WeRead Powered by ReaderPub
De H. Nikolaas in het folklore cover

De H. Nikolaas in het folklore

Chapter 4: I.
Open in WeRead

About This Book

Deze studie onderzoekt de gebruiks- en voorstellingswereld rond de viering van Sint-Nicolaas, met nadruk op Limburgse bronnen maar met vergelijkend oog naar andere regio's. De auteur bespreekt methoden van de folkloristiek, onderscheidt christelijke elementen van oudere heidense resten, en groepeert liederen, sagen, gewoonten en rituelen — onder meer vruchtbaarheidsmotieven en kostuumtradities — om mogelijke oorsprongen en transformaties te achterhalen. Kritische bronnenanalyse, verwijzingen naar controverse tussen katholieke en niet-katholieke onderzoekers, en voorbeelden uit mondeling en gedrukt materiaal illustreren hoe lokale varianten zowel continuïteit als aanpassing tonen binnen bredere culturele processen.

The Project Gutenberg eBook of De H. Nikolaas in het folklore

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De H. Nikolaas in het folklore

Author: Jos. Schrijnen

Release date: December 5, 2011 [eBook #38211]

Language: Dutch

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE H. NIKOLAAS IN HET FOLKLORE ***

Opmerkingen van de bewerker

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld.

Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.
Variaties in spelling (Meyer/Meijer) zijn behouden. Een extra verduidelijking of vertaling is beschikbaar bij woorden die voorzien zijn van een dunne groene stippellijn.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.

DE H. NIKOLAAS
IN
HET FOLKLORE

DOOR

Dr. JOS. SCHRIJNEN,

leeraar aan het Bisschoppelijk Kollege te Roermond,
bibliothekaris van het Genootschap „Limburg”.

Roermond,
J. J. ROMEN EN ZONEN.
1898.

De H. Nicolaas in het Folklore.

„Folk-lore,” zegt Prof. Paul Alberdingk Thijm(1), „is op alle gebied de wapenkreet geworden. Wee dengene, die zich daartegen kant! Hij worstelt tegen den stroom. Folk-lore in de raadzalen! Folk-lore in de school! Folk-lore in alle kunstuitingen!” En zoo is het Folklore in engeren zin, dat wil zeggen, de wetenschappelijke behandeling van gewoonten, zeden en gebruiken, spreekwijzen en uitdrukkingen, liederen, sprookjes, sagen, legenden en voorstellingen, die voortleven in den boezem des volks, niet alleen eene moderne wetenschap, maar tevens eene wetenschap, die uitdrukking verleent aan den geest, die beantwoordt aan de behoeften des tijds. Immers: „men wendt zich weder tot de natuur; de volksaard wordt ondervraagd. Men spoort op waarin die bestaat, omdat men dien bijna had vergeten; men graaft oude legenden, sagen, spreuken uit het dikste stof en beoefent een vak, dat men met den nieuwen naam van Folk-lore bestempeld heeft, d. i. volkskunde, volkswetenschap.”(2) Aan hare verhouding tot de tijdsomstandigheden dankt de wetenschap van het Folklore zonder twijfel hare rassche verspreiding. Met koortsigen ijver zette men zich in alle beschaafde landen aan het werk, om den schat van overleveringen op te teekenen, te schiften, te groepeeren, en met verbazende snelheid zag men allerwegen Folkloristische vereenigingen en bibliotheken verrijzen; en de naam der jonge wetenschap zelf—voor het eerst door Mr. Thoms, Sekretaris der Camden Society in het Athenæumnummer van 22 Augustus 1846 gebruikt—had slechts enkele tientallen van jaren noodig, om zich een onbetwist Europeesch burgerrecht te verschaffen.

Van meet af betrad deze wetenschap ook reeds den weg, dien hare zusterwetenschappen—Mythologie, Geschiedenis, Ethnologie en Linguïstiek—deze eeuw vooral zijn ingeslagen: als vergelijkende wetenschap zag zij het licht. Niet tevreden op beperkt terrein eene reeks van min of meer samenhangende verschijnselen op een gegeven oogenblik op het leven te betrappen of ook hooger opwaarts te vervolgen, zoekt de Folklorist analoge sagen en gebruiken bij verwante stammen op te sporen; hij ontdoet het aldus verkregen materiaal van alle heterogene bestanddeelen, vergelijkt, en tracht zoodoende tot hun kern en hunne oorspronkelijke beteekenis door te dringen.

Deze door elk wetenschappelijk Folklorist te volgen gedragslijn doet duidelijk zien, hoe juist het verwijt van eenzijdigheid was, door Dr. G. Brom onlangs tot zeker iemand gericht, die onder het pseudoniem van Joës a Leydis schuil gaat(3): „Maar de verschijning van Sint-Nikolaas als Bisschop pleit toch, zoo men wil, voor den zuiver katholieken oorsprong en zin van zijn feestviering. Zeker, indien zulk een optreden overal in gebruik was; maar dat is voornamelijk het geval in ons eigen vaderland. Hierop alleen acht gevende, zouden wij de berisping niet ontgaan, welke Tacitus aan de geschiedschrijvers van zijn tijd toediende: „qui sua tantum mirantur.” Op zijn Hollandsch gezegd: die niet verder zien dan de gezichteinder reikt boven hun eigen onderdeur, en meenen, dat hun beperkt kringetje de gansche wereld omvat.”

En inderdaad, worden er tusschen de Katholieken Folkloristen gevonden, die beweren in de volksfeestviering van den H. Nikolaas niet-kristelijke bestanddeelen, te ontdekken, dan is dit

1º omdat zij tusschen volksgebruiken en volksvoorstellingen, die met het feest in betrekking staan, en andere gebruiken en voorstellingen, hetzij op eigen bodem, hetzij elders, eene verwantschap meenen te speuren, die niet aan ontleening van het St. Nikolaasfeest haar oorsprong kan te danken hebben; en

2º omdat geen enkel kerkelijk leerstuk, geen enkele kerkelijke wet hen verplicht, al wat op het oogenblik met de feestviering van den H. Nikolaas in verband staat, als van zuiver kristelijken oorsprong te beschouwen.

Wel zullen zij niet altijd langs den weg eener klemmende bewijsvoering tot onwraakbare resultaten kunnen geraken,—vaker door de overtuigingskracht van een voldoend aantal feiten tot eene moralis certitudo wellicht; in ieder geval zal het hun echter vrijstaan in den knecht Ruprecht b. v. liever een elfische gedaante te zien, dan Marmorinus, den zwarten koning der Agareniërs, en wel zonder gevaar, het spoor der orthodoxie bijster te raken.

Hij, die dergelijke beginselen huldigde, zal hierin niet weinig versterkt zijn geworden door de zooeven geciteerde meesterlijke kritiek van Dr. Brom in de l.l. Januari en Februarinummers van De Katholiek. Niet slechts de eer der katholieke historiografie, ook die van het katholieke Folklore is daar van bevoegde zijde op schitterende wijze gewroken. Het feit en goed recht eener z. g. „verkerstening” zijn er aangetoond, de banen, die de katholieke geschiedvorscher te volgen heeft, afgebakend, het blazoen der katholieke Volkskunde is er gezuiverd van alle smet en blaam. Uitteraard kon de schrijver echter bij de behandeling van zijn vierde punt niet tot meer bijzonderheden afdalen, zonder de eenheid van het geheel te schaden;—en toch is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat menig Katholiek naar eene nadere kennismaking met de zienswijze der Folkloristen in deze verlangt. Ik neem dus de taak op, door Dr. Brom zelf l. l., p. 152 den Folkloristen overgelaten met de woorden: „aan hen de taak, zoo mogelijk eene volledige oplossing te brengen”. In de volgende bladzijden stel ik mij voor, een zeker aantal gegevens tot eenige rubrieken terug te voeren, en deze, meer als specimina dan als volledige verzameling, het belangstellend publiek aan te bieden. Niet zelden echter zal ik hierbij gedwongen zijn in eene herhaling te vallen, van hetgeen reeds in mijne meer algemeene verhandeling over de „Overblijfselen van den Wôdankultus in Limburg”, Vde Jaargang, IIIde Afdeeling van het Genootschap „Limburg” is gezegd. Ook duide men het mij niet ten kwade, zoo ik voor het meerendeel gedwongen ben uit ongeloovige of althans niet-katholieke schrijvers te putten. Gave God, dat ik meer werken van katholieke Folkloristen als bronnen kon aanhalen!

(1) In de Lettervruchten v. h. Taal- en Letterlievend Studentengenootschap „Met Tijd en Vlijt”. Leuven 1892. P. 4.

(2) P. Alberdingk Thijm, l. l., ib.

(3) In zijne kritiek van een kortelings onder dit pseudoniem bij Borg, Amsterdam, verschenen werkje, getiteld: Sint Nikolaas, zijn Feest en Gebruiken. Zie De Katholiek, Dl. CXIII, p. 154.

I.

HET VRUCHTBAARHEIDSTIJDPERK.

Sinte Klaas, die goede man,
Die ook alles bakken kan,
Suikergoed en taaie man,
Ja, daar krijg ik ook wat van.
(Dr. Eelcoo Verwijs, Sinterklaas, 's Gravenhage, 1863. P. 74.)

Verreweg de meeste gebruiken en volksvoorstellingen, die met het feest van den H. Nikolaas in verband staan, behooren m. i. tot de derde groep in de waarlijk „onmisbare distinctie,” door Dr. Brom in zijn eerste artikel vastgesteld(4). Zelfs dan, als de Kerk wilde afschaffen, gelukte het haar bij lange niet volkomen, het ingekankerde heidendom uit te roeien. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men slechts den Indiculus superstitionum et paganiarum(5) na te gaan, en aldra zal men tot de ontdekking komen, dat verschillende nummers, zoo b. v. De incantationibus(6) (No 12), en De divinis vel sortilegis(7) (No 14) nog in het huidige bijgeloof voortbestaan. Opmerking verdient het, dat zich dit bijgeloof vooral aan kristelijke feesten, zoo b. v. Kerstdag en St. Thomasdag vasthecht;—en aan deze opvattingen en praktijken zal toch wel niemand een kristelijken oorsprong willen toeschrijven. Ook vind ik reeds het eerste nummer eener vragenlijst uit de XVde eeuw, ten behoeve der priesters voor biechtelingen uit de gewone volksklasse, in het Limburgsche Folklore terug: Qui exercent supersticiositates cum acu qua cadaver est consutum(8).

Maar wat zeggen van gebruiken als het geven van geschenken, het zetten van den schoen, van volksfantasieën als het rijden over de daken, het werpen door den schoorsteen? Zou men niet veilig kunnen aannemen, dat de Kerk ten opzichte hiervan steeds strikt onpartijdig gebleven is, daar zij er volstrekt geen gevaar in zag, zoo sommige heidensche attributen al door het volk op een H. Nikolaas werden overgedragen? Men moge dan met nog zooveel ijver de oudste dokumenten doorwroeten en het dichtste stof der archieven doen opdwarrelen, ten sterkste zou ik het betwijfelen, of men er ooit in zal slagen, eene kerkelijke veroordeeling van het geloof aan een Sleipnir aan het daglicht te brengen.

Aan Wôdan, de verpersoonlijking der bewogen lucht, den windgod en bijgevolg den god der vruchtbaarheid, behoorden de Winterfeesten; hem op de eerste plaats werd dan geofferd; andere chtonische- en windgodheden, zooals Holda en Perchta, speelden dan slechts eene ondergeschikte rol. Nu mag men met Grimm aan een driedeeling des jaars en, in verband hiermee, aan het voormalig bestaan van drie hoofdoffertijden blijven vasthouden, ofwel—wat waarschijnlijker is—met Weinhold en Phannenschmid, door Mogk gevolgd(9), het Germaansche jaar in vieren indeelen,—het bestaan der beide Winterfeesten wordt door niemand ontkend. Het eerste dezer feesten, hetwelk een geruimen tijd duurde, begon omstreeks het begin van November; het tweede z. g. Midwinterfeest of Joelfeest, ontegenzeglijk het hoogste feest der oude Germanen, viel in de tweede helft van December en in de eerste van Januari. Dit wordt het tijdperk der „Twaalf Nachten” genoemd; onze oostelijke naburen spreken van de Zwölften, Unternächte, Rauchnächte of Losstage. Volgens sommigen moet men door de Rauchnächte de drie Donderdagen vóór Kerstmis verstaan(10). De Tirolsche boerenalmanak geeft als zoodanig 6, 25 en 31 December, en 6 Januari aan. Het woord „Joel”, afkomstig van het Oud-Noordsche jol (= *jul), hangt waarschijnlijk niet met het Angel-Saksische hveol = rad, samen, maar komt waarschijnlijk van eene Indo-Germaansche wortel Jeku, en beteekent „scherts”, „vroolijkheid”, zoodat dit feest, naar zijne etymologie te oordeelen, het „jolige” bij uitstek was(11). Inderdaad, het karakter der beide Winterfeesten bestond in eene uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt 1º door het genieten der offergaven, gedurende dien tijd aan Wôdan c. s. en ook aan de zielen der afgestorvenen gebracht; en 2º—reden van œkonomischen aard—door de twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen, wanneer deze niet, zooals Tille beweert(12), zelfs de hoofdaanleiding tot de winterfeestviering gegeven hebben.

Anders was het in het Noorden. De Oost-Germanen vierden hun hoofdfeest, het Góiblót, in Februari, „til gródhrar” voor den wasdom, terwijl het „Joelfeest daar in Januari viel, „til árs” voor den oogst(13).

Gegeven dus, dat het eerste Winterfeest eene vrij groote rij van dagen in beslag nam; dat het Joelfeest meestal tusschen Kerstmis en Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen; dat beide Winterfeesten hoofdzakelijk Wôdan, den god der vruchtbaarheid golden; dat eindelijk, gedurende heel den tijd, als de natuur schijnt uitgestorven en de winden het vaakst ontketend zijn, volgens de voorstellingen der oude Germanen de Wilde Jacht, met Wôdan als voorrijder, door het luchtruim joeg(14), dan krijgen wij een bijna aaneengesloten feesttijdperk, den god der goede gaven ter eere, dat zich ongeveer van het begin van November tot het midden van Januari uitstrekte. Wij bevinden nu, dat vele volksgebruiken en volksverhalen, welke met kristelijke feesten gedurende dit tijdperk samenhangen,—St. Martinus (11 November), St. Clemens (23 November), St. Andreas (30 November), vooral St. Andreasnacht, St. Barbara (4 December), St. Nikolaas (6 December), St. Lucia (13 December), St. Thomas (21 December), Kerstmis (25 December), St. Stefanus (26 December), het feest der Onnoozele Kinderen (28 December), Driekoningen (6 Januari)—veel overeenkomst blijken te bezitten met de gebruiken van het Winterfeesttijdperk en met de attributen van den god, die alsdan de hoofdrol vervulde. Zien wij dan anderdeels, dat zij in hun huidigen toestand eene groote objectieve verscheidenheid vertoonen en bedenken wij, dat in de feestkringen van andere tijdperken dergelijke overeenkomst vergeefs wordt gezocht, dan dunkt mij is de gevolgtrekking, zoo niet strikt bewijsbaar, dan toch alleszins te rechtvaardigen, dat het hier attributen geldt, van hun oorspronkelijk subjekt losgerukt, en door de volksfantasie, het eene vóór, het andere na, aan kristelijke instellingen en persoonlijkheden vastgehecht.

Heidensche offers gingen steeds van offermaaltijden vergezeld. Wat hiervan in ons hedendaagsch Folklore kan zijn overgebleven? „In unserem Volksglauben”, zegt Mogk(15)sind in algemeinen die Opfer vergessen; gewisse Gerichte, die man in jenen Tagen isst, scheinen nur noch schwach daran zu erinnern”; en Grimm(16) beschouwt als offerresten vooral „das reiben der heiligen flamme, laufen durch die brände, werfen von blumen in das feuer, backen und austheilen grosser brote oder kuchen, und der reihetanz”. Zoo ook v. Reinsberg-Düringsfeld: „Der Weihnachtsschmaus trat an die Stelle der alten Gastereien, die mit den Opfern verbunden waren, wie uns die verschiedenen Speisen, die noch üblich sind, sowie die Weihnachtskuchen, welche die Gestalt von Ebern, Pferden und anderen Tieren haben, deutlich bekunden(17). Men mag deze meening zijn toegedaan of niet, vreemd is het in ieder geval, dat juist gedurende den Joeltijd (in den meest uitgebreiden, boven aangeduiden zin) de meeste smulpartijen en gebaksvormen gevonden worden.

Met St. Maarten bakt men bij ons bijzondere koeken, St. Maartenshoorntjes genaamd; in Duitschland houdt men smulpartijen, Mogk althans spreekt van Martinsschmäusen(18). In het Freudenthal (Oostenr. Silezië) krijgen kinderen en volwassenen op St. Maartensvooravond velerlei geschenken, maar vooral het Martinshörndl mag niet ontbreken(19). Met St. Andreas wordt te Reichenberg de Andreaskranz gebakken(20). In Hohenzollern begint men acht dagen vóór Sinterklaas reeds met het bakken van het Klausenmannle, een wittebrood in den vorm van een dansenden man(21). Met Sinterklaas vergast zich in heel ons land oud en jong aan peperkoek onder de meest grillige vormen en benamingen. Te Seekirch (Würtemberg) bakt men alsdan lange, dunne koeken, die den vorm van pyramiden hebben; in het „Oberambt Ehingen” kleine, ronde suikerbroodjes, z. g. Cloosen-Weckle; te Dieburg (Hessen-Nassau) Nicolaus-Lebkuchen; te Leipzig Pflaumentoffel, eene eigenaardige lekkernij(22). Dan volgt Kerstmis met zijn in het Limburgsche Folklore eigenaardige Kerstbroodje van Geleen(23), en tweede Kerstdag, waarop de kinderen te Neeroeteren (Belg. Limburg) op broodjes onthaald worden(24); voorheen at men op Stefanusdag in den Eiffel tweeërlei brood, het eene zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden(25). Ook zijn de Weihnachtsstollen bekend. Kerstbrood geldt in Duitschland voor brandstillend(26). Tusschen Kerstmis en Nieuwjaar kende men er eertijds een bijzonder soort brood(27). Voeg hierbij nog het Nieuwjaarsgebak („Nieuwjaarsmoppen”, aan den Rijn: „Neujahrskränzchen) en de smulpartijen op Driekoningendag, die o. a. te Laerz (Mecklenburg) plaats vinden(28), en ge zult tot het besluit komen, dat de gastronomen gedurende het Joeltijdperk geen reden tot klagen hebben. Bovengemelde meening omtrent deze gerechten wordt dan ook, bepaaldelijk voor de Kerstkoeken, aannemelijk geacht, door den inzender van No 1178b der aangehaalde Bartsch'sche verzameling(29): „Die gegen Weihnachten gebackenen sogenannten Kinnerges=Poppen, Has=Poppen, welche nach jetziger Denkung die Hirten von Bethlehem und deren Heerde darstellen sollen, unsprünglieh aber Opfergaben gewesen sein mögen, die am Julfeste dargebracht wurden (Beyer in den Mekl. Jahrb. XX, 150), werden von manchen Bäckern mit Saffran bestrichen und heissen darum auch: Saffran=Pöppings”. Ook Meyer is deze zienswijze toegedaan(30), met het oog vooral op het volgende: Buiten den wolf (en den raaf)(31) zijn Wôdan vooral de bok en de ever heilig; deze dieren vooral werden als symbolen der vruchtbaarheid in den Joeltijd aan Wôdan den windgod, den god der vruchtbaarheid geofferd. “Veel wind, veel ooft,” zegt een spreekwoord; wind schenkt vruchtbaarheid en doet het koorn, rijpen(32). Vandaar 1º dat Wôdan als god der vruchtbaarheid vooral dan vereerd werd, als de winden heviger loeiden dan ooit. Het Joelfeest werd dan ook niet ter eere van den zonnegod, maar van den god der vruchtbaarheid gevierd(33); en 2º dat om redenen van œkonomischen aard dit feest bij de Germaansche plattelandbewoners als het hoogste gold. Nu bakt men gedurende het heele Joeltijdperk, niet slechts met Sinterklaas, niet alleen koeken in den vorm van menschen en paarden, maar vooral van bokken en varkens. Ook met Kerstmis stellen in Mecklenburg de z. g. Kinjes-Poppen meestal varkens voor(34). In Zwaben bakt men met Kerstmis Springerle, d. i. koeken in allerhande soorten van diervormen. Dan ook wordt in het Noorden de Julgalt gebakken en onder het zaadkoren gemengd; dit gebak heeft den boks- of zwijnsvorm. Op Nieuwjaarsmorgen brokt de Meklenburger een Hörnstöter onder het voêr(35). Ook in het Odenwald mengt men z. g. Julkuchen onder het zaad; als eigenaardigheid diene echter hierbij te worden vermeld, dat de boksvorm hier met een hamer versierd is(36). Dit mocht ons onverklaarbaar voorkomen, wisten wij niet, dat ook de hamer een hoofdsymbool der vruchtbaarheid is, wel niet aan Wôdan, maar aan Donar toegeschreven, die volgens Saxo Grammaticus door een slag van zijn hamer den bliksem deed geboren worden(37). Waarschijnlijk hebben wij hier te doen met No 26 van den Indiculus superstitionum:(38) De simulacro de consparsa farina(39). Ook anderszins nog wordt zulk een simulacrum vervaardigd. In Oost-Gothland is het een met zwijnshuid overtrokken blok, Julbucken genoemd; en in Silezië snijdt men schapen en geiten (niet veeleer bokjes?) uit hout, en overtrekt die met konijnsvel(40).

De Joeltijd is daarenboven het tijdperk, gedurende hetwelk, zooals Dr. Brom het zoo juist uitdrukt, „gegeven werd en tegenwoordig nog gegeven wordt”(41).

Wederom wordt dit tijdperk door St. Maarten geopend. In de provincie Limburg, te Roermond en te Venloo vooral, wordt op het feest van dezen Heilige de jeugd op appelen, peren, noten, krakelingen en wat dies meer zij onthaald; ook in de noordelijke provinciën is dit gebruik niet heelemaal onbekend, zooals uit de door Schotel verzamelde gegevens blijkt(42). Iets dergelijks vindt men in heel Mecklenburg(43), in de Altmark(44) en in Oostenrijksch Silezië(45); daar geeft men alsdan ook aan volwassenen allerlei soort van geschenken. Op sommige plaatsen is St. Maarten zelfs het hoofdfeest en komt Sinterklaas of Kerstmis op de tweede plaats, zoo b. v. te Düsseldorf in Erfurt(46), waar men als te Venloo, te Utrecht(47) en voorheen in Oostfriesland(48) met lantaarns en lampions op den vooravond door de straten trekt, in de Rijnstreken, te IJperen, in heel het kanton Aalst(49) en voorheen te Augsburg(50). Over de roede van St. Martinus in een volgend hoofdstuk. In Engeland is St. Clemensdag, te Reichenberg St. Andreasdag schenkingsfeest(51).

Te Keulen is de H. Barbara (4 Dec.) met hare geschenken de voorloopster van Sinterklaas(52). De gebruiken van 6 December zijn overbekend; in ons land is Sinterklaas het hoofdschenkingsfeest, evenals in Opper-Oostenrijk, waar het Kerstfeest weinig bekend is. Ooft en lekkers voor de kinderen schenkt Sinterklaas o. a. in Beieren en in de Zwitsersche kantons Luzern en Schwytz(53). In Tirol speelt Lucia voor de meisjes de rol van Sinterklaas(54).

Dan volgt het Kerstfeest dat, behoudens den Kerstboom en eenige gebruiken van ondergeschikten aard, volkomen ons Sinterklaasfeest slacht; een verdienstelijk historisch overzicht der Weihnachtsbescherung is door Tille geleverd(55). In de Provincie Limburg worden dien dag aan de kinderen op hun geroep „heio” te Merkelbeek, Brunssum en Oirsbeek appelen toegeworpen. Te Echt gebeurt dit op Silvester-, te Roosteren, Buggenum en Nunhem op Nieuwjaarsdag(56). In Mecklenburg schenkt de Schimmelrijder op 1 Januari appelen, noten en peperkoek(57). Eindelijk, met Driekoningen, gaan op verschillende plaatsen van Limburg, zoo b. v. te Weert en omstreken, de kinderen om geschenken bedelen, en sluiten aldus het Joeltijdperk(58).

Laten wij hier de opmerking maken, dat dit geven van geschenken in enge verhouding staat tot het rijden door de lucht, eene verhouding, die door het verband tusschen „wind” en „vruchtbaarheid” in een helder daglicht treedt(59), en in de synonimie der termen „rijden” en „ten geschenke geven” hare uitdrukking vindt. Reden waarom ik meen, dat ook het in den grond der zaak éénvormige geven van geschenken gedurende het Joeltijdperk niet volstrekt van den persoon des voorrijders der Wilde Jacht, des „gevers der goede gaven”, mag gescheiden worden. Iets meer dan de bloote namen van Joeltijd, Joelgebak, Joelbok, Joelknots, Joelstroo, Joellicht, Joelblok, enz. moet van het vóórkristelijke vruchtbaarheidstijdperk zijn overgebleven. Beslister dan ooit blijf ik dus de stelling handhaven, die ik in mijne Overblijfselen neerschreef(60): „Mogt dan ook het geven van geschenken op Sinterklaasdag voor een groot deel op de bekende liefdadigheid van den Heilige berusten, zeer waarschijnlijk is het toch, dat de op Germaanschen bodem bestaande Midwinterfeesten een niet onbeduidenden invloed op dit gebruik hebben uitgeoefend”.

Zelfs eene andere oorzaak nog moet er krachtig toe hebben bijgedragen, het Sinterklaasfeest den vorm te geven, dien het thans bezit. In bijna alle Germaansche volksfeesten zijn drie bestanddeelen: het Kristelijke, het Germaansche en het Romaansche innig versmolten; en zoo zal Rome's invloed ook op het Germaansche Winterfeest niet zonder uitwerking gebleven zijn. Uit het Romeinsche alfabet ontleenden onze voorouders in de eerste eeuwen na Kristus hun Runen-alfabet(61); in navolging der Romeinen gaven zij namen van godheden aan de verschillende dagen der week; uit de Romeinsche Mythologie drong menig goden-attribuut in het Germaansche pantheon, werd het geloof aan de geestwerende kracht der bivia en trivia op onzen bodem overgeplant(62). Met alle reden mogen wij dus aannemen, dat in het geven van geschenken gedurende het Joeltijdperk ook een overblijfsel der Romeinsche Kalendenviering is bewaard gebleven. Aldus wordt de god Janus „der dritte im Bunde”, wien ter eere op 1 Januari allen elkander gelukwenschten en passende geschenken vereerden(63).

(4) L. L., p. 83.

(5) Bij Moritz Heijne, Kleinere altniederdeutsche Denkmäler. Paderborn, 1877. Pp. 89, 90.

(6) Over tooverij.

(7) Over zieners en waarzeggers.

(8) Die bijgeloovigheid plegen met eene naald, waarmee een doodshemd genaaid is. Bij Hermann Usener, Christlicher Festbrauch. Bonn, 1887. P. 84. Dit punt van het bijgeloof is reeds door mij opgeteekend in mijne studie, getiteld; De Doode in het Limburgsche Folklore, in het Jaarboek van „Limburg”. I, p. 192.

(9) Grundr. d. Germ. Philol., her. v. H. Paul. I, p. 1125.

(10) Wilhelm Mannhardt, Der Baumkultus der Germanen und ihrer Nachbarstämme. Berlin, 1875. P. 542.

(11) Vgl. Elard Hugo Meijer, Germanische Mythologie. Berlin, 1891. P. 197.

(12) Alexander Tille, Die Geschichte der Deutschen Weihnacht. Leipzig, 1893. P. 6 vlg.

(13) Mogk, l. l., p. 1126; Meijer, l. l., p. 196.

(14) Overblijfselen, p. 10.

(15) L. L., I, p. 1125.

(16) Jacob Grimm, Deutsche Mythologie. Berlin, 1875 (Vierte Ausg. bes. v. E. H. Meijer) I. p. 35.

(17) Das festliche Jahr der Germanischen Völker. Leipzig, 1898. P. 4.

(18) L. L., I, p. 1127.

(19) Theodor Vernaleken, Mythen und Bräuche des Volken in Oesterreich. Wien, 1859. P. 62.

(20) v. Reinsberg-Düringsfeld, l.l., p. 420.

(21) Dr. Eugen Schnell, Sanct Nicolaus, der heilige Bischof und Kinderfreund. Brünn, 1886. I. p. 17.

(22) Schnell, l. l., I, pp. 46, 51, 62.

(23) Russel, De heerlijkheid Geleen, p. 73.

(24) H. Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg. Venloo, 1877. P. 12.

(25) Tille, l. l., p. 47.

(26) Meijer, l. l., p. 218. In Holstein wordt de avond van den 24sten December Vulbuuksabend genoemd. Zie v. Reinsberg-Düringsfeld, l.l., p. 464.

(27) Tille, l. l., ib.

(28) Karl Bartsch, Sagen, Märchen und Gebräuche aus Meklenburg. Wien, 1879. II, p. 250.

(29) II, p. 227.

(30) L. L., pp. 215, 218.

(31) Overblijfselen, p. 15.

(32) Overblijfselen, p. 22.

(33) Mogk, l. l., I, pp. 1125, 1126. Op Nieuwjaarsnacht schiet men in Meklenburg in de boomen, om ze vruchtbaar te maken (Bartsch, l.l., II. p. 232); tot dit doeleinde worden in Engeland de boomen dien nacht met stokken geslagen (Mannhardt, l. l., p. 279). „Is er wind in de Kerstdagen, dan zullen de boomen veel vruchten dragen,” zegt men in Limburg; zoo ook: „Sneeuw in den Kerstnacht geeft een goeden hopoogst.” En in Mecklenburg: „Als in de Zwölften de boomen zich bukken, komt er veel ooft.” (Bartsch, l. l., II, p. 250).

(34) Bartsch, l. l., II, p. 227.

(35) Bartsch, l. l., II, p. 241.

(36) Meijer, l. l., pp. 101, 103, 215, 211.

(38) Heijne, l. l., p. 90.