WeRead Powered by ReaderPub
De Gouden Vaas cover

De Gouden Vaas

Chapter 3: INLEIDING
Open in WeRead

About This Book

A young student named Anselmus in Dresden drifts from mundane clerkly life into encounters with a mysterious archivist and an enchanted woman who appears as both serpent and lover; magical objects, notably a golden vessel, and visionary episodes blur ordinary reality and the supernatural. The tale alternates realist street scenes with dreamlike intrusions and comic satires of bureaucratic and academic pretensions, tracing his inner transformation as he wrestles with temptation, artistic calling, and the choice between prosaic security and imaginative transcendence.

The Project Gutenberg eBook of De Gouden Vaas

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De Gouden Vaas

Author: E. T. A. Hoffmann

Translator: Karel Johan Hendrik Wasch

Release date: December 8, 2006 [eBook #20056]

Language: Dutch

Credits: Produced by Louise Hope, Frank van Drogen, Miranda van de
Heijning and the Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE GOUDEN VAAS ***

Een aantal typografische fouten is gecorrigeerd. Ze zijn met popups aangegeven. Aanhalingstekens zijn toegevoegd bij citaties die meer dan één paragraaf omspannen.

De naam „Veronika” of „Veronica” wordt 1.-3. „Nachtwaak” met k, 5.-einde met c geschreven.

[Tekst]

 
 

DE GOUDEN VAAS

 
 

[Tekst]

INHOUD

Bldz.
Inleiding V
Eerste Nachtwaak 1
Tweede 8
Derde 17
Vierde 24
Vijfde 32
Zesde 42
Zevende 51
Achtste 58
Negende 68
Tiende 77
Elfde 84
Twaalfde 90

INLEIDING


Hoe weinig kent men ten onzent de fantastische en geestige geschriften van Ernst Theodor Amadeus Hoffmann, rechter, kapelmeester, componist, teekenaar, puntdichter, maar toch vooral verteller! Verteller uit den tijd der romantiek — een neo-romantiker noemde Goethe hem met eenige schamperheid — maar ten onrechte veel minder genoemd, in deze dagen, nu de belangstelling voor dit tijdvak ook hier herleeft, dan anderen.

Ten onrechte, in zeker opzicht althans. Want het is waar dat zijn omvangrijke werk (omvangrijk alleen al, waar men slechts aan het zuiver literaire denkt, en de beschouwingen over muziek enz. ter zijde laat) vele fouten aankleven. Zijn fantasie vervalt dikwijls in een met den besten wil niet anders dan kinderachtig te noemen belangstelling in vulgair bijgeloof. Hij tracht ons, met een welsprekendheid een betere zaak waardig, bang te maken voor de banaalste bakersprookjes. Hekserij, griezeligheid van de grofste soort, ziekelijke, smakelooze detailbeschrijving van perverse neigingen en perverse daden, een weerzinwekkende en in den grond onartistieke voorkeur voor onopgeloste problemen van spokerij en somnambule-toeren bederft sommige van de fijnst gecomponeerde, geestigst geschreven verhalen. De zelfcritiek was levendig genoeg in hem, om hem meermalen in staat te stellen tot een allervermakelijkst den spot drijven met die eigen neiging, zijn zelfbeheersching was niet groot genoeg om hem te bewegen zulke perioden ganschelijk weg te laten of te schrappen. Hij kon zichzelf kastijden, zichzelf bespotten; zichzelf verbeteren kon hij niet. Hij is dikwijls bij zijn vertellingen vol fijne stemming en fijnen humor zoozeer om een intrige verlegen, dat hij die halen moet uit de meest verwarde, meest onzinnige gegevens van het platte bijgeloof.

Of, als hij het niet in het griezelige zoekt, kan hij somtijds ook op een ander terrein droevig dwalen. Zoo mooi en lief als sommige van zijn sprookjes zijn, zoo mislukt zijn andere in hun omslachtigheid, eindeloosheid en verwarring. Alsof hij er telkens een stukje bij geschreven had zonder het voorgaande over te lezen, zich hopeloos verwikkelend in een warnet van zijn eigen allegorie, zich ternauwernood reddende door zijn nooit falende geestigheid, zich als Münchhausen, met een tour-de-force, meer vernuftig dan overtuigend, aan de haren optrekkend uit het moeras.

Dit laatste gebrek is eigen ook aan zijn beste vertellingen. Hoe eindeloos zijn de verwikkelingen, hoe verbijsterend is de voortdurend een ander karakter aannemende allegorie in Meister Floh, in Princessin Brambilla, de door Baudelaire terecht zoo geprezen verhalen.

Weinig in Baudelaire’s mooien bundel „Curiosités esthétiques” besproken kunst voldoet intusschen zoozeer aan de verwachtingen, door dezen titel opgewekt, weinig kunst, beeldende of woordkunst is zóó esthetisch en tevens zóó curieus.

Welk een beeldenrijkdom, welk een beschrijvingskunst, welk een schoone fantasie ook, die de minder schoone verdringt, welk een gemoedelijke fijne, somtijds werkelijk edele humor in deze bizarre vertellingen! Hoe groot is de levenswijsheid, daarin op de meest onverwachte wijze, in den meest oorspronkelijken vorm getoond! Hoezeer is hier zelfs het eeuwig raisonneeren en voor en tegen pleiten, en hoezeer zijn de uitwijdingen en de terzijdetjes tot den lezer en de geheimpjes met den lezer, amusant en genoegelijk! En die beschrijving van zulke in anderen vorm nauwelijks meer te genieten bedenksels als feeëngewaden, kobold-koning-stoeten, toovenaarspaleizen! In zijn boeken leeren wij opnieuw belangstellen in den eeuwigen, dweependen Duitschen student met de blauwe oogen, de blonde lokken en de melankolieke verliefdheid. Met goelijken humor weet hij zijn bewondering te doen aanvaarden zelfs voor het traditioneele Duitsche meisje met de gele vlechten, de vergevorderde kookkunst en de dikke moeder. Zelfs de onmisbare, ons in theorie onuitstaanbare demonische figuur met den mantel en de heesche stem, de nooit falende booze geest in het romantische verhaal, oud of nieuw, goed of slecht, weet hij ons te doen aanvaarden. Hij valt zichzelf in de rede, hij spreekt zichzelf toe, hij vat ons bij den knoop van het vest of stoot ons tusschen de ribben, neemt ons in het vertrouwen of gekscheert met ons over zijn eigen helden en heldinnen, hij voorkomt elke critiek onzerzijds door een eigen, zeer treffende bij te dragen, en hij gaat voort ons te boeien, te vermaken, te doen huiveren en te mystificeeren. Hij stelt ons teleur met het slot van het eene verhaal, om ons weer te paaien met het schitterend, veelbelovende begin van een ander. Hij heeft alle fouten en alle deugden — behalve, reserve, zelfbeheersching. Hij fascineert ons, na ons doodelijk te hebben verveeld; hij verzoent zich met ons, na ons gruwelijk te hebben geërgerd. Zijn dartelheid zelfs is soms vermoeiend. Hij weet van geen uitscheiden. Als een kind, dat een mooi spelletje bedacht heeft, blijft hij doorzeulen op zijn toch eigenlijk zoo aardige stokpaardjes. Om dan opeens weer te komen met een nieuwe vondst en de vorige te vergeten, ons opnieuw te boeien en opnieuw te ergeren. Aan een sentimenteel verhaal knoopt hij een cynisch slot. Hij speelt met zijn eigen verwardheid, slaat munt uit zijn eigen grilligheid.

*   *   *

Dit nog wat heel vage sprookje „der Goldene Topf” bekoort misschien minder dan zou kunnen zijn, omdat de schrijver er een jongeling zich laat verlieven op een slang, die weliswaar eigenlijk een mooi meisje in betooverde gestalte blijkt te zijn, maar wat toch iets onaangenaams heeft. Een slang is nu eenmaal in onze oogen een eenigszins griezelig en verraderlijk dier, terwijl het geheel niet in de bedoeling des dichters ligt, daarin iets griezeligs te geven. Toch zijn er kostelijke beschrijvingen in, van een voliére met wonderlijke vogels, een heksenkeuken, en een allerkluchtigste dronkemanspartij van twee ingetogen geleerden en een nog ingetogener student, die de wonderlijkste wartaal uitslaan, zulke wartaal als Hoffmann nu eenmaal zoo geniaal weet weer te geven.

CORNELIS VETH.


EERSTE NACHTWAAK


De ongevallen van den student Anselmus. Conrector Paulmann’s gezondheidsknaster1 en de goudgroene slangen.

p Hemelvaartsdag, ’s middags om drie uur, holde een jonge man in Dresden de Zwarte Poort door en kwam midden in een korf met appelen en koeken terecht, die een oud, leelijk wijf te koop bood, zoodat alles wat ongekneusd bleef eruit werd geslingerd en de straatjongens leutig den buit gingen verdeelen, die hun de haastige heer had toegeworpen. Op de jammerklachten, die de oude vrouw aanstemde, verlieten de geburen haar koek- en brandewijnstalletjes, omringden den jongen man en scholden op hem los met grove heftigheid, zoodat hij, sprakeloos van ergernis en schaamte, haar zijn kleinen, niet bijster gevulden geldbuidel toestak, welken de oude begeerig aangreep en haastig wegborg. Nu opende zich de vastgesloten kring, en terwijl de jonge man eruit schoot riep de oude hem na: „Ja, ren maar, ren maar door, Satanskind — in ’t kristal kom je ten val, in ’t kristal.”

De schelle, krijschende stem van het wijf had zoo iets ontzettends, dat voorbijgangers verwonderd staan bleven en het gelach, dat zich eerst verbreid had, op eens verstomde. De student Anselmus (niemand anders was de jonge man) werd, ofschoon hij de wonderlijke woorden der oude gansch niet begreep, door een huivering bevangen en nog meer verhaastte hij zijn tred om zich aan de op hem gerichte blikken der nieuwsgierige menigte te onttrekken. En terwijl hij zich door het gewoel der fraai-uitgedoste menschen heenwerkte, hoorde hij rondom mompelen: „die arme jongen, hè, om zoo’n vervloekt wijf.” Want op wonderdadige wijze hadden de geheim-zware woorden der oude aan het belachelijk avontuur een zekere dramatische wending gegeven, waardoor men den van tevoren gansch onopgemerkte nu met deelneming nazag. En de vrouwen vergaven om zijn goedgevormd gezicht, waarvan het expressieve nog verhoogd werd door innerlijke woede, zoowel als om zijn krachtigen bouw, den jongeling alle onhandigheid en het zich buiten ’t gebied van elke mode bevinden zijner kleedij. Zijn blauw-grijze overrok was namelijk gesneden als had de kleermaker, die deze bewerking verrichten moest, de moderne vormen alléén gekend van hooren zeggen en het smetteloos gedragen onderkleed van zwart atlas gaf aan het geheel een zekeren schoolmeester-achtigen stijl, die volstrekt niet bij zijn gang en houding paste.

Toen de student haast het einde der allee bereikt had, die naar het Linkesche bad voert, restte hem bijna geen adem meer. Hij was gedwongen langzamer te gaan; doch nauwelijks waagde hij het de oogen op te slaan, want nog immer zag hij zich van appelen en koeken omdanst en elke vriendelijke blik van het een of ander meisje scheen hem slechts de weerkaatsing van het hoongelach bij de Zwarte Poort.

Zoo kwam hij aan den ingang van het bad-Linke; de ééne rij feestelijk uitgedoste menschen na de andere trok binnen. Muziek van blaasinstrumenten weerklonk; luider en luider woelden de vroolijke gasten dooreen. Bijna kwamen tranen in de oogen van den armen student Anselmus, want ook hij had, daar Hemelvaartsdag altijd een bijzonder huiselijk feest voor hem geweest was, aan de gelukzaligheden van het Linkesche paradijs willen deelnemen, ja, hij had zelfs willen gaan tot een kopje koffie met rum en een flesch donker bier en om aldus flink te kunnen brassen, meer geld meegenomen dan wel geoorloofd en doenlijk was. En nu had de noodlottige stap in den korf met appelen hem alles gekost, wat hij bij zich had. Noch aan koffie, aan het zware bier, aan muziek, aan het bekijken der mooi-gekleede meisjes, noch aan één der andere gedroomde genietingen viel meer te denken; langzaam sloop hij voorbij en sloeg eindelijk den weg naar de Elbe in, die juist geheel verlaten was. Onder een vlierboom, uit een muur gegroeid, vond hij een aangenaam grasplekje; daar ging hij zitten en stopte zich een pijp van den gezondheidsknaster, dien zijn vriend, conrector Paulmann, hem gegeven had.

Vlak voor hem plasten en ruischten de goudgele golfjes der schoone Elbe, waarachter het heerlijke Dresden koen en trotsch zijn lichte torens hief in de nevelige luchten, neerzinkend op de bloemige weiden en frischgroene wouden, terwijl uit diepe schemering kantige gebergten kond deden van ’t verre Bohemerland. Maar donker voor zich heenziende, blies de student Anselmus rookwolken in de lucht en zijn wrevel brak eindelijk uit, toen hij sprak: „Het is waar, ik ben voor alle mogelijke jammer en ellende geboren! Dat ik nooit de boon heb getroffen uit den Driekoningenkoek, dat ik bij even of oneven altijd verkeerd raadde, dat mijn boterham steeds op den vetten kant gevallen is, ach, van al deze jammeren wil ik nog niet spreken; maar is het niet een verschrikkelijk noodlot, dat ik, nu ik, Satan ten spijt, student geworden ben, een arm student2 moet zijn en blijven? Kan ik wel ooit een nieuwen rok aantrekken zonder er den eersten keer direkt een vetvlek aan te maken, of mij aan een slecht ingeslagen spijker er verduiveld een gat in te trekken? Kan ik wel ooit een hofraad of een dame groeten zonder mijn hoed ver van mij af te slingeren of wel uit te slieren op den gladden grond en onhandig te blijven liggen spartelen? Had ik in Halle niet reeds iederen marktdag een vaste uitgave van drie tot vier groschen voor stukgetrapte potten, omdat de duivel mij dwong, mijn weg juist te nemen als de Lemmingen.3 Ben ik een enkele maal op college of waar men mij genood had, precies op tijd gekomen? Wat baatte het, of ik al een half uur tevoren vertrok en voor de deur ging staan met de klink in de hand; zoodra ik deze met klokslag wilde oplichten, goot immers de duivel een waschkom over mijn hoofd uit of liet mij met iemand, die het huis uitkwam, in botsing komen, zoodat ik in duizend onaangenaamheden verwikkeld werd en daardoor alles misliep. Helaas, waar zijt gij heen, droomen van toekomstig geluk, waarin ik trotschelijk waande, het wel tot geheimsecretaris te zullen brengen! Heeft niet mijn ongelukkig gesternte mij met mijn machtigste beschermers in onvrede gebracht? Ik weet, dat de geheimraad, bij wien ik ben aanbevolen, geen kort gesneden haar kan uitstaan; met moeite weet de kapper een staartje aan mijn achterhoofd te bevestigen, maar bij de eerste buiging springt het ongelukslintje stuk en een vroolijke mopshond, die mij besnuffelt, apporteert dol-verheugd het staartje haar aan den geheimraad. Verschrikt spring ik het na en val over de tafel heen, waaraan hij, al ontbijtend, had zitten werken, zoodat kopjes, borden, inktpot en zandkoker er kletterend afrollen en de stroom van chocolade en inkt zich juist over den pasgeschreven aanbevelingsbrief uitstort. „Is u bezeten, mijnheer!” roept de vertoornde geheimraad, terwijl hij mij de deur uitschuift. Wat baat het of conrector Paulmann mij al het vooruitzicht op een betrekking als schrijver geopend heeft; zal mijn ongelukkig gesternte, dat mij overal vervolgt, het toelaten? — Vandaag nog! — De mooie Hemelvaartsdag wilde ik echt plezierig doorbrengen, ik wilde er flink wat aan spendeeren. Evengoed als iedere andere gast had ik in bad-Linke trotsch kunnen roepen: Marqueur — een flesch donker bier — maar van ’t beste, alsjeblieft! Ik had er tot ’s avonds laat kunnen zitten en bovendien dicht bij ’t een of ander gezelschap prachtig aangekleede mooie meisjes. Ik weet het, dan zou ik moedig geworden zijn, een ander mensch; ja, ik had het wel zóó ver gebracht, dat ik, als deze of gene gevraagd had: „hoe laat zou ’t wezen” of „wat spelen zij daar toch,” met luchtige beleefdheid zou zijn opgesprongen zonder mijn glas om te gooien of over de bank te struikelen; ik zou dan in gebogen houding anderhalve pas voorwaarts tredend, gezegd hebben: „Pardon, mademoiselle, dat is de ouverture uit het Donau-weibchen” of „Het zal direct zes uur slaan.” Had iemand ter wereld mij dat kwalijk kunnen nemen? Neen, zeg ik, de meisjes zouden mij zoo schalks lachend hebben aangezien, als altijd wanneer ik moed genoeg heb om te toonen, dat ik ook den conversatietoon weet te pakken en met dames kan omgaan. Maar daar brengt Satan mij in die verdoemde appelmand en nu moet ik hier in eenzaamheid mijn gezondheidsknaster....”

Hier werd de student Anselmus in zijn zelfgesprek onderbroken door een zonderling geruisch en geritsel, dat zich in ’t gras dicht bij hem deed hooren, om dan te verglijden in de bladen en twijgen van den vlierboom, die over zijn hoofd zich welfde. Nu was het als roerde de avondwind de bladeren, dan als koosden vogeltjes in de twijgen, de kleine vlerken in opzettelijk heen-en-weer-fladderen bewegend. Toen begon een gefluister en een gelispel en het was, alsof de bloesems tonen uitluidden gelijk hangende kristallen klokjes. Anselmus luisterde en luisterde. Toen verwerd, hij wist niet hoe, het gelispel en gefluister en getingel tot zachte, half verwaaide woorden:

„Tusschendoor — tusschenin — tusschen twijgen, tusschen zwellende bloesems, schommelen, strengelen, slingeren wij ons — zustertjes, zustertjes, schommel je in schemering — snel, snel, omhoog, — omlaag — stralen schiet d’avondzon — d’avondwind fluistert — ruischt er de dauw — zingende bloesems — roeren wij tongetjes, zingen wij met bloemen en twijgen — sterren dra stralen nu — moeten wij heen — tusschen door, tusschenin, strengelen, slingeren, schommelen w’ons zusters klein.”

Zoo ging het voort: een ’t verstand verwarrend gesprek. De student Anselmus dacht: dat is toch maar de avondwind, die vandaag met gewoon verstaanbare woorden fluistert. Maar op ’t zelfde oogenblik weerklonk boven zijn hoofd als een driestemmig accoord van heldere kristallen klokjes; hij zag op en aanschouwde drie goud-groen glanzende slangetjes, die zich om de twijgen gewonden hadden en de kopjes der avondzon tegemoet strekten. Toen fluisterde het en lispelde het opnieuw in dezelfde woorden en de slangetjes gleden en speelden op en neer door de bladeren en de twijgen en terwijl zij zoo snel zich bewogen, was het alsof de vlierboom duizenden fonkelende smaragden strooide door zijn donkere bladen.

„Dat is de avondzon, die zoo in ’t vlierboschje speelt,” dacht de student Anselmus, maar toen weerklonken wederom de klokjes en Anselmus zag hoe één slang haar kopje naar hem neerboog. Het ging door al zijn leden als een electrische schok, zijn diepste wezen sidderde — hij staarde omhoog waar een paar heerlijke donkerblauwe oogen hem met onzegbaar verlangen aanzagen, zoodat een nooitgekend gevoel van hoogste zaligheid en diepste smart tegelijk, zijn borst als wilde doen springen. En wijl hij vol heet verlangen aldoor in de goddelijke oogen schouwde, weerklonken sterker de kristallen klokjes met lieflijke akkoorden en de fonkelende smaragden vielen op hem neer en omringden hem met duizenden vlammetjes, rond hem flakkerend en spelend met schemerende gouddraden.

De vlierboom bewoog zich en zeide: „Gij laagt in mijn schaduw, mijn geur omvloeide u, doch gij verstondt mij niet. De geur is mijn taal, als haar de liefde ontsteekt.”

De avondwind streek voorbij en sprak: „Ik omspeelde uw slapen, doch gij verstondt mij niet, de adem is mijn taal, als haar de liefde ontsteekt.”

De zonnestralen braken door de wolken en de schijn brandde als woorden: „Ik omgoot u met gloeiend goud, maar gij verstondt mij niet: Gloed is mijn taal, als haar de liefde ontsteekt.”

En al inniger verzonken in den blik van het heerlijke oogenpaar, werd zijn smachten heviger, gloeiender zijn verlangen. Toen roerde en bewoog zich alles, alsof het tot een vroolijk leven ontwaakte. Bladen en bloesems omgeurden hem, en die geur was als heerlijk gezang van duizend fluitstemmen en hetgeen zij gezongen hadden werd als echo gedragen door de goudene voorbij vliedende avondwolken tot in verre landen. Maar toen de laatste zonnestraal snel achter de bergen verdween en de schemering haar sluier over de landen wierp, riep, als van héél ver, een diepe, rauwe stem:

„Hei, hei, wat moet dat gemompel en gefluister daar boven? — Hei, hei, wie zoekt voor mij den straal achter de bergen? — genoeg in de zon u gekoesterd, genoeg gezongen. — Hei, hei, door bosch en gras, door gras en stroom. — Hei — hei — naar bene-e-e-den, naar bene-e-e-den.”

Zoo stierf de stem weg als het gerommel van verren donder, doch de kristallen klokjes braken met een snijdenden wanklank.

Verstomd was alles, en Anselmus zag, hoe de drie slangen schitterend en blinkend door het gras naar den stroom schuifelden; ritselend en ruischend stortten zij zich in de Elbe, en boven de golfjes, waarin zij verdwenen waren, knetterde een groen vuur op, dat schuin naar de stad toe lichtend vernevelde.


TWEEDE NACHTWAAK


Hoe de student Anselmus voor dronken en waanzinnig gehouden wordt. De vaart over de Elbe. De bravour-aria van kapelmeester Graun. De maagbitter van Conradi en het gebronsde appelwijf.

ie mijnheer is beslist niet recht wijs,” zeide een eerzame burgerjuffrouw, die van een wandeling met haar huisgezin terugkeerend, bleef stilstaan en met overelkaar geslagen armen het dolle gedoe van den student Anselmus aanzag. Deze toch had den stam van den vlierboom omvat en riep zonder ophouden in de bladen en twijgen: „O, blinkt en schittert nog éénmaal, lieflijke gouden slangetjes, laat mij nog eenmaal maar uwer stemmen klokjes hooren. O, ziet mij nog éénmaal aan, goddelijke blauwe oogen, maar éénmaal nog, anders moet ik vergaan van smart en heet verlangen.” En daarbij zuchtte en steunde hij klaaglijk en diep, en schudde van ongeduld en verlangen den vlierboom, die echter als antwoord dof en onverstaanbaar zijn bladeren deed ruischen en zoo de smart van den student Anselmus gewoonweg scheen te bespotten.

„Die mijnheer is zeker niet goed wijs,” zeide de burgerjuffrouw en het was Anselmus alsof hij uit een diepen droom werd gerukt of met ijskoud water begoten om hem ruw te doen ontwaken. Nu eerst zag hij weer klaar, waar hij was en werd zich bewust van de vreemde betoovering die hem gefopt had en zelfs zoover bracht, dat hij in zijn eentje hardop aan het spreken was gevallen. Verward zag hij de burgerjuffrouw aan en greep eindelijk naar zijn op den grond gevallen hoed, teneinde weg te snellen. De vader van het huisgezin was er intusschen ook bij gekomen en had, nadat de kleine, die hij op den arm droeg, in ’t gras neergezet was, steunende op zijn stok met verwondering naar den student geluisterd en gestaard.

Nu raapte hij pijp en tabakszak, die de student had laten vallen op en zeide, terwijl hij hem beide toestak: „Laat mijnheer toch niet zoo akelig in het donker blijven staan lamenteeren en laat hij de voorbijgangers niet uit hun humeur brengen, als hem toch niets anders scheelt, dan dat hij te diep in ’t glaasje heeft zitten kijken, laat mijnheer doodbedaard naar huis gaan en zich lekker op één oor leggen.” De student Anselmus schaamde zich zeer en liet een klagelijk „ach” hooren. „Nu, nu,” ging het burgermannetje voort, „laat mijnheer het zich niet te veel aantrekken, zoo iets overkomt den besten, en op den lieven Hemelvaartsdag kan men wel in de vreugde des harten een glaasje over den dorst drinken. Dat kan zelfs een man des Heeren wel overkomen, mijnheer is toch candidaat, nietwaar. Maar als mijnheer het toestaat, stop ik mij een pijpje van zijn tabak, de mijne heb ik daarboven opgebruikt.” Dit zeide de burger toen de student Anselmus pijp en tabaksbuidel reeds wilde opbergen en nu reinigde de burger langzaam en welberaden zijn pijp, en begon die even langzaam te stoppen. Er waren verscheidene burgermeisjes bij gekomen, die heimelijk spraken met de juffrouw en onder elkaar gichelden, terwijl zij naar Anselmus keken. Hem was het of hij stond op louter spitse doornen en gloeiende naalden. Zoodra hij pijp en tabakszak weerom had, rende hij spoorslags heen. Alles, wat hij aan wonderlijks gezien had, was zuiver uit zijn denken verdwenen en hij was zich enkel bewust, onder den vlierboom allerlei dwaasheden te hebben staan verkonden, wat hem te pijnlijker was, omdat hij van jongsaf een innerlijken hekel aan alle in zichzelfsprekenden gevoed had. Satan spreekt uit hen, zeide zijn rector, en dat geloofde hij inderdaad. De gedachte, gehouden te worden voor een op Hemelvaartsdag beschonkenen theol. cand. was hem onverdraaglijk. Reeds wou hij de populierenlaan bij den Koselschen tuin inslaan, toen een stem hem achterna riep: „Mijnheer Anselmus, mijnheer Anselmus, waar loopt u in ’s hemelsnaam zoo gehaast heen?” De student bleef als in den grond vastgeworteld staan, overtuigd, dat nu dadelijk weer een nieuw ongeval hem overkomen zou. En wederom liet de stem zich hooren: „Mijnheer Anselmus, komt u toch terug, wij wachten hier aan ’t water.” Nu hoorde de student pas, dat het zijn vriend conrector Paulmann was, die hem riep; hij ging terug naar de Elbe, om den conrector te vinden met zijn beide dochters, alsook den griffier Heerbrand, die juist bezig waren in een gondel te stappen. Conrector Paulmann noodigde den student uit, met hem over de Elbe te varen, om dan in zijn woning in de Pirnasche-voorstad den avond verder door te brengen. Bijzonder gaarne nam de student Anselmus dit aan, omdat hij zoo aan het noodlot, dat hem heden beheerschte, geloofde te ontkomen. Toen zij nu over den stroom voeren, gebeurde het, dat aan de andere zijde bij den Antonschentuin, een vuurwerk werd afgestoken. Knetterend en sissend schoten raketten de hoogte in en lichtende sterren spatten uiteen in de lucht, tallooze knisterende stralen en vlammen rond zich spreidend.

De student Anselmus zat stom bij den roeienden schipper, toen hij echter in het water den weerschijn van de in de lucht rondspattende en knetterende vlammen en vonken zag, was het hem als trokken de gouden slangetjes door den vloed. Al het wonderlijke, wat hij onder den vlierboom aanschouwd had, werd weder levend in zijn geest en opnieuw greep hem aan het onuitzegbare smachten, het brandend verlangen, dat ook daar zijn borst met beklemmend smartvolle verrukking had vervuld. „O, zijt gij daar weder, gouden slangetjes, zing toch, zing! Door uw gezang komen weer voor mij op die donkerblauwe, lieflijke oogen — o, zijt gij dan onder de wateren?” — Zoo riep de student Anselmus en maakte er een schichtige beweging bij, als wilde hij zich zoo uit den gondel in de rivier werpen. „Is mijnheer bezeten?” riep de schipper en greep hem bij zijn jaspand. De meisjes, die nevens hem gezeten hadden, schreeuwden van schrik en vluchtten naar de andere zijde van den gondel; de griffier Heerbrand zeide conrector Paulmann iets aan ’t oor, waarop deze verscheidene dingen antwoordde, waarvan de student Anselmus slechts verstond: „Dergelijke aanvallen, nog niet opgemerkt?”

Dadelijk daarna stond ook conrector Paulmann op en zette zich met een ernstig, gewild-deftig ambtsgezicht naast den student, nam diens hand en sprak: „Wat scheelt u, mijnheer Anselmus?” Den student Anselmus verging bijna het verstand, want zijn innerlijk doorwoedde een felle tweestrijd, die hij vergeefs trachtte te bedwingen. Hij zag nu wel klaar in, dat hetgeen hij voor het schitteren der gouden slangetjes gehouden had, slechts den weerschijn was van het vuurwerk in Antons tuin, doch een nooit gekend gevoel, was het vreugde, was het smart, hij wist het niet, deed zijn borst samenkrimpen, en toen de schipper zoo met de riemen in ’t water sloeg, dat het als in toorn omkrullend, plaste en ruischte, vernam hij uit het gebruis een heimelijk lispelen en fluisteren: „Anselmus, Anselmus! Ziet gij niet, hoe wij steeds voor u uittrekken? Het zustertje ziet je weer aan — geloof — geloof — geloof aan ons.” — En hem was het, als zag in den weerschijn hij drie groengloeiende strepen. Maar toen hij dan diep weemoedig in het water neerzag, of nu uit den vloed de goddelijke oogen niet opstaren zouden, werd het hem bewust, dat de schijn slechts van de verlichte vensters der naburige huizen kwam. Stom zat hij daar, innerlijk doorstreden, en conrector Paulmann zeide dringender: „Wat scheelt u, mijnheer Anselmus?” Benepen antwoordde de student: „Och, beste conrector, wanneer u wist, wat ik zooeven onder een vlierboom bij den Linkeschen tuinmuur klaarwakker met open oogen voor zonderlinge dingen gedroomd heb, och, u zoudt het mij gansch niet ten kwade duiden, dat ik nu als ’t ware zoo verstrooid ben.” — „Zoo, zoo, mijnheer Anselmus,” viel conrector Paulmann hem in de rede, „ik heb u altijd voor een degelijk jongmensch gehouden, maar droomen, droomen met wijdopen oogen, en dan opeens in ’t water willen springen, dat doen — neem mij niet kwalijk — alleen waanzinnigen of dwazen.” — De student Anselmus was diep geschokt door de strenge woorden van zijn vriend, toen zeide Paulmann’s oudste dochter Veronika, een lief, bloeiend meisje van zestien jaar: „Maar, beste vader, er moet mijnheer Anselmus toch iets heel bijzonders overkomen zijn en hij gelooft wellicht slechts, dat hij wakker was, ofschoon hij onder den vlierboom werkelijk heeft geslapen en zich allerlei dwaze dingen aan hem hebben voorgedaan, die hem nu nog in de gedachten hangen.” „En, beste juffrouw, waarde conrector,” zoo nam de griffier Heerbrand het woord, „waarom zou men niet wakend in een soort droomerigen toestand kunnen verzinken? Zoo is mij zelf waarlijk eens ’s middags na de koffie in een dergelijke gevoelloosheid, wanneer eigenlijk de lichamelijke en geestelijke spijsvertering plaats vindt, de ligplaats van een verloren document in de gedachte gekomen en gisteren nog danste op dezelfde manier een prachtig groot Latijnsch manuscript voor mijn wijd open oogen.” „Och, mijn beste griffier,” antwoordde conrector Paulmann, „u hebt altijd een neiging tot het poëtische gehad en dan vervalt men zoo licht in het fantastische en romaneske.” Maar het deed den student Anselmus toch goed, dat men in den diep treurigen toestand voor dronken of waanzinnig gehouden te worden, zich zijner aantrok en ofschoon het tamelijk duister geworden was, meende hij voor de eerste maal op te merken, dat Veronika heel mooie, donkerblauwe oogen had, zonder dat hem het wonderlijke oogenpaar, in den vlierboom aanschouwd, voor den geest kwam. Den student Anselmus was dan ook opeens weer het avontuur onder den vlierboom uit den geest gegaan, hij gevoelde zich vroolijk en licht. Ja, hij ging in blijden overmoed zoo ver, dat hij bij het uit den gondel stappen, zijn pleitbezorgster Veronika de behulpzame hand bood en aarzelloos, als zij haar arm door den zijnen boog, haar met zooveel handigheid en geluk naar huis geleidde, dat hij maar een enkele maal uitgleed en daar het juist de eenige modderige plek op den geheelen weg was, Veronika’s witte kleedje maar heel weinig bespatte. Aan conrector Paulmann ontging de gelukkige verandering van den student Anselmus niet, hij voelde zich weer zacht tegenover hem gestemd en vroeg hem om verontschuldiging voor de harde woorden, die hij zich had laten ontglippen. „Ja,” voegde hij er aan toe, „er zijn wel voorbeelden van, dat zekere waanvoorstellingen zich aan den mensch voordoen en hem ernstig kwellen en beangstigen kunnen, maar dan is het een lichamelijk onwelzijn en daartegen helpen bloedzuigers, die men, salva venia, van achteren moet aanzetten, zooals een beroemd, nu overleden, geleerde bewezen heeft.” De student Anselmus wist nu zelf niet meer of hij dronken, waanzinnig of ziek was geweest, in elk geval leken de bloedzuigers hem volkomen overbodig, daar de vermeende waanvoorstellingen ganschelijk waren verdwenen en hij al vroolijker werd, naarmate het hem gelukte zich schertsenderwijze met de lieve Veronika bezig te houden. Als gewoonlijk werd er muziek gemaakt na den soberen maaltijd, de student Anselmus moest zich zetten aan ’t klavier en Veronika deed heur klare stemme hooren. — „Beste juffrouw,” zeide de griffier Heerbrand, „u hebt een stem als een klokje van kristal.” „Dat is niet waar,” schoot de student Anselmus uit, hij wist zelf niet hoe, terwijl allen hem verwonderd en ontstemd aanzagen. „Kristallen klokjes luiden in vlierboomen wonderlijk, wonderlijk” — ging de student Anselmus mompelend voort. Toen legde Veronika hem de hand op den schouder en zei: „Waarover spreekt u toch, mijnheer Anselmus?” Dadelijk werd de student weer opgeruimd en begon te spelen. Conrector Paulmann zag hem donker aan, maar de griffier Heerbrand legde een muziekstuk op den lessenaar en zong tot aller verrukking een bravour-aria van kapelmeester Graun. Veel nog accompagneerde de student Anselmus en een gefugeerd duet, dat hij met Veronika voordroeg en door conrector Paulmann zelf was gecomponeerd, bracht allen in de beste stemming. Tamelijk laat was het geworden en de griffier Heerbrand nam hoed en stok, toen conrector Paulmann geheimzinnig naar hem toe ging en sprak: „Hm, zou u niet, mijn waarde griffier, onzen besten mijnheer Anselmus zelf — enfin, waar wij tevoren over spraken.” „Met het meeste genoegen,” antwoordde de griffier Heerbrand, en begon, nadat men zich in een kring geschaard had, zonder meer als volgt:

„Er woont hier in deze plaats een wonderlijke, merkwaardige oude man; men zegt, dat hij aan allerlei geheime wetenschappen doet, maar aangezien die eigenlijk niet bestaan, houd ik hem meer voor een vorschenden oudheidkundige, en daarbij ook een proeven-nemenden chemicus. Ik bedoel niemand anders dan onzen geheimen archivaris Lindhorst. Hij woont, zooals gij weet, alleen in zijn oud, afgelegen huis en wanneer hij niet in dienst is, kan men hem vinden in zijn bibliotheek, of in zijn chemisch laboratorium, waar hij echter niemand toelaat. Behalve vele, zeldzame boeken bezit hij een aantal deels in Arabische en Koptische en deels in tot geen der bekende talen behoorende letterteekens geschreven manuscripten. Deze wil hij goed laten copiëeren en heeft daartoe iemand noodig, die bekwaam met de pen kan teekenen, om met de grootste nauwkeurigheid en getrouwheid alle teekens op perkament, met Oost-Indischen inkt, over te dragen. Hij zal hem in een aparte kamer van zijn huis onder zijn toezicht laten werken, betaalt hem, behalve het vrije maal, voor iederen dag een thaler en belooft nog een belangrijk geschenk, als de afschriften goed en wel klaar zijn. De arbeidsduur is dagelijks van twaalf tot zes. Van drie tot vier wordt er gerust en gegeten. Omdat hij reeds met een paar jongelui tevergeefs geprobeerd heeft, ze die manuscripten te laten copiëeren, heeft hij zich eindelijk tot mij gewend, om hem een geschikten teekenaar te verschaffen; toen heb ik aan u gedacht, beste mijnheer Anselmus, want ik weet, dat u niet alleen zeer sierlijk schrijft, maar ook met de pen heel zuiver en net kunt teekenen. Wanneer u dus in dezen slechten tijd tot aan uw eventueele aanstelling dagelijks den thaler wilt verdienen en het geschenk nog daarbij, vervoeg u dan morgen precies om twaalf uur bij den Archivaris, wiens woning u wel bekend zal zijn. Maar hoedt u voor iedere inktvlek; valt die op het afschrift, dan moet u van voren afaan beginnen, valt die op het origineel, dan is de Archivaris in staat u het raam uit te werpen, want het is een driftig mensch.”

De student Anselmus was vol warme blijdschap over het verzoek van den griffier Heerbrand, want niet alleen kon hij sierlijk schrijven en met de pen teekenen, maar het was hem een hartstocht te copiëeren met moeizaam teekenen der letters; hij bedankte daarom zijn beschermers in de meest beleefde termen en beloofde het middaguur van den volgenden dag niet te zullen verzuimen. Des nachts zag de student Anselmus niets dan blanke thalers en hoorde hun lieflijken klank.

Wie zal dat den armen jongen aanrekenen, die al in zoo menige hoop door nukkigen tegenspoed was bedrogen, die iederen heller tweemaal moest omdraaien en zich menig genot, waar jonge levenslust naar haakt, moest ontzeggen? — Reeds in den vroegen morgen zocht hij zijn potlooden, zijn ganzepennen en zijn Oost Indischen inkt bij elkaar; want betere materialen, dacht hij, zal de Archivaris nergens vinden. Voor alles echter ordende en schiftte hij zijn calligrafische proefstukken en zijn teekeningen, om ze den Archivaris, als bewijs zijner bekwaamheid om het verlangde te verrichten, te toonen. Alles liep prachtig van stapel, een bijzondere geluksster scheen over hem te heerschen, zijn das zat bij het eerste vastknoopen dadelijk zooals zij behoorde, er sprong geen naad, geen steek viel er in zijn zwart-zijden kousen, niet éénmaal rolde zijn hoed in het stof, toen hij hem reeds keurig geborsteld had.

Kortom — op slag van halftwaalf stond de student Anselmus in zijn grijs-groenen overrok en zijn onderkleed van zwart atlas met een rol calligraphieën en penteekeningen in den zak, reeds in de Schlossgasse in den winkel van Conradi en dronk één — twee glaasjes van de beste maagbitter, want hier, dacht hij, terwijl hij op zijn dan nog leegen zak klopte, zullen weldra gemunte thalers rammelen. Ondanks den langen weg tot in de eenzame straat waar het overoude huis van den archivaris Lindhorst zich bevond, was de student Anselmus toch voor twaalf uur aan de voordeur. Daar stond hij en bestaarde den prachtigen, grooten bronzen deurklopper; maar toen hij nu met den laatsten de lucht met machtig geluid doordreunenden slag van de torenklok der Kruiskerk den deurklopper grijpen wilde, vertrok zich het metalen gezicht in een weerzinwekkend spel van blauwbrandende lichtblikken tot een grijnzend lachen. Ach, het was het appelenwijf van de zwarte Poort. De spitse tanden klapperden in den slappen mond op elkaar, en al klepperend snorde het: o dwaas, o dwaas, dwaas, wacht maar, wacht maar, waarom was je doorgerend, dwaas! Ontzet tuimelde de student Anselmus terug, hij wilde de deurpost grijpen, maar zijn hand haakte in het bellekoord en trok er aan, toen luidde het harder en harder in schrille dissonanten en door het gansche leege huis riep en spotte de echo:Dra je val in ’t kristal.” — Een ijzen greep den student aan, dat als krimpende koortskoude door al zijn leden beefde. Het bellekoord zonk omlaag en werd een witte, doorzichtige reuzenslang, die zich om hem wond en hem drukte, snoerend vaster en vaster haar kronkels te zamen, tot zijn weeke verbrijzelde ledematen knakkend afbrokkelden en het bloed uit zijn aderen sprong en indrong in het doorzichtige lijf der slang, dat rood werd gekleurd. — „Doodt mij, doodt mij,” wilde hij gillen in den verdwazenden angst, maar zijn schreeuwen was een dof gerochel. — De slang hief haar kop omhoog en legde haar lange spitse tong van gloeiend erts op de borst van Anselmus, een snijdende pijn sneed de polsader zijns levens af en zijn gedachten vergingen.

Toen hij weer tot bewustzijn kwam, lag hij in zijn armelijk bedje en voor hem stond conrector Paulmann, die zeide: „Wat begaat gij toch om ’s Hemels wil voor dwaasheden, mijn beste mijnheer Anselmus!”


DERDE NACHTWAAK


Tijding van de familie van den archivaris Lindhorst. Veronika’s blauwe oogen. Griffier Heerbrand.

e geest zag neder op het water, toen roerde het zich en bruiste op met schuimende golven en stortte donderend zich in de afgronden, die hun zwarte muilen opsperden om het gulzig te verslinden. Als overwinnaars triomfantelijk hieven de granietrotsen hare spits-kronige hoofden omhoog, het dal beschuttend, totdat de zon het in haren moederschoot nam en het met haar stralen als met gloeiende armen omvangend, koesterde en warmde. Toen ontwaakten duizenden kiemen, die onder het dorre zand gesluimerd hadden uit diepen slaap en hieven haar groene blaadjes en stengels tot het aangezicht der moeder, terwijl als stillachende kinderen in wieg van groen kleine bloemen rustten in de bloesems en knoppen, totdat ook zij ontwaakten, door de moeder gewekt en zich sierden met de lichtjes, die de moeder, om haar vreugde te bereiden, met een bonte veelvuldigheid van tinten gekleurd had. Doch in het midden van het dal stond een zwarte heuvel en die hief zich op en neer gelijk de borst van een mensch, wanneer brandend smachten haar zwellen doet.

Uit de afgronden kolkten nevels omhoog en zich samenklompend tot geweldige massa’s trachtten zij boosaardig het aangezicht der moeder te bedekken; deze riep echter den storm te hulp, die er doorheen voer en ze verstuiven deed en toen de zuivere straal weder den zwarten heuvel raakte, schoot uit de overvloeiende verrukking een heerlijke vuurlelie op, de schoone bladeren openend als lieflijke lippen, om der moeder zoete kussen te ontvangen.

Nu ging een glanzend lichten door het dal; dat was de jongeling Phosphorus, dien de vuurlelie zag en smeekte, in ban van brandend liefdesmachten: „O, wordt voor eeuwig de mijne, gij schoone jongeling! Want ik min u en moet sterven, indien gij mij zoudt verlaten.”

Toen zeide de jongeling Phosphorus: „De uwe wil ik zijn, schoone bloem, maar dan zult gij, als een ontaard kind, vader en moeder verlaten, uw speelgenooten niet meer kennen, grooter en machtiger zult gij willen zijn dan allen, die thans als uws gelijken met u de vreugde genieten.

„Het vuur des verlangens, dat nu uw gansche wezen weldadig verwarmt, zal in honderden stralen uitschietend u kwellen, u folteren, want de bezinning zal de zintuigen voortbrengen, en de hoogste vervoering, die de vonk, welke ik in u werp, ontsteekt, is hopelooze smart, waarin gij ondergaat, om er later weer vreemd-geaard uit te ontbloeien. — Deze vonk is de gedachte.” — „Ach,” klaagde de lelie, „kan ik dan de uwe niet zijn in den gloed, gelijk die thans in mij brandt? Zoude ik u nog meer kunnen minnen dan nu en zoude ik u als thans kunnen aanschouwen, wanneer gij mij vernietigt?”

Toen kuste haar de jongeling Phosphorus en als licht doorschoten brandde zij op in vlammen, waaruit een zonderling wezen ontsproot, dat haastig het dal ontvliedend in de eindeloosheid rondwiekte, en zich niet meer bekommerde om de speelgenooten der jeugd of om den geliefden jongeling. Deze klaagde om de verloren geliefde, want louter de eindelooze min voor de schoone lelie had hem naar het eenzame dal gevoerd en de granietrotsen bogen in deelname hare hoofden voor des jongelings jammerklacht. Doch eene opende haren schoot en een zwart gevleugelde draak kwam er ruischend uitfladderen, die sprak: „Mijn broederen, de metalen slapen daar binnen, maar ik ben steeds waakzaam en stout, ik zal u helpen.” In een wijde op-en-neder-vlucht vatte eindelijk de draak het wezen, dat aan de lelie ontsproten was, droeg het den heuvel op en omsloot het met zijn gevederte; toen was het de lelie weder, maar het blijven der gedachte verscheurde haar binnenste en de liefde tot den jongeling Phosphorus werd een snijdend wee, waardoor — van giftigen wasem beademd — de kleine bloemen, anders zoo door haar blik verblijd, verwelkten en stierven.

De jongeling Phosphorus omgordde zich met een glanzende wapenrusting, waarin een veeltintig stralenspel was en streed tegen den draak, die met zijn zwart gevederte tegen het pantser sloeg, zoodat het een hellen weerklank gaf; door dat machtig geluid leefden de kleine bloemen weer op en om fladderden als bonte vogelen den draak, wiens krachten zwonden en die zich overwonnen in den schoot der aarde verborg. De lelie was bevrijd, de jongeling Phosphorus omving haar vervuld van het verlangen-branden der bovenaardsche liefde en in een jubelhellen lofzang huldigden haar bloemen, vogelen en zelfs de hooge granietrotsen als koningin van het dal.

— „Met uw welnemen, dat is Oostersche bombast, waarde heer archivaris,” zeide de griffier Heerbrand, „en wij verzochten u toch, zooals u dat anders wel pleegt te doen, ons iets uit uw hoogst eigenaardig leven, bijvoorbeeld van uw reis-avonturen en dan iets waarlijk-gebeurds te verhalen.” „Wat wilt gij dan,” antwoordde archivaris Lindhorst, „dat, wat ik daar juist vertel, is het meest werkelijke, dat ik voor ulieden kan opdisschen en het behoort in zekeren zin ook tot mijn leven. Want ik stam juist uit dat dal en de vuurlelie, die daar eindelijk als Koningin heerschte is mijn over-over-over-over-grootmoeder, zoodat ik dan ook eigenlijk een prins ben.”

Allen braken in schaterlachen uit. „Ja, lacht maar van ganscher harte,” ging archivaris Lindhorst voort, „ulieden kan datgene, wat ik weliswaar in gebrekkige omtrekken heb medegedeeld, zinloos en dwaas toeschijnen, desniettegenstaande is het volstrekt niet ongerijmd of ook maar allegorisch bedoeld, doch woordelijk waar. Hadde ik echter geweten, dat de heerlijke liefdeshistorie, waaraan ook ik mijn ontstaan dank, u zoo slecht bevallen zou, dan had ik liever van de verschillende nieuwigheden verteld, waarmede mijn broeder mij gisteren bij zijn bezoek verraste.”

„Kom, hoe dat? Hebt u dan een broeder, mijnheer de archivaris? — waar is die dan — waar woont hij? Ook in dienst des Konings of is het misschien een ambteloos levend geleerde?” — vroeg men van alle kanten. — „Neen!” antwoordde de archivaris, heel koel en bedaard een snuifje nemend, „die is den verkeerden weg op gegaan en heeft zich onder de draken begeven.” — „Heb ik dat goed verstaan? beste archivaris,” zoo nam griffier Heerbrand het woord, „onder de draken?” „Onder de draken?” weerklonk het van alle kanten als een echo.

— „Ja, onder de draken,” vertelde archivaris Lindhorst verder, „eigenlijk geschiedde het uit wanhoop. Gij weet, heeren, dat mijn vader voor zeer kort stierf; het is nu hoogstens driehonderd-vijf-en-tachtig jaar geleden, waarom ik ook nog rouw draag, en die had aan mij, zijn lieveling, een prachtige onyx vermaakt, die mijn broeder absoluut bezitten wilde. Daarover twistten wij bij het lijk van onzen vader op onbetamelijke wijze, totdat de overledene, die zijn geduld verloor, opsprong en mijn slechten broeder de trappen af wierp. Dit maalde mijn broeder door het hoofd en hij ging op staanden voet onder de draken. Nu houdt hij zich op in een cypressenwoud dicht bij Tunis, alwaar hij een mystischen Karbonkelsteen moet bewaken, welke een duivelskerel van een nekromant4, die een zomerverblijf in Lapland betrokken heeft, poogt te bemachtigen, waarom hij dan ook maar voor een kwartiertje, juist als de nekromant in den tuin zijn salamanderbedden verzorgt, kan uitbreken, om mij in de gauwigheid te vertellen, welk goed nieuws er aan de bronnen van den Nijl is.”

— Ten tweeden male braken de aanwezigen in luid schaterlachen uit, maar de student Anselmus werd zeer onrustig te moede en hij kon den archivaris Lindhorst nauwelijks in de strakke, ernstige oogen zien, zonder innerlijk op een voor hemzelf onverstaanbare wijze te rillen. Want toch al had de grove, ofschoon wonderlijk metaal-klinkende stem van den archivaris voor hem iets geheimzinnig-doordringends, zoodat hij merg en been doorsidderd voelde. Het eigenlijke doel, waartoe de griffier Heerbrand hem mede in het koffiehuis genomen had, scheen vandaag onbereikbaar te zijn. Na het gebeurde voor het huis van den archivaris Lindhorst toch was de student Anselmus er niet toe te brengen geweest voor de tweede maal het bezoek te wagen; want naar zijn innigste overtuiging had het toeval hem bevrijd, zoo al niet van den dood, dan toch van het gevaar om waanzinnig te worden. Conrector Paulmann was juist door de straat gekomen, toen hij geheel buiten kennis voor de huisdeur lag en een oude vrouw, die haar koek- en appelmand op zijde gezet had, met hem doende was.

Conrector Paulmann had onmiddellijk een rijtuigje aangeroepen en hem zoo naar huis getransporteerd. „Men kan van mij denken, wat men wil,” zeide de student Anselmus, „men kan mij voor een verdwaasde houden of niet — het zij — uit de deurklopper grijnsde mij het verdoemde gezicht van de heks der Zwarte Poort tegen; over hetgeen verder geschiedde, wil ik liever niet spreken, maar wanneer ik uit mijn bezwijming ontwaakt zou zijn en ik had dat vervloekte appelwijf voor mij gezien (want de oude, die met mij bezig was, kan natuurlijk geen ander zijn) dan zou mij terstond een beroerte getroffen hebben of wel ware ik waanzinnig geworden.”

Alle toespraken, alle verstandelijke verklaringen van conrector Paulmann en griffier Heerbrand bleven zonder eenige vrucht en zelfs der blauwoogige Veronika gelukte het niet hem te brengen uit den zekeren mijmertoestand, waarin hij geraakt was. Men hield hem nu inderdaad voor zielsziek en zon op middelen, om hem afleiding te geven, waarbij griffier Heerbrand betoogde, dat niets daartoe betere diensten zou kunnen bewijzen, dan de bezigheid bij den archivaris Lindhorst, namelijk het nateekenen der manuscripten. Het kwam er nu maar op aan, den student Anselmus op geschikte wijze met den archivaris Lindhorst in kennis te brengen en daar griffier Heerbrand wist, dat deze haast iederen avond een bepaald, bekend koffiehuis bezocht, noodigde hij den student Anselmus uit, zoolang op zijn kosten in dat koffiehuis een glas bier te drinken en een pijp te rooken, totdat hij op deze of gene wijze met den archivaris was in kennis gekomen en zich met hem had verstaan over het copieeren der manuscripten, hetwelk de student Anselmus hoogst dankbaar aannam.

„Gij verdient, dat God u zegene, beste griffier, wanneer gij den jongen man tot rede weet te brengen,” zeide conrector Paulmann. „Dat God u zegene,” herhaalde Veronika, terwijl zij vroom de oogen ten hemel hief en blijgezind bedacht, dat de student Anselmus nù al een zeer beminnelijke jonge man was, zij het dan zonder rede! —

Toen archivaris Lindhorst juist met hoed en stok de deur uit wilde gaan, greep griffier Heerbrand den student Anselmus snel bij de hand en terwijl hij gezamenlijk met hem den archivaris den weg versperde, sprak hij: „Zeer geachte heer geheim-archivaris, hier stel ik u den student Anselmus voor, die bijzonder bekwaam is in sierlijk schrijven en teekenen en uwe zeldzame manuscripten copieeren wil.” „Dat is mij bijzonder aangenaam,” antwoordde archivaris Lindhorst haastig, wierp zich den driekantigen, krijgsmansachtigen hoed op het hoofd en stormde, terwijl hij griffier Heerbrand en den student Anselmus opzijde schoof, met veel gedruisch de trap af, zoodat beide volslagen verbluft bleven staan en tegen de deur van het vertrek aankeken, die hij zoo hard voor hen had dichtgeslagen, dat de hengsels rammelden.

„Dat is toch een wonderlijke oude man,” zeide griffier Heerbrand. „Een wonderlijke oude man,” stotterde de student Anselmus na, voelend, hoe een ijzige stroom door al zijn aderen kilde, die hem haast tot een standbeeld deed verstarren. Maar de gasten lachten allen en zeiden: „De archivaris is vandaag weer eens bijzonder slecht geluimd, morgen is hij bepaald zachtzinniger gestemd en spreekt dan geen woord, maar staart in de rookkringen uit zijn pijp of leest dagbladen; daaraan moet men zich niet storen.” — „Het is eigenlijk waar,” dacht de student Anselmus, „wie stoort zich aan zoo iets! Heeft de archivaris niet gezegd, dat het hem bijzonder aangenaam was, dat ik zijn manuscripten wilde copieeren? — en waarom versperde griffier Heerbrand hem ook den weg, juist toen hij naar huis wilde gaan? Neen, neen, op de keper beschouwd, is de geheim-archivaris Lindhorst een aardige man en verbazend gul — alleen wat zonderling in zijn eigenaardige uitdrukkingen —. Maar wat hindert mij dat? Morgen ga ik er heen op slag van twaalven, al verzetten honderd gebronsde appelvrouwen zich ertegen.”