WeRead Powered by ReaderPub
De getemde feeks cover

De getemde feeks

Chapter 7: Tweede Bedrijf.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Het stuk opent met een bedrieglijke grap waarin een dronkaard door edellieden en spelers wordt voorgesteld als een lord, waarna een toneel binnen het toneel volgt. In Padua weigert de vader Battista zijn jongste dochter vrij te geven zolang zijn oudere dochter Katharina ongehuwd is; meerdere vrijers, waaronder Lucentio en Gremio, beconcurreren om Bianca’s hand. De edelman Petruchio trouwt Katharina en hanteert theatrale, confronterende methoden om haar gedrag te vormen, terwijl Lucentio zich vermomt om Bianca te winnen, wat een reeks komische verwisselingen en intriges veroorzaakt. Het werk onderzoekt macht, gender en sociale rollen en mengt satire met farce en zelfbewuste theatraliteit.

Tweede Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Aldaar. Een hamer in Battista’s huis.

Bianca en Katharina komen op.

Bianca.

Gij krenkt mij, lieve zuster, krenkt uzelf,

Zoo ge als een dienstmeid en slavin mij sleurt;

Dit duld ik niet. Kunt gij deez’ tooi niet lijden,

Laat dan mijn handen los, dan doe ikzelf

Heel mijn gewaad, tot op mijn onderkleed,

Ja, uit en weg; en wat ge me ook beveelt,

Dat wil ik doen; zoo goed is mij bewust,

Wat ik mijn oud’re zuster schuldig ben.

Katharina.

Beken hier daad’lijk, wie van al uw vrijers

U ’t best bevalt; maar geen gehuichel, hoor!

Bianca.

Geloof mij, zuster, welken man ’k ook zag,

Nooit zag ik nog een aangezicht, dat meer

Mij aantrok dan van eenig ander man.

Katharina.

Fleemtong, gij liegt. Is ’t niet Hortensio?

Bianca.

Is hij uw keuze, zuster? ’k zweer, dan wil ik

Zelf voor u pleiten, totdat hij u neemt. 15

Katharina.

O! dan is rijkdom uw begeerte, en kiest

Gij Gremio, om een fraaien staat te voeren.

Bianca.

Is hij het, die uw nijd zoo wekt? O dan

Zijt gij aan ’t schertsen, en bespeur ik klaar,

Dat gij daar al den tijd aan ’t schertsen waart.

Ik bid u, Kaatje, laat mijn handen los.

Katharina.

Was alles scherts, houd dan ook dit er voor.

(Zij slaat haar.)

(Battista komt op.)

Battista.

Wat is dat hier? Mamsel, wat schand’lijk doen!—

Bianca, ga ter zijde!—arm kind! zij schreit!—

Bemoei u niet met haar; ga aan uw naaiwerk.—

Foei, helleveeg, zoo duivelsch van gemoed,

Wat krenkt gij haar, die u nooit heeft gekrenkt?

Heeft ze ooit een woord u in den weg gelegd?

Katharina.

Haar zwijgen jouwt mij uit; ik wil mij wreken.

(Zij vliegt naar Bianca toe.)

Battista.

Wat, voor mijn oogen?—Ga maar heen, mijn kind!

(Bianca af.)

Katharina.

Gij duldt het niet van mij? Ja ’t is te zien, 31

Zij is uw schat, aan haar bezorgt ge een man;

En ik moet op haar bruiloft barvoets dansen,

Om haar wis apen brengen naar de hel.

Zeg mij niets meer, ik wil gaan zitten weenen,

Totdat ik kans om mij te wreken zie.

(Katharina af.)

Battista.

Had ooit een vader zooveel uit te staan

Als ik?—maar wie komt daar?

(Gremio komt op met Lucentio, eenvoudig gekleed; Petruccio met Hortensio als muziekonderwijzer, en Tranio, gevolgd door Biondello, die een luit en boeken draagt.)

Gremio.

Goeden morgen, buurman Battista.

Battista.

Goeden morgen, buurman Gremio; gegroet, mijne heeren!

Petruccio.

Gegroet, heer! ’k Bid u, hebt gij niet een dochter

Met name Katharina, schoon en zedig?

Battista.

Ik heb een dochter, heer, met name Katharina.

Gremio.

Bedaard toch; val niet met de deur in ’t huis. 45

Petruccio.

Gij krenkt mij, Signor Gremio; laat mij maar.—

’k Ben uit Verona, heer, een edelman;

De roep van hare schoonheid, haar verstand,

Haar minzaamheid, beschroomde zedigheid,

Haar wond’re gaven en haar zachten aard,

Heeft mij, schoon ongenood, verlokt, als gast

Ten uwent te verschijnen, om mijn oog

Te doen aanschouwen, wat mijn oor vernam.

En om de’ ontvangst, die ’k hoop, mij te verwerven,

Sta ik u hier een van mijn dienaars af,

(Hij stelt Hortensio aan Battista voor.)

Die, met muziek en wiskunst wel vertrouwd,

Haar in die vakken deeg’lijk les kan geven,

Waarin zij, naar ik weet, geen vreemd’ling is;

Versmaad hem niet, want anders krenkt gij mij;

Zijn naam is Licio, van Mantua.

Battista.

Wees welkom, heer, en hij om uwentwil;

Maar ’k weet toch, dat mijn dochter Katharina

Niet van uw gading is, zeer tot mijn spijt.

Petruccio.

Gij wilt, naar ’k zie, van haar geen afstand doen;

Of moog’lijk staat u mijn persoon niet aan?

Battista.

Versta mij wèl; ik zeg slechts wat ik meen.

Maar zeg mij, heer, wat is uw naam en stam?

Petruccio.

Ik ben Petruccio, en Antonio’s zoon,

Een man, door heel Itaalje wel bekend.

Battista.

Ik ken hem wel, wees zijnentwege welkom.

Gremio.

Vergeef de stoornis, maar, Petruccio, gun

Ons, armen smeekelingen, ook het woord!

Houd in! gij draaft door dik en dun maar voort.

Petruccio.

Vergeef mij, Signor Gremio, maar ’k wensch gauw klaar te komen.

Gremio.

’k Geloof ’t, maar vrees, dat gauw, heer, de pret u wordt benomen.—

Buurman Battista, deze aanbieding is u ongetwijfeld bijzonder aangenaam. Om u van mijn zijde dezelfde beleefdheid te bewijzen,—en ik acht mij tot meer beleefdheid verplicht jegens u dan jegens iemand anders,—veroorloof ik mij, u dezen jeugdigen geleerde aan te bieden (Hij stelt hem Lucentio voor.), die lang in Reims gestudeerd heeft en even zoo bedreven is in het Latijn, Grieksch en voor andere talen, als die ander in muziek en wiskunde; zijn naam is Cambio; ik bid u, neem zijn diensten aan. 84

Battista.

Duizendmaal dank; Signore Gremio;—wees van harte welkom, Cambio.—Maar gij (Tot Tranio.), geachte heer, gij schijnt een vreemdeling: mag ik zoo vrij zijn te vragen, waaraan ik uw bezoek verschuldigd ben.

Tranio.

Vergeef, heer, mijn vrijmoedigheid is groot,

Dat ik, schoon vreemd’ling in deez’ stad, het waag

Te dingen naar de hand uwe dochter,

Bianca, rijk in schoonheid en in deugden.

Ook is mij welbekend, dat gij besloot

Het eerst uw oud’re dochter uit te huwen;

Wat ik u vraag, is daarom slechts de gunst,

Dat ik, als ge eens mijn afkomst weet, met de and’ren,

Die naar haar hand staan, toegang hebben moog’,

Mijn wenschen moge ontvouwen, als ik die and’ren.

Voor ’t onderwijs van uwe dochters kan ik

Slechts kleinigheden bieden: deze luit,

Dit stapeltje Latijnsche en Grieksche boeken;

Aanvaardt gij die, dan schenkt gij hun waardij.

Battista.

Lucentio is uw naam? Van waar afkomstig?

Tranio.

Van Pisa, heer; Vincentio is mijn vader.

Battista.

Een man van aanzien ginds, mij welbekend.

Van hooren zeggen: hartelijk welkom, heer.—

Neem gij (Tot Hortensio.) de luit, en gij (Tot Lucentio.) dien stapel boeken;

Zoo daad’lijk zult ge uw kweekelingen zien.

Heidaar! (Een Bediende komt.)—Hier, knaap, geleid deez’ heeren naar

Mijn dochters heen; zij zijn haar onderwijzers;

Verzoek voor hen alzoo een heusche ontvangst.

(De Bediende vertrekt, met Hortensio en Lucentio; Biondello volgt.)

Komt, gaan wij thans den tuin eens rond, en dan

Aan tafel; allen zijt gij hartlijk welkom;

Houdt u, dit bid ik, hiervan overtuigd.

Petruccio.

Signor Battista, hoor, mijn zaak eischt spoed;

Ik kan niet elken dag hier aanzoek doen.

Daar gij mijn vader kendet, kent ge mij,

Die al zijn land en goed’ren heb geërfd,

En sedert eer vermeêrd heb dan verminderd;

Zeg dus,—als ik het jawoord van haar krijg,—

Wat mij uw dochter wel ten huw’lijk brengt.

Battista.

De helft van al mijn goed’ren bij mijn dood,

En twintigduizend kronen zoo terstond. 123

Petruccio.

En ik, van mijnen kant, verzeker haar

Een weduwgift,—als zij mij overleeft,—

Van al mijn have en goed, hoe ook genaamd;

Nauwkeurig zij dit wett’lijk dus omschreven,

Opdat aan weêrszij het verdrag ons bind’.

Battista.

Ja, als maar eens de hoofdzaak zeker is:

Haar jawoord;—dit is nu het eerst en ’t laatst.

Petruccio.

O, dat is niets; want ik verklaar u, vader,

’k Ben even kort van stof als zij hooghartig;

En als één heftig vuur een ander vindt,

Dan wordt, wat hunne woede voedt, verteerd;

Een kleine wind blaast een klein vuur wel aan,

Doch een orkaan blaast vuur en alles uit;

Zoo ben ik haar, zoo geeft zij ’t mij gewonnen,

Want ik ben ruw en vrij niet als een melkmuil.

Battista.

Vrij hoe ge wilt; heb er maar zegen op;

Doch wapen u op enk’le booze woorden.

Petruccio.

Ik ben verstaald, onwrikbaar als een rots,

Die pal blijft staan, hoe fel de storm haar trots’.

(Hortensio komt op, met een wond aan ’t hoofd.)

Battista.

Wat is er, vriend? waarom ziet gij zoo bleek?

Hortensio.

Zie ik zoo bleek, dan is ’t van schrik, geloof me.

De getemde feeks, Tweede Bedrijf, Eerste Tooneel.

Battista.

En heeft mijn dochter aanleg voor muziek?

Hortensio.

Eer om soldaat te zijn; misschien houdt staal

Het in haar handen uit; een luit kan ’t niet.

Battista.

Dus denkt ge niet, dat zij de luit leert slaan?

Hortensio.

Neen, want zij sloeg de luit al op mij stuk.

Ik zeide alleen, haar vingergreep was valsch,

En boog haar zacht de hand tot beet’ren greep;

Daar werd zij ongeduldig, duivelsch; „noemt ge

„Dat grepen?” riep ze, „grijpen kan ik wel!”

En greep de luit en sloeg me er mee op ’t hoofd,

Zoodat mijn kop de luit geheel doorboorde;

Ik was een wijl verbluft en stond te kijken,

Als had ik ’t halsblok aan en stond te pronk;

En tevens riep ze: „Schelmsche vedelaar;”

En „Brekebeen!” en twintig zulke naampjes,

Als had ze voor mijn smaad die uitgezocht.

Petruccio.

Nu, bij mijn ziel, een aardig meisje! ik houd

Al tienmaal meer van haar dan vroeger; ’k wou,

Dat ik met haar al aan het babb’len was. 163

Battista.

Kom mee en wees niet zoo ontsteld; hervat

Uw onderwijs maar met mijn jongste dochter,

Die leerzaam en erkent’lijk zich betoont.—

Signor Petruccio, wilt gij met ons gaan?

Of zend ik hier mijn Kaatje naar u toe?

Petruccio.

Ja, doe dat, wees zoo goed; ik wacht haar hier,

(Battista, Gremio, Tranio en Hortensio af.)

En maak haar kluchtig ’t hof, zoodra zij komt.

Valt ze uit, dan zeg ik haar eenvoudig weg,

Dat zelfs de nachtegaal zoo mooi niet slaat;

En kijkt ze zwart, ik roem haar blikken, helder

Als morgenrozen, frisch met dauw gedrenkt;

En is ze stom en spreekt ze zelfs geen woord,

Dan roem ik luid de radheid van haar tong

En zeg, dat zulk een taal de ziel beweegt;

En roept ze: „Pak u weg!” dan dank ik haar,

Als had ze mij een week bij zich genood;

Verwerpt zij de’ echt, dan vraag ik haar, wanneer

Zij de geboden en het huw’lijk wil;—

Daar komt ze;—nu, Petruccio, doe uw woord!

(Katharina komt op.)

Goê morgen, Kaatje, want zoo heet ge, hoor ik.

Katharina.

Gij hoordet wel, maar toch niet naar behooren;

Wie van mij spreekt, die noemt mij Katharina.

Petruccio.

Onwaar, onwaar; men noemt u kortweg Kaatje,

En mooie Kaat, en soms ook korz’le Kaat;

Maar Kaatje, liefste Kaatje in ’t christendom,

Kaatje van Kaatjesstein, mijn poez’lig Kaatje,—

Wat Kaatje heet is poez’lig—daarom Kaatje,

Verneem van mij nu, Kaatje, gij mijn troost,

Ik hoorde alom uw lieve zachtheid prijzen,

Uw deugden noemen, en uw schoonheid roemen,—

Schoon niet zoo luide als gij verdient,—en dit

Heeft me aangezet om naar uw hand te staan.

Katharina.

Zoo? aangezet? Die u heeft aangezet,

Zette u weer weg! ’k Zag daad’lijk, dat gij plooibaar

En wel verzetbaar waart.

Petruccio.

En wel verzetbaar waart. Plooi- en verzetbaar?

Katharina.

Zooals een vouwstoel, ja.

Petruccio.

Zooals een vouwstoel, ja. Goed, zet u hier.

Katharina.

Juist, ezels moeten dragen, waarom gij niet?

Petruccio.

Juist, vrouwen moeten dragen, waarom gij niet? 100

Katharina.

Dacht gij me een knol, dat ik u dragen zou?

Petruccio.

’k Zal u geen last, misschien wel lastig zijn;

Want Kaatje, ik weet, ge zijt zoo jong, zoo lucht,—

Katharina.

Te lucht, dan dat een boer mij vangen zou;

Toch niet te licht; ik wil geen last er bij.

Petruccio.

’k Geloof het wel; de laster zwermt als bij

Vaak om u heen; gij kent zijn steek te wel.

Katharina.

Ik ducht dien niet; veeleer moog hij mij duchten.

Petruccio.

Dan zijt ge een wesp, en waarlijk al te fel.

Katharina.

Ben ik zoo wespig, ducht mijn angel dan.

Petruccio.

Die doet mij niets; ik ruk hem daad’lijk uit.

Katharina.

Ja, als een stumperd wist, waar die wel zit.

Petruccio.

Wie weet niet, waar een wesp haar angel draagt?

Ik vang de wesp, en moog ze ook tegenspart’len,

Ze raakt haar angel kwijt.

Katharina.

Ze raakt haar angel kwijt. Haar tong?

Petruccio.

Haar nagels eer, die knipt de man, die u,

Wild Kaatje, vangt, wel af.

(Katharina wendt zich om tot heengaan. Petruccio houdt haar vast.)

Wild Kaatje, vangt, wel af. Lief Kaatje, blijf;

Ik ben een edelman.

Katharina.

Ik ben een edelman. Dat wil ik zien.

(Zij slaat zijn handen weg.)

Petruccio

(grijpt haar handen vast). Bij God, ik klop u, waagt gij ’t weer, te slaan.

Katharina.

Dan raakt ge uw wapen kwijt.

Want die een vrouw slaat, is geen edelman;

Geen edelman, geen wapen.

Petruccio.

Geen edelman, geen wapen. Wat, lief Kaatje!

Gij wapenkoning? Zet mij in uw stamboek!

Katharina.

Wat is ’t blazoen? Een jonge haan, die koning

Wil kraaien, maar ’t niet kan? Of is ’t een zotskap?

Petruccio.

Een haan, die kraait, als Kaat mijn hen wil zijn. 227

Katharina.

Geen haan voor mij; gij kraait nog als een kuiken.

Petruccio.

Neen, Kaatje, kom, zet niet zoo’n zuur gezicht.

Katharina.

Zoo doe ik steeds, bij ’t zien van onrijp ooft.

Petruccio.

Hier is geen onrijp ooft; zie dus niet zuur.

Katharina.

Het is er wel.

Petruccio.

Het is er wel. Vertoon ’t mij dan!

Katharina.

Het is er wel. Vertoon ’t mij dan! Had ik

Een spiegel, ’k deed het.

Petruccio.

Een spiegel, ’k deed het. Wat? Bedoelt gij mij?

Katharina.

Wel knap bedacht voor een, die pas komt kijken.

Petruccio.

Ja, bij Sint Joris, ’k ben te jong voor u.

Katharina.

En toch verwelkt!

Petruccio.

En toch verwelkt! Van kwelling.

Katharina.

En toch verwelkt! Van kwelling. ’t Kwelt mij niet.

(Zij wil heengaan.)

Petruccio.

Neen, Kaatje, hoor mij; zoo ontsnapt gij niet.

Katharina.

Mijn blijven zou u erg’ren; laat mij gaan.

Petruccio.

Volstrekt niet; ’k vind u allerliefst. Men had

U mij geschetst als schuw en ruw en geem’lijk;

En nu vind ik ’t Gerucht een lastertong,

Want gij zijt vroolijk, geestig, allerhoflijkst;

Wat stil, maar lieflijk als een lentebloem;

Gij fronst het voorhoofd niet, ge kijkt niet donker,

Bijt niet, zooals een feeks doet, op de lip;

Gij hebt geen lust in vinnig tegenspreken,

Maar uw aanbidders boeit gij allerliefst

Met vriend’lijk, zacht, vertrouwelijk gesprek.

Hoe komt men aan ’t verhaal, dat Kaatje hinkt?

De wereld liegt, want Kaatje is slank en recht

Gelijk een hazeltak, ze is bruin van haar,

Gelijk een hazelnoot, en zoeter dan haar kern;—

O loop eens op;—neen, hinken doet ge niet.

Katharina.

Loop, dwaas, en geef uw orders aan uw knechts.

Petruccio.

Verheerlijkte ooit Diana zoo het woud,

Als Kaatje’s vorstelijke gang deez’ zaal?

Wees gij Diaan, en laat haar Kaatje zijn;

En dan zij Kaatje koud, Diana dartel.

Katharina.

Waar hebt gij al dien schoonen praat geleerd?

Petruccio.

Het is voor ’t vuistje, geest van moederswege. 265

Katharina.

Een geestrijk moeder en zoo’n geestloos zoon!

Petruccio.

Heb ik geen geest?

Katharina.

Nu, houd dien geest maar warm.

Petruccio.

Ja, lieve Katharina, in uw arm;

En ’k zet daarom deez’ praatjes aan een kant,

En zeg u kort en goed: uw vader stond

Mij ’t aanzoek toe; de bruidsschat is bepaald;

En, of gij ’t wilt of niet, gij wordt mijn vrouw.

Hoor, Kaatje, ik ben de rechte man voor u;

En bij dit licht, dat op uw schoonheid straalt,—

Uw schoonheid, die voorwaar me in liefde ontgloeit,—

Verlang niet naar een and’ren man dan mij;

Want, Kaatje, ik ben de man om u te temmen,

En uit een wilde kat een lief tam Kaatje

Te maken, als een lief en huis’lijk katje.

Daar komt uw vader aan; neen, weiger niet;

Ik moet en zal Kath’rina tot mijn vrouw.

(Battista, Gremio en Tranio komen weder op.)

Battista.

Hoe is ’t, signor Petruccio, u vergaan

Bij mijne dochter?

Petruccio.

Bij mijne dochter? Wel, zeer goed, zeer goed;

Hoe kon het anders zijn? Dacht gij van neen?

Battista.

Hoe, dochter Katharina, nog steeds knorrig?

Katharina.

Noemt gij mij dochter? Nu, ’k verzeker u,

Gij hebt mij teed’re vaderzorg getoond,

Door aan een halfgek mensch mij toe te zeggen,

Een dollen zotskap, een hansworst, die vloekt,

En met zijn vloeken waant zijn zaak te winnen.

Petruccio.

Hoor, vader, hoe het staat:—gijzelf en ieder,

Die van haar sprak, deedt steeds haar onrecht aan;

’t Is politiek, als zij zich korzel toont;

Zij is niet dwars, maar als een duif zoo zacht,

Geen heethoofd, maar gelijk de morgen frisch;

Griseldis streeft zij in geduld op zij,

In kuischheid Rome’s roem, Lucretia.

Dus kort en goed,—wij kwamen overeen:

Aanstaanden Zondag zal de trouwdag zijn.

Katharina.

Eer wil ik op dien Zondag u zien hangen.

Gremio.

Petruccio, hoor, zij wil u eer zien hangen.

Tranio.

Verging ’t u zoo?—Vaarwel dan onze kans! 303

Petruccio.

Stil, heeren, stil; ik koos haar voor mijzelf;

’t Gaat u niet aan, als ’t haar en mij zoo wel is.

Wij kwamen met ons tweeën overeen,

Dat zij voor ’t oog der wereld boos zou blijven;

Maar ’k zeg u, ’t is onmoog’lijk te gelooven,

Hoe veel zij van mij houdt, dat liefste Kaatje!—

Zij hing mij om den hals; met kus op kus,

Met eed op eed heeft zij mij zoo getroefd,

Dat ze in een oogwenk hart en al mij won.

O, gij zijt nieuw’lingen! ’t Is wonderbaar,

Hoe mak, zijn man en vrouw te zaam alleen,

Een lobbes zelfs de felste feeks kan maken;

Uw hand, mijn Kaatje; ik moet nu naar Venetië,

Om voor den trouwdag mij in ’t pak te steken;—

Richt, vader, ’t feest maar aan en vraag de gasten;

’k Voorspel, Kath’rina blijkt een schoone bruid.

Battista.

Ik sta verstomd, maar geeft mij beide’ uw hand.

(Hij grijpt beider hand en legt de handen ineen; Katharina houdt het gelaat afgewend, maar verzet zich niet.)

Petruccio, alle heil! gij zijt een paar.

Gremio en Tranio.

Wij zijn getuigen en wij zeggen amen.

Petruccio.

Bruid, vader, vrienden, thans vaarwel; ik moet

Nu naar Venetië; Zondag is nabij;—

Er moeten ringen, dingen, feestdos zijn;

Kom, kus mij, Kaatje; Zondag is ’t festijn.

(Petruccio en Katharina naar verschillende kanten af.)

Gremio.

Werd ooit een echt zoo plotseling beklonken?

Battista.

Voorwaar, ’k doe als een koopman, die soms slaagt,

Als hij in eens dolzinnig alles waagt.

Tranio.

Hier zou de waar verliggen, nu zal ze u

Nog voordeel geven, of op zee vergaan.

Battista.

Het voordeel, dat ik zoek, is rust en vreê.

Gremio.

Geen twijfel, of de rust valt hem niet meê.—

Maar nu, Battista, van uw jongste dochter;

’t Is nu de dag, zoo lang door ons verbeid.

Ik ben uw buur en vroeg het eerst haar hand.

Tranio.

Ik min Bianca meer, dan ooit de tong

Kan spreken, of het brein bevroedt.

Gremio.

Kan spreken, of het brein bevroedt. Jong mensch,

Mij werd wis meer dan u het hart geboeid.

Tranio.

Grauwbaard, ùw min verkilt. 340

Gremio.

Grauwbaard, ùw min verkilt. En de uwe schroeit.

Weg, spring-in-’t-veld! alleen wat rijp is voedt.

Tranio.

Het oog der vrouw vindt enkel jonkheid goed.

Battista.

Stil heeren! ’k maak aan dezen strijd een eind.

Dat daden spreken om den prijs te winnen;

En hij, die van u tweeën aan mijn dochter

Het grootste huw’lijksgoed verzeek’ren kan,

Die voer’ de bruid naar huis.—

Signore Gremio, wat kent gij haar toe?

Gremio.

Gij kent, vooreerst, mijn huis hier in de stad:

’t Is rijk voorzien van goud- en zilverwerk,

Waschbekken, kommen, voor haar fijne hand,

De wand alom met Turksch tapijt gedekt,

Mijn schat van kronen in ivoren koffers,

Vloerkleeden, fraaie spreien, welbewaard

In cederhouten kisten, bedbehangsels,

Troonhemels, Turksche kussens, rijk bezet

Met paarlen, dan gordijnen, geborduurd

Met gouddraad, werk van Venetiaansche kunst,

Fijn linnen, brons- en koperwerk en alles,

Wat in een deftig huis benoodigd is;

Dan heb ik op mijn hoeve een honderdtal

Melkkoeien, en vette ossen tien dozijn;

En al het oov’rige is zoo navenant.

Ik ben al wat op leeftijd, dit is waar;

Maar sterf ik morgen, al het mijne is ’t hare,

Als zij slechts mijn wil zijn, zoolang ik leef.

Tranio.

Nu, dit „slechts mijn” was kost’lijk;—hoor thans mij!

’k Ben een’ge zoon en erfgenaam mijns vaders;

Schenkt gij uw dochter mij tot vrouw, dan zijn

Voor haar in ’t rijke Pisa drie, vier huizen,

Zoo goed als hier in Padua de oude Gremio

Er een maar toonen kan, dan nog tweeduizend

Dukaten jaarlijksche opbrengst van de hoeven

Met vruchtbaar land; dit wordt op haar gezet.—

Nu, signor Gremio, zit gij niet in ’t nauw?

Gremio.

Tweeduizend stuks dukaten ’s jaars van land!

Zooveel brengt al mijn land mij saam niet op;

Doch ’t is voor haar; daarbij een koopvaardijschip,

Dat bij Marseille nu ter reede ligt;—

Nu, sloeg ik u daar met dit handelsschip?

Tranio.

Mijn vader, Gremio, heeft,—men weet het,—drie

Koopvaarders, dan nog twee galjoten en

Nog twaalf galeiën; ’t wordt haar toegekend;

En wat ge ook biedt, ik bied haar tweemaal meer. 382

Gremio.

Neen, ’k bood reeds alles aan; ik heb niet meer;

En meer dan ’k heb, kan ik haar toch niet bieden;—

Verkiest ge mij, dan is al ’t mijne aan haar.

Tranio.

Dan is, naar uw belofte, ’t meisje mijn,

En buiten kijf; ’k heb Gremio getroefd.

Battista.

Ja, ik erken, dat gij het meeste biedt;

En als uw vader zekerheid wil geven,

Dan is zij u: zoo niet, verschoon mij dan;

Stierft gij voor hem, waar bleef haar huwlijksgift?

Tranio.

Geen uitvlucht! hij is oud en ik ben jong.

Gremio.

De menschen sterven jong, zoowel als oud.

Battista.

Hoort, heeren, mijn besluit.

Gij weet nu, dat mijn dochter Katharina

Aanstaanden Zondag trouwen gaat; den Zondag

Die volgt, vier’ dan Bianca haar verloving,

Zoo gij mij zekerheid verschaft, met ù;

Zoo niet, met Signor Gremio;

Vaart beiden wel thans, en aanvaardt mijn dank.

(Battista af.)

Gremio.

Dag, buurman!—Knaap, ik ben niet bang; uw vader

Waar’ stapelgek, als hij u alles gaf,

En daardoor, oud en zwak, bij u de voeten

Moest steken onder tafel. Dwaas gekal!

Een oude rot loopt zoo niet in den val. 405

(Gremio af.)

Tranio.

Vervloekt uw listig, geel en rimp’lig bakhuis!

Maar ’k nam uw harteboer toch met een tien.—

Nu komt het er op aan, mijn heer te helpen.—

Het eenigst is, dat Schijn-Lucentio zorgt

Een vader Schijn-Vincentio te verkrijgen;

Een vreemd geval; ’t is meest de taak van vaders

Zich kind’ren te verwekken; bij deze vrijerij

Verwekt het kind een vader; o slimheid, sta mij bij!

(Tranio af.)

Derde Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Een kamer in Battista’s huis.

Lucentio, Hortensio en Bianca komen op.

Lucentio.

Terug, gij veed’laar! Man, gij wordt te vrij!

Ontging u reeds de groet, waarmede u pas

Haar zuster Katharina heeft verfrischt?

Hortensio.

Gij, twistziek schoolpedant! deez’ jonkvrouw is

De schutsgeest van de harmonie der heem’len;

Laat mij alzoo den voorrang; hebben wij

Een uurtje aan muziek besteed, dan worde

Gelijke tijd aan ’t lezen toegewijd.

Lucentio.

Bekrompen weetniet, heeft het lezen u

Zelfs niet geleerd, waartoe muziek wel dient?

Is ’t niet, om ’s menschen geest wat te verfrisschen

Na diep gepeins, na ’t zwoegen van den dag?

Erken dus ’t voorgaan der philosophie,

En kom in ’t rustuur met uw harmonie.

Hortensio.

Sinjeur, gij tart mij steeds! dit duld ik niet!

Bianca.

Maar heeren, beiden doet gij me onrecht aan,

En twist, waar mijn keus toch alleen beslist;

Ik ben geen schoolkind, dat de roede ducht;

’k Wil aan geen uur of tijd gebonden zijn,

Maar neem mijn les zooals ikzelf verkies,

En ik beslecht den twist: hier zetten we ons:—

Neem gij uw speeltuig, tokkel midd’lerwijl;

Zijn les zal uit zijn, eer gij hebt gestemd.

Hortensio

(tot Bianca). Gij houdt met lezen op, als ik gestemd heb?

(Hij gaat naar den achtergrond.)

Lucentio.

Nooit, zou ik wenschen;—(Tot Hortensio.) stem dan ’t instrument.

Bianca.

Waar zijn we laatst gebleven?

Lucentio.

Waar zijn we laatst gebleven? Hier, mejonkvrouw;

Hic ibat Simois, hic est Sigeia tellus;

Hic steterat Priami regia celsa senis.

Bianca.

Vertaal mij dit.

Lucentio.

Hic ibat, zooals ik u reeds gezegd heb,—Simois, ik ben Lucentio,—hic est, zoon van Vincentio van Pisa,—Sigeia tellus, zoo verkleed om uw liefde te winnen;—hic steterat, en de Lucentio, die naar uw hand staat,—Priami, is mijn dienaar Tranio,—regia, die mijn rol speelt,—celsa senis, om den ouden verliefden gek om den tuin te leiden. 37

Hortensio

(terugkeerend.) Mejonkvrouw, ’t speeltuig is gestemd.

Bianca.

Mejonkvrouw, ’t speeltuig is gestemd. Laat hooren!

(Hortensio speelt.)

O foei, de discant is nog valsch.

Lucentio.

Begin van nieuws af aan, man, stem nog eens.

(Hortensio gaat terug.)

Bianca.

Laat mij nu zien of ik ’t vertalen kan.

Hic ibat Simois, ik ken u niet;—hic est Sigeia tellus, ik vertrouw u niet; hic steterat Priami, pas op, hij hoore ons niet;—regia, vlei u maar niet; celsa senis, doch wanhoop niet.

Hortensio.

Jonkvrouw, ’t is nu gestemd.

(Hij speelt eenige accoorden.)

Lucentio.

Jonkvrouw, ’t is nu gestemd. De bas nog niet.

Hortensio.

De bas is zuiver, bas gij maar zoo niet.—

Wat wordt die hond, die schoolvos, onbeschaamd!

De kerel, bij mijn ziel, hij maakt haar ’t hof!

Pedascule, ’k houd u nog meer in ’t oog!

Bianca.

’t Geloof kàn komen, maar ik twijfel nog.

Lucentio.

O, twijfel niet;—(Hardop, daar Hortensio nadert.) geloof me, Æacides

Is Ajax, naar zijn voorzaat zoo genoemd.

Bianca.

’k Geloof ’t, wijl gij mijn leeraar zijt; doch anders,

’k Verzeker u, ik hield mijn twijfel vol.

Maar ’t zij dan zoo.—Thans Licio, tot uw dienst;—

Gij, goede meesters, duidt het mij niet euvel,

Dat ik zoo met u tweeën heb geschertst.

Hortensio

(tot Lucentio). Ga gij maar wand’len; laat mijn les hier vrij,

Want ik geef niet in trio’s onderricht.

Lucentio.

Zoo, eischt ge dat, heer?—Nu, ’k blijf in de buurt

En houd een oog in ’t zeil, want naar ik denk,

Wordt onze fraaie musicus verliefd.

(Hij gaat ter zijde.)

Hortensio.

Aleer gij, jonkvrouw, in de snaren grijpt

En op mijn wijs de vingerzetting leert,

Begin ik met het A B C der kunst;

De gamma leer ik u in korter tijd

En boeiender; ik ga meer recht naar ’t doel,

Dan vóór mij ooit een man van ’t vak het deed;

Hier hebt gij haar in keurig duid’lijk schrift.

Bianca.

Wel man, ik ben de gamma lang voorbij.

Hortensio.

Leg toch die van Hortensio niet ter zij. 72

Bianca

(leest). Ut ben ik, Gamma—grond van elk accoord;

A re—zegg’, welk een pijl Hortensio griefde;

B mi—Bianca, schenk me uw hart, uw woord;

C fa ut—Ach, ik leef slechts door uw liefde;

D sol re—Sleutel met een dubb’le noot;

E la mi—Ja is leven, weig’ring dood.

Is dit een gamma? die bevalt mij niet;

Ik houd mij liefst aan de oude en goede leerwijs,

En heb geen lust in dwaze nieuwigheid.

(Een Bediende komt op.)

Bediende.

Uw vader, jonkvrouw, vraagt, dat gij voor heden

Uw boeken rust geeft, en uw zusters kamer

Opsieren helpt voor ’t bruiloftsfeest van morgen.

Bianca.

Vaartwel, mijn beste meesters, ik moet heen.

(Bianca en de Bediende af.)

Lucentio.

Dan, jonkvrouw, heb ik ook geen grond tot blijven.

(Lucentio af.)

Hortensio.

Maar ik heb grond, dien schoolvos na te speuren!

Hij ziet er uit, als waar’ hij ook verliefd;—

Maar werpt gij zoo u weg, Bianca, dat

Ge uw dwalend oog op ieder lokaas slaat,

Dan strijk’ met u wie wil; zijt gij zoo grillig,

’k Zoek elders heil, en gij wordt me onverschillig.

(Hortensio af.)

Tweede Tooneel.

Aldaar. Voor Battista’s huis.

Battista, Gremio, Tranio, Katharina, Bianca, Lucentio en Bedienden komen op.

Battista

(tot Tranio). Dat is de dag, Lucentio, vastgesteld

Voor Katharina’s en Petruccio’s huw’lijk,

En nog hoor ik van onzen schoonzoon niets;

Wat zal dat een gepraat, een spotten zijn,

Dat er geen bruîgom is, terwijl de priester

Gereed staat om het huwlijk in te zeeg’nen!

Niet waar, Lucentio, welk een smaad op ons!

Katharina.

’t Is smaad op mij! Ja, ’k werd genoopt, de hand

Met tegenzin te reiken aan een dollen,

Grilzieken wildeman, die vliegensvlug

Verloofd wil zijn, maar trouwen, als ’t hem lust.

Ik zeide ’t wel, ’t was een bezeten zot;

Die bitt’re scherts verbergt in lompheids schijn,

Die graag, om maar voor grappig door te gaan,

Een duizend meisjes vraagt, het huw’lijk afspreekt,

De gasten nooden, de geboden gaan,

Maar ’t bruidje op de bruiloft zitten laat.

Nu wijst een elk op de arme Katharina,

En lacht: „Ei ziet, daar gaat Petruccio’s vrouw,

Als die maar komen en haar hebben woû!” 20

Tranio.

Bedaar, Kath’rina, en ook gij, Battista;

Ik zweer er op, Petruccio meent het goed,

Wat hem ook stremme in ’t houden van zijn woord.

Zij hij wat ruw, verstandig is hij zeer;

Drijv’ hij den spot, hij is een man van eer.

Katharina.

O, had hem Katharina nooit gezien!

(Katharina gaat weenend heen, gevolgd door Bianca en anderen.)

Battista.

Ga, kind, het spreekt van zelf, dat gij nu weent.

Want zulk een hoon verdroeg geen heil’ge zelfs,

Laat staan een driftkop van uw kreeg’len aard.

(Biondello komt op.)

Biondello.

O heer, heer! nieuws, oud nieuws en nieuws, zooals gij nog nooit gehoord hebt!

Battista.

Wat! nieuw en tevens oud? hoe kan dit zijn?

Biondello.

Wat! is het geen nieuws, te hooren, dat daar Petruccio komt?

Battista.

Is hij gekomen?

Biondello.

Wel neen, heer.

Battista.

Wat dan?

Biondello.

Hij is bezig te komen.

Battista.

Wanneer zal hij hier zijn?

Biondello.

Als hij staat, waar ik sta, en u daar ziet.

Tranio.

Komaan, voor den dag met uw oud nieuws!

Biondello.

Wel, Petruccio komt daar aan, met een nieuwen hoed en een oud wambuis; met een oude broek, die al driemaal gekeerd is; met een paar laarzen, die al voor kaarsenbakken gediend hebben, de een gegespt, de ander geregen, een ouden roestigen degen uit een stadsarsenaal, met een gebroken gevest en zonder haak; met twee gebroken broeknestels; zijn paard met ontwrichte heup, met een oud wormstekig zadel en tweeërlei stijgbeugels; bovendien, kuchende en niet vrij van ruggemergstering; lijdend aan speekselvloed, last hebbend van huidworm, vol gallen en met spatten, gestreept van de geelzucht, met ongeneeslijke halsgezwellen, sterk onderhevig aan duizelingen, opgevreten van de wormen, met een zadelrug en boegkreupel; zwak op de voorhand, en met een half verbogen stang en een hoofdstel van schapenleer, dat gedurig, als men het paard sterk ophield bij het struikelen, gebroken en dan weer aan elkander geknoopt is; een cingel, die al zesmaal gelapt is en een staartriem met fluweel van een dameszadel, waar nog mooi met koperen nagels twee letters van haar naam op staan, en die hier en daar met pakgaren gelapt is. 64

Battista.

En wie vergezelt hem?

Biondello.

Zijn lakei, heer, en die is waarachtig al evenzoo opgetuigd als het paard; hij heeft een garen hoos aan het eene been en een wollen sok aan het andere; den eenen knieband van rooden, den ander van blauwen zelfkant; een ouden hoed, en daarop „de veertig lustige liefdeliedjes” bij wijze van vederbos; een gedrocht, een waar gedrocht in zijn kleeding, in het geheel niet als een christenbediende of een edelmanslakei.

Tranio.

Een vreemde luim, die tot dit doen hem drijft;

Maar toch, hij gaat wel meer wat min gekleed.

Battista.

’k Ben blij toch, dat hij komt, hoe ’t dan ook zij.

Biondello.

Wel, heer, hij komt niet.

Battista.

Hebt gij dan niet gezegd, dat hij daar kwam?

Biondello.

Wie? dat Petruccio kwam?

Battista.

Ja, dat Petruccio kwam.

Biondello.

Neen, heer, zijn paard, komt met hem er bovenop,

Battista.

Och kom, dat is hetzelfde.

Biondello.

Neen, bij Sint Japik, en een duit verwed ik er om:

Een paard en een man is meer dan een, schoon lang geen ruiterdrom.

(Petruccio en Grumio komen op.)

Petruccio.

Waar is hier ’t schoon gezelschap? wie is thuis?

Battista.

Goed, dat gij komt.

Petruccio.

Goed, dat gij komt. En toch kom ik niet goed.

Battista.

Toch hinkt gij niet, heer.

Tranio.

Toch hinkt gij niet, heer. Niet zoo goed gekleed,

Als ik wel wenschte.

Petruccio.

Als ik wel wenschte. Al ware ik fijn gekleed,

Toch stoof ik met dezelfde vaart hier in.

Maar waar is Kaatje? waar mijn lieve bruid?—

Hoe vaart mijn vader?—Vrienden, zijt gij boos?

Wat gapen mij deze eed’le gasten aan,

Als ware hier iets wondervreemds verschenen,

Als zagen zij een monster, een komeet? 98

Battista.

Wel, heer, gij weet, dit is uw huwelijksdag;

Eerst waren wij bedroefd, dat gij niet kwaamt;

En thans nog meer bedroefd, dat gij zoo komt.

Foei, weg die kleeding! zij onteert uw stand,

En is een doorn in ’t oog bij zulk een feest!

Tranio.

En zeg ons, welk een oorzaak van gewicht

Zoo lang u van uw bruid verwijderd hield

En zoo onkenbaar u hierhenen dreef?

Petruccio.

’t Verhalen maakte uw oor, mijn tong vermoeid;

Genoeg, ik kwam hier aan en hield mijn woord,

Doch kon niet alles doen wat ik beloofde.

Maar dit zal ik te zijner tijd wel zoo

Rechtvaardigen, dat gij tevreden zijt.

Maar waar is Kaatje? ’k Moest lang bij haar zijn;

De zon staat hoog; ’t is tijd ter kerk te gaan.

Tranio.

Ga toch niet zoo gekleed naar uwe bruid,

Kom met mij mee, trek kleed’ren aan van mij.

Petruccio.

Neen, waarlijk niet; neen, zoo bezoek ik haar.

Battista.

Maar zoo, verwacht ik, gaat gij niet ter trouw.

Petruccio.

Waarachtig, zoo; daarom, geen woorden meer!

Zij trouwt met mij, en niet met mijn gewaad;

Vernieuwde ik, wat zij mij verslijten zal

Zoo snel, als ik dit poover kleed vervang,

’t Waar’ goed voor Kaatje en beter voor mijzelf.

Maar dwaas, dat ik met u hier babb’len blijf,

En niet mijn bruid een blijden morgen wensch,

Dien naam bezeeg’lend met een teed’ren kus!

(Petruccio, Grumio en Biondello af.)

Tranio.

Hij heeft een doel met deze dolle kleeding;

Maar laat ons, is het moog’lijk, hem bepraten,

Dat hij zich voor den kerkgang beter kleedt.

Battista.

Ik volg hem om te zien, waar dit op uitloopt.

(Battista, Gremio en Bedienden af.)

Tranio

(tot Lucentio). Heer, bij haar liefde hebben wij volstrekt

Haars vaders jawoord noodig, en hiertoe

Zie ik, zooals ik u reeds heb gezegd,

Naar iemand uit;—het doet er niet veel toe

Wie ’t is; wij zullen hem zijn rol wel leeren,—

Die voor Vincentio van Pisa speelt;

Die waarborg’ schrift’lijk hier in Padua

U grooter sommen zelfs dan ik beloofde.

Dan ziet gij spoedig uwe hoop vervuld,

En huwt uw bruidje met haars vaders wil.

Lucentio.

Als maar mijn kameraad, die and’re leeraar,

Bianca’s schreden niet zoo scherp in ’t oog hield,

Dan waar’ een heim’lijke echt het best. Is die

Gesloten, zegge ook heel de wereld „neen”,

Ik trots geheel de wereld, zij blijft mijn. 144

Tranio.

Wij willen dit van stap tot stap bepraten,

En uitzien, wat ons voordeel brengen kan;

Licht foppen wij dan grauwbaard Gremio,

Den schuwen loeroog, vader Minola,

Den smachtenden muziekgek, Licio,

En alles voor mijn heer, Lucentio.—

(Gremio komt terug.)

Reeds uit de kerk terug, signore Gremio?

Gremio.

Zoo vlug als ik maar ooit de school ontvlood.

Tranio.

En komt de jonge man en vrouw reeds aan?

Gremio.

De jonge man? zeg eer, de wildeman,

Een kregelkop, dit zal zij ondervinden.

Tranio.

Wat, kreeg’ler nog dan zij? Dit kan toch niet.

Gremio.

Een duivel is hij, duivel, satan zelf.

Tranio.

Zij is een duivelin, des duivels moêr.

Gremio.

Zij is een kind, een duifje, een lam bij hem.

’k Zal u vertellen; op des priesters vraag:

„Wenscht gij deez’ Katharina tot uw vrouw?”

Riep hij: „Verduiveld graag”, en vloekte zoo,

Dat van den schrik de priester ’t boek liet vallen;

En toen hij, om het op te rapen, bukte,

Gaf hem de dolle bruîgom zulk een duw,

Dat paap en boek daar lag, en boek en paap;

Toen riep hij: „Raap hen op! wie lust heeft, raap!”

Tranio.

Wat zei de sukkel, toen hij weder stond?

Gremio.

Die rilde en beefde; hij toch stampte en zwoer,

Dat hem de kapelaan voor ’t lapje hield.

Maar nauw’lijks was de plechtigheid volbracht,

Of hij schreeuwt luid om wijn en roept: „Daar ga je”,—

Als was hij op zijn schip, en met zijn volk

Na storm aan ’t drinken,—giet den wijn naar binnen,

En wierp, wat van den huwlijkskoek in ’t glas

Nog over was, den koster in ’t gezicht;

En uit geen and’ren grond,

Dan dat zijn baard zoo schraal en hong’rig was,

Dat die bij ’t drinken om een sopje vroeg;

Toen greep hij woest zijn bruidje om den hals,

En gaf haar zulk een smakkend luiden kus,

Dat, toen hij losliet, heel de kerk weerklonk.

Toen ik dat zag, liep ik van schaamte weg,

En zeker volgt de trein mij op den voet.

Zoo dwaas een huw’lijk werd nog nooit gesloten;—

Ja, luister! ’k hoor de muzikanten al! 185

(Muziek.)

(Petruccio, Katharina, Bianca, Battista, Hortensio, Gremio en Anderen komen op.)

Petruccio.

Mijnheeren, vrienden, ’k dank u voor uw moeite;

Ik weet, gij dacht hier met mij aan te zitten

En hebt een kost’lijk bruiloftsmaal gereed;

Maar tot mijn spijt drijft groote haast mij heen,

Waarom ik hier nu afscheid nemen wil.

Battista.

Is ’t moog’lijk, wilt gij nog deze’ avond weg?

Petruccio.

Ik moet bij dag nog heen, eer de avond valt;—

Weest niet verbaasd; waar’ de oorzaak u bekend,

Eer drongt gij, dat ik ging, dan dat ik bleef.

Vereerd gezelschap, dank u allen, die

Getuigen waart, hoe ik mijn leven aan

Deez’ zachte, lieve en eerb’re gâ verbond;

Spijst met mijn vader, wijdt een dronk aan ons,

Want ik moet heen;—en nu, vaart allen wel.

Tranio.

Laat u verbidden, blijf tot na het maal.

Petruccio.

Het kan niet zijn.

Gremio.

Het kan niet zijn. Laat mij u dan verbidden.

Petruccio.

Het kan niet zijn.

Katharina.

Het kan niet zijn. Laat mij u dan verbidden.

Petruccio.

Nu is het goed.

Katharina.

Nu is het goed. Is ’t u nu goed, te blijven?

Petruccio.

Het is mij goed, dat gij me om blijven bidt;

Maar blijven kan ik niet, hoe gij me ook bidt.

Katharina.

Zoo gij mij liefhebt, blijf.

Petruccio.

Zoo gij mij liefhebt, blijf. Grumio, mijn paarden!

Grumio.

De paarden staan klaar, heer, de haver heeft ze al opgevreten.

Katharina.

Nu dan,

Doe wat gij wilt, van daag reis ik niet af;

Ook morgen niet, niet eer dan ik ’t verkies.

De deur is open, heer, daar ligt uw weg;

Hots gij maar weg, als gij op spelden staat;

Ik ga niet heen, niet eer dan ik ’t verkies;—

Dat moet toch wel een echte brombeer zijn,

Die zoo op de’ eersten dag zijn klauw al toont!

Petruccio.

Kom, Kaatje, kalm; ik bid u, word niet boos.

Katharina.

Ik wil nu boos zijn; waarom blijft gij niet?

Neen, vader, stil; hij blijft zoolang ik wil. 219

Gremio.

O heer, daar hebt ge ’t lieve leven al.

Katharina.

Komt, heeren, voorwaarts nu naar ’t bruiloftsmaal!

Ik zie het al, de vrouw wierd een malloot,

Had zij de kracht, den moed niet tot verzet.

Petruccio.

Zij zullen doen wat gij gezegd hebt, Kaatje;—

Gehoorzaamt allen; ’t is de bruid, die ’t wil;

Viert feest en jubelt; voert de vreugd in top;

Wijdt aan haar vleklooze onschuld meen’gen dronk;

Weest uitgelaten dol,—of hangt u op;

Maar hier mijn beste Kaat, zij gaat met mij.

Neen, blikt niet boos, stampt, raast en tiert maar niet;

’k Wil meester zijn van wat mijn eigen is;

Zij is mijn have en goed; zij is mijn huis,

Mijn huisgerief, mijn veld, mijn korenschuur,

Mijn paard, mijn os, mijn ezel, ja mijn al;

Hier staat ze; wie het hart heeft, raak’ haar aan;

Ik daag ter rekenschap wien ook, die stout

Den weg me in Padua verspert.—Trek, Grumio,

Trek, trek uw zwaard; zie, ons omsing’len roovers;

Bevrijd uw meesteres: toon u een man;—

Vrees niets, mijn schat; zij doen u niets, mijn Kaatje;

Ik ben uw schutse, al waren ze een miljoen!

(Petruccio, Katharina en Grumio af.)

Battista.

Nu, laat hen gaan, een paar zoo zacht als lamm’ren.

De getemde feeks, Derde Bedrijf, Tweede Tooneel.

Gremio.

Waar’ ’t niet zoo snel gegaan, ’k waar’ dood van ’t lachen.

Tranio.

Zoo dol een echt werd nergens ooit vertoond!

Lucentio.

Wat zegt ge, jonkvrouw, thans wel van uw zuster?

Bianca.

Ze is een zottin, en heeft een zot tot maat.

Gremio.

Ik sta hem borg, zijn Kaatje blijkt een Kaat.

Battista.

Komt, buren, vrienden! Bruid en bruidegom

Ontbreken, ja, aan onze tafel, maar

Daarom ontbreken lekkernijen niet;—

Neem gij de plaats des bruigoms in, Lucentio;

En gij, Bianca, eens de plaats der bruid.

Tranio.

Zal dus Bianca leeren bruid te spelen?

Battista.

Dat zal ze, ja, Lucentio.—Vrienden, komt!

(Allen af.)