WeRead Powered by ReaderPub
De Groote Pyramide cover

De Groote Pyramide

Chapter 38: Maten.
Open in WeRead

About This Book

De auteur onderzoekt de grote Egyptische piramide vanuit zowel archeologisch-technische als theosofisch-mystieke invalshoeken. Hij behandelt ligging, bouwers, constructietechniek, een nauwkeurige beschrijving van het inwendige en tabellen met maten, en bespreekt uiteenlopende wetenschappelijke en symbolische theorieën over de bestemming en betekenis. Meerdere hoofdstukken wijden zich aan mystieke interpretaties en geometrische motieven, waaronder de vijfpuntige ster en de keuze van de π-hoek. De tekst sluit af met appendices en een bronnenlijst en combineert feitelijke observatie met persoonlijke theosofische reflecties.

APPENDIX.

Overzicht van de voornaamste afmetingen en maten in verband met de geografische ligging en het uitwendige der Groote Pyramide, volgens de beste tot dusver gepubliceerde opgaven.

Pyr. duimen.
Tegenwoordige breedtegraad 29° 58′ 51″; bouwtijd = 30° 0′ 0″ (?), Lengte = 0° 0′ 0″ van Pyramide.
Oriëntatie, vroeger zuiver Noord-Zuid, thans N. 5′ 35″ W.
Elevatie van de gemiddelde basisholte boven de omliggende alluviale, thans met zand bedekte vlakte = 1500. ±
Boven het gemiddelde peil van de waterbronnen daarin = 1750. ±
Boven het peil der Middellandsche Zee = 2580. ±
De laagste ondergrondsche kamer in de Groote Pyramide boven het gemiddelde waterpeil van het omliggende land = 250. ±

Hoogte der Groote Pyramide.

Tegenwoordige onzekere hoogte, vertikaal = 5450. ±
Oudste vertikale hoogte der apex boven de gemiddelde vloerholte = 5813.01
Oudste hellingshoogte op het midden der hellende zijvlakken; van het verhoogde noordelijke grondvlak = 7352.13
Van het gemiddelde basisholtepeil = 7391.55
Oudste hoeklijn-hoogte van het gemiddelde basisholtepeil = 8687.87
Oudste geheele vertikale hoogte der apex boven het laagste ondergrondsche vlak = 7015. ±

Breedte der Groote Pyramide.

Tegenwoordige verbrokkelde basis-zijdebreedte van het middelste metselwerk = 8950. ±
Oudste en tegenwoordige basis-zijdebreedte volgens lijnen uit de hoekholten = 9131.05
Oudste en tegenwoordige basis-diagonalen volgens holtematen = 12913.26
Som der twee basis-holtediagonalen = 25827. ±
Breedte van het tegenwoordig platform op den top der Pyramide = 400. ±
Dezelfde vermeerderd met de breedte der thans verdwenen bekleedingslaag = 580. ±
Gedeeltelijke bevloering rondom basis der Pyramide; breedte hier en daar = 500. ±

Vorm en Grondstof.

°
Oudste standhoek der deksteenen en zijden der Pyramide = 51 51 14.3
Oudste standhoek van de Pyramide, gemeten bij de hoeklijnen = 41 59 18.7
Oudste zijdelingsche hoek van de Groote Pyramide en den top = 76 17 31.4
Oudste hoek van de Groote Pyramide en den top, diagonaalsgewijs = 96 1 22.6
De metsellagen zijn alle horizontaal.
De samenstellende steenen zijn alle, behalve in zooverre dit voor inwendige struktuur onmogelijk is, rechthoekig.
De deksteenen hebben hun laagsten hoek = 51 51 ±
En als bovenhoek = 128 9 ±
Aantal zijden van het bouwwerk 1 vierkant en 4 driehoeken = 5
Aantal hoeken, vier op den grond en 1 bovenaan = 5

1 Pyramide duim = 1.001 Engelsche duim.
1 Pyramide el = 25.025 Engelsche duim.
25. Pyramide duimen.
1 Pyramide morgen = 0.992 Engelsche morgen.
1 Pyramide ton = 1.1499 Engelsche avoir dupois ton.

Overzicht van de voornaamste afmetingen en maten in verband met het inwendige der Groote Pyramide volgens de beste tot dusver gepubliceerde opgaven.

Ingang tot de Groote Pyramide.

Pyr. duimen.
Deze is thans eenvoudig het afgebrokkelde boveneinde van een prachtig uitgevoerde gang, die beneden- en binnenwaarts leidt. Zij is gelegen aan de Noordzijde der Pyramide, in een zeer verbrokkeld gedeelte van het metselwerk, op een hoogte boven den grond van ruwweg = 588.
Oorspronkelijke hoogte er van boven het omliggend plaveisel = 668.
Oorspronkelijke hoogte er van boven de gemiddelde vloerholte = 699.
Hoogte van den ingang = 47.24
Breedte van den ingang = 41.56

Benedenwaartsleidende Gang.

Zuidwaartsche hellingshoek der gang 26° 28′
Lengte der Zuidwaartsche helling van de buitenzijde tot aan den eigenlijken gangvloer = 124.
Tot aan de eerste bovenwaartsleidende gang = 986.
Tot aan het verbrokkelde gat van Calief Al Mamoen = 214.
Tot aan de onderste monding der Wel = 2582.
Tot aan het einde van het hellende gedeelte = 296.
Tot aan den noordmuur der ondergrondsche kamer, horizontaal = 324.
Geheele lengte van genoemde gang = 4402.
Hoogte = 36.
Breedte = 33.

Ondergrondsche, onafgewerkte Kamer.

Gladgepolijste zoldering, lengte, Oost-West = 552.
breedte, Noord-Zuid = 325.
Diepte der muren, verschillend van 40–160. Vloer niet geheel uit de rots gehakt, en muren niet afgewerkt tot volle diepte. Kleine doodloopende horizontale gang of begin van eene gang, Zuidwaarts, lengte = 633.
hoogte = 31.
breede = 29.

Opwaartsleidende Gang.

Vangt aan in een bovenwaartsche en Zuidelijke richting van een punt in de benedenwaartsleidende gang, 998 duimen in het oude bouwwerk; en de eerste 180 duimen lengte zijn nog opgevuld met vast op elkaar gedrongen granietbrokken. De geheele lengte van de gang tot de aansluiting bij de Groote Galerij = 1542.4
Hellingshoek van den vloer 26° 8′
Hoogte thans 47–59, vroeger = 47.24
Breedte thans 42–60, vroeger = 41.56

Groote Galerij.

Lengte van den hellenden vloer, van Noord tot Zuid = 1882.
Hellingshoek, Zuidwaarts 26° 17′
Vertikale hoogte, op elk gemiddeld punt = 339.5
Overlappingen in het plafond = 36.
Overlappingen in de zijmuren = 7.
Uithollingen, hoogte 21, breedte 20. Pyr. duimen.
Breedte van den vloer tusschen de uithollingen = 42.
Breedte der galerij boven de uithollingen = 82.
Breedte der galerij tusschen 1e overlapping = 76.2
Breedte der galerij tusschen 2e overlapping = 70.4
Breedte der galerij tusschen 3e overlapping = 64.6
Breedte der galerij tusschen 4e overlapping = 58.8
Breedte der galerij tusschen 5e overlapping = 53.
Breedte der galerij tusschen 6e overlapping = 47.2
Breedte der galerij tusschen 7e overlapping = 41.4
Groote stoepsteen op 1813.7, vertikale hoogte der Noordgrens = 36.
Lengte langs den vlakken top, Noord-Zuid = 61.
Lagere en verderen gelegen doorgang, hoogte = 43.7
breedte = 41.4
Horizontale lengte van G. G. tot vóórkamer = 51.5

Voorkamer.

Grootste lengte, Noord-Zuid = 116.26
Grootste breedte bovenaan, Oost-West = 65.2
Grootste hoogte = 149.3
Oostelijke granietbekleeding, hoogte = 103.03
Westelijke granietbekleeding, hoogte = 111.80
Uitgang, horizontaal van voorkamer tot Koningskamer, lengte = 100.2
Hoogte aan het Noordeinde = 43.7
Hoogte aan het Zuideinde = 42.0
Breedte = 41.4
Aantal vertikale groeven op den Zuidmuur = 4.
Lengte van elk = 107.4

Koningskamer.

Lengte = 412.132
Breedte = 206.066
Hoogte van vloer tot zoldering = 230.389
Hoogte van onderkant der muren tot zoldering = 235.350
Noordelijk luchtkanaal, lengte tot uitwendige der Pyr. = 2796.
Zuidelijk = 2091.
Veronderstelde hoogte van hun uitgangen = 3972.

Horizontale Gang tot de Koninginne-Kamer.

Lengte aan Noordeinde der G. G. tot het begin van het lager gelegen deel der gang onder den G. G. vloer = 217.8
Vandaar tot het lagere gedeelte = 1085.5
Gemiddelde hoogte van het langste deel = 46.34
Gemiddelde hoogte van het Zuidelijk diepe deel = 67.5
Breedte = 41.15
Geheele afstand van Noordmuur der G. G. tot Zuidmuur der K. K. = 1725.

Koninginne-Kamer.

Lengte van Oost naar West = 2267
Breedte van Noord naar Zuid = 205.8
Hoogte bij de Noord- en Zuidmuren = 182.4
Groote Nis in de Oostelijke muur, hoogte = 183.
groote breedte onderaan = 61.30
groote bij 1e overlapping = 52.25
groote bij 2e overlapping = 41.50
groote bij 3e overlapping = 30.00
groote bij 4e overlapping = 19.60

De Wel of Put.

Lengte langs de zijde = 28.
Afstand van het middelpunt van den ingang van het Noordelijk einde der Groote Galerij = 34.
Vertikale diepte tot grot in de rots, onder het metselwerk der Pyramide = 702.
Verdere vertikale diepte, met eenigen horizontalen afstand, tot aan het samenkomen met het laagste deel van den ingang bij de ondergrondsche kamer = 1596.

R. Ballard in The Solution of the Pyramid Problem:

De vijfpuntige ster het geometrisch symbool der Groote Pyramide.

Sedert onheuglijke tijden is dit symbool een schitterende aanduider van grootsche en edele waarheden geweest en een plechtig zinnebeeld van belangrijke plichten.

De geometrische beteekenis er van is echter sinds lang uit het oog verloren. Men zegt dat zij het zegel van Koning Salomo vormde en in oude tijden, was zij onder de Joden als een symbool van veiligheid bekend.

Zij was het Pentalpha van Pythagoras, en het Pythagoreesche zinnebeeld van de gezondheid.

Antiochus, Koning van Syrië, had haar in zijn banier geweven bij zijn oorlogen tegen de Galliërs. Door de Kabalisten werd de ster, met den Heiligen naam aan elk der punten en in het midden geschreven, als een talisman beschouwd; en in oude tijden werd zij door geheel Azië heen als een middel tegen hekserijen beschouwd. Zelfs nu nog vinden Europeesche soldaten bij hun strijd tegen Arabische stammen, onder de kleeren op de borst van hun verslagen vijanden, dit oude symbool, in den vorm van een metalen talisman of amulet.

Ik zal thans de geometrische beteekenis van deze ster verklaren, voor zoover mijn onderwerp dit toelaat, en aantoonen dat zij is het geometrisch symbool van de grootste gemeene maat en middel-evenredigheid van lijnen en het symbool van de Pyramide van Cheops.

Een vlakke geometrische ster of een geometrische pyramide kunnen vergeleken worden bij de kroon van een bloem, waarbij iedere zijde een bloemblad voorstelt. Wanneer de bloembladeren geopend zijn, vertoont de bloem zich in al hare schoonheid, maar wanneer zij gesloten is zijn vele van hare schoonheden verborgen. De botanist tracht er naar haar te bezien hetzij plat, of symmetrisch geopend, zoo ook gesloten als een knop, of in rust; doch beoordeelt en waardeert den eenen toestand naar den anderen. Op dezelfde wijze moeten wij de vijfpuntige ster behandelen, en evenzoo de Pyramide van Cheops.

Men zal mij moeten vergeven dat ik in het voorbijgaan de inwendige galerijen en kamers van deze Pyramide vergelijk met het hart, den stamper en de meeldraden van een bloem; geheimzinnig en onbegrijpelijk.

Fig. 3 stelt de vijfpuntige ster voor, gevormd door het vlak uitslaan der vijf opstaande zijvlakken van een pyramide met een regelmatig vijfhoekig grondvlak.

Fig. 6 stelt de ster voor die gevormd wordt door het vlak uitslaan van de vier opstaande zijvlakken van de pyramide van Cheops.

De vijfhoek G F R H Q, (fig. 3) is het grondvlak van de pyramide Pentalpha, en de driehoeken E G F, B F R, R O H, H N Q, en Q A G, stellen de zijvlakken voor, zoodat, wanneer wij ons de lijnen G F, F R, R H, H Q en Q G, als scharnieren denken waarmede deze zijvlakken aan het grondvlak verbonden zijn, wij door de zijvlakken op te heffen en ze aaneen te sluiten de punten A, E, B, O en N boven het middelpunt C zouden doen samenvallen.

Op deze wijze sluiten wij de geometrische bloem Pentalpha en en vervormen haar tot een pyramide.

Op dezelfde wijze moeten wij de vier zijvlakken van de pyramide van Cheops opheffen uit haar stervorm (fig. 6), ze aaneensluiten, zoodat de vier punten samenvallen boven het middelpunt van het grondvlak.

Zulke vervormingen duiden op het onverbreekbaar verband tusschen de geometrie van vlakken en die van vaste lichamen.

Als het geometrisch symbool van de gulden snede zien wij de vijfpuntige ster als een verzameling lijnen die elkander onderling verdeelen in de verhouding aan de gulden snede verbonden.

Voor lezers die niet voldoende geometrie kennen, geef ik hier fig. 1, om aan te duiden wat gulden snede beteekent.

Fig. 1.

Veronderstel dat A B de lijn is, die volgens de gulden snede moet verdeeld worden, d.w.z. dat de geheele lijn zich verhoudt tot het grootste deel als het grootste deel zich verhoudt tot het kleinste.

Construeer B C loodrecht op A B en gelijk aan de helft van A B. Verbind A en C, en beschrijf den boog D B met C als middelpunt en B C als straal; beschrijf daarna den boog D E met A als middelpunt en A D als straal, dan zal A B in E verdeeld zijn volgens de gulden snede of wel zoo dat A B: A E = A E: E B.

Deze verklaring uitbreidende moet ik wederom verwijzen naar fig. 2. waar wij bij het construeeren van een regelmatige vijfhoek wederom gebruik maken van de 2, 1 driehoek A B C.

Fig. 2.

De lijn A B is een zijde van een pentagon. De lijn B C staat er loodrecht op en is de helft van hare lengte. De lijn A C wordt verlengd tot in F, terwijl men C F = C B maakt; beschrijf dan met B als middelpunt en B F als straal een boog in E; en daarna met denzelfden straal met A als middelpunt een boog die den eersten in E snijdt. Dit snijpunt is dan het middelpunt van den omgeschreven cirkel van den vijfhoek, op welken cirkelomtrek de overige zijden afgepast worden.

Wij zullen nu fig. 3 beschouwen, waarin wij de vijfpuntige ster zien als het symbool van de verdeeling van lijnen volgens de gulden snede.

Aldus: M C : M H = M H : H C.
A F : A G = A G : G F.
A B : A F = A F : F B.

terwijl M N, M H of X C : C D = 2 : 1, hetgeen de geometrische grondslag is.

Merk tevens op dat:

G H = G A.
A E = A F.
D H = D E.

Fig. 3.

De volgende tafel geeft aan de verschillende maten in fig. 3 waarmee de straal van den cirkel als een millioen eenheden wordt genomen:

M E = 2.000.000 = middellijn.
A B = 1.902.113 = A D + D B.
M B = 1.618.034 = M C + M H = M P + P B.
A S = 1.538.841.5.
E P = 1.453.086 = A G + F B.
A F = 1.175.570 = A E = G B.
M C = 1.000.000 = straal = C D + D N = C H + C X.
A D = 951.056.5 = D B = D S.
P B = 854.102.
Q S = 812.298.5.
M P = 763.932 = C H × 2 = basis van Cheops.
A G = 726.543 = G H = X H = H N = P F = F B =
= schuintelijn van Cheops
= schuintelijn van Pent. Pyr.
D E = 690.983 = D H = X D = apothema van Pentagonale Pyramide.
M H = 618.034 = M N = X C = apothema van Cheops.
hoogte van Pentagonale Pyr.
zijde van ingeschr. decagon.
MS = 500.000.
485.868 = middelevenredige tusschen M H en H C.
= hoogte van Cheops.
OP = 449.027 = GF = GD + DF.
HC = 381.966 = halve basis van Cheops.
SO = 363.271.5 = H S.
CD = 3.090.17 = half M H.
PR = 277.516.
GD = 224513.5; SP = 263932

De driehoek DXH stelt een vertikale doorsnede van de pentagonale pyramide voor; de hoeklijn HX = HN, en het apothema DX = DE. Veronderstel dat DH een scharnier is die het vlak DXH aan het grondvlak hecht, hef dan het vlak DXH op tot het punt X vertikaal boven het middelpunt C is. Dan zullen de punten A, E, B, O, N van de vijf schuine zijvlakken, wanneer zij saamgesloten worden, samenvallen in het punt X boven het middelpunt C.

Wij hebben nu een pyramide uit een vijfhoek opgebouwd waarvan de helling 2:1 is, daar de hoogte CX : CD = 2 : 1.

Apothema DX = DE.
Hoogte CX = HM of MN.
Hoogte CX + CH = CM straal.
Apothema DX + CD = CM straal.
Hoeklijn HX = HN of PF.

Merk ook op dat MP/2 = CH en OP = HR.

Beschouwen wij thans de vijfpuntige ster als het symbool van de pyramide van Cheops.

Lijn MP = basis van Cheops.
Lijn CH = halve basis van Cheops.
Lijn HM = apothema van Cheops.
Lijn HN = schuine hoeklijn van Cheops.

Dus Apothema van Cheops = zijde van decagon.
Dus Apothema van Cheops = hoogte der pentagonale pyramide.

Schuine hoeklijn van Cheops = schuine hoeklijn van pentagonale pyramide.

Daar nu het apothema van Cheops = MH en halve basis van Cheops = HC is de hoogte de middelevenredige tusschen apothema en halve basislijn; daar volgens de cijfers in de tabel MC : MH = MH : HC en

apothema : hoogte = hoogte : halve basislijn.

Op deze wijze is de vierpuntige ster Cheops ontwikkeld uit de vijfpuntige ster Pentalpha. Dit wordt duidelijk aangetoond door fig. 4.

Fig. 4.

Beschrijf in een cirkel een vijfpuntige ster; construeer den omgeschreven cirkel van den binnensten regelmatigen vijfhoek, en beschrijf een vierkant om dezen cirkel; dan zal dat vierkant de basis van Cheops voorstellen. Trek twee middellijnen van den buitensten cirkel, loodrecht op elkaar, en elke middellijn evenwijdig aan de zijden van het vierkant; dan zullen de deelen van deze middellijnen tusschen het vierkant en den buitensten cirkel de vier apothema’s van de vier schuine zijden van de pyramide voorstellen. Verbind de hoekpunten van het vierkant met de vier punten op den cirkelomtrek aangeduid door de einden der middellijnen en de ster van de pyramide is gevormd, die, wanneer zij tot een vast lichaam gesloten wordt, een correct model aan Cheops vormt.

Stel apothema van Cheops, MH = 34
halve basis HC = 21
dan is MH + HC = 55

en 55 : 34 = 34 : 21.018, hetgeen slechts enkele duimen verschilt in de pyramide zelf, indien de werkelijke maten genomen worden.

De verhouding daarom van apothema tot halve basis, 34 : 21, is zoo getrouw mogelijk, voor zoover dit met steenen en kalk uit te voeren is, om bovenstaande verhoudingen weer te geven.

Stel MH = 2.
Dan is HC = √ 5 - 1
MC = √ 5 + 1
en hoogte van Cheops = √ (MH + MC).

Vergelijken wij thans de constructie der beide sterren.

Fig. 5.

Fig. 6.

Constructie van de ster Pentalpha. Constructie van de ster Cheops.
Beschrijf een cirkel. Beschrijf een cirkel.
Trek de middellijn MCE. Trek de middellijn MCE.
Verdeel MC volgens de gulden snede in H. Verdeel MC volgens de gulden snede in H.
Pas half MH van C tot D af. Beschrijf den ingeschreven cirkel met straal CH en daarom heen het vierkant a, b, c, d.
Trek de koorde ADB, rechthoekig op de middellijn ECM. Trek de middellijn ACB, rechthoekig op de middellijn ECM.
Trek de koorde BHN door H.
Trek de koorde AHO door H. Trek Aa, aE, Eb, bB, Bd, dM, Mc en cA.
Verbind N en E.
Verbind E en O.

Nu rijst bij ons de vraag, vertoont deze Cheopspyramide de verhouding van hoogte tot basisomtrek als middellijn tot cirkelomtrek of vertoont zij de gulden snede door de verhouding van apothema, hoogte- en halve basis? Het antwoord luidt dat wegens de praktische onmogelijkheid van zulk een buitengewone nauwkeurigheid in zulk een massa metselwerk, zij op beide duidt en zoowel het een als het ander verzinnebeeldt.

Piazzi Smyth neemt als basiszijdelengte 761.65 voet en de hoogte 484.91 voet, hetgeen zeer nabij komt aan wat hij een π pyramide noemt, en volgens mijn berekening is de hoogte van een dergelijke pyramide 484.87 voet met een gelijke basiszijdelengte; terwijl voor een pyramide waarin de gulden snede belichaamd was de hoogte 484.34 voet zou zijn.

Het geheele verschil is daarom slechts zes duim op een hoogte van bijna 500 voet. Dit verschil, hetwelk nu de pyramide gedeeltelijk in puin ligt, klaarblijkelijk moeilijk te ontdekken is, zou zelfs bij een gaven toestand van het bouwwerk niet naspeurbaar geweest zijn.

Het schijnt zeer waarschijnlijk dat de ster Pentalpha leidde tot de ster Cheops en dat de ster Cheops (fig. 6), het grondplan vormde voor den bouwheer en dat de verhouding van 34 tot 21, hypotenusa tot basis, de grondslag der bouwers was.

Veronderstel dat een koning tot zijn bouwheer zegt: Maak mij een plan van een pyramide waarvan de basis 420 el in het vierkant zal zijn en de hoogte zich tot den omtrek van de basis zal verhouden als de straal van een cirkel tot den omtrek. Dan zou de bouwheer een uitvoerig plan kunnen maken, waarin de betrekkelijke afmetingen ongeveer als volgt zouden zijn:

ellen
Basishoek 51° 51′ 14.3″ Basis 420
Hoogte 267.380.304 enz.
Apothema 339.988.573 enz.

De koning beveelt daarna het bouwen van een andere pyramide met hetzelfde grondvlak, en waarbij de hoogte middelevenredig tusschen apothema en halve basiszijdelengte moet zijn—en waarbij apothema en halve basiszijdelengte als een lijn beschouwd zich verhouden volgens de guldensnede.

Het plan van den bouwheer zou dan gelijken op fig. 6 en de afmetingen zouden ongeveer zijn:

ellen
Basishoek 51° 49′ 37–42/471″ Basis 420
Hoogte 267.1239.849 enz.
Apothema 339.7875.153 enz.

Maar de bouwheer voert praktisch beide plannen uit als hij bouwt met den grondslag 34 tot 21.

ellen
Basishoek 51° 51′ 20″ Basis 420
Hoogte 267.394.839 enz.
Apothema 340

en koning noch bouwheer zouden een fout in het bouwwerk kunnen ontdekken.

Zie verder R. Ballard. The Solution of the Pyramid problem.

Waarom de bouwers den π-hoek in de Pyramide vastlegden.

Welke reden, zoo vraagt men zich af, kunnen de bouwers van de Groote Pyramide gehad hebben om dezen hoek aan de Pyramide te geven, en waarom zij niet van elk der zijvlakken een gelijkzijdigen driehoek maakten? Het eenige wat wij kunnen veronderstellen is, dat zij wisten dat de aarde een bol was; dat zij een gedeelte van een harer grootcirkels opgemeten hadden; en dat zij door het waarnemen van de beweging der hemellichamen over de oppervlakte der aarde, haar omtrek hadden bepaald, en dat zij nu begeerig waren een mededeeling omtrent dien omtrek na te laten, welke zoo nauwkeurig en onvergankelijk was als het voor hen mogelijk was te construeeren. Zij namen aan dat de aarde een volkomen bol was; en daar zij wisten dat de straal van een cirkel zich op bepaalde wijze moet verhouden tot den omtrek, zoo bouwden zij een Pyramide van een hoogte die in zoodanige verhouding tot haar grondvlak stond, dat de loodrechte hoogte gelijk zou zijn aan den straal van een cirkel waarvan de omtrek gelijk was aan den Perimeter van het basisvlak. Om dit te volvoeren maakten zij de zijvlakken van de Pyramide zoodanig dat deze een hoek met het grondvlak vormden van 51° 51′ 14″ (indien wij dezen hoek lieten bepalen volgens de hedendaagsche wetenschap). Wij kunnen ons nauwelijks denken dat de bouwers van de Pyramide zulk een nauwkeurige gissing konden maken; maar indien zij bij het bouwen der Pyramide zulk een doel op het oog hadden als wij veronderstelden, zou de hoek die het opgaande vlak met het grondvlak maakt vrijwel die van 51° 51′ 14″ nabij komen. Nu heeft men bevonden dat de hoek van de deksteenen werkelijk 51° 50′ was. Kan er een meer overtuigend bewijs zijn dat de reden, welke wij opgaven van het bouwen van de Groote Pyramide de ware reden was die hare Bouwers bezielde?....

John Taylor. The Great Pyramid, blz. 19. Sect. 18.

Boeken, geraadpleegd of bestudeerd bij het samenstellen dezer verhandeling.

Blavatsky, H. P. De Geheime Leer. (3 dln. en index).

—— Theosofisch Woordenboek.

—— Isis Unveiled. (2 vol.)

Taylor, John. The Great Pyramid. Why was it built, Who built it?

Skinner, Ralston The Source of Measures.

Smith, Piazzi. Life and Work at the Great Pyramid, 3 vol.

—— Our Inheritance in the Great Pyramid.

—— New Measures of the Great Pyramid.

Wake, C. Staniland The Origin and Significance of the Great Pyramid.

Barber, F. M. The Mechanical Triumphs of the Ancient Egyptians.

Persigny, M. Fialin de De la Destination et de l’Utilité permanente des Pyramides.

Maspéro, Prof. G. The Dawn of Civilization.

La Grange, Prof. Ch. Sur la Concordance qui existe entre la Loi Historique de Brück, la Chronologie de la Bible et celle de la grande Pyramide de Cheops.

—— Mathématique de l’Histoire.

Grobert, J. Description des Pyramides de Ghize.

Wilson, John. The Lost solar System of the ancients discovered 2 dln.

Choisy, Auguste. L’Art de bâtir chez les Egyptiens.

Yeates, W. A dissertation on the antiquity, origin and design of the principal pyramids of Egypt, particularly of the Great Pyramid of Ghizeh, with its measures, as reported by various authors, and the probable determinations of the ancient Hebrew and Egyptian cubit.

Greaves, John. The origin and the antiquity of our English weights and measures discovered.

Records of the Past. Vol II, IV, XII.

Maspéro, Prof. Histoire ancienne des peuples de l’Oriënt.

Wilkinson, Sir J. Gardner The Egyptians in the time of the Pharaohs.

—— Manners and Customs of the ancient Egyptians.

Maspéro, Prof. G. Ancient Egypt and Assyria.

Champollion, Figeac M. Egypte ancienne.

Adams, W. Marsham. The House of the Hidden Places.

—— The Book of the Master.

Rawlinson, Prof. G. Ancient Egypt.

Congrès provincial des Orientalistes français. Compte rendu de la première session 1875. Tome II.

Giesenburg, R. C. d’Ablaing van Evolution des idées religieuses dans la Mésopotamie et dans l’Egypte.

Bosc, Ernest Isis dévoilée.

Pentecost, G. F. Out of Egypt.

Gabb, Thomas Finis Pyramidis.

Herkberg, D. G. F. Geschichte des Altertums.

Bonwick, J. Egyptian Belief and modern Thought.

—— Pyramid Facts and Fancies.

Leeman, C. Monuments Egyptiens.

Margadant, Dr. P. C. Herodotus.

The Pyramid platform of Giseh.

Karsten, S. Blik op de monumenten van Egypte.

Langley, W. Ch. A Lecture on the Great Pyramid in Egypt, suggesting an intimate relationship with the probable foundation of freemasonry.

Tiele, G. P. Egyptische en Mesopotamische Godsdiensten.

—— Godsdienst in de Oudheid.

Schneider, H. Kultur und denken der Alten Ägypter.

Budge, E. A. The Book of the Dead. (3 vols).

—— A History of Egypt.

—— Egyptian Religion.

Pancoucke, L’Egypte.

Diverse Encyclopaedieën.

Fellows, A. M. The mysteries of freemasonry and the ancient Egyptians.

Petrie, Prof. Flinders, The Pyramids and Temples of Giseh.

Maten.

Zeer waarschijnlijk ontleenen de Egyptenaren, de Hebreeuwen, de Romeinen en waarschijnlijk de Hindoes, hunne lengtematen aan een bijzondere maat, die door alle eeuwen heen bestaan heeft, n.l. de lengtemaat thans bekend als

De Engelsche duim.

Deze maat kwam voort uit de numerieke integrale betrekking van

Middellijn tot omtrek van een cirkel.

Daar het oppervlak van een vierkant met een zijde van 81,6561 is, is het oppervlak van een ingeschreven cirkel in dat vierkant 5153; en wanneer volgens een eenvoudige geometrische waarheid de middellijn van een cirkel als 6561 wordt genomen, zal haar omtrek 5153 × 4 = 20612 zijn. Al deze maten worden ontleend aan de formule 6561 : 20612; aan welke verhouding de geometrische betrekking van middellijn tot omtrek onderworpen is.

Bij de praktische toepassing van deze getallen op een maatstok, werden zij verbonden aan die feitelijke maat welke thans nog de Engelsche duim wordt genoemd; getoetst volgens de standaard “Yard” maat, in 1824 door Captain Kater geconstrueerd volgens de Engelsche standaardmaat, en door het Engelsche Gouvernement aan de magistraten van Edinburgh aangeboden (zie hierover o.a. Piazzi Smith, Life and Work at the Great Pyramid).

De reden waarom de waarde der Engelsche duim is “zooals zij is” ligt hierin dat het juist die waarde was, welke bij toepassing er van, materieele kosmische grootheden doet overeenstemmen met de tijden en afstanden van de planeten van het zonnestelsel, volgens een wet van constructie die volgens de ouden beschouwd werd als goddelijk en die dit ook ongetwijfeld was.

(Zie hierover o.a. Ralston Skinner, Source of measures; Taylor, The Great Pyramid; J. Wilson, The Solar System of the ancietits discovered).

De beste herstelde vormen van de Oude Egyptische Ellemaat-waarde waren die van Sir Isaac Newton, volgens vele opmetingen door Professor Greaves van Oxford van de groote Pyramide genomen, en die vormen van de Savants der Fransche expeditie in Egypte (zie o.a. Pancoucke “Egypte”) gemaakt volgens een groot aantal opmetingen van de kamers en gangen, wat aangaat hunne hoogte, lengte en breedte van de catacomben van Osimandya. Sir Isaac Newton vond dat de herstelde waarde, uitgedrukt in Engelsche voetmaat was 1.717 voet.

De Franschen bevonden dat zij, uitgedrukt in Fransche metermaat, was.

523,524 meter.

Daar de meter = 39,37079 + Engelsche duimen is, is 523,524 × 39,37079 + = 20.611,553 + duimen, hetgeen gedeeld door 12, haar waarde in Engelsche voeten geeft als

1717,629 + voet.

Neem de bovenvermelde cirkelomtrek—waarde als 20.612 duimen. Deel dit door 12.000 en het resultaat is, uitgedrukt in Engelsche voeten

1,717666 voet,

en dit geeft den oorsprong aan voor de oude ellemaat waarde zooals zij afgeleid is (in dezen vorm van 20612) van Engelsche duimen.

Indien wij echter den vorm nemen

20612 36.643.55 +
× 16/3 =
6561 11664.

en deze gevonden middellijnwaarde deelen door 1000, dan vinden wij

11.664.

De Romeinsche voet blijkt volgens de beste gegevens (zie o.a. Great Pyramid, door John Taylor, blz. 25) in Engelsche duimen uitgedrukt

11.664. duimen

te zijn, en toont aldus van denzelfden oorsprong te wezen.

De Engelsche voet van 12 duimen werd blijkbaar beschouwd als de rectificatie van een omtrekwaarde in termen van de bovenstaande formule van 12 tot een middellijn van 3.819.716 + voet. Wij hebben alsdan

middellijn 6561; omtrek 20612.

20612/1000 Engelsche duimen of 20.612. Engelsche duimen = 1 el.
(6561 × 16)/9000 duimen 11.664. duimen = 1 Romeinsche voet.
12 duimen omtrek tot 3.819716 + duimen middellijn = 1 Engelsche voet.

Supplement to The Source of Measures, blz. 3, 4, 5.

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopieeren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is gebaseerd op een exemplaar in mijn bezit, aangeschaft in de kringloopwinkel in Vianen.

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org.

This eBook is based on a copy in my possession, purchased at the recycle-shop in Vianen, The Netherlands.

Codering

Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn hersteld.

Hoewel in dit werk laag liggende aanhalingstekens openen worden gebruikt, zijn deze gecodeerd met “.

Documentgeschiedenis

  • 19-JAN-2007 begonnen.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Plaats Bron Verbetering
Bladzijde 4 menscheid menschheid
Bladzijde 7 [Niet in bron] ,
Bladzijde 11 adepten Adepten
Bladzijde 13 , .
Bladzijde 14 moetie moeite
Bladzijde 14 ; :
Bladzijde 14 : ;
Bladzijde 15 [Niet in bron]
Bladzijde 15 [Niet in bron]
Bladzijde 16 pyriamidale pyramidale
Bladzijde 19 , .
Bladzijde 20 [Niet in bron] .
Bladzijde 20 24.00 24.000
Bladzijde 23 [Verwijderd]
Bladzijde 29 scheikun-kundigen scheikundigen
Bladzijde 30 merk merkt
Bladzijde 31 zij zijn
Bladzijde 45 [Niet in bron]
Bladzijde 46 principla principal
Bladzijde 61 [Niet in bron] .
Bladzijde 61 [Niet in bron] ,
Bladzijde 62 aamatiging aanmatiging
Bladzijde 63 [Niet in bron]
Bladzijde 64 by door
Bladzijde 66 uitteraard uiteraard
Bladzijde 75 [Niet in bron] .
Bladzijde 78 miskrosmos mikrokosmos
Bladzijde 86 [Niet in bron]
Bladzijde 92 [Niet in bron] ,
Bladzijde 101 . [Verwijderd]
Bladzijde 102 . [Verwijderd]
Bladzijde 107 [Niet in bron] .
Bladzijde 112 mede snede
Bladzijde 118 .) ).
Bladzijde 120 ancieinne ancienne
Bladzijde 122 523.524 523,524
Bladzijde 122 39.37079 39,37079
Bladzijde 122 523.524 523,524
Bladzijde 122 39.370.79 39,37079
Bladzijde 122 20.611.553 20.611,553
Bladzijde 122 1.717.629 1717,629
Bladzijde 122 1.717.666 1,717666