Vijfde Bedrijf.
Eerste Tooneel.
Padua. Voor Lucentio’s huis.
Op den achtergrond komen op: Biondello, Lucentio en Bianca; Gremio wandelt aan de overzijde van het huis op en neer.
Biondello.
Stil en vlug, heer; want de priester staat gereed.
Lucentio.
Ik vlieg, Biondello; maar ze mochten u thuis noodig hebben; ga gij dus weg.
Biondello.
Neen, zeker niet; ik moet eerst zien, dat gij de kerkdeur achter den rug hebt; en dan spoed ik mij, zoo vlug ik kan, naar mijn meester terug.
(Lucentio, Bianca en Biondello af.)
Gremio.
Ik sta verbaasd, dat Cambio nog niet komt.
(Petruccio, Katharina, Vincentio en Gevolg komen op.)
Petruccio.
Hier is het, heer; dit is Lucentio’s huis;
Mijn vader woont wat dichter naar de markt;
Daar moet ik heen, heer, en verlaat u hier.
Vincentio.
Toch niet, voordat we een roemer samen leegden;
Ik heet u graag hier welkom met een dronk,
En hoogstwaarschijnlijk wacht ons een feestmaal.
(Hij klopt aan de deur.)
Gremio.
Ze zijn daar binnen met iets bezig; gij moogt wel wat harder aankloppen. 14
(De Pedant kijkt uit het venster.)
Pedant.
Wie klopt daar zoo luid, alsof hij de deur wilde inslaan?
Vincentio.
Is signore Lucentio thuis, heer?
Pedant.
Wel tehuis, heer; maar niet te spreken.
Vincentio.
Maar als nu iemand hem een honderd pond of twee kwam brengen, om er goede sier mee te maken?
Pedant.
Houd uw honderd pond maar voor uzelf; hij zal ze niet behoeven, zoolang ik leef.
Petruccio.
Ziet ge, ik heb u wel verteld, dat uw zoon in Padua bemind is.—Hoor eens, heer,—om allen omhaal te vermijden,—ik bid u, zeg aan signore Lucentio, dat zijn vader van Pisa is aangekomen en hier aan de deur staat, om hem te spreken.
Pedant.
Dat is niet waar; zijn vader is al lang hier en kijkt op dit oogenblik uit het venster.
Vincentio.
Zijt gij zijn vader?
Pedant.
Ja, heer, als ik zijn moeder gelooven mag; die heeft het mij altijd gezegd.
Petruccio
(tot Vincentio). Wel zoo, heerschap; dat is toch klinkklare schurkerij, eens anders naam aan te nemen.
Pedant.
Houd hem aan, den spitsboef! hij is zeker van plan, iemand hier in de stad op te lichten, onder mijn naam. 41
(Biondello komt weder op.)
Biondello.
Ik heb ze samen in de kerk gezien; de Hemel schenke hun een gelukkige vaart!—Maar wie is daar? mijn oude meester Vincentio? O wee, nu is het uit met ons, we zijn verloren!
Vincentio
(Biondello bespeurende). Zoo, kom hier, galgebrok!
Biondello.
Ik hoop, heer, dat ik mag kiezen, wat ik wezen wil.
Vincentio.
Kom hier, schurk! Wat, wilt ge mij niet kennen?
Biondello.
U kennen, heer? neen, heer; ik kan u niet kennen, want ik heb u van mijn leven nooit gezien.
Vincentio.
Wat, gij doortrapte spitsboef, hebt gij den vader van uw meester, Vincentio, nooit gezien?
Biondello.
Wat! mijn ouden, eerwaardigen ouden meester? ja zeker, heer; zie, die kijkt daar uit het venster.
Vincentio.
Hoe durf je dat zeggen?
(Hij slaat hem.)
Biondello.
Help, help, help! hier is een dolleman, die mij wil vermoorden!
(Hij loopt weg.)
Pedant.
Help, mijn zoon! help, signore Battista!
(Hij gaat van het venster weg.)
Petruccio.
Kom, Kaatje, laat ons wat ter zijde gaan, om te zien, hoe deze twist afloopt.
(Zij gaan ter zijde.)
(De Pedant komt beneden op; verder Battista, Tranio en Bedienden.)
Tranio.
Heer, wie zijt gij, die mijn dienaar een pak slaag toedient?
Vincentio.
Wie ik ben, heer? Neen, wie zijt gij, heer? O hemelsche goedheid! O opgepinkte schelm! Een zijden kamizool! een fulpen broek! een scharlaken mantel en een punthoed!—O, ik ben geruïneerd! geruïneerd! Terwijl ik thuis mijn zaken bij elkander houd, lappen mijn zoon en mijn dienaar alles op de hoogeschool er door.
Tranio.
Komaan! wat beteekent dit alles?
Battista.
Wat, is de man niet wijs?
Tranio.
Heer, naar uw voorkomen schijnt gij een bedaard oud heer, maar naar uw praatjes is het dolhuis uw plaats. Wat gaat het u aan, heer, of ik goud en parels draag? Ik dank het mijn goeden vader, dat ik het doen kan.
Vincentio.
Uw vader, schurk! dat is een zeilmaker uit Bergamo.
Battista.
Gij bedriegt u, heer; gij bedriegt u, heer. Hoe denkt gij dan wel, dat hij heet?
Vincentio.
Hoe hij heet? Alsof ik niet wist, hoe hij heet! Ik, die hem heb grootgebracht van zijn derde jaar af! zijn naam is Tranio.
Pedant.
Maak, dat gij weg komt, dolle ezel! Zijn naam is Lucentio; en hij is mijn eenige zoon, en erfgenaam van mijn geheel vermogen, van mij, signore Vincentio. 89
Vincentio.
Lucentio! O, hij heeft zijn meester omgebracht!—Vat hem, ik beveel het, in naam des hertogs!—O mijn zoon! mijn zoon! Zeg mij, gij schurk, waar is mijn zoon Lucentio?
Tranio.
Roep toch een gerechtsdienaar (Een Dienaar af.), dat deze dolleman naar de gevangenis gebracht worde;—vader Battista, ik bid u, draag zorg, dat hij voor het gerecht komt.
Vincentio.
Ik naar de gevangenis!
(De Dienaar komt terug met een Gerechtsdienaar.)
Gremio.
(Tot den Gerechtsdienaar.) Houd af, man; hij moet niet naar de gevangenis.
Battista.
Bemoei er u niet mee, signore Gremio; ik zeg, hij moet wel naar de gevangenis.
Gremio.
Pas op, signore Battista, dat gij u hierbij de vingers niet brandt; ik durf er op zweren, dat dit de echte Vincentio is.
Pedant.
Zweer, als gij durft.
Gremio.
Neen, zweren durf ik er niet op.
Tranio.
Dan waart gij ook wel in staat om te zeggen, dat ik niet Lucentio ben.
Gremio.
Ja, u ken ik als signore Lucentio.
Battista.
Weg met dien leuteraar; naar de gevangenis met hem!
Vincentio.
Worden vreemdelingen hier zoo voortgesleurd en mishandeld?—O gij afschuwelijke booswicht!
(Biondello komt terug, met Lucentio en Bianca.)
Biondello.
O het loopt mis met ons, en.... daar staat hij! Verloochen hem, zweer hem af, of anders is het uit met ons.
Lucentio
(knielt voor Vincentio). Vergeving, goede vader!
Vincentio.
Beste zoon! gij leeft!
(Biondello, Tranio en de Pedant loopen weg.)
Bianca.
Vergeving, waarde vader!
(Zij knielt voor Battista.)
Battista.
Vergeving, waarde vader! Wáárvoor, kind?
Waar is Lucentio?
Lucentio.
Waar is Lucentio? Hier, hier is Lucentio,
En de echte zoon van de’ echten heer Vincentio;
Door ’t huw’lijk werd, terwijl een valsche schijn
Uw oogen heeft misleid, uw dochter mijn.
Gremio.
’t Is een complot, ik zie ’t, om allen te misleiden!
Vincentio.
Waar is die duivelsche schavuit, die zoo
Brutaal mij heeft beschimpt, die Tranio? 124
Battista.
Maar zeg mij, dit is toch mijn Cambio?
Bianca.
Uit Cambio werd nu Lucentio.
Lucentio.
De liefde deed die wond’ren. Liefde voor
Bianca deed mij Tranio’s stand aanvaarden,
Terwijl hij mijne rol speelde in de stad;
In ’t eind ben ik gelukkig in de haven
Van mijn gewenschte zaligheid geraakt;—
Wat Tranio deed, deed hij op mijn bevel;
Vergeef hem, vaderlief, om mijnentwil.
Vincentio.
Ik splijt den schelm den neus, die mij ten kerker wou verwijzen.
Battista
(tot Lucentio). Maar gij, heer, hoor eens, hebt gij dus mijn dochter gehuwd, zonder naar mijn goedvinden te vragen?
Vincentio.
Wees maar voor niets beducht, Battista; gij zult wel tevreden zijn, stel u gerust; maar ik ga naar binnen; ik wil wraak nemen over die schurkenstreken.
(Vincentio af.)
Battista.
En ik wil ’t mijne hebben van die streken.
(Battista af.)
Lucentio.
Gerust, mijn lief, uw vader zal niet toornen.
(Lucentio en Bianca af.)
Gremio.
Mijn koek ligt in de asch, maar ik ga mee naar binnen;
Want buiten het maal heb ik niets meer te winnen.
(Gremio af.)
(Petruccio en Katharina komen naar voren.)
Katharina.
Kom, mijn gemaal, en zien wij, hoe dit afloopt.
Petruccio.
Geef me eerst een kus, mijn Kaatje, dan is ’t goed.
Katharina.
Wat! midden op de straat?
Petruccio.
Wat! schaamt ge u over mij?
Katharina.
God beware mij, neen;—maar ik schaam mij, te kussen.
Petruccio.
Kom, dan naar huis weer toe;—gij knaap, maak alles klaar.
Katharina.
Neen, blijf toch, bid ik u; daar hebt ge uw kusje, man.
Petruccio.
Is ’t nu niet goed?—Kom, lieve Kaat,
Beter eens dan nimmer, ’t is nimmer te laat.
(Beiden af.)
Tweede Tooneel.
Een zaal in Lucentio’s woning.—Een banket is aangerecht.
Battista, Vincentio, Gremio, de Pedant, Lucentio, Bianca, Petruccio, Katharina, Hortensio en de Weduwe komen op; Tranio, Biondello, Grumio en Anderen dienen ververschingen rond.
Lucentio.
Ten laatste stemt, wat lang niet samenklonk;
En is het woeden van den krijg voorbij,
Dan lacht men graag om vroeg’ren schrik en angst.—
Bianca-lief, begroet gij mijnen vader,
Den uwen groet ik even hartlijk hier;—
Broeder Petruccio,—zuster Katharina,—
En gij Hortensio, met uw lieflijk weeuwtje,—
Viert vroolijk feest, weest welkom in mijn huis;
Dit klein onthaal is slechts een nagerecht
Van ’t groote feestmaal; ’k bid u, zet u neer;
En nu bij ’t eten ’t praten niet vergeten!
(Zij zetten zich aan tafel.)
Petruccio.
’t Is altijd, zit en eet, en eet en zit!
Battista.
In Padua heerscht vriendlijkheid, Petruccio.
Petruccio.
Ja, Padua schenkt niets dan vriendlijkheid.
Hortensio.
Ja, waar’ dit zoo, het ware ons beiden goed.
Petruccio.
Zijn weeuwtje, zie ik, ducht Hortensio.
Weduwe.
Verstijv’ mijn tong, indien ik iemand ducht.
Petruccio.
Gij zijt scherpzinnig, toch mist gij den zin;
’k meende, dat Hortensio u ducht.
Weduwe.
Die duiz’lig is, gelooft, dat alles draait.
Petruccio.
Gij draait er u goed uit.
Katharina
(tot de Weduwe). Hoe meent gij dit?
Weduwe.
Ik geef terug, wat ik van hem ontving.
Petruccio.
Van mij ontving?—Hoe smaakt dit aan Hortensio?
Hortensio.
Zij meent, zij geeft aan u uw steek terug.
Petruccio.
Gevat, man; weeuwtje, dit verdient een kus.
Katharina.
„Die duiz’lig is, gelooft, dat alles draait;”—
Ik bid u, zeg toch eens, wat gij bedoelt. 27
Weduwe.
Uw man, die door een feeks geplaagd is, meet
Het leed mijns mans naar zijne kwelling af;
Ziedaar, wat ik bedoeld heb.
Katharina.
Ziedaar, wat ik bedoeld heb. Uw bedoeling
Is boos, zeer boos.
Weduwe.
Is boos, zeer boos. Juist, gij toch waart bedoeld.
Katharina.
Ja, ik word boos, heb ik met u te doen.
Petruccio.
Kom, troef haar, Kaatje!
Hortensio.
Kom, troef haar, Kaatje! Troef haar, weeuwtje!
Petruccio.
Een honderd mark; mijn Kaatje krijgt haar onder.
Hortensio.
Dat hoeft niet; ik neem ’t aan.
Petruccio.
Gesproken als een man.—Vriend, houd u goed!
(Hij drinkt Hortensio toe.)
Battista.
Wel, Gremio, wat zegt ge van dit volk?
Gremio.
Ze stooten met de koppen aardig saam.
Bianca.
Als jonge bokken zou een spotter zeggen,
Die nog geen wapen hebben voor hun stoot.
Vincentio.
Zoo, bruidje, wordt ge wakker op dit punt?
Bianca.
Wel wakker, niet verschrikt; ik slaap weer in.
Petruccio.
Neen, neen; gij loopt niet vrij, gij zijt begonnen;
Verwacht alzoo een scherpen pijl of twee.
Bianca.
Ben ik uw vogel? ’k Zoek een ander bosch;
Vervolg mij met uw pijl dan, als gij kunt;—
Vaart allen wel!
(Bianca, Katharina en de Weduwe af.)
Petruccio.
Daar is zij mij ontsnapt.—Signore Tranio,
Gij miktet op dat vogeltje en schoot mis!
Een dronk op ieder nu, die schoot en miste.
Tranio.
O heer, ’k was voor Lucentio als een windhond,
Die dapper loopt en voor zijn meester vangt.
Petruccio.
Een vlugge vergelijking, maar wat hondsch.
Tranio.
’t Is goed, heer, dat ge voor uzelven jaagdet;
Men meent, uw hinde loopt wel bek-af. 56
Battista.
Oho, Petruccio! Tranio trof u daar.
Petruccio.
Ik dank u voor dat schampschot, goede Tranio!
Hortensio.
Erken, erken! Heeft hij u niet geraakt?
Petruccio.
Hij heeft mij wat geschampt, ik wil ’t erkennen;
Maar, vloog de scherts ook raak’lings langs mij heen,
Tien tegen één, zij trof u beide’ in ’t hart.
Battista.
Nu, ’k denk in goeden ernst, mijn zoon Petruccio,
Gij hebt toch wel het lastigst wijf van allen.
Petruccio.
En ik zeg „neen”;—maar neemt de proef er van;
Laat elk van ons zijn vrouw eens hier ontbieden,
En hij, wiens vrouw dan het gehoorzaamst is,
En ’t eerste komt, wanneer hij om haar zendt,
Die wint den prijs, waar wij om zullen wedden.
Hortensio.
’t Is goed; en wat is de inzet?
Lucentio.
’t Is goed; en wat is de inzet? Twintig kronen.
Petruccio.
Twintig kronen!
Dat waag en zet ik op mijn valk of hond.
Maar twintigmaal zooveel wel op mijn vrouw.
Lucentio.
Nu honderd dan!
Hortensio.
Nu honderd dan! ’t Is goed.
Petruccio.
Nu honderd dan! ’t Is goed. Goed, aangenomen!
Hortensio.
Wie zal beginnen?
Lucentio.
Wie zal beginnen? Dat wil ik doen.—Ga,
Biondello, vraag dat uw meest’res hier kome.
Biondello.
Ik ga.
(Biondello af.)
Battista.
Mijn zoon, ik sta u half; Bianca komt.
Lucentio.
Neen, niets daarvan; ik neem ’t geheel op mij.
(Biondello komt terug.)
Nu, nu, hoe is ’t?
Biondello.
Heer, mijn meest’res laat zeggen,
Dat ze iets te doen heeft en niet komen kan!
Petruccio.
Zoo! iets te doen heeft en niet komen kan.
Is dat een antwoord?
Gremio.
Is dat een antwoord? Ja, en vriend’lijk ook;
Bid God, dat u uw vrouw geen erger zend’.
Petruccio.
Ik hoop, een beter.
Hortensio.
Biondello, ga, verzoek mijn vrouw, dat zij
Hier daad’lijk bij mij komt. 87
(Biondello af.)
Petruccio.
Hier daad’lijk bij mij komt. O zoo, verzoeken;
Dan moet en zal ze komen.
Hortensio.
Dan moet en zal ze komen. Heer, ik vrees,
Doe wat ge wilt, voor u helpt geen verzoek.
(Biondello komt terug.)
Waar blijft mijn vrouw?
Biondello.
Zij zegt, gij hebt gewis een grapje voor;
Zij wil niet komen, vraagt, dat gij bij háár komt.
Petruccio.
Van kwaad tot erger! wil niet komen! Ha!
’t Is onverdraaglijk, onuitstaanbaar, slecht!
Nu, Grumio, ga tot uw meest’res, en zeg,
Dat ik beveel, dat zij hier bij mij komt.
(Grumio af.)
Hortensio.
Ik weet, wat volgt.
Petruccio.
Ik weet, wat volgt. Wat dan?
Hortensio.
Ik weet, wat volgt. Wat dan? Dat zij niet wil.
Petruccio.
De schâ moet ik dan dragen, dat is al.
(Katharina komt.)
Battista.
Bij onze lieve vrouw! Zie, Katharina!
Katharina.
Wat is uw wensch, heer, dat gij om mij zondt?
Petruccio.
Waar zijn uw zuster en Hortensio’s vrouw?
De getemde feeks, Vijfde Bedrijf, Tweede Tooneel.
Katharina.
Zij zitten bij den haard ginds wat te keuv’len.
Petruccio.
Ga, haal ze hier; en weig’ren zij te komen,
Zweep haar dan flinkweg naar haar mannen toe;
Ga, zeg ik, breng die twee onmidd’lijk hier.
(Katharina af.)
Lucentio.
Spreekt gij van wond’ren, hier is dan een wonder.
Hortensio.
Dat is ’t; ’t zal mij verwond’ren, waar ’t op uitloopt.
Petruccio.
Wel op een rustig leven, liefde en vreê,
Erkenning van gezag, een goed bestuur,
Kortom, op wat geluk en vreugde brengt.
Battista.
Nu, heil zij u, mijn zoon Petruccio!
Gij wint uw weddingschap; en aan die winst
Voeg ik nog twintigduizend kronen toe,
Als nieuwe bruidsgift aan een and’re dochter,
Want ze is een and’re dan ze vroeger was.
Petruccio.
Neen, beter nog win ik mijn weddenschap,
En toon u beter nog haar volgzaamheid, 118
Haar nieuw verworven deugd van volgzaamheid.
(Katharina komt terug, met Bianca en de Weduwe.)
Daar komt ze; ziet, uw dwarse vrouwen zijn
Gevang’nen van haar vrouw’lijke overreding.
Dat mutsje, Katharina, staat u slecht;
Doe weg dat vod; vertrap het met den voet.
(Katharina neemt haar muts af en werpt die neer.)
Weduwe.
God geev’ mij nimmer reden tot een zucht,
Aleer ik zulk een slaafsche dwaasheid doe!
Bianca.
Foei, wat een dwaze volgzaamheid van u!
Lucentio.
Ware uwe volgzaamheid maar even dwaas!
De wijsheid van uw volgzaamheid, Bianca,
Boort juist me een honderd kronen door den neus.
Bianca.
Wat domheid, op mijn volgzaamheid te wedden!
Petruccio.
Kath’rina, leer deez’ stuggen vrouwen eens,
Wat zij haar heer en gade schuldig zijn.
Weduwe.
Kom, kom, gij schertst; wij danken voor zoo’n preek.
Petruccio.
Begin maar, zeg ik, en met haar het eerst.
Weduwe.
Ze zal het niet.
Petruccio.
Ja toch, ze zal;—begin met haar het eerst.
Katharina.
O foei, strijk glad dat dreigend, toornig voorhoofd;
En schiet geen booze blikken uit die oogen
Op uwen heer, uw koning, uw gebieder.
’t Verbleekt uw schoon, zooals de vorst een grasveld,
’t Verderft uw roem, als storm, die bloesems schudt,
En is in ’t minst niet prijzenswaard of lief.
Een toornig wijf is als een troeb’le bron,
Dik, ondoorschijnend, zwart, van schoon beroofd,
Waar niemand, hoe verhit of dorstig ook,
Aan nippen wil of zelfs een drup van proeft.
Uw eegâ is uw heer, uw schutse, uw leven,
Uw opperhoofd, uw vorst; hij zorgt voor u
En voor uw onderhoud; hij geeft zijn lijf
Aan duizend nooden prijs, te land, ter zee;
Bij nacht houdt storm, bij dag hem koude wakker,
Terwijl gij warm en veilig rust in huis; 151
Geen and’re schatting vraagt hij van uw hand
Dan liefde, een blij gelaat en volgzaamheid,—
Te kleinen losprijs voor zoo groot een schuld.
Wat de onderdaan zijn vorst verschuldigd is,
Dat heeft de vrouw haar gade te voldoen;
En is zij grillig, geem’lijk, nukkig, norsch,
Geeft ze aan zijn reed’lijke eischen geen gehoor,
Wat is zij, dan een boos, ondankbaar muit’ling,
Die snood de liefde van haar heer miskent?—
O, ’k schaam mij, als een vrouw in dwazen waan
Wil strijden, waar ze om vrede knielen moest,
Of macht begeert, gezag en overwicht,
Waar zij tot liefde, en dienen is verplicht.
Waarom zijn wij zoo teer en zwak en broos,
Voor moeitevollen arbeid ongeschikt,
Zoo niet, opdat aan onzen fijnen bouw
Een zacht gemoed zich passend paren zou?
Ziet, drieste, zwakke, licht vertreden wormen!
’k Was eens zoo stug van geest als een van u,
Zoo trotsch van hart; en ’k had, naar ’k denk, meer grond,
Om woord met woord en drift met drift te keeren;
Maar ’k zie nu, onze lansen zijn maar stroo;
Zwak onze kracht, niet zelden enkel schijn;—
Vaak schijnen wij, wat wij volstrekt niet zijn.
Buigt dus uw trots en legt, als onderpand,
Onder den voet uws echtgenoots uw hand;
Verlangt hij dit als blijk van volgzaamheid,
Als hij ’t beveelt, hij vindt mijn hand bereid.
Petruccio.
Dàt is me een vrouw!—Kom, Kaatje, kus mij thans!
Hortensio.
Nu, oude knaap, gij wint uw zaak met glans.
Vincentio.
’t Is lieflijk te hooren, als kind’ren zoo willig zijn.
Lucentio.
Doch schrikk’lijk te hooren, als vrouwen zoo grillig zijn.
Petruccio.
Kom, Kaatje, ter rust;—en ik weet nu, hoe ’t is,
Drie zijn getrouwd, maar met twee is het mis.
(Tot Lucentio.) Al troft gij het wit ook, ik ben het, die lacht;
De weddenschap won ik, en wensch u goê nacht!
(Petruccio en Katharina af.)
Hortensio.
Geluk dan, de temming der feeks is geschied.
Lucentio.
Wonder is het boven wonder, dat ze zoo zich temmen liet.
(Allen af.)
Aanteekeningen.
Dit stuk, dat in het Engelsch den titel draagt van The Taming of the Shrew, verscheen voor het eerst in de folio-uitgave der gezamenlijke werken, van 1623, in druk. Een ander stuk zag in 1594 het licht, onder den titel: A pleasant conceited Historie called the Taming of a Shrew. As it was sundry times acted by the Right honourable the Earle of Pembrooke his servants. Printed at London by Peter Short, and are to be sold by Cuthbert Burbie, at his shop at the Royal Exchange, 1594. Het werd herdrukt in 1596 en in 1606.
Laatstgenoemd blijspel, waarvan de schrijver onbekend is gebleven, begint met een Inductie, Inleiding of Voorspel, waarin optreden: een Lord, Sluw, een Tapper (bij Sh. een Waardin), een Page, Tooneelspelers en Jagers. De voorvallen zijn dezelfde als in de Inductie van Shakespeare’s stuk, hoe groot het verschil in de wijze van uitwerking en in de woorden ook zijn moge.—Het stuk zelf speelt in Athene, dat van Shakespeare in Padua; beide zetels van geleerdheid. Alfonso, een koopman van Athene,—de Baptista van Shakespeare,—heeft drie dochters: Kate, Emelia en Phylema. Aurelius, zoon van den hertog van Cestus (Sestos) is verliefd op de eene der jongere zusters, Polidor op de andere, en Ferando,—de Petruccio van Shakespeare,—op Kate, de snibbe. De koopman heeft gezworen, dat zijn oudste dochter eerst moet uitgehuwlijkt zijn, eer iemand aan een zijner jongere dochters het hof mag maken. Het aanzoek van Ferando om Kate heeft op dezelfde wijze plaats als dat van Petruccio, evenzoo het huwelijk; evenzoo het schraal onthaal der jonge vrouw op Ferando’s landgoed, waar ook de kleermaker en de hoedenkoopman optreden; evenzoo de gedweeë gehoorzaamheid der getemde kijfster. Het les geven door verkleede minnaars heeft geen plaats; in dit opzicht is er verschil. Ten slotte zijn allen gelukkig: er zijn drie jonge paren, en het stuk eindigt, als bij Shakespeare, met een weddenschap over de gehoorzaamheid der jonggehuwde vrouwen. Men ziet, hoeveel verschil er in de uitwerking, hoeveel ruwer het in 1594 uitgegeven stuk moge wezen, er is zoo groote overeenkomst, dat men wel een verklaring hiervan mag beproeven. Dat het eerst uitgegeven stuk een werk is geweest van den jongen, nog onervaren Shakespeare en dat hij het later zou verbeterd hebben, is, zooals bij het onderzoek van het stuk blijkt, een ongerijmde meening; evenmin mag men onderstellen, dat na de vertooning van Shakespeare’s stuk een ander, er zijn bouwstoffen aan ontleenende, een dergelijk, maar veel ruwer stuk voor een ander tooneelgezelschap zou vervaardigd hebben. Men moet aannemen, dat Shakespeare het andere stuk, dat in den smaak van het publiek viel en misschien veel ouder was, omgewerkt, verfijnd en veredeld heeft, of wel, dat èn Shakespeare èn de onbekende schrijver van het andere stuk,—dat men wel eens aan Greene of aan Marlowe of aan beiden heeft toegekend,—uit een ouder stuk geput hebben. Welke van deze twee laatstgenoemde onderstellingen met de waarheid overeenkomt, is moeilijk uit te maken, zelfs niet al wist men zeker, dat Shakespeare’s stuk van vóór 1594 dagteekent, want hij kan „The Taming of a Shrew” zeer wel van vertooningen gekend hebben; het zou kunnen zijn, dat de bijval, dien Sh.’s stuk vond, aanleiding is geweest tot de uitgave van het oudere stuk. Hoe dit zij, dat Shakespeare’s stuk inderdaad van tamelijk vroege dagteekening is, misschien omstreeks denzelfden tijd als „De Klucht der Vergissingen” en „Veel Gemin, geen Gewin” (Love’s Labour’s Lost) geschreven is, mag waarschijnlijk gerekend worden en wordt bevestigd door vele bijzonderheden, zooals tal van aanhalingen uit de oudheid, de knuppelverzen, die er in voorkomen enz. Dat er vele gedeelten in voorkomen, die den lateren Shakespeare niet onwaardig zijn, pleit er volstrekt niet tegen, want ook de zoo even genoemde stukken, alsmede de Venus en Adonis en de Lucretia, die in 1593 en 1594 het licht zagen, bewijzen ten volle, welk een meesterschap de dichter toen reeds verworven had. Dat Meres in 1598 dit stuk in zijn Palladis Tamia (zie boven blz. 47 en 120) niet vermeldt, bewijst geenszins, dat het toen niet bekend was; Meres kan eenvoudig vermeden hebben het te noemen, omdat ieder wist, dat het niet oorspronkelijk was, maar een omwerking van een ouder blijspel. De onderstelling, dat het inderdaad vroegtijdig door den dichter geschreven werd, mag te eerder aangenomen worden, daar er niets onwaarschijnlijks in is, dat Shakespeare in het begin zijner loopbaan een vroeger stuk ten behoeve van zijn tooneelgezelschap aldus heeft omgewerkt, met behoud van den geheelen gang der handeling en van talrijke bijzonderheden, die het publiek van vroeger kende en in de nieuwe bewerking niet zou willen missen; in lateren tijd zou hij misschien anders te werk zijn gegaan; getuige de wijze, waarop hij bij het schrijven van zijn „Koning Jan”, welk stuk omstreeks 1596 tot stand kwam, zijn taak volbracht heeft. Doch hetzij het stuk zeer vroeg, ’t zij het iets later geschreven is (zie blz. 55), men moet erkennen, dat alles bij Shakespeare veel fijner en edeler is, dan in het ruwe plompe stuk van 1594; wie zich hiervan wil overtuigen, raadplege de uittreksels, door Delius in zijn uitgave van Sh. er van gegeven. Bovendien ontbreekt in het oude stuk de geschiedenis van Bianca en Lucentio.
Wij kunnen in het stuk van Shakespeare drieërlei bestanddeelen onderscheiden.
Het eerste is de geschiedenis van den Lord en den Ketellapper, die wij reeds in anderen vorm in de Duizend-en-één-Nacht van den Kalif Haroen en den herder Aboe-Hassan verhaald vinden; aan Philips den Goeden, Hertog van Bourgondië, wordt door Heuterus, aan keizer Karel IV door een Engelsen schrijver, Richard Barkley, een gelijke inval toegeschreven. Ook Calderon maakt van zulk een verhaal gebruik in zijn tooneelspel: „Het leven een droom”.
Het tweede is de geschiedenis van de temming der snibbe.
Ten derde ontleende Shakespeare de vermommingen van Lucentio, Hortensio en Tranio, de figuur van den ouden Gremio en ook van den pedant, die, op straat aangetroffen, door de voorspiegelingen van dreigend gevaar, overreed wordt voor Vincentio op te treden, aan de Suppositi, een blijspel van Ariosto. De namen Lucio en Petruccio komen beide in dit stuk, dat reeds in 1566 door Gascoigne in het Engelsch vertaald werd, voor. Shakespeare heeft echter uit dit blijspel slechts eenige bijzonderheden geput en het niet in die mate gevolgd, dat het noodig kan gerekend worden, in een uitvoerige vergelijking van beide stukken te treden.
Men moge nu minder ingenomen zijn met de wijze, waarop Kaatje door Petruccio getemd wordt, het is zeer de vraag, of een zachtzinniger man dan Petruccio een kregelkop als Catharina had klein gekregen. Bovendien Shakespeare leefde in een tijd, dat harde middelen, zooals de roede voor kinderen, in hooge achting stonden. Mochten er leden zijn van het schoone geslacht, die Shakespeare zijn behandeling der vrouw euvel duiden, dat zij dan, in plaats van zich te ergeren, zich verlustigen aan de breede vrouwenrij, die Shakespeare ten tooneele heeft gevoerd; zij vinden een Julia, Desdemona, Portia, een tweede Portia, de edele vrouw van Brutus, Rosalinde, Isabella, Perdita, Miranda, Volumnia, Virginia, Imogeen en anderen, een schare van vrouwen, uitmuntende door geest en bevalligheid, door goedheid, door onschuld, door edel karakter, door liefde en zelfopoffering, zooals geen ander dichter ooit in het leven heeft geroepen,—en dan mogen zij overwegen, hoevele vrouwen hij, die één snibbige kijfster door barre middelen laat temmen, op zachte wijze, door de leering van de edelste voorbeelden, van alle kijfzucht kon afkeerig maken, en misschien afkeerig heeft gemaakt!
Dat het blijspel in den smaak van het publiek viel, is ontegenzeglijk; trouwens nog ten huidigen dage wordt het in Duitschland,—en vaak in zeer verknoeiden vorm,—telkens vertoond, en ook in ons land is het voor eenige jaren en ook nog zeer onlangs met veel bijval gegeven; het behoort tot die stukken, die weldra ook buiten Engeland vertoond en toegejuicht werden. Wat Duitschland betreft, er is reeds uit het jaar 1658 een stuk bekend: „Die wunderbare Heurath Petruccio’s mit der bösen Catharine”; en in het jaar 1672 verscheen een Duitsche bewerking van The Taming of the Shrew: „Kunst über alle Künste, ein bös Weib gut zu machen”, die zich vrij nauwkeurig aan het oorspronkelijke houdt. Reeds vroeger, namelijk in 1654, werd in Amsterdam een Hollandsche vertaling uitgegeven, onder den titel: „De dolle bruiloft Bly-eyndend-spel. Gerijmt door A. Sybant. t’ Amsterdam, Gedrukt bij Tymon Houthaak, Voor Dirk Cornelisz. Houthaak, Boekverkooper, op de hoek aan de Nieuwe-zijdtskolk” 1654. Het werd den 9den November van dat jaar voor het eerst opgevoerd. Dr. J. A. Worp heeft in „De Nederlandsche Spectator” van 1880 op dit stuk opmerkzaam gemaakt en er eenige staaltjes uit medegedeeld. Uit zijn mededeelingen moge hier het een en ander volgen. De „korte inhout” luidt aldus:
„Katrina is hier los, en holt na haren zin;
Maar na een knoop geleyt (al schijnt zy ’t niet te willen)
Zoo kan Petrutio haar overmoed wel stillen,
Met een gelijk gebruyk; doch al in schijn van Min.
Dees overwinning doet de quade monden zwijgen,
Het quaat heeft een begin zal het een eynd verkrijgen.”
Het voorspel is weggelaten. Het begin is gewijzigd. Bij Sh. zijn Lucentio en Tranio juist te Padua aangekomen en maken wij kennis met Baptista en zijn gezelschap, vernemen Baptista’s besluit, en zien Lucentio verliefd worden; in „de dolle bruiloft” brengt ons een gesprek van een paar bladzijden tusschen Lucentio en zijn dienaar Tranio op de hoogte van den stand van zaken. Daarna begint de vertaling. Biondello verschijnt ten tooneele, en bespeurt, dat zijn meester en Tranio van kleederen gewisseld hebben; zijn meester zegt (vergelijk Sh. I. 1. 226):
„Daar komt ons Biondell’ waar hebt gy schelm geweest?
Biondello.
Waar ik geweest heb, Heer? wel hey, dat lijkt wel scheren,
Maar hoe! waar zijt gy Heer? heeft Tranio uw kleren
Gestolen? of gy zijn? dus bey te gaar verkeert!
Wat wil toch dit bediên? gy zijt bey moy besmeert.
Lucentio.
Komt hier rabaut, ’t is nu geen tijdt om dus te gekken,
Dus stelt uw wezen naar den tijdt, ik moet vertrekken,
En Tranio, om mijn lijf te bergen, heeft ’t gestalt
Van mijn genomen aan, dies doet ’t geen mijn gevalt,
En dient hem als mijn zelfs, ik heb van daag gekregen
Een ongeluk, pas op, en laat mij niet verlegen.
Gij vat mijn zin nu?
Biondello.
Gij vat mijn zin nu? Ja, zo wel als niet met al.
Lucentio.
En rept van Tranio niets, of ’k zweer het u, daar zal
Een straf op staan, hy ’s in Lucentio nu verandert.
Biondello.
Dat valt hem vry wat toe, hij is nu nieuw geklandert,
’k Wou ’k ook zo ruilen mocht.
Tranio.
’t Was mijn om ’t even, maat”, enz.
De geheele vertaling is in alexandrijnen als deze, ook daar, waar Shakespeare proza bezigt. Als voorbeeld hiervan diene Grumio’s aankomst op Petruccio’s landgoed, als hij de aankomst van het jonge paar heeft te melden (IV. 1. 1).
Grumio.
Foey, foey, de koekoek haal al die bezukte krengen.
Van paerden, dolle Heers, vuyle wegen, waar
Was ooyt een mensch zoo zeer gequelt als ik ben? daar
Ben ik voor uyt gestuurt goed vuur te laten maken;
Mevrouw die beeft van kou, en ik begin te kraken;
Zo ’k geen klein potje was, en in der haast bewarmt,
Zo was het nodig dat zich yder mijns erbarmt,
Ten aanzien van het weer: myn lippen mochten vriezen
Aan mijne tanden, en mijn tong haar spraak verliezen,
En ’t hart in mijnen buyk, zo ’k nu by ’t vuur niet kon,
Om my ’t ontdoijen; och daar schijnt een flauwe Zon.
’t Vuur op te blazen, ja, dat zal my wat verquikken.
Een kloeker kaerel die verkoude wel als ikke,
In zoo’n beslikten wegh. hou, holla Kurtus, hout,
Waar benje Kurtus maat?
Kurtus.
Waar benje Kurtus maat? Wie roept daar zoo verkout?
Grumio.
Een stuk ys. twijfelt gij? vraagt gij dat? hoe zal ’t dyen?
Gij zoudt wel op mijn rug op schaatzen kunnen ryen,
Zo gladt ben ik van ys, vuur Kurtus, vuur bylo!
Kurtus.
Waarom?
Grumio.
Waarom? Mijn Heer komt met zijn Bruydt.
Kurtus.
Waarom? Mijn Heer komt met zijn Bruydt. Hoe, Grumio!
Is ’t waar?
Grumio.
Is ’t waar? Vuur Kurtus, vuur.
Kurtus.
Is ’t waar? Vuur Kurtus, vuur. Wat ben jy ook een snakert.
Maar is zy, als men zeydt, zo heetjes dan gebakert?
Grumio.
Zo heeft zy, Kurtus maat, voor deze vrost geweest;
De winter, als gij weet, temt man, en vrouw, en beest,
Zy heeft getemd mijn Heer, mijn nieuwe Vrouw, en mede
Mijn makker Kurtus zelfs.
Kurtus.
Mijn makker Kurtus zelfs. Wech, wech, gy lam van leden,
Gy zotje van drie duym, ik ben geen beest gelijk.
Grumio.
Hoe, ben ik maar drie duym? wel hey! ey lieve kijk!
Jou hoorn is wel een voet, zo lang ben ik ten minste”, enz.
Hier en daar is het een en ander weggelaten of gewijzigd; evenals het begin is het einde van het blijspel zeer bekort, de weddenschap en de vermaning van Katharina zijn vervangen door een kort tooneeltje van nog geen anderhalve bladzijde, dat een einde aan het stuk maakt. Maar het geheel is toch een vertaling van een stuk van Shakespeare, naar ik meen de oudste, die in ons land bekend is. Dr. Worp zegt hieromtrent het volgende:
„Een nauwkeurige vergelijking der beide blijspelen, vers voor vers, heeft mij tot de overtuiging gebracht, dat wij hier werkelijk met een vertaling van „The taming of the shrew” hebben te doen. Van een andere bron dan Shakespeare zelf kan moeilijk sprake zijn, noch van „The taming of a shrew”, waarnaar de groote dichter zijn blijspel heeft bewerkt, noch van „Die wunderbare Heurath Petruccio mit der bösen Catharinen”, dat in 1658 te Zittau werd opgevoerd, maar misschien reeds vóór dien tijd was geschreven (Vgl. Genée, „Geschichte der Shakesp. Dramen in Deutschland”, blz. 174). Evenmin kan er sprake van zijn, dat het blijspel hier door Engelsche tooneelspelers zou zijn gebracht; de vertaling volgt het origineel te veel ook in allerlei kleinigheden, dan dat men aan een bedorven Engelsch libretto of aan het opschrijven na een voorstelling mag denken.
„Het bestaan van „De dolle bruyloft” bewijst dus, dat er in het midden der 17de eeuw exemplaren van sommige werken van Shakspere in ons land gevonden en gelezen werden.”
Daar er geen oude afzonderlijke uitgaven van de „Taming of the Shrew” bestaan, moet een exemplaar van de folio van 1623 of van 1632 (de derde druk is van 1664), of een afschrift, voor de vertaling gediend hebben.
Voorspel. 1. 4. Richard den Veroveraar. Hij meent natuurlijk Willem den Veroveraar, met wien zoovelen van den oudsten adel in het land kwamen.—Het paucas pallabris is verdraaid uit het Spaansche pocas palabras, weinig woorden! evenals sessa uit het Spaansche cesa, houd op, stil! twee uitheemsche uitdrukkingen, toen, blijkens andere tooneelspelen van dien tijd, in zwang; ook Brummel gebruikt het woord palabras in „Veel leven om niets”, III. 5. 18.
Vsp. 1. 9. Ga weg, Jeronimus. Deze woorden zijn genomen uit Kyd’s Spaansche Tragedie, toen ter tijd aan ieder schouwburg-bezoeker bekend, zoodat zeker de aanhaling dadelijk opgemerkt werd. In de folio staat „S. Ieronimie”; de S wordt door de uitgevers der Cambridge- en Globe-edition voor een vraagteeken gehouden, dat voor uitroepingsteeken gebezigd werd, en zoo is hier vertaald. Doch misschien is het beter de S als een werkelijke S, dus als een verkorting van Saint, te beschouwen en te vertalen: „ga weg, Sint Jeronimus!” zoodat de dronkaard den held der Sp. Tragedie met den heiligen Hieronymus verwart.
Vsp. 1. 12. Ik ga den schout halen. In de folio staat: I must go fetch the Headborough. Headborough is een konstabel, een politieagent. Blijkbaar moet dit woord vervangen worden, zooals in alle uitgaven geschiedt, door thirdborough; dit blijkt uit Sly’s antwoord Third or fourth, or fifth borough. Thirdborough was een onderkonstabel, of nagenoeg gelijk met headborough. In The Constable’s Guide (1771) leest men: „There are in several counties of this realm other officers; that is, by other titles, but not much inferior to our constables; as, in Warwickshire, a thirdborough.—In de vertaling moest het antwoord van Sly gewijzigd worden; hij spreekt hier van den schout als van een soort duivel.—Hij richt verder in zijn dronkenschap het woord tot den knecht van het bierhuis.
Vsp. 1. 64. En zegt hij: „Wat, ik ben—”, zeg, dat hij droomt. Het komt mij voor, dat het streepje achter „ik ben” voor iedereen duidelijk moet maken, dat de dronkaard bij het ontwaken zegt: „Wat! ik ben toch—”, en zijn naam noemt of noemen wil; een gebaar kan bij het spelen dit „die of die” voor iedereen zichtbaar maken.—Maar in de folio ontbreekt het streepje, en er staat alleen: And when he sayes he is, say that he dreames,—en ziedaar! nu wil de eene uitgever aanvullen: he is lunatic, de andere wil lezen: he ’s Sly, een derde vermoedt, dat er een heel vers verloren is gegaan!
Vsp. 1. 88. Soto. Het is onbekend, welk stuk hiermee bedoeld is. Er is geen ouder stuk bewaard gebleven of bekend, waarin een Soto voorkomt.
Vsp. 1. 122. Die deze zeven jaar enz. Later, Vsp. 2. 81, wordt van vijftien jaar gesproken. Is het daarom noodig, hier tweemaal zeven jaar te schrijven? In het geheel niet; men rekene liever de dichters zoo precies niet na. Shakespeare stoorde zich meermalen niet aan les petites chicanes de la probabilité, zooals Gustave Planche zulke narekeningen noemt; men vergelijke de aanteekening op „K. Richard III”, III. 4. 80.
Vsp. Tweede Tooneel. Een slaapkamer in het huis van den Lord. Men ziet Sluw enz. In de folio staat: De Dronkaard komt op, boven, met Gevolg. Sluw verscheen dus op het smalle balkon, dat op den achtergrond van het toenmalig tooneel zich bevond, en zag van daar het schouwspel, dat hem voorgediend werd, aan.
Vsp. 2. 1. Een potteken scharrebier. Dunnebier, sterk schuimend, werd als middel tegen katterigheid aangewend; het moest ongeveer als sodawater dienen.
Vsp. 2. 19. Burtonheide. Hier zal Burton of Barton-on-the-heath, een vlek op de grens van Warwickshire en Oxfordshire bedoeld zijn.
Vsp. 2. 23. Wincot. Verkorte uitspraak van Wilmecote, een dorp in de buurt van Stratford aan de Avon. Shakespeare’s grootvader, Robert Arden, woonde er.
Vsp. 2. 51. Houdt gij van schilderijen? Ongetwijfeld worden hier bekende, meermalen voorkomende schilderijen aangehaald. Mythologische voorstellingen vielen toen in den smaak. De vermelding van Adonis en Cytherea doet denken aan het sonnet, dat als zesde gedicht in den Verliefden Pelgrim voorkomt, die van Io aan Correggio’s beroemd schilderstuk, waarvan men echter niet weet, of het toen reeds in Engeland bekend was.
Vsp. 2. 112. Els Madame. De ketellapper houdt het woord Madame blijkbaar voor een familienaam.
I. 1. 2. Padua, der kunsten wieg. De universiteit van Padua, in 1228 gesticht, was in Sh.’s tijd de beroemdste en meest bezochte van Italië. Petrarca, Columbus en Galilei hadden er gestudeerd.
I. 1. 25. Mi perdonate. Shakespeare’s tijdgenooten, Ben Jonson, Webster en vooral Marston strooiden gaarne vreemde gezegden hier en daar in hun tooneelwerken, hijzelf doet het nagenoeg alleen in dit stuk; de schoolpedant Holofernes doet het in „Veel gemin, geen gewin”, om zijn geleerdheid te luchten.
I. 1. 47. Bij het hier volgende optreden der personen staat in de folio-uitgave: Gremio, a Pantelowne. De Pantalon was een telkens terugkeerende Italiaansche theaterfiguur; men zie de beschrijving in „Elk wat wils” (As you like it), II. 7. 158.
I. 1. 55. Het hof? Ik ducht haar slof; ze is mij te grof. De Engelsche woordspeling met to court, het hof maken en to cart, op een kar rondvoeren, zooals men booze vrouwen deed, was natuurlijk niet juist over te brengen.
I. 1. 108. Zoo groot is de liefde tusschen Katharina en haar vader niet. Er staat eigenlijk alleen: „Hun liefde is zoo groot niet”; doch dit moet beteekenen, wat in de vertaling is uitgedrukt: de liefde tusschen hen beiden is zoo groot niet, dat zij op den duur een echtverbintenis van Bianca tegenhoudt, al moeten de twee medevrijers nu rustig wachten, daar zij op ’t oogenblik teleurgesteld zijn. Dit laatste wordt uitgedrukt door ’t ongaar zijn van den koek.
I. 1. 136. Alle dagen op de markt zou gegeeseld worden. Er staat in het Engelsch: at the high-cross, „aan het hooge kruis”, d. i. een steenen kruis op de markt, aan welks voet de openbare lijfstraffen voltrokken werden.
I. 1. 159. Als Anna met haar zuster Dido was. Duidelijkheidshalve is uitgedrukt, dat Anna de zuster was van Dido; zij was de vertrouweling, aan wie Dido haar liefde voor Æneas beleed. In ’t Engelsch staat: „Als Anna aan Carthago’s koningin”. Aan Sh.’s publiek was Anna bekend uit Marlowe’s stuk: „Dido, koningin van Carthago”.
I. 1. 168. Redime te, captum, quam queas minimo. „Zijt gij gevangen, koop u dan voor zoo weinig mogelijk vrij.” Een aanhaling uit Terentius, Eunuchus I. 1. 29, maar niet geheel woordelijk, en in dezen vorm, die beter bij de Engelsche versmaat past, ongetwijfeld aan Lilly’s Grammatica ontleend.
I. 1. 173. Agenors dochter—de schoone Europa.
I. 1. 213. Mijn vederhoed. Er staat eigenlijk: mijn kleurigen (of bonten) hoed; een hoed is bedoeld, zooals alleen voorname lieden dragen.
I. 2. 28. Het doet er niet toe, wat hij daar in het Latijn vertelt. Het moge vreemd schijnen, dat Grumio, de Italiaan, zijn eigen moedertaal voor Latijn houdt, maar hij spreekt door Shakespeare Engelsch; het Italiaansch is hem, al speelt het stuk in Italië, een onbekende taal en kan hem dus Latijn toeschijnen of iedere andere vreemde taal; alleen voor Italiaansch moet hij het niet houden.
I. 2. 33. En niet meer meespeelt. In ’t Engelsch staat: being, perhaps, two-and-thirty,—a pip out. Een pip is een oog, een punt op een speelkaart, a spot on cards. De zegswijze is ontleend aan het kaartspel: Bone-acre or One and thirty; wie meer had dan één-en-dertig, viel uit, speelde niet meer mee. Was Petruccio twee-en-dertig, dan was zijn tijd van spelen voorbij.—Halliwell merkt verder nog op; „to be two-and-thirty, a pip out, was an old cant phrase applied to a person who was intoxicated.”
I. 2. 69. Waar’ ze ook zoo leelijk als Florentius’ bruid enz. Gower verhaalt in het eerste deel van zijn Confessio Amantis1 de geschiedenis van een zekeren ridder Florens of Florentius, die, om een raadsel op te lossen en hierdoor zijn leven te redden, een afschuwelijk leelijk wijf trouwde,—
„Which was the lothiest wighte,
That ever man cast on his eye”.—
Dezelfde historie, doch zonder naam, vertelt ook Chaucer in The Wife of Bath’s Tale. Voltaire heeft er zijn vertelling Ce qui plaît aux dames, die door Bilderdijk in Ridder Sox vrij is nagevolgd, naar gedicht.—Voor het fel en vinnig van den volgenden regel heeft het Engelsch curst and shrewd. Aangaande dit laatste woord, dat in dit stuk meermalen voorkomt, moge hier de volgende verklaring van Grant-White een plaats vinden: „Shrewd now is only used in the sense of keen, as applied to the mind. But this sense is merely figurative. The radical idea of the word shrew is irritation, sharp annoyance”.
I. 2. 244. Leda’s schoone dochter. Helena, de vrouw van Menelaos, geschaakt door Paris. De Trojaansche oorlog was aan Shakespeare’s publiek zeer wel bekend. Mythologische toespelingen werden over het algemeen wel begrepen; dat Hercules ook Alcides heette b.v., en dat hij twaalf groote werken volbracht had (zie I. 2. 258) wisten waarschijnlijk velen van de toeschouwers.
I. 2. 282. U wacht, Petruccio, straks mijn welkomstgroet. Hij zal hem dus straks verwelkomen, bij de afgesproken samenkomst, of wel, volgens afspraak, verkleed zijn opwachting komen maken en hij hoopt dan welkom te zijn, of hij zal Petruccio welkom zijn, omdat hij hem aan een rijke vrouw helpt. Woordelijk luidt het oorspronkelijke:
„Een aardig plan voorwaar, en zij het zoo!
Petruccio, ’k ben uw ben vénuto”.
Ben venuto is de Italiaansche groet: welkom! De klemtoon is hier, als bij Sh., verkeerd gelegd, om een schertsrijm te krijgen.
Op het eerste bedrijf volgt in het stuk van 1594 een kort gesprek tusschen den ketellapper en den als bediende verkleeden Lord. Bij de woorden van Sluw: „Bravo, hier komen twee mooie dames” treden Katharina en Bianca op.
II. 1. 33. Barvoets dansen en apen brengen naar de hel. D. i. „als oude jonge juffer sterven”. Zie „Veel leven om niets”, II. 1. 43. De uitdrukking was spreekwoordelijk. Hoe de zegswijze ontstaan is, schijnt onbekend; het apen brengen naar de hel is misschien als straf gedacht voor oude juffers, die niet van kinderen hielden en ze afscheepten of onaardig behandelden.
II. 1. 101. Dit stapeltje Latijnsche en Grieksche boeken. Men behoeft hier geenszins uit af te leiden, dat de dochters van Battista geleerder waren dan andere jonge dames van haar tijd; Latijn, Grieksch, wiskunde en wijsbegeerte werden toen dikwijls door vrouwen beoefend, ongeveer als thans muziek. Men denke slechts aan koningin Elizabeth, Lady Jane Grey, de dochters van Sir Thomas More; en ook in ons vaderland waren, zooals bekend is, zulke studiën zoo zeldzaam niet. Vooral in een academiestad als Padua kon men wachten, dat de vrouwen van de hoogere klassen er zich mee bezighielden. In de nieuwere talen waren slechts weinige onderhoudende en schoone boeken geschreven, zooals Macauley in zijn stuk over Lord Bacon terecht opmerkt.
II. 1. 103. Lucentio is uw naam? De naam Lucentio is nog niet genoemd, hoe komt Battista dien te weten? Het is licht mogelijk, dat Tranio eindigde met zijn naam op te geven, en dat deze met Lucentio beginnende regel bij den druk is weggevallen; het kan ook zijn, dat de dichter zich vergist heeft. Wil men het verzuim herstellen, dan kan men Tranio laten zeggen: „Lucentio is mijn naam”; en Battista alleen laten vragen: „Van waar afkomstig?”
II. 1. 116. Ik kan niet elken dag hier aanzoek doen. Dit zeggen van Petruccio: And every day I cannot come to woo, wekte ongetwijfeld zeer veel vroolijkheid bij de toeschouwers op, want het is woordelijk, met een kleine omzetting, het refrein van een oude ballade, The ingenious Bragadoccio betiteld. Ook in een tusschenspel, interlude, van Puttenham komt de regel voor: I cannot come a wooing every day.
II. 1. 199. Zooals een vouwstoel, ja. Men vergelijke „Koning Lear” III. 6. 54. Cry you mercy, I took you for a joint-stool: Verschoon mij, ik hield u voor een vouwstoel. Het was een gewoon zeggen, als men iemand opzettelijk over het hoofd had gezien en zich op lompe, ja beleedigende wijze daarover verontschuldigde.—Het geheele volgende gesprek vloeit over van woordspelingen, die slechts ten deele met eenige getrouwheid zijn weer te geven; in reg. 207 wordt uit be, zijn, bee, bij, verstaan en daarom van buzz, gonzen, gesproken, waarop weer de vermelding van een buzzard, buizerd of muizerd, volgt; reg. 215 wordt tail opgevat als staart, en als tale, vertelling; reg. 216 coxcomb als narrenkap of nar, en als hanekam. Reg. 225 zegt Petruccio tot Katharina: Put me in thy books, wat hier doelt op het boek, waarin de herauten de wapens moeten aanteekenen, maar wat ook beteekent: „sla acht op mij”, „denk aan mij”, „wees mij gunstig”.
II. 1. 268. Nu, houd dien geest maar warm. Yes, keep you warm. Een spreekwoordelijk zeggen, vollediger uitgedrukt in „Veel leven om niets”, I. 1. 68: If he have wit enough to keep himself warm, „als hij geest genoeg heeft, om zich warm te houden”.
II. 1. 297. Griseldis streeft zij in geduld ter zij. Er staat eigenlijk: „In geduld zal zij een tweede Griseldis blijken”. De geschiedenis van Griseldis, de zachte vrouw, die al de beproevingen, die haar man haar oplegde, met de grootste lijdzaamheid droeg, was in Engeland reeds lang bekend. Petrarca had in 1373, het jaar vóór zijn dood, het verhaal van Boccacio betreffende Griseldis (Decamer. X. 10) in het Latijn overgebracht: De obedientia et fide uxoria Mythologia; en deze Latijnsche vertaling werd door Chaucer getrouw gevolgd in zijn Canterbury tales, waarin de geschiedenis van Griseldis The Clerk’s Tale uitmaakt. Chaucer was in 1372–’73 in Italië en kan er toen reeds de geschiedenis hebben leeren kennen.
II. 1. 300. Aanstaanden Zondag zal de trouwdag zijn. Collier zegt, dat dit het refrein is van een oud lied, waarvan hij een strophe naar mondelinge overlevering mededeelt:
„To church away!
We will have rings
And fine array,
With other things
Against the day,
For I’m to be married on Sunday”.
Zoo Collier niet een strophe mededeelt, die naar aanleiding van bovenstaanden regel van Sh. en den voorafgaanden gemaakt is, moet Shakespeare dit lied gekend hebben.
II. 1. 348. Gij kent, vooreerst, mijn huis hier in de stad. Indien Shakespeare niet zelf Italië bezocht heeft, en geen kijkje heeft genomen in de huizen van aanzienlijken aldaar, vooral in Venetië en nabijgelegen steden, moet men erkennen, dat hij wonderwel was ingelicht, want hij heeft de kostbaarheden van zulk een woning zeer juist beschreven en de ivoren koffers, troonhemels, Turksche kussens met paarlen zijn terecht als kenschetsend aangehaald, evenzoo de Venetiaansche kunst, want de gouden kunstwerken van Venetië waren beroemd.
III. 1. 28. Hic ibat Simois etc. Dit distichon is uit de Heldinnebrieven van Ovidius, I. v. 33. Penelope schrijft aan Ulysses, hoe bij menige andere vrouw, die zoo gelukkig is, dat haar man is teruggekeerd, na den maaltijd de strijd om Troje met een luttel geplengden wijn op een tafel wordt duidelijk gemaakt; de verhaler zegt dan: „Hier liep de Simois, daar is het Sigeïsche veld; ginds stond het hooge hof van den grijzen Priamus”.
III. 1. 37. Den ouden verliefden gek. In ’t oorspronkelijke: „den ouden Pantalon”. Zie boven, bij I. 1. 47.
III. 1. 50. Pedascule. Blijkbaar een uit Pedant en het Grieksche Didascalos (Leermeester) gesmeed woord, met den uitgang van den Latijnschen vocativus.
III. 1. 73. Ut ben ik, gamma, enz.—Gamut I am, the ground of all accord etc. Het woord gamut beteekent in dit versje niet de toonladder, maar de noot Gamma, zoodat het woord in het Engelsch eigenlijk gammut moest geschreven zijn.
Gamm’-ut is, in den zin, waarin het woord hier genomen wordt, de laagste noot der toonladder van Guido Aretino, een Benedictijner monnik, uit de elfde eeuw, van Arezzo in Toscane. Aan dezen toon, de G op de onderste lijn van de bas, gaf hij den naam van de derde letter in het Grieksch Alphabet, Γ, Gamma, liet den slotklinker weg en stelde er de lettergreep ut voor in plaats. Dezen, en de overige namen, re, mi, fa enz., die Guido aan de noten der diatonische toonladder gaf, ontleende hij aan de volgende verzen, die de eerste strophe uitmaken van een kerkgezang, van Paulus Diaconus, aan den Heiligen Johannes Baptista, een bede bevattende der zangers, dat zij niet van heeschheid mochten te lijden hebben:
„Ut queant laxis resonare fibris
Mira gestorum famuli tuorum,
Solve polluti labii reatum,
Sancte Joannes!”
De wijze, waarop deze hymne oudtijds in de Katholieke kerk gezongen werd, klimt met de diatonische intervallen G, A, B, C, D en E, bij de lettergrepen, die hier cursief gedrukt zijn.
Door Guido werden de twintig tonen der Gregoriaansche toonladder, met de Γ, dat is de G op de onderste lijn (gamma) van de bas, beginnende, in zeven toonreeksen, zoogenaamde hexachorden, ieder van zes tonen, ingedeeld. In elk dezer Hexachorden, bij welke van C, F of G als grondtoon werd uitgegaan, werd deze grondtoon steeds ut genoemd; de volgende tonen werden re, mi, fa, sol, la geheeten. De tonen werden dus in de hexachorden vernoemd, zonder dat op de hun toekomende Gregoriaansche letters gelet werd, zoodat de namen ut, re, mi, fa, sol, la, niet aan bepaalde tonen eigen waren, maar ut op F, G en C, re op G, A en D, enz. kon vallen. Tusschen mi en fa lag steeds een halve toon; de B was in het eerste, vierde en zevende hexachord de ware B, of B quadratum (bij de Duitschers H), in het derde en zesde hexachord B mol, of B rotundum (bij de Duitschers B).
Het eerste hexachord omvatte de tonen Γ, A, B, C, D, E; het tweede C, D, E, F, G, a (zoo men door de lettersoort, zooals A, a, a, de tonen van verschillende hoogte wil uitdrukken). De toon C heette dus in het eerste hexachord fa, in het tweede ut, D in het eerste sol, in het tweede re, E in het eerste la, in het tweede mi.
Zoover reikt het onderwijs, door Hortensio aan Bianca gegeven, dat alzoo volgens de methode van Guido van Arezzo plaats heeft. Ware hij verder gegaan, dan hadden zijn volgende versregels moeten beginnen met: F fa ut, G sol re ut, a la mi re, b fa mi, c sol fa ut, d la sol re, e la mi, f fa ut, g sol re ut, a la mi re, b fa mi, c sol fa, d la sol, e la.
Om het overgaan van het eene hexachord in het andere gemakkelijker te maken, verbond Guido de namen der tonen aan de gewrichten en vingertoppen der linkerhand, waarop de zanger het oog moest vestigen. Men moge hierover een geschiedenis der muziek raadplegen.
Dat Shakespeare een groot vriend was van muziek en deze kunst hoog in eere hield, blijkt uit vele plaatsen zijner geschriften. Bovendien strooit hij hier en daar in zijn stukken liederen, voor welke populaire wijzen bestaan. Wie hier meer van weten wil, raadplege het groote werk van W. Chappell, The Ballad literature and popular music of the olden Time: History of the ancient songs, ballads, and of the Dance tunes of England etc. London (1855).
III. 2. 51. De opgenoemde paardekwalen zijn niet alle dezelfde als in het oorspronkelijke; een getrouwe overzetting zou voor velen onverstaanbaar geweest zijn of omschrijvingen vereischt hebben, kortom, een geheel verkeerden indruk gemaakt hebben, door letterknechterij.
III. 2. 70. „De veertig lustige liefdeliedjes”. In ’t Engelsch: „the humour of forty fancies”. Volgens Warburton’s hoogst waarschijnlijke gissing een toen ter tijd zeer bekende verzameling van minneliedjes (fancies).
III. 2. 84. Neen, bij Sint Japik enz. Het Engelsch Nay, by Sint Jamy, etc. ziet er wel naar uit, dat het aan een volksballade ontleend is.
III. 2. 168. Wat zeî de sukkel enz. De tekst heeft: What said the wench when he rose again? Het woord wench zou met deerne, aan welk woord men geen ongunstige beteekenis te hechten heeft, juist vertaald zijn: Wat zeî de deerne, toen de man weer stond? Maar ’t is zeer de vraag, of de lezing wench wel de ware is. Het ligt veel meer voor de hand, dat Tranio vraagt, wat de priester zeide, toen hij weer op zijn beenen stond; de jonge vrouw behoefde niet te wachten, met iets te zeggen, tot de priester was opgestaan. Bovendien is het vers mank, zooals het in de folio- en de globe-editie staat; behoudt men wench, dan moet men rose zeker in arose veranderen. Veel beter leest men: „What said the wretched, when he rose again?” of wel: „What said the wretch, when he arose again?” zooals Rich. Gosche heeft voorgeslagen.
III. 2. 175. En wierp, wat van den huwlijkskoek in ’t glas nog over was, enz. Het was toen ter tijd gewoonte, na de inzegening van het huwelijk, in de kerk wijn en koek2, welke laatste in den wijn gedoopt of gesopt werd, aan te bieden. Dit had bij alle huwelijken plaats, tot welken stand het jonge paar ook behoorde. Zoo wordt, bij gelegenheid van het huwelijk van Philips en koningin Maria, in 1554, dat in de kathedraal van Winchester gesloten werd, dit gedeelte der plechtigheid aldus beschreven: „The trumpets sounded, and there remained until mass was done; at which time wine and sops were delivered to them both”.
IV. 1. 20. Vuur, vuur, en gooi er geen water, geen water op. Ongetwijfeld toespeling op een oud liedje. Blackstone vermeldt een canon van dezen inhoud:
„Scotland burneth, Scotland burneth;
Fire, fire; fire, fire;
Cast on some more water”.
IV. 1. 51. Zijn de kannen kant enz. Hier moest met eenige vrijheid vertaald worden, om eenigszins denzelfden indruk te geven als het oorspronkelijke, dat aldus luidt: Be the jacks fair within, the jils fair without, the carpets laid, and every thing in order? Hierbij valt op te merken, dat Jack een zwartlederen drinknap of kan is, en ook een gewonen boeren- of knechtsnaam, zooals Hans, Jill een aarden vat of een maat van een kwart pint inhoud, en ook een gewone meidennaam, zooals Griet; men vergelijke „Een Midzomernachtdroom”, III. 2. 461, en „Veel gemin, geen gewin”, V. 2. 885. Carpets zijn tafelkleeden.
IV. 1. 143. Waar zijn mijn vroegre dagen heen? Een regel uit een liedje van dien tijd; ook Pistool haalt dien aan in „2 Koning Hendrik IV”, V. 3. 147.—Een oogenblik later volgt iets dergelijks.
IV. 1. 193. Mijn valk, met leêge maag, enz. Petruccio bezigt inderdaad dezelfde middelen als voor het temmen van valken gebruikt worden: vasten en slapeloosheid.
IV. 2. 61. Een oude hemelzend’ling. In ’t Engelsch: an ancient angel, een engel, wijl hij hulp brengt. Wij behoeven hier dus niet te lezen an engle, dat men als a gull, iemand, die zich foppen laat, verklaren wil.
IV. 2. 63. ’t Moet een kantoor- of schoolvos wezen. Het oorspronkelijke bezigt hier twee vreemde woorden: Master, a mercatant, or a pedant, waarbij pedant den klemtoon heeft op de laatste syllabe. Mercatant werd in de tooneelwerken van dien tijd meermalen voor „koopman” gebezigd en is hier wel op zijn plaats, daar het stuk in Italië speelt.
IV. 3. 91. ’t Lijkt wel een vuurpot in een scheerderswinkel. In de scheerwinkels, waar dikwijls veel menschen bijeen waren, werd reukwerk gebrand. Daartoe dienden metalen vuurpotten, censers, met opengewerkt deksel.
IV. 4. 93. Cum privilegio enz. De Latijnsche formule van het privilege, dat een drukker het uitsluitend recht tot drukken van een werk verzekerde.
IV. 5. 39. Gelukkig de ouders enz. Hier schijnt een herinnering uit Ovidius’ Gedaanteverwisselingen den dichter voor den geest te zweven.
V. 1. 155. ’t Is nimmer te laat. In het stuk, dat in 1594 werd uitgegeven, volgt nu, boven op den achtergrond van het tooneel, het volgende gesprek tusschen den Lord en zijn bedienden. Sluw, de ketellapper, is in slaap gevallen.
Lord.
Heidaar! is daar iemand? (Eenige Bedienden komen op.) Daar slaapt hij weer. Neemt hem voorzichtig op en steekt hem weer in zijn eigen kleêren. Maar past op, dat gij hem niet wakker maakt!
Een Bediende.
Dat zal gebeuren, heer. (Tot de Anderen.) Komt, helpt hem wegdragen. (Zij nemen Sluw op en dragen hem weg.)
V. Tweede Tooneel. Een banket is aangericht. Een banket is wat wij nagerecht, dessert, noemen; het werd in Sh.’s tijd steeds in een andere kamer opgezet.
V. 2. 56. Men meent, uw hinde loopt u wel bek-af. In het Engelsch: ’Tis thought your deer does hold you at a bay. Een woordspeling met deer, hinde, en dear, dierbare, liefje.
V. 2. 118. Haar nieuw-verworven deugd van volgzaamheid. Vreemd is het, dat in het oorspronkelijke twee regels achtereen met obedience eindigen. Men leze ter verbetering met Capell in den tweeden regel virtue of obedience, dus of in plaats van and, dan hindert de herhaling niet meer, en dit is bij de vertaling gevolgd; of men moet voor het tweede obedience iets anders in de plaats stellen, b.v. her submission of her patience. Mocht men dit verkiezen, dan vervange men in de vertaling het woord volgzaamheid van den eersten regel door onderwerping.
V. 2. 181. Nu oude knaap, gij wint uw zaak met glans. Dit gezegde wordt in de folio en door alle uitgevers aan Lucentio toegeschreven, maar wordt beter aan een ouden bekende, Hortensio, toegekend. Lucentio spreekt een oogenblik later.
V. 2. 186. Al troft gij het wit ook. Wellicht een toespeling op den naam Bianca.
V. 2. 189. Zich temmen liet. In het stuk, zooals het in de folio staat afgedrukt, blijft het voorspel zonder slot; het laatste, dat men er van merkt, zijn de weinige regels achter het eerste bedrijf van het eerste tooneel. Het kan zijn, dat Shakespeare, een ouder stuk omwerkende, het vervolg van het voorspel niet schreef, omdat de tooneelspelers reeds wisten, wat zij te doen hadden en het met de woorden toch niet nauw behoefden te nemen; het kan ook zijn, dat het vervolg verloren is gegaan.—Het stuk van 1594 heeft het slot als volgt:
Twee Bedienden komen op, beneden, en leggen Sluw in zijn eigen kleeding neder, waar zij hem gevonden hebben; dan gaan zij heen. Daarop komt de Tapper.
Tapper.
Nu is de donk’re nacht voorbij, en straalt
De daag’raad aan ’t kristallen luchtgewelf,
En ik moet uit. Doch stil! wie is dat daar?
O wonder, Sluw lag hier de gansche nacht!
Ik wek hem. Wis, hij zou bezweken zijn,
Had hij zijn pens niet zoo met bier gevuld.
Hé, Sluw! word wakker! kom, ’t is schande; ontwaak!
Sluw.
Simon, geef nog wat wijn!—Wat! zijn al de spelers weg? ben ik geen Lord?
Tapper.
Een Lord? loop rond! wat! altijddoor nog dronken?
Sluw.
Wie is daar? Tapper, o Lord! Heere, ik heb
Van nacht den schoonsten droom gehad! zoo iets
Hebt ge al uw levensdagen nooit gehoord.
Tapper.
Nu goed; maar was toch liever thuis gaan slapen!
Uw wijf zal kijven, dat ge ’s nachts hier droomt.
Sluw.
Zal kijven? ’k weet een kijfster nu te temmen,
’k Heb daarvan heel de nacht gedroomd tot nu.
Gij riept mij wakker uit den besten droom,
Dien ’k van mijn leven heb gehad. Maar kom,
Ik ga nu naar mijn wijf en tem haar ook,
Als zij het waagt mij boos te maken, ja!
Tapper.
Neen, wacht nog, Sluw; ’k ga met u meê naar huis;
’k Wil hooren, wat voor droom gij hebt gehad.
(Beiden af.)
1 Gower was een tijdgenoot van Chaucer, werd geboren omstreeks 1325 en stierf in 1408. Onder zijne voornaamste werken behoort een Engelsch gedicht, Confessio Amantis geheeten, een samenspraak tusschen een minnaar en zijn biechtvader, waarin over het wezen en de plichten der liefde gehandeld wordt, een en ander met geschiedenissen toegelicht. ↑