn arm.
“Waarom zou jij sterven? Dat zou absurd zijn. Laten de anderen sterven! Maar jij? Waartoe zou die overbodige monsterachtigheid dienen? Je tracht mij week te maken, mijn hart te roeren.”
Doch dan geloofde hij plotseling, dat er een list achter stak. [458]
“Je wilt die kaars niet nemen, om die erin te werpen, maar om haar uit te blazen,” mompelde hij woedend. “En je denkt, dat ik het daarna niet meer zal kunnen … Je bent slecht, Pierre!”
Dan schreeuwde Pierre op zijn beurt:
“Zeker, met alle middelen zal ik je beletten die verschrikkelijke, idiote daad uit te voeren.”
“Je wilt mij beletten …”
“Ja, ik zal aan je gaan hangen, ik zal mijn armen om je schouders klemmen, ik zal je handen tusschen de mijne verlammen.”
“Je wilt het mij beletten, ellendeling, je denkt, dat je het mij beletten zult.”
Stikkend van woede en bevend greep Guillaume Pierre aan en kraakte zijn ribben met zijn sterke spieren. Dicht tegen elkander aangedrukt, oog in oog, mond aan mond, stonden zij zoo in dien onderaardschen kerker, dien hun groote, dansende schaduwen als met woeste spookgestalten vulden. De dikke nacht omhulde hen; de bleeke pit was te midden van de duisternis niet meer dan een kleine, gele traan.
Dan begon plotseling op die diepte de stilte der aarde, die zoo zwaar op hen drukte, te dreunen en langzaam aan door diepe, verre geluidgolven in beweging te komen. Het was, als luidde de dood ergens zijn onzichtbare klok.
“Hoor je,” stamelde Guillaume; “dat is hun klok! Het uur is gekomen; ik heb me zelf gezworen te handelen, en je wilt het mij beletten!”
“Ja, ik zal het je beletten, zoolang ik leef!”
“Zoolang je leeft, wil je het mij beletten!”
Daar in de hoogte hoorde hij de Savoyarde haar vreugdetonen uitjubelen; hij zag de triomphantelijke, met de tien duizend pelgrims gevulde, in den glans van het Heilig Sacrament vlammende basilica, waarin de wierook òpkronkelde; een blinde woede greep hem aan, nu deze plotselinge hindernis hem den weg naar zijn idée fixe versperde.
“Zoolang je leeft, zoolang je leeft!” herhaalde hij buiten zichzelf. “Sterf dan, ellendeling!”
Hij bukte zich vlug, raapte een steen op en zwaaide dien met beide vuisten als een knots door de lucht.
“Ga je gang,” zeide Pierre. “Dood mij, dood je broeder eerst voor de anderen te dooden.”
Reeds viel de steen neer, maar zijn vuisten hadden blijkbaar [459]gebeefd, want hij schampte slechts den schouder, en Pierre viel in het donker op zijn knieën.
Verwilderd, geloofde Guillaume, toen hij hem zoo op den grond zag liggen, dat hij hem gedood had. Wat was er toch tusschen hen voorgevallen? Wat had hij gedaan? Hij bleef een oogenblik met open mond en wijd opengesperde oogen staan. Hij keek naar zijn handen, meende te voelen, dat zij van bloed dropen. Dan drukte hij ze tegen zijn voorhoofd, dat van een vreeselijke pijn dreigde te barsten, als had het uitrukken van zijn idée fixe zijn schedel gespleten. En plotseling viel hij zelf luid snikkend op den grond.
“Broeder, broeder, wat heb ik je gedaan? Ik ben een monster!”
Hartstochtelijk had Pierre hem weer in zijn armen genomen.
“Het is niets, Guillaume, ik heb niets, ik zweer het je! O, je huilt eindelijk, hoe gelukkig ben ik! Je bent gered, ik voel het, want je weent. Hoe heerlijk, dat je woedend werdt, dat je toorn tegen mij je boozen droom van geweld weggerukt heeft.”
“Neen, ik heb een afschuw van mijzelf!… Jou dooden, jou! Een wild beest, dat zijn broeder doodt! En de anderen, al die anderen hierboven!… Ik heb het koud, ik heb het zoo koud!”
Zijn tanden klapperden; een rilling doorhuiverde hem en deed hem verstijven. Als verdoofd scheen hij uit een droom te ontwaken; en in het nieuwe licht, waarmede zijn broedermoord alles verlichtte, scheen de daad, die hem vervolgd, bijna waanzinnig gemaakt had, hem een misdadige, door een ander ontworpen dwaasheid toe.
“Jou dooden!” herhaalde hij langzaam. “Ik zal het mij nooit vergeven. Mijn leven is uit, ik zal nooit den moed hebben nog verder te leven.”
Pierre drukte hem nog dichter tegen zich aan in zijn broederarmen.
“Wat zeg je daar? Zal dit alles geen nieuwen liefdesband tusschen ons knoopen? O, Guillaume, laat mij jou redden, zooals jij mij gered hebt, dan zullen wij nog meer één zijn!… Herinner je je dien avond in Neuilly niet meer, toen je me aan je hart drukte en mij troostte? Ik had je mijn zielsangsten gebiecht en je riep mij toe, dat ik moest leven, moest liefhebben … En daarna, broeder, heb je nog meer gedaan, heb je je liefde uit je hart gerukt en die mij gegeven. Ten koste van jouw geluk heb je mij gelukkig [460]willen maken. Je hebt mij gered door mij het geloof te geven. Welk een geluk, dat het nu mijn beurt is, om jou te troosten, te redden, aan het leven terug te geven.”
“Neen, aan mijn hand kleeft de onuitwischbare vlek van jouw bloed. Ik kan niet meer hopen!”
“Ja, ja! Hoop in het leven, zooals je mij toegeroepen hebt! Hoop in de liefde, hoop in den arbeid!”
En in elkanders armen liggend bleven de twee broeders, in tranen badend, zacht praten. Plotseling ging de kaars uit, zonder dat zij het merkten. In den als inkt zwarten nacht, te midden van de stilte, die weer diep en verheven ingetreden was, stroomden hun liefderijke, bevrijdende tranen eindeloos. De een weende van vreugde, omdat hij zijn broederschuld betaald had, de ander van ontroering, omdat hij zich zoo dicht bij de misdaad gevoeld had in zijn hersenschim, in zijn liefde voor gerechtigheid en menschelijkheid. Maar in deze tranen, die hen rein waschten en louterden, lagen nog vele andere dingen: een protest tegen al wat lijden is, het innige gebed, dat de ellende der wereld eindelijk verzacht zou worden.
Toen schoof Pierre met zijn voet den steen weer over het gat en nam, tastend, Guillaume als een klein kind mede.
In het groote atelier was Grootmoeder onverstoorbaar met haar naaiwerk doorgegaan. Nu en dan keek zij, het slaan van vieren afwachtend, naar de klok, die links van haar aan den muur hing, en vervolgens naar de basilica, welker onvoltooide massa te midden van het reusachtige geraamte der stellingen zichtbaar was. Haar naald maakte langzame, regelmatige steken; zij zelf was bleek, stil, maar heroïsch kalm. Marie, die tegenover haar zat te borduren, was zenuwachtig; haar draad brak telkens. Zij was ten prooi aan een vreemde nervositeit, een onverklaarbare onrust, waarvoor zij geen reden wist, maar die haar benauwde. De drie zoons konden niet rustig blijven werken, als werden zij door een koortsachtige opwinding aangestoken. Steeds weer trachtten zij hun aandacht bij hun werk te bepalen, maar zij beefden bij het minste geluid, keken op, zagen elkaar vragend aan. Nu en dan stond er een op, rekte zich uit, ging dan weer zitten. Maar zij spraken niet, durfden niets tegen elkander zeggen in de zware stilte, die steeds angstaanjagender werd.
Een paar minuten vóór vieren voelde Grootmoeder iets [461]als een uitputting of misschien een behoefte, om tot zichzelf in te keeren. Nogmaals had zij op de klok gekeken, dan liet zij haar werk in haar schoot vallen en staarde naar de basilica. Van nu af aan voelde zij nog slechts de kracht in zich, om te wachten; haar oogen hield zij niet meer af van die reusachtige muren, van het bosch van balken, die zich triomphantelijk-trotsch in de blauwe lucht verhieven. Dan joeg plotseling het jubelen van de met alle kracht luidende Savoyarde haar, ondanks haar dapperheid, een huivering door de leden. Dat was de zegen: de tien duizend pelgrims vulden de kerk, het zou dadelijk vier uur slaan. Zij kon aan den aandrang, om op te staan, geen weerstand bieden en bleef met gevouwen handen en in spannende afwachting naar buiten staren.
“Wat scheelt u?” riep Thomas, die het zag. “Grootmoeder, waarom beeft u zoo?”
Ook François en Antoine waren opgestaan en vlogen naar haar toe.
“Bent u ziek? Waarom ziet u zoo bleek?”
Maar zij antwoordde niet. Mocht de kracht van de springstof de aarde toch splijten, het kleine huisje doen wegzinken in den brandenden krater van den vulkaan. Allen met vader gelijk sterven, de drie groote zoons en zij, opdat er geen tranen zouden zijn! Dat was haar zwijgend gebed. En zij wachtte en wachtte, terwijl een onweerstaanbare rilling haar doorhuiverde en haar heldere, dappere oogen in de verte staarden.
“Grootmoeder! Grootmoeder!” riep Marie radeloos, “U maakt ons bang, wanneer u niet antwoordt, wanneer u zoo in de verte staart, alsof een ongeluk in galop nadert.”
Plotseling stieten Thomas, François en Antoine, door denzelfden angst aangegrepen, denzelfden kreet uit:
“Vader is in gevaar! Vader zal sterven!”
Wat wisten zij? Niets zekers. Thomas had zich wel verwonderd over de groote hoeveelheid springstof, die zijn vader vervaardigd had, en zoowel François als Antoine kenden de oproerige gedachten, de brandende naastenliefde, die hem nooit loslieten, maar in hun eerbiedige vereering wilden zij niets van hem weten dan wat hij hun toevertrouwde, vroegen zij hem niets, bogen zij hun hoofd voor al zijn handelingen. Maar nu rees een voorgevoel, neen de zekerheid in hen op, dat de vader sterven zou: sedert den ochtend huiverde een vreeselijke catastrophe door de lucht, [462]die hen zoo doorrilde, dat zij van koorts beefden, zich ziek en niet tot werken in staat gevoelden.
“Vader zal sterven! Vader zal sterven!”
De drie kolossen stonden naast elkaar; dezelfde angst deed hen sidderen, vervulde hen met de woeste begeerte, om het gevaar te leeren kennen, naar hem toe te snellen, om met hem te sterven, als zij hem niet redden konden. En in dit hardnekkige zwijgen van Grootmoeder streek weer in dat oogenblik de koude ademtocht langs hen, waarvan zij de aanraking reeds onder het dejeuner gevoeld hadden.
Het sloeg vier uur; in een drang om voor het laatst te bidden, hief zij haar blanke handen op. En nu eindelijk zeide zij:
“Vader zal sterven. Niets kan hem redden dan de plicht om te leven!”
Alle drie wilden zij naar buiten stormen—zij wisten niet waarheen—de hindernissen neerwerpen, triompheeren over het Niet. Zoo wanhopig, zoo radeloos zagen zij er in hun onmacht, om iets te doen, uit, dat zij hen trachtte te kalmeeren:
“Vader wilde sterven, en het is zijn wil alleen te sterven.”
Zij rilden, trachtten zelf ook helden te zijn. Maar de minuten verstreken en het was alsof de groote koude met langzamen vleugelslag verdwenen was. Zoo vliegt dikwijls in de avondschemering een nachtvogel als een ongeluksbode het venster binnen, klappert in de donkere kamer rond en klapwiekt dan weer weg, den rouw met zich nemend. Zoo was het ook nu: de basilica bleef staan, de aarde opende zich niet, om haar te verzwelgen. Langzamerhand maakte de vreeselijke angst, die hun hart samenkneep, plaats voor de hoop, de eeuwige lente.
Toen Guillaume, gevolgd door Pierre, binnentrad, klonk één kreet van herleving uit aller hart:
“Vader!”
Hun kussen, hun tranen braken zijn kracht geheel; hij moest gaan zitten. Met een blik, dien hij om zich heen wierp, was hij wederom in het leven teruggekeerd, maar als een wanhopige, dien men met geweld dwingt verder te leven. Grootmoeder, die begreep hoe zwaar het hem viel, dat zijn wil gestorven was, nam glimlachend zijn beide handen, als om hem te kennen te geven, dat zij gelukkig was hem terug te zien, nu hij had ingezien, dat het zijn plicht was niet uit het leven te deserteeren. Hij leed nog zeer. Zij spaarden [463]hem iederen uitleg. Hij vertelde niets, maar had eenvoudig met een gebaar, met een liefdevol woord Pierre als zijn redder aangewezen.
In een hoek viel Marie den jongen man om den hals.
“Mijn lieve, beste Pierre, ik heb je nog nooit een zoen gegeven. De eerste maal zal het iets voor ernstigs zijn … Ik houd van je, mijn beste Pierre, ik houd van je met heel mijn hart.”
Den avond van dienzelfden dag waren Guillaume en Pierre, toen de duisternis inviel, een oogenblik alleen in het groote atelier. De kinderen waren uitgegaan, Grootmoeder en Marie waren boven oud linnengoed aan het uitzoeken, terwijl madame Mathis, die verstel werk teruggebracht had, geduldig in een donker hoekje zat te wachten op het goed, dat de dames mede zouden brengen. De twee broers hadden haar heelemaal vergeten en praatten zacht verder.
Plotseling schrokken zij door het binnenkomen van Janzen met zijn blonden, mageren Christuskop. Hij kwam maar heel zelden, doch men wist nooit vanwaar en evenmin waarheen hij terugging. Maandenlang placht hij te verdwijnen, om dan onverwachts weer op te duiken.
“Ik vertrek vanavond,” zeide hij met zijn kalme, als een mes zoo scherpe stem.
“Ga je naar huis, naar Rusland?” vroeg Guillaume.
“O, naar huis!” antwoordde hij met een fijn, minachtend glimlachje. “Ik voel me overal thuis. In de eerste plaats ben ik geen Rus, en in de tweede plaats wil ik slechts tot de geheele wereld behooren.”
En met een breed gebaar gaf hij te kennen, dat hij een vaderlandlooze was, die zijn ideaal van bloedige broederschap over alle grenzen met zich voerde. Uit enkele woorden meenden de twee broeders op te moeten maken, dat hij naar Spanje terugging, waar vrienden op hem wachtten. Er was veel werk. Hij was kalm gaan zitten en zeide op denzelfden kouden toon:
“Ze hebben daarnet een bom in het café de l’Univers op den boulevard geworpen. Drie bourgeois zijn gedood.”
Guillaume en Pierre wilden bijzonderheden hooren. Toen vertelde hij, dat hij toevallig voorbijkwam, de ontploffing gehoord en de ramen van het café in scherven had zien springen. Drie bezoekers waren gedood; van twee had men de identiteit nog niet kunnen vaststellen; de derde was een [464]stamgast, een klein renteniertje, dat iederen dag zijn dominotje kwam leggen. In het café was het één woestenij: de marmeren tafeltjes waren gebroken, de kroonluchter verbogen, de spiegels met kogels doorboord. En een schrik en een opwinding en een gedrang! Ze hadden den dader dadelijk gegrepen, toen hij de rue Caumartin inslaan wilde, om te vluchten.
“Ik ben het je maar even komen vertellen,” zeide Janzen. “Het is beter, dat je het weet.”
En toen Pierre hem vroeg, wie de gearresteerde was, voegde hij eraan toe:
“Dat is juist het beroerde. Jullie kent hem. Het is de kleine Victor Mathis.”
Te laat wilde Pierre hem den naam in zijn keel terugdringen: hij herinnerde zich plotseling, dat de moeder in een donker hoekje achter hen zat. Was zij er nog? En hij zag den kleinen, bijna baardloozen Victor met het rechte, hardnekkige voorhoofd weer voor zich; de grijze oogen flikkerden vol onverzoenlijken wrok, de scherpe neus en de smalle lippen verrieden een krachtige energie, een meedoogenloozen haat. Hij was geen eenvoudige van geest, geen onterfde, maar een beschaafde, ontwikkelde bourgeois-zoon, die tot de École Normale toegelaten was. Voor zijn afschuwelijke daad bestond geen verontschuldiging, geen politieke hartstocht, geen humanitaire waanzin, zelfs niet eens het bittere leed der armen. Hij was de zuivere vernieler, de theoreticus der verwoesting, de krachtige, koelbloedige geest, die zijn ontwikkeling gebruikte, om den moord te overwegen en daaruit het werktuig van de sociale ontwikkeling te maken.
Ook was hij een dichter, een dweper, maar de vreeselijkste, dien men zich denken kon, een monster, dat slechts door zijn waanzinnigen trots, het verlangen naar een wilde onsterfelijkheid, den droom van een uit de beide armen der guillotine oprijzende dageraad verklaard kon worden. Volgens hem bestond er niets, niets dan de blinde zeis, die de wereld afmaait.
“O,” mompelde Guillaume heel zacht; “die heeft wel gedurfd.”
Maar reeds had Pierre hem liefdevol de hand gedrukt, en hij voelde, dat hij even radeloos, even opstandig was als hij zelf, dat zijn menschelijk hart, zijn geheele solidariteit in verzet kwamen. Misschien was deze laatste gruweldaad noodig om hem geheel te verpletteren en te genezen. [465]
Ongetwijfeld was Janzen medeplichtig en hij vertelde juist, dat Victor Mathis Salvat gewroken had, toen er in het donker een luide, pijnlijke gil en dan de zware val van een lichaam op den grond weerklonk. Het was madame Mathis, de moeder, die, door het toevallig gehoorde nieuws verpletterd, als een doode massa neerviel. Op dat oogenblik kwam Grootmoeder met een lamp beneden. Het werd licht in het vertrek, ze vlogen de ongelukkige vrouw, die daar doodsbleek in haar dunne, zwarte japon lag, te hulp.
Weer was het voor Pierre een onzegbare smart. Dat arme, ongelukkige schepsel! Hij herinnerde zich haar, zooals hij haar bij abbé Rose gezien had—een zoo bescheiden, zich op den achtergrond houdende arme, die nauwlijks leven kon van de armzalige rente, die het verbitterde ongeluk haar gelaten had. Een rijke familie uit de provincie, een liefdesroman, een vlucht in de armen van den geliefde, dan de tegenspoed, de achteruitgang van het huishouden, de dood van den man. En in haar weduwschap was haar, na het verlies van de enkele stuivers, die haar in staat gesteld hadden haar zoon op te voeden, niets overgebleven dan deze zoon, haar Victor, haar afgod, voor wien zij een schitterende toekomst droomde. En nu hoorde zij plotseling, dat die zoon de vloekwaardigste moordenaar was, dat hij een bom in een café geworpen en drie mannen gedood had.
Toen madame Mathis dank zij den goeden zorgen van Grootmoeder weer tot bewustzijn kwam, brak zij in een eindeloos snikken uit en stiet zulke hartverscheurende jammerkreten uit, dat de handen van Pierre en Guillaume elkaar weer zochten en vonden, terwijl hun geschokte, genezen zielen in elkander samensmolten.