WeRead Powered by ReaderPub
De drie steden: Parijs cover

De drie steden: Parijs

Chapter 9: II.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The narrative follows a young priest who moves through Parisian neighborhoods attending to the poor while confronting an older, disgraced colleague and estrangement from a brother living in intellectual seclusion. It evokes mist-shrouded, soot-streaked streets and contrasts districts of want and privilege, showing how charity, scandal, and institutional scrutiny shape private lives. Through intimate scenes of ministry, domestic tension, and civic observation, the work examines faith, hypocrisy, and the burdens of compassion amid urban hardship.

[Inhoud]

II.

Het kleine, zoo kalme en arbeidzame huisje boven op Montmartre, dat Guillaume reeds sedert zoovele jaren met de zijnen bewoonde, stond in den bleeken winterdag rustig te wachten.

Na het ontbijt kwam Guillaume, die zeer terneergeslagen was en bedacht, dat hij misschien in geen drie weken naar huis zou kunnen gaan, op het denkbeeld Pierre er heen te zenden, om alles te vertellen en uit te leggen.

“Luister eens, Pierre, je moet mij dien dienst bewijzen. Ga hun de waarheid vertellen. Zeg, dat ik hier niet ernstig gewond lig en dat ik ze dringend verzoek niet naar mij te komen kijken, omdat ik bang ben, dat men hen volgen en mijn schuilplaats ontdekken zal. Door mijn brief van gisteravond zouden zij misschien ongerust worden, als ik hun geen bericht gaf.”

Dan kwam de eenige angst, die sedert den vorigen dag zijn helderen blik benevelde:

“Voel eens in den rechterzak van mijn vest … Daar zit een kleine sleutel in … Geef dien aan madame Leroi, mijn schoonmoeder, en zeg haar, dat zij, wanneer mij een ongeluk overkomt, doen moet wat zij te doen heeft. Dat is al voldoende; zij zal het begrijpen.”

Even had Pierre geaarzeld, maar hij zag, dat Guillaume door die lichte inspanning zóó uitgeput was, dat hij hem vroeg te zwijgen.

“Spreek niet verder, blijf rustig liggen. Ik zal ze bij je thuis gaan geruststellen, daar je wilt, dat ik me daarmede belast.” [123]

Deze stap viel hem zóó zwaar, dat hij het eerste oogenblik overwogen had, of hij Sophie niet zou kunnen laten gaan. Al zijn oude vooroordeelen ontwaakten; hij had een gevoel, alsof hij naar het huis van den weerwolf ging. Hoe dikwijls had hij zijn moeder niet “dat schepsel” hooren zeggen, wanneer zij sprak over de vrouw, met wie haar oudste zoon leefde. Nooit had zij de drie uit dit vrije huwelijk geboren zoons willen zien, maar vooral hinderde het haar, dat de grootmoeder, die madame Leroi, daar in huis was gebleven, om de kinderen op te voeden. En de kracht van die herinnering was zoo groot, dat hij nu nog, wanneer hij naar den Sacré-Cœur ging, in het voorbijgaan met een schuwen blik naar het huisje keek en het vermeed als een verdacht huis, waarin zonde en ontucht woonden. Zeker, de moeder der drie groote zoons was nu reeds tien jaar dood, maar bevond zich er thans niet een ander “schepsel” in het huis, die jonge wees, die zijn broeder opgenomen had en met wie hij, niettegenstaande hij twintig jaar ouder was, wilde trouwen? In zijn oogen was dat alles tegen de zeden, abnormaal, aanstootgevend; hij stelde zich een met alle zeden spottend huishouden voor, waarin het ongeregelde, gedeclasseerde leven op een moreelen en materieelen ondergang, waarvoor hij terugschrok, uitloopen moest.

Guillaume riep hem terug.

“En zeg aan madame Leroi ook, dat gij, voor het geval ik mocht sterven, het haar zult komen zeggen en dat zij dan onmiddellijk doet, wat zij doen moet.”

“Ja, ja, wees nou maar kalm, ik zal alles wel zeggen … Sophie zal bij je in de kamer blijven voor het geval je haar noodig hebben mocht.”

En nadat hij de dienstbode zijn laatste bevelen gegeven had, ging Pierre weg en stapte in de tram met de bedoeling tot den boulevard Rochechouart te rijden en dan te voet den heuvel op te gaan.

En onderweg, tijdens het in slaap wiegende voortglijden van de zware tram, herinnerde hij zich die hem slechts gedeeltelijk bekende geschiedenissen, waarvan hij de bijzonderheden eerst later te weten kwam. In 1850 was Leroi, een jonge aan het lyceum te Montauban terechtgekomen Parijsche professor met hartstochtelijk republikeinsche denkbeelden, getrouwd met Agathe Dagnan, de jongste der vijf dochters van een Protestantsche familie uit de Cevennes. De jonge mevrouw Leroi was zwanger, toen haar man na den Staatsgreep [124]ten gevolge van heftige artikelen, die hij in een plaatselijk blad geschreven had, uit vrees voor een arrestatie naar Genève had moeten vluchten; daar was in 1852 hun dochter Marguerite, een teer kind, geboren. Gedurende zeven jaar, tot 1859, had het jonge huishouden met de grootste armoede te kampen, daar de vader slechts weinige en dan nog slecht betaalde lessen vond, terwijl de moeder door de voortdurende zorgen, die het kind eischte, aan huis gebonden was. Na hun terugkeer in Parijs scheen het ongeluk hen nog meer te vervolgen: de vroegere professor klopte vergeefs aan alle deuren, werd overal wegens zijn denkbeelden afgewezen en was wel verplicht particuliere lessen te geven. En juist kon hij weer tot de universiteit terugkeeren, toen een laatste bliksemstraal hem tegen den grond wierp: hij kreeg een beroerte, zijn beide beenen waren verlamd en voor zijn verdere leven was hij aan zijn stoel vastgenageld. Nu kwam de bitterste armoede; hij moest allerlei minderwaardig werk—artikelen voor dictionnaires, copieën van manuscripten, bandjes voor couranten schrijven—doen, waarvan het huishouden in een klein woninkje in de rue Monsieur-le-Prince nauwlijks leven kon.

Daar groeide Marguerite op. Leroi, door de onrechtvaardigheid en het lijden verbitterd, voorspelde de Republiek, die de dwaasheden van het Keizerrijk wreken, en de heerschappij der wetenschap, die den ouden valschen en wreeden God der dogma’s wegvagen zou. In Agathe, wier Protestantsch geloof te Genève geheel ten gronde gegaan was, bleef slechts de giststof van vroegeren opstand achter. Zij was nu geheel het hoofd van het gezin geworden, ging het werk halen en weer terugbrengen, maakte het zelf grootendeels, zorgde voor het huishouden en voor de opvoeding van het kind, dat niet naar school ging, alles wat zij wist van haar moeder en vader geleerd had, zonder dat er ooit sprake van godsdienstonderwijs geweest was. Door den geestelijken omgang met haar man had madame Leroi, die zich in haar Protestantsch atavisme van vrij onderzoek van alle geloof bevrijd had, zich een soort rustig atheïsme, een voorstelling van plicht, van menschelijke en verheven gerechtigheid geschapen, die zij dapper boven alle maatschappelijke conventies uit, verwezenlijkte. De langdurige ongerechtigheid, waaronder haar man leed, het onverdiende ongeluk, dat haar in hem en in haar dochter trof, schonk haar op den langen duur een buitengewoon weerstandsvermogen, een opofferingskracht, die van [125]haar een leidster en troosteresse van een onvergelijkelijke energie en adel maakten.

Daar, in dat huis, leerde na den oorlog Guillaume de Leroi’s kennen. Hij had op hetzelfde portaal tegenover hun klein woninkje een groote kamer, waarin hij hartstochtelijk werkte. In den beginne groette men elkaar nauwlijks; de buren waren heel trotsch, heel ernstig en leidden hun armoedig bestaan in een soort schuwe teruggetrokkenheid. Dan volgden eenige vriendschappelijke aanrakingen: de jonge man bezorgde den voormaligen professor enkele artikelen, die voor een nieuwe encyclopedie bewerkt moesten worden. Plotseling kwam de catastrophe. Leroi stierf op een avond in zijn fauteuil, toen zijn dochter hem van de tafel naar het bed reed. De twee wanhopig bedroefde vrouwen hadden geen geld voor de begrafenis. Het geheele geheim van haar bittere ellende openbaarde zich in haar tranen; zij moesten Guillaume, die van af dat oogenblik haar raadsman en vertrouwde werd, voor haar laten handelen. Dat, wat gebeuren moest, gebeurde op de meest eenvoudige en teedere wijze onder de stilzwijgende goedkeuring der moeder, die in haar minachting voor een maatschappij, waarin de goeden van honger stierven, de noodzakelijkheid van maatschappelijke banden weigerde te erkennen. Er was geen sprake van een huwelijk. Op een goeden dag was de twintigjarige Marguerite de vrouw van den drie-en-twintigjarigen Guillaume. Beiden waren mooi, gezond en krachtig; ze aanbaden elkaar en werkten vol hoop op de toekomst.

Van af dien dag begon een nieuw leven. Guillaume, die geheel met zijn broeder gebroken had, was na den dood van zijn vader in het bezit van een rente van tweehonderd francs per maand gekomen. Het dagelijksch brood was daardoor verzekerd; en hij verdubbelde die som reeds door zijn chemische analyses, onderzoekingen en toepassingen op de industrie. Het jonge huishouden ging zich boven op den heuvel in een klein huisje van achthonderd francs vestigen, dat een klein tuintje had, waarin zij later een houten laboratorium zouden kunnen maken. Madame Leroi was bij hen komen inwonen, hielp hen, spaarde een tweede dienstbode uit en wachtte, zooals zij zeide, op haar kleinkinderen, om ze op te voeden. En zij waren gekomen, telkens met twee jaar tusschenruimte: drie zoons, drie kleine, flinke kereltjes, Thomas, François en Antoine. En zooals zij zich geheel gegeven had aan haar man en aan haar dochter, zooals zij [126]zich geheel gaf aan haar schoonzoon, gaf zij zich aan de drie kinderen, die uit deze gelukkige verbintenis geboren waren; zij werd Grootmoeder zooals men haar noemde, Grootmoeder voor het geheele huis, zoowel voor de jongen als voor de ouden. Zij was het verstand, de wijsheid, de dapperheid—zij waakte onophoudelijk over alles, bestuurde alles, haar raadpleegde men over alles, haar raad volgde men steeds op; en zoo heerschte zij daar onbeperkt, als almachtige koningin-moeder.

Zoo duurde in het kleine bescheiden huisje, waarin de meest strikte spaarzaamheid de uitgaven regelde en in alle behoeften voorzag, dit leven van ingespannen arbeid en vreedzame liefde. Dan verloor Guillaume zijn moeder, erfde en kon eindelijk zijn oude begeerte verwezenlijken: het huis koopen en in den hoek van den tuin een ruim, zelfs uit steen opgetrokken laboratorium bouwen. Nauwlijks was men daarmede klaar en scheen het leven voor hen allen een beteren keer te nemen, of het ongeluk kwam terug en rukte ruw Marguerite weg, die binnen een week aan typheuze koortsen stierf. Zij was pas vijf-en-dertig jaar, haar oudste zoon Thomas veertien en Guillaume bleef op zijn acht-en-dertigste jaar als weduwnaar met drie zoons achter, wanhopig over het verlies, dat hij had geleden. Het denkbeeld, om in dit van de wereld als afgestorven huis, waarin de harten zoo nauw verbonden waren, een vreemde vrouw te brengen, scheen hem zoo laag en onverdragelijk, dat hij besloot niet te hertrouwen. Het werk nam hem geheel in beslag; hij bracht zijn hart en zijn zinnen tot zwijgen. Gelukkig bleef Grootmoeder gezond en krachtig; het huis behield zijn koningin en de kinderen vonden in haar de leidster en opvoedster terug, die opgevoed was in de school van de heldhaftig gedragen armoede.

Twee jaren verliepen. Dan werd het huishouden plotseling grooter door een jong meisje, Marie Couturier, de dochter van een vriend van Guillaume. Deze Couturier was een uitvinder, een geniale krankzinnige, die een tamelijk groot vermogen in de allerdwaaste phantasieën en hersenschimmen verspild had. Zijn zeer vrome vrouw was van verdriet gestorven, en hoewel hij zijn dochter aanbad en de enkele malen, dat hij haar zag, met liefkoozingen en geschenken overlaadde, had hij haar eerst op een lyceum gedaan en later, zonder zich verder om haar te bekommeren, ondergebracht bij een verre bloedverwante. Op zijn sterfbed [127]dacht hij slechts aan haar door Guillaume te smeeken haar bij zich te nemen en met haar te trouwen. De verre bloedverwante was juist failliet gegaan. De toenmaals negentienjarige Marie stond zonder een sou op straat; zij bezat niets dan haar groote kennis, haar gezondheid en haar moed. Nooit had Guillaume toegestaan, dat zij thuis of buitenshuis lessen gaf; zij moest alleen Grootmoeder, die niet meer zoo vlug ter been was, in het huishouden helpen. Deze gaf daarvoor gaarne haar toestemming, blijde over de komst van deze jeugd en deze vroolijkheid, die wat opgewektheid brengen zou in het sedert Marguerite’s dood sombere huis. Marie zou de oudste zuster zijn, te oud reeds dan dat den jongens, die nog op het gymnasium waren, het hoofd op hol gebracht zou worden. Zij zou in dit huis, waar ieder werkte, eveneens werken en medewerken aan het gemeenschappelijk geluk, totdat zij een fatsoenlijken jongen ontmoeten en met hem trouwen zou.

Weer vijf jaar verliepen, zonder dat Marie het gelukkige huis verlaten wilde. Het uitstekende onderwijs, dat zij genoten had, was in een flink hoofd gevallen; zij was blijde alles te weten, hoewel zij zeer rein, zeer gezond, ja zelfs naïef gebleven was. Daarbij was zij echt vrouwlijk, maakte zich met niets mooi, amuseerde zich met niets, was altijd vroolijk en tevreden; zeer practisch en volstrekt niet droomerig aangelegd, was zij steeds met het een of ander bezig, verlangde van het leven niets anders dan wat het geven kon, zonder zich in het minst om het hiernamaals te bekommeren. Met groote liefde dacht zij terug aan haar zoo vrome moeder, die haar onder tranen haar eerste communie had laten doen; maar toen zij alleen overgebleven was, was zij als van zelf opgehouden met naar de kerk te gaan, want haar gezond verstand kwam tegen al die dingen op. Om braaf te blijven, had zij de moreele politie niet noodig; integendeel zij vond het absurde gevaarlijk, beschouwde het als den verwoester van de ware gezondheid.

Evenals Grootmoeder was zij tot een rustig, bijna onbewust atheïsme gekomen; zij redeneerde niet veel, was eenvoudig een gezond, braaf meisje, dat lang arm geweest was zonder daaronder te lijden, dat slechts aan de noodzakelijkheid van den arbeid geloofde en door de zekerheid, dat het geluk in de levensvreugde van een normaal en dapper geleid bestaan gelegen is, staande gehouden werd. Haar mooi evenwicht had haar steeds gelijk gegeven, haar altijd geleid [128]en gered. Zij luisterde dan ook alleen naar haar instinct en zeide met haar lief lachje steeds, dat dat haar beste raadgever was. Tweemaal had zij een huwelijksaanzoek afgeslagen, en toen Guillaume bij het tweede aandrong, dat zij het aannemen zou, had zij hem verwonderd gevraagd of zij te veel in huis was. Zij voelde zich er zeer gelukkig, zij bewees hem diensten. Waarom zou zij het verlaten, waarom de risico loopen elders minder gelukkig te zijn?

Dan was langzamerhand het denkbeeld van een eventueel huwelijk tusschen Marie en Guillaume ontstaan. Inderdaad wat zou verstandiger en beter voor allen zijn? Dat hij niet hertrouwd was, vond zijn oorzaak daarin, dat hij een offer aan zijn zoons bracht, daar hij bang was een vreemdelinge, die misschien de vreugde en den vrede van het huis verstoord zou hebben, in hun leven te brengen. Maar nu was die vrouw reeds in huis, een vrouw, die moederlijk voor de kinderen zorgde en wier stralende jeugd zijn hart ten slotte getroffen had! Hij was nog krachtig en gezond en had altijd verkondigd, dat de man niet alleen moest leven, ofschoon hij, die zoo geheel in zijn werk opging, tot dusverre weinig onder zijn weduwnaarschap geleden had. Doch wel bestond er een groot verschil van leeftijd, en hij zou zich heldhaftig op den achtergrond gehouden en een jongeren man voor haar gezocht hebben, wanneer niet zijn drie zoons, wanneer niet de grootmoeder zelve zich tot medeplichtigen van zijn geluk gemaakt hadden. Deze allen zwoeren samen voor een verbintenis, die alle banden nauwer toehalen en als het ware een nieuwe lente in het huis brengen zouden. Marie, die voor de wijze, waarop Guillaume haar sedert vijf jaar behandelde, zeer dankbaar was, had dadelijk toegestemd, toegevend aan een opwelling van oprechte toegenegenheid, waarin zij liefde meende te voelen. Zoo was dan het sedert een maand besproken huwelijk bepaald op het aanstaande voorjaar, tegen het einde van April.

Toen Pierre uit de tram gestapt was en de eindelooze treden naar de rue Saint-Eleuthère opging, voelde hij bij de gedachte, dat hij dat verdachte huis van den weerwolf, zou binnengaan, waarin alles hem natuurlijk zou hinderen en prikkelen, weer een gevoel van onbehagen in zich opkomen. En bovendien moest hij er zich niet op voorbereiden het huis, na den brief, dien Sophie er den vorigen avond gebracht had en die meldde, dat de vader niet thuis komen zou, in opwinding en ongerustheid te vinden. Doch toen hij de laatste treden [129]opging en angstig opkeek, kwam het hem voor alsof het kleine huisje daar in de hoogte in een oneindige rust en vrede onder de heldere winterzon lag, die weer was gaan schijnen als om het met een liefdevolle liefkoozing te omgeven.

Bijna tegenover den grooten, naar de basilica van den Sacré-Cœur leidenden weg kwam wel een klein deurtje in den ouden tuinmuur in de rue Saint-Eleuthère uit, maar om in het huis te komen moest men naar de place du Tertre gaan, waar de voorgevel en de hoofdingang waren. Kinderen speelden op het plein, een vierkant provinciestadjesplein, met kwijnende boompjes beplant en door eenvoudige winkeltjes omzoomd. In den hoek links liet het in de vorige lente opnieuw geverfde huis zijn lichten gevel met zijn vijf ramen zien, die echter steeds uitgestorven geleken, want het leven was aan de andere zijde, aan den kant van den tuin, die den onmetelijken horizont van Parijs beheerschte.

Pierre vatte moed en trok aan de als goud schitterende, koperen bel. Er werd echter niet dadelijk opengedaan, en hij wilde voor de tweede maal bellen, toen de deur open ging en den geheelen ingang zien liet, een corridor, aan het einde waarvan men in het volle licht den oceaan van Parijs, het grenzenlooze huizenveld, zien kon. En nu stond daar, zich afteekenend tegen de lijst van die oneindigheid, een jong meisje van zes-en-twintig jaar in een eenvoudige, door een groot, blauw schort half bedekte, zwartwollen japon. De mouwen waren tot boven de ellebogen opgeslagen, haar armen en haar handen nog vochtig van het niet geheel afgedroogde water.

Een oogenblik heerschte er een verbaasd en verlegen zwijgen. Het jonge meisje, dat met een lachend gezicht aan was komen loopen, was bij het zien van de soutane ernstig geworden, terwijl haar gelaat onbewust een vijandige uitdrukking aangenomen had. De priester begreep, dat hij zijn naam noemen moest.

“Ik ben abbé Pierre Froment.”

Dadelijk vond zij haar verwelkomend glimlachje terug.

“Neem me niet kwalijk, mijnheer … Ik had u moeten herkennen, want ik heb u eens in het voorbijgaan Guillaume zien groeten.”

Zij zeide Guillaume. Het was dus Marie. Pierre keek haar verbaasd aan en vond haar heel anders dan hij haar zich voorgesteld had. Zij was niet groot, maar krachtig en mooi [130]gebouwd, met breede heupen, een breede borst en een kleine, stevige amazonenhals. Aan haar lichten, makkelijken gang, waarin zij al de bekoorlijkheid van een jonge, krachtige vrouw legde, zag men haar gezondheid, de kracht van haar spieren. Zij was een brunette met een heel blanke huid en een zware, prachtige, zwarte haarkroon, die zij blijkbaar zonder eenige coquetterie opmaakte. Het zuivere, intelligente voorhoofd, de fijne neus en de vroolijke oogen maakten een levenskrachtigen indruk, terwijl de volle lippen en de ernstige kin haar rustige goedheid verrieden.

Maar bij deze eerste ontmoeting scheen zij Pierre met haar dik, weelderig haar, met haar prachtige, zoo onschuldig bloote armen te gezond, te zelfbewust toe. Zij viel niet in zijn smaak, zij maakte hem bang als een anders geaard wezen, dat hem vreemd bleef.

“Ik kom juist uit naam van mijn broer Guillaume.”

Weer veranderde haar gezicht; het werd weer ernstig en zij haastte zich hem in de gang te laten, waarop zij de deur sloot.

“Brengt u ons nieuws van hem?… Neem me niet kwalijk, dat ik u zoo ontvang. Maar onze dienstboden zijn juist met de wasch bezig en ik heb toegekeken, of zij het goed deden … U moet mij heusch excuseeren, dat ik u verzoek hier een oogenblik binnen te gaan. Het is misschien beter, wanneer ik het het eerste hoor.”

Zij had hem in een links van de keuken gelegen vertrek gebracht, dat als waschhok gebruikt werd. Er stond een tobbe vol zeepsop, terwijl het waschgoed op houten stangen hing uit te druipen.

“En wat is er met Guillaume?”

Heel eenvoudig zeide Pierre de waarheid: hoe zijn broer aan den pols gewond was, hoe het toeval hem getuige gemaakt had van het ongeluk; hoe hij bij hem in Neuilly gevlucht was; hoe hij wilde, dat men hem daar kalm zou laten genezen, zonder dat men zelfs naar hem kwam kijken. Onder het vertellen keek hij naar de uitwerking, die zijn verhaal op haar maakte; hij zag, hoe zich op haar gelaat eerst schrik en medelijden afteekenden, dan een poging, om kalm te blijven en rustig te oordeelen. Eindelijk zeide zij:

“Gisteravond heeft zijn brief mij vreeselijk angstig gemaakt. Ik was er zeker van, dat er een ongeluk gebeurd was. Maar je moet dapper zijn en je vrees niet aan de anderen laten zien … Gewond aan den pols, maar toch niet ernstig, is het wel?” [131]

“Dat niet, maar toch wel een wond, die groote voorzichtigheid eischt.”

Met haar groote, vrijmoedige oogen keek zij scherp in de zijne, als wilde zij tot in het diepst van zijn ziel lezen, terwijl zij heel zichtbaar de tallooze vragen, die haar op de lippen kwamen, terugdrong.

“En is dat alles? Heeft hij u niets anders opgedragen dan te zeggen, dat hij bij een ongeluk gewond is?”

“Neen, hij wil alleen, dat u zich niet ongerust over hem maakt.”

Nu drong zij niet meer aan, maar vergenoegde zich, den wil van Guillaume eerbiedig gehoorzamend, met wat hij zeggen liet, om het huishouden gerust te stellen. Zij trachtte niet er meer van te hooren. En evenals zij ondanks den heimelijken angst na den brief van den vorigen avond haar werk weer opgevat had, zoo vond zij ook nu weer haar schijnbare vroolijkheid, haar vredigen glimlach, haar helderen, dapperen blik terug.

“Guillaume heeft mij maar één opdracht gegeven, n.l. om een sleuteltje aan madame Leroi te overhandigen.”

“Uitstekend,” antwoordde Marie eenvoudig. “Grootmoeder is daar en de kinderen moeten u trouwens ook zien. Ik zal met u medegaan.”

Gerustgesteld nu nam zij Pierre wat nauwkeuriger op, zonder dat het haar gelukte haar nieuwsgierigheid, die eerder welwillend te noemen was en een ondergrond van onbestemd medelijden bezat, te verbergen. Haar frissche, blanke armen, die een heerlijken geur van jeugd van zich gaven, waren bloot gebleven. Zonder zich te haasten en in alle onschuld trok zij de mouwen neer. Dan deed zij het groote, blauwe schort af en kwam haar ronde, krachtig-elegante taille in de eenvoudige, zwarte japon te voorschijn. Hij keek haar aan: neen, zij viel beslist niet in zijn smaak, en zonder dat hij wist waarom, steeg een verzet in hem op, dat hij haar zoo natuurlijk, zoo gezond en zoo dapper voor zich zag staan.

“Als u mij volgen wilt, mijnheer de abbé. We moeten den tuin door.”

Aan den anderen kant van de gang, tegenover de keuken en het waschhok, waren twee vertrekken, de bibliotheek, die op de place du Tertre, en de eetkamer, die op den tuin uitzag. De vier vertrekken van de eerste verdieping dienden als slaapkamers voor den vader en de drie zoons. De vroeger toch reeds kleine tuin was thans tot een soort binnenplaats [132]ingekrompen door den bouw van het laboratorium, dat een geheelen hoek innam. Toch waren er van de oude boomen nog twee groote, kwastige pruimeboomen overgebleven, evenals een groot, buitengewoon sterk seringenboschje, dat in de lente met bloemen getooid was. Vóór dat boschje had Marie een breed bloemperk aangelegd, waarin zij enkele rozen, nagelbloemen en reseda’s kweekte.

Met een gebaar wees zij naar de zwarte pruimeboomen, de seringen en de rozestruiken, waaraan nauwlijks enkele groene puntjes te zien waren, naar dit geheele hoekje natuur, waar dat nog in den winterslaap rustte.

“Zeg aan Guillaume, dat hij gauw beter en bij de eerste knoppen hier zijn moet.”

Toen Pierre haar op dat oogenblik aankeek, kleurden haar wangen zich plotseling hoogrood. Dikwijls kreeg zij zoo, bij de meest onschuldige woorden, plotseling een blos, wat haar wanhopig maakte. Zij vond het belachelijk zich zoo op te winden als een klein meisje, wanneer men een zoo dapper hart had. Maar haar rein bloed had een zoo groote teerheid, een zoo natuurlijk schaamtegevoel behouden, dat zoo’n blos dikwijls aan haar heerschappij ontsnapte. Ongetwijfeld had zij slechts gebloosd, omdat zij bang was door zoo naar de lente te verlangen, tegenover den priester een toespeling op haar huwelijk gemaakt te hebben.

“Ga binnen, mijnheer de abbé. De kinderen zijn er toevallig alle drie.”

En zij liet hem in het laboratorium.

Het was een groot, vijf meter hoog vertrek met een tegelvloer en kale, grijs geverfde muren. Een groote vlakte van licht, als het ware een lauw bad van zonneschijn, drong door de groote op het Zuiden en het onmetelijke Parijs uitziende ramen tot in de verste hoeken van het vertrek. Voor de ramen waren groote houten horren, die ’s zomers neergelaten werden om de hevige warmte buiten te sluiten. De geheele familie leefde in nauwe arbeidsgemeenschap van ’s morgens tot ’s avonds in dat vertrek. Ieder had er zich naar zijn smaak ingericht en bezat er zijn lievelingsplekje, waar hij zich met zijn werk afzonderen kon. De helft van het vertrek nam de vader in met zijn laboratorium, den oven, de proeftafels, de planken voor het neerzetten van zijn toestellen, fleschjes enz. Naast hem had Thomas, de oudste zoon, een kleine smidse ingericht met een aambeeld, een bankschroef en al de gereedschappen van den werktuigkundige, [133]die hij na zijn baccalaureaat wilde worden, om zijn vader niet te behoeven te verlaten en hem bij verschillende toepassingen behulpzaam te kunnen zijn. In den anderen hoek hadden de twee jongsten, François en Antoine, zich aan de twee einden van een groote werktafel tusschen een hoop kartons en boeken ingericht. François, die reeds universitaire lauweren behaald had, was thans aan de École Normale, waar hij zich voor een examen voorbereidde; Antoine, die in het derde leerjaar een tegenzin in de klassieke studiën gekregen had, werd door zijn hartstocht voor het teekenen beheerscht en wijdde zich thans geheel aan de houtgravures. Voor het raam hadden midden in het volle licht, tegenover den eindeloozen horizont, ook grootmoeder en Marie haar werktafeltje.

“Kinderen, kinderen,” riep zij met haar kalme stem, waaraan zij een geruststellenden en vroolijken klank trachtte te geven; “kinderen, mijnheer de abbé komt nieuws van je vader brengen.”

Kinderen! Welk een jonge moederlijkheid legde zij in dat woord, wanneer zij tot die drie groote jongens sprak, als wier oudste zuster zij zich langen tijd beschouwd had. De nu drie-en-twintigjarige Thomas was een reus met een reeds sterk ontwikkelden baard; hij geleek sprekend op zijn vader, had een hoog voorhoofd en krachtige trekken, was lichamelijk en geestelijk een beetje langzaam, stil, schuw bijna, ging geheel in zijn liefde voor zijn vader op en was volkomen tevreden met zijn handwerk, dat hem tot een eenvoudigen helper van zijn vader maakte. François, die twee jaar jonger was, had fijnere trekken, maar bijna hetzelfde figuur, hetzelfde breede voorhoofd, denzelfden krachtigen mond en hetzelfde ensemble van gezondheid en kracht, waarin slechts het levendiger vlammen den fijneren geest en den wetenschappelijken seminarist verried. De jongste, Antoine, die op zijn achttiende jaar niet minder krachtig, even mooi en bijna even groot was, onderscheidde zich van de anderen door het blonde haar en de blauwe, zachte, droomerige oogen, die hij van zijn moeder geërfd had. Toen zij jonger waren en alle drie op het gymnasium-Condorcet gingen, was het moeilijk hen van elkander te onderscheiden, alleen wanneer men ze op een rij naast elkaar zette, kon men verschil in grootte zien. Ook nu kon men zich nog makkelijk vergissen, wanneer ze niet naast elkaar stonden, zoodat men de met de jaren grooter wordende verschillen waarnemen kon. [134]

Toen Pierre binnen kwam, waren zij alle drie zoo in hun werk verdiept, dat zij de deur niet eens hoorden opengaan. En weer viel Pierre deze door hem reeds bij Marie opgemerkte discipline en zielskracht op, waarmede hier het dagelijksche werk zelfs te midden van de grootste ongerustheid weer opgevat werd. Maar de heldere stem van Marie deed hen opkijken.

“Vader laat nieuws van zich hooren, kinderen!”

Alle drie lieten nu tegelijk hun werk liggen en kwamen dichterbij. Zooals zij daar naar den leeftijd naast elkaar stonden, deden zij denken aan drie reuzenzonen uit een sterke en krachtige familie. Men voelde het: zoodra het om hun vader ging, werden zij als het ware plotseling samengesmolten, klopte nog slechts één hart in hun breede borsten.

Doch op dat oogenblik ging een deur achter in het laboratorium open en kwam Grootmoeder van de bovenverdieping, waar zij, evenals Marie, haar slaapkamer had. Zij was er een streng wol gaan halen. Strak en zonder er iets van te begrijpen, keek zij den priester aan.

“Grootmoeder,” moest het jonge meisje uitleggen; “dit is mijnheer de abbé Froment, de broer van Guillaume, die hem hier gestuurd heeft.”

Pierre keek nu op zijn beurt haar aan en verwonderde zich, dat zij op haar zeventigste jaar nog zoo recht was, er nog zoo levenskrachtig en sterk uitzag. In het eenigszins lange gezicht, welks vroegere schoonheid in een ernstigen charme voortleefde, schitterden de bruine oogen nog steeds met jeugdig vuur; de bleeke mond, waarin de tanden nog volkomen gaaf waren, had den vastberaden trek behouden. Slechts enkele grijze haartjes vertoonden zich in het zwarte haar, dat zij nog altijd volgens de ouderwetsche mode opmaakte. Haar wangen waren eenvoudig wat ingedroogd en waren met diepe, symmetrische rimpels doorgroefd, die aan het heele gelaat een grooten adel verleenden, de souvereine uitdrukking van koningin-moeder, die zij behouden had, hoewel zij, in haar eeuwigen zwartwollen japon er nooit tegen opzag de eenvoudigste bezigheden te doen.

“Zendt Guillaume u, mijnheer de abbé?” vroeg zij. “Hij is gewond, niet waar?”

Verbaasd, dat zij het dadelijk raadde, deed Pierre het verhaal nogmaals.

“Ja gewond aan zijn pols, maar zonder onmiddellijk gevaar.” [135]

Hij voelde, dat de drie zoons beefden, hoe hun geheele wezen hun vader te hulp wilde snellen, om hem te verdedigen. Om hunnentwil zocht hij naar hoopvolle woorden.

“Hij is bij mij in Neuilly. Met een goede verpleging is een ernstige complicatie niet te vreezen. Hij heeft mij gestuurd, om u te zeggen, dat u niet ongerust behoeft te zijn.”

Grootmoeder liet niet de minste vrees blijken. Zij bleef heel kalm; het was alsof zij iets hoorde dat zij reeds lang wist. Zij scheen zelfs verlicht, bevrijd van den angst, waarvan zij niemand deelgenoot gemaakt had.

“Wanneer hij bij u is, mijnheer, dan is hij zeker in de beste handen en tegen ieder gevaar beschermd … Zijn brief van gisteravond, die heelemaal geen verklaring van zijn wegblijven gaf, had ons verbaasd, en zeker zouden we ons ten slotte ongerust gemaakt hebben … Maar nu is alles goed!”

En evenmin als Marie, vroegen Grootmoeder en de drie zoons verdere bijzonderheden. Op een tafel zag Pierre de wijd opengeslagen ochtendbladen met hun vele bijzonderheden over den aanslag liggen. Natuurlijk hadden zij die gelezen en waren zij bang geweest, dat hun vader in dat verschrikkelijk voorval betrokken was. Wat wisten zij precies? Salvat moest hun onbekend zijn, en de onvoorziene keten der omstandigheden, die de ontmoeting en daarna de verwonding veroorzaakt hadden, konden zij niet opnieuw samenvoegen. Grootmoeder wist ongetwijfeld meer. Maar zij, de drie zoons, wisten evenmin als Marie iets, veroorloofden zich zelfs niet iets te weten. Welk een kracht van eerbied en liefde lag er in hun onwankelbaar vertrouwen op den vader, in hun rust, zoodra hij hun zeggen liet, dat er geen reden was zich ongerust over hem te maken.

“Madame,” begon Pierre weer; “Guillaume heeft mij gevraagd u dit kleine sleuteltje te geven en u eraan te herinneren, dat u, voor het geval hem een ongeluk mocht overkomen, zijn opdracht uitvoeren moet.”

Zij beefde nauwlijks, toen zij den sleutel aannam, en zij antwoordde eenvoudig, alsof het den meest gewonen wensch van een zieke betrof:

“Goed; zeg hem, dat zijn wensch vervuld zal worden … Maar ga toch zitten, mijnheer!”

Inderdaad was Pierre tot nog toe blijven staan. Hij moest, ondanks zijn blijvende verlegenheid, die hij in dit huis, waar hij zich toch eigenlijk in den familiekring bevond, niet [136]kon laten blijken, een stoel nemen. Marie, die niet leven kon, zonder dat haar vingers bezig waren, was weer aan haar borduurwerk begonnen, een van die fijne handwerkjes, die zij voor een magazijn van huwelijksuitzetten bleef maken, omdat zij, zooals zij lachend zeide, tenminste haar eigen zakgeld wilde verdienen. Grootmoeder was weer begonnen met haar eeuwig kousen-stoppen, waarvoor zij boven de wol was gaan halen. Ook de drie jongens waren weer tot hun werk teruggekeerd. Het was als het ware een klein oogenblikje van ontspanning, dat zij zich gegund hadden, alvorens hun taak af te maken.

“Maar we kunnen morgen allemaal naar vader gaan kijken,” zeide Thomas.

Zonder Pierre tijd tot antwoorden te laten, keek Marie op.

“Neen, neen, hij wil niet, dat iemand van hier naar hem komt kijken, want wanneer wij nagegaan en gevolgd werden, zou zijn schuilplaats ontdekt worden … Is het niet zoo, mijnheer de abbé?”

“Het zou inderdaad voorzichtiger zijn niet te gaan, maar te wachten, tot hij zelf weer zal kunnen terugkeeren. Het is een quaestie van twee of drie weken.”

“Zeker, dat is heel verstandig,” stemde Grootmoeder dadelijk toe.

De drie zoons drongen niet verder aan, aanvaardden de heimelijke ongerustheid, waarin zij zouden leven, zagen dapper af van dat bezoek, dat hun zooveel vreugde gegeven zou hebben; want dat was het uitdrukkelijk bevel van hun vader en zijn redding hing er misschien van af.

“Dan wilt u zeker wel zoo goed zijn te zeggen, mijnheer de abbé,” zeide Thomas, “dat ik gedurende zijn afwezigheid van plan ben naar de fabriek te gaan, waar ik onderzoekingen, waaraan wij thans bezig zijn, beter kan doen.”

“En zeg hem uit mijn naam,” voegde François er aan toe; “dat hij zich niet ongerust over mijn examen behoeft te maken. Alles gaat heel goed. Ik geloof zeker te zullen slagen.”

Pierre beloofde niets te zullen vergeten. Maar Marie keek glimlachend Antoine aan, die was blijven zwijgen en als in het verre Niet staarde.

“En heb jij hem niets te zeggen, kleintje?”

Alsof hij uit een droom ontwaakte, begon de jonge man eveneens te lachen.

“Zeker wel—dat jij veel van hem houdt, en dat hij [137]gauw terugkomen moet, opdat je hem gelukkig kunt maken.”

Allen lachten, ook Marie zelf, zonder eenige verlegenheid, met kalme vreugde, in de zekerheid der toekomst. Tusschen de zoons en haar bestond niets dan een mooie toegenegenheid. De bleeke lippen van Grootmoeder glimlachten ernstig; ook zij verheugde zich in het geluk, dat het leven hun scheen te beloven.

Pierre wilde nog een paar minuten blijven. Er werd over allerlei dingen gesproken, en zijn verwondering werd steeds grooter. Hij viel van de eene verbazing in de andere in dit huis, waarin hij verwacht had een verdacht, ongeregeld leven, wanorde en de verwoestende revolutie van alle moraal te zullen vinden, en nu kwam hij in een zoo liefdevolle kalmte, in een zóó sterke tucht, dat zij het bijna met den ernst en de strengheid van een klooster vulden, die echter door jeugd en vroolijkheid verzacht werden. Het meest viel hem echter de krachtige opvoeding, de moed van geest en hart op, waarmede de zoons, zonder iets van hun persoonlijke gevoelens te laten merken, zonder zich te veroorloven hun vader te beoordeelen, zich vergenoegden met wat hij hun zeggen liet, zwijgend en stoïcijnsch de gebeurtenissen afwachtten en weer tot hun dagelijksch werk terugkeerden. Men kon zich niets eenvoudigers, niets waardigers, niets edelers denken. Daarbij kwam nog de glimlachende heldhaftigheid van Grootmoeder en Marie, die beiden sliepen boven het laboratorium, waarin met de vreeselijke springstoffen proeven genomen werden, in het voortdurende gevaar van een altijd mogelijke ontploffing.

Maar die moed, die regelmaat, die waardigheid verwonderden Pierre slechts, zonder hem te ontroeren. Hij had geen reden om zich te beklagen: de ontvangst was correct, zooal niet hartelijk, want hij was daar toch nog slechts een vreemdeling, een priester. En toch bleef zijn stemming vijandig. Hem hinderde het gevoel, dat hij zich in een omgeving bevond, waar geen enkele van zijn kwellingen gedeeld, ja zelfs niet vermoed kon worden. Hoe was het mogelijk, dat deze menschen in hun godsdienstig ongeloof, in hun eenig geloof aan de wetenschap, zoo rustig, zoo kalm waren bij het zien tegenover zich van dat vreeselijke Parijs, dat voor hen de gruwelen van zijn ongerechtigheid en van zijn lijden uitstrekte? Hij zag om en keek ernaar door het groote raam; daar lag het in zijne oneindigheid, steeds tegenwoordig, steeds zijn reusachtig leven levend. Op dit [138]uur scheen Parijs onder de schuine stralen van de winterzon door een lichtend stof bedekt, alsof een onzichtbare zaaier, die zich in den stralenkrans der dagvorstin verborg, met volle handen dat zaad, welks gouden vloed overal neerviel, uitwierp. Het reusachtige ontgonnen veld was ermede bedekt, de eindelooze chaos van daken en monumenten was niets meer dan een groot bouwland, waardoor een reuzenploeg voren getrokken had. En ondanks zijn onbehaaglijk gevoel door een onbedwingbare behoefte aan hoop bewogen, vroeg Pierre zich af, of dit door de goddelijke zon met licht bezaaide Parijs niet het goede zaad voor den oogst der toekomst was, dien oogst van waarheid en gerechtigheid, waaraan hij wanhoopte.

Eindelijk stond Pierre op en ging weg, terwijl hij beloofde dadelijk terug te zullen komen, als er slechte tijding te melden viel. Marie liet hem uit. Bij de voordeur kreeg zij plotseling weer zoo’n blos, waaraan zij zich zoo ergerde. Zij werd vuurrood, toen zij ook van haar kant een liefdevollen groet aan den gewonde wilde laten overbrengen. Maar dapper sprak zij hem toch uit, terwijl haar blikken zich vroolijk en helder op die van den priester richtten.

“Tot weerziens, mijnheer de abbé.… Zeg aan Guillaume, dat ik hem liefheb en op hem wacht.”