WeRead Powered by ReaderPub
De H. Nikolaas in het folklore cover

De H. Nikolaas in het folklore

Chapter 6: III.
Open in WeRead

About This Book

Deze studie onderzoekt de gebruiks- en voorstellingswereld rond de viering van Sint-Nicolaas, met nadruk op Limburgse bronnen maar met vergelijkend oog naar andere regio's. De auteur bespreekt methoden van de folkloristiek, onderscheidt christelijke elementen van oudere heidense resten, en groepeert liederen, sagen, gewoonten en rituelen — onder meer vruchtbaarheidsmotieven en kostuumtradities — om mogelijke oorsprongen en transformaties te achterhalen. Kritische bronnenanalyse, verwijzingen naar controverse tussen katholieke en niet-katholieke onderzoekers, en voorbeelden uit mondeling en gedrukt materiaal illustreren hoe lokale varianten zowel continuïteit als aanpassing tonen binnen bredere culturele processen.

(39) Over den vorm van koekdeeg.

(40) Schnell, l. l., I, p. 65.

(41) L. L., p. 157.

(42) Martinus, Bisschop der Galliërs, in zijne Tilburgsche Avondstonden. Amsterdam, 1850. Zie ook v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 406.

(43) Bartsch, II, p. 222.

(44) Adalbert Kuhn, Märkische Sagen und Märchen. Berlin, 1843. P. 344. Als eigenaardigheid deelen we hier het begin van een St. Maartenslied mee, in de Altmark gezongen:

Märtiin Märtiins Vaegelken
Mett siin vergült Snaevelken!
Geft us watt un lat us gan,
Datt wii hüüt noch wiier kamn; enz.

(45) Vernaleken, l. l., p. 62. Zie p. 11.

(46) v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., pp. 406, 408.

(47) Schotel, l. l., p. 55.

(48) Schnell, l. l., I, p. 36.

(49) Brom, l. l., p. 156.

(50) Tille, l. l., p. 28.

(51) v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., pp. 412, 414, 420.

(52) Brom, l. l., ib.

(53) Schnell, l. l., I., pp. 22, 73, 78.

(54) v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 434.

(55) L. L. pp. 189–219.

(56) Welters, l. l., pp. 12, 13.

(57) Bartsch, l. l., p. 234.

(58) Enkele soortgelijke gebruiken, die buiten dit tijdperk vallen, zoo b. v. het „rijden” der Engelen op Palmzondag, staan waarschijnlijk met het Lentefeest in verband.

(59) Zie pp. 12, 13.

(60) P. 28.

(61) E. Sievers, Grundr. d. Germ. Philol., I, p. 246.

(62) De Doode, enz., l. l., I, p. 191.

(63) Jordan-Preller, Römische Mythologie. Berlin, 1891. Pp. 179, 180. Vgl. Ov., Fast., I, 71 vlg.

II.

SCHOORSTEEN EN SCHOEN.

Sint Niklaas, dou goede bloed!
Geefme een zakje vol suikergoed:
Niet te veel en niet te min.
Smijt het maar tot de schoorsteen in.
(Eelcoo Verwijs, l. l., p. 74).

Sinterklaas werpt veelal zijne gaven, „rijdt” door den schoorsteen. Niet alleen hij echter, ook St. Maarten, ook de Wilde Jager, al zijn diens gaven niet altijd even begeerenswaardig.

Eens, toen de Wilde Jacht voorbijreed, riep een vermetel timmerman in den Harz den voorrijder het bekende „hoho” achterna. Daar valt plotseling een zwarte klomp door den schoorsteen, dat de vonken er van opstuiven(64).

In een dorp aan de Elbe woonde eens een man, die zich verstoutte, toen de Wilde Jager in den Kerstnacht door de lucht stormde, zijne deur te openen, en hem spottend om eene kerstgave te vragen. Hierop liet de Jager een zijner honden achter, die door den schoorsteen op den haard viel(65).

Meermalen echter schenkt de nachtelijke ruiter ook goud(66), evenals zijne gemalin Frija, onder de benaming van Fru Gor(67).

Inderdaad, de schoorsteen is de verbindingsweg tusschen de geestenwereld en de gewone stervelingen,—de ruime, ouderwetsche schoorsteen, zooals die nog thans op het platte land wordt aangetroffen. Is het dan wonder, dat hij eene groote rol in de tooverwereld speelt? Dat men op Silvesteravond, in het hartje van den Joeltijd, het toovertijdperk bij uitnemendheid, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te doorgronden(68)? Dat toovermiddelen veelal in den schoorsteen worden opgehangen? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen tot den haard, het middelpunt des huisgezins, af(69).

Nu is het in zich genomen wel niet onmogelijk, dat het volk aan „den overwinnaar van den duivel, den overwinnaar van het heidendom, den overwinnaar van Diana” bij diens komst door den schoorsteen, een groote geestes-schoonmaak toeschrijft of althans toeschreef.....


Heiliger Sanct Nicolaus
Wir stell'n dir unsere Schuh' hinaus,
Leg uns doch was schönes ein,
Wir woll'n recht fromm und fleissig sein,

zoo zong eertijds de jeugd te Weenen, en in dien geest zingt nog heden onze Nederlandsche spes patriæ. Onder den schoorsteen wordt de schoen gezet: „een schoen bij iemand zetten” is synoniem van „iemand iets afbedelen”. Nu bestond er in Italië aan de hoven van sommige vorsten eene plechtigheid, naar een Spaansch woord, dat schoen beteekent, Zopata genoemd(70). Dat ons dit gebruik uit Spanje is overgewaaid, acht Schnell bepaald onmogelijk; dan moest, zegt hij, ook ons geschenk dien naam dragen(71). Daarenboven is Spanje een dier landen, waar de viering van het St. Nikolaasfeest het minst populair was. Laten we hier opmerken, dat men tot verklaring dezer bijzonderheid geene nadere verhouding van Nederland tot Spanje kan doen gelden; den schoen toch vindt men ook in het Duitsche en Oostenrijksche Folklore, en eene ontleening aan Nederland zou in dit geval hard te betwijfelen zijn.

Maar de schoen kan van Italiaanschen oorsprong zijn. Toegegeven; doch al kon men dit bewijzen, dan was hierdoor de oplossing van het vraagstuk nog slechts verplaatst. Van waar dan de schoen in Italië? Hij „zal wel op niets anders doelen dan op de legende der drie maagden”, zegt Eelcoo Verwijs(72); de reden, dat nl. bedoelde maagden „bij het ontwaken telkens den schat onder hare kleederen, als 't ware(73) in de schoenen, vonden”, komt ons echter meer grappig dan juist voor. Ook is in dit geval de verruiling van schoen en schotel, zooals wij die te Salzburg(74), in Tirol en in Vorarlberg vinden, vrij onverklaarbaar(75).

De schoen van Sinterklaas staat niet alleen in het Germaansche Folklore. Ook de Wilde Jager, deze getransformeerde Wôdan, vult schoenen en laarzen met goud. Op zijn bevel trekt de boer in het Grimm'sche verhaal(76) zijne laarzen uit, en vult die met het bloed van een pas geschoten hert. Bij zijne tehuiskomst blijkt het bloed in goud veranderd te zijn. Ook in een Hessisch sprookje komt het vullen van laarzen met goud voor(77).

Legt in Mecklenburg de bruid vóór de huwelijksplechtigheid in elken schoen een stuk geld, dan heeft ze later nooit geldgebrek; een slangentong in elken schoen gelegd maakt onkwetsbaar; wie 's nachts ruggelings drie stroohalmen uit het dak trekt en in zijn schoen legt, wordt niet door den hond aangeblaft(78). Op Kerst- en Silvesteravond werpen zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen of pantoffel over het hoofd, om te zien, of hun geluk of ongeluk is weggelegd(79). Ook op St. Thomasavond komt het gebruik van schoenwerpen zeer veel voor(80).

Maar er is meer: de schoen van Sinterklaas dient op de eerste plaats om het voeder te bevatten „voor Sinterklaas zijn paard”. In heel Limburg en op verschillende plaatsen van onze noordelijke provinciën wordt haver en hooi voor het beestje gereed gezet. Zoo ook in de Rijnprovincie, Tirol en Vorarlberg(81). Vergelijkt men nu hiermee het op vele plaatsen van Duitschland en Skandinavië heerschende oogstgebruik, eenige halmen op den akker te laten staan, zooals het uitdrukkelijk heet, „voor Wōdan en zijn paard”, dan dunkt me, dat de oorsprong van bedoeld Sinterklaasgebruik naar het land verlegd moet worden. En zijn dan meer aanknoopingspunten te vinden tusschen den met hooi of haver gevulden schoen en het oogstoffer, dan tusschen dienzelfden schoen en de legende der drie maagden, te meer daar wij weten, dat het Joeltijdperk het tijdperk der vruchtbaarheid is. In dit hooi toch zou ik een schamele, overigens onschuldige, rest willen zien van een voormalig offer aan den god, of liever aan het paard van den god der vruchtbaarheid, en wel een offer van hooi, dat immers reeds in de Edda „Sleipnis verdr(82) genoemd wordt(83). Dit hooi legt men soms op een bord, bij voorkeur echter in een schoen, wegens diens betrekking tot de tooverwereld.

Maar laten we eenige feiten aangeven.

In Schonen en Blekingen bleef het lang gebruik, dat de maaiers op den akker eene gave „für Odens pferde” achterlieten(84); in Beieren, in den omtrek van Beilngries, is de korenschoof voor den Waudlgaul bestemd; daarenboven zet men bier, melk en brood op den akker voor de Waudlhunde, die den derden nacht komen en de gaven verslinden(85). Wat voorheen en thans in Mecklenburg geschiedde en geschiedt wordt ons het best en volledigst door Bartsch(86) meegedeeld, reden, waarom wij het stuk hier in zijn geheel laten volgen:

„Früher allgemein und theilweise noch jetzt liess man beim Abmähen des Winterkorns auf jedem Felde einen Haufen stehn, und weihte ihn feierlich dem Wode. Das älteste Zeugniss für diesen merkwürdigen Gebrauch enthält der ausführliche Bericht des Rostocker Predigers Nicolaus Gryse aus dem Ende des 16. Jahrhunderts. „„Im Heidendome,”” erzählt derselbe, „„hebben tor tydt der Arne de Meyers dem Affgade Woden umme gudt Korn angeropen, denn wenn de Roggenarne geendet, hefft man up den lesten Platz eins ydern Veldes einen kleinen ordt unde Humpel Korns unafgemeyet stan laten, dat sulwe baven an den Aren drevoldigen thosamende geschörtet unde besprenget, alle Meyers syn darumme hergetreden, ere Höde vom Koppe genamen und ere Seyse na dersulven Wode unde geschrenckedem Kornbusche upgerichtet, unde hebben den Wodendövel dremal semplick lud averall also angeropen unde gebeden:

Wode,
Hale dinem Rosse nu Voder,
Nu Distel und Dorn,
Thom andren Jhar beter Korn!

Welcker affgodischer gebruck im Pavestdom gebleven, darher denn ock noch an dessen orden, dar Heyden gewanet, by etlycken Ackerlüden solcher avergelovischer gebruck in der anropinge des Woden tor tydt der Arne gespöret wert””.

Diese Erzählung wird vollkommen bestätigt durch einen gleichzeitigen Bericht über den auf dem Lande herrschenden Aberglauben, wovon leider nur ein Bruchstück im Schweriner Archive enthalten ist. Darin heisst es „„Wan nemblich die Roggen-Ernte geendiget, lassen die Meyer auf dem letzten Humpel roggen stehen. Densulven unafgemeyten Roggen Stücke Ackers ein klein Plätzlein oder, wie mans nennet, schurtzen sie oben an den arndten dreyfach zusammen und besprengen ihn mit Wasser. Wan das geschehen, stellen sie sich mit gebloszeten Heuptern in einen beschlossenen Circul oder Kreyss herumb, richten ihre Seicheln auffwerts gegen den geschrenkten Kornbusch, rufen und schreyen uber laut:

Ho Wode, Ho Wode, du goder,
Hale dinem Rosse nu voder,
Hale nu Disteln und Dorn,
Thom andern Jar beter Korn!””

Eben dieses Gebrauches erwähnt auch der Präpositus Frank zu Sternberg in der Mitte des vorigen Jahrhunderts, wobei er allerdings den Nicolaus Gryse als seinen Gewährsmann anführt, aber zugleich versichert, dass er selbst alte Leute gesprochen, welche sich dieser Feldlust aus ihrer Jugend erinnert hätten. Auch gibt er den Weihspruch etwas abweichend so an:

Wode, Wode,
Hahl dinem Rosse nu Voder,
Nu Distel und Dorn,
Aechter Jahr bäter Korn!

Zu Franck's Zeit war also das eigentliche Wodensopfer schon ausser Gebrauch, aber gleichwohl haben sich noch bis auf den heutigen Tag unzweifelhafte Spuren desselben erhalten. Noch jetzt nämlich sind die angeführten Verse in den Dörfern der Umgegend von Rostock bekannt, wenn auch nur in dem Munde der Kinder, und noch jetzt ist es eben dort Sitte, am Ende des Feldes einen Büschel Korn stehen zu lassen, wenn man ihn auch nicht mehr in feierlichem Gesange und Tanze dem Gotte weihet.”

In Oldenburg laat men een stuk halmen staan, waarom heen gedanst wordt(87); volgens Schaumburgsche zede werd bij deze gelegenheid een rijmpje gezongen, dat aanhief met de woorden:

Ook Wôdan's gemalin Frija werd een haveroffer gebracht. Nog in 1712 verzamelde men zich in Neder-Saksen om de laatste halmen, onder het roepen van: „Fru Gaue, haltet (of halet) ju fauer(89)!” Te Kerstlingerode, in het Göttingsche, laat men den laatsten armvol aren ongemaaid staan „vor Fru Holle(90)”; in den omtrek van het voormalige klooster Diesdorf droeg deze schoof den naam van Vergodendeelstruss. Sommigen verklaren dit woord als „vergelding voor zwaren arbeid”, anderen, met Kuhn(91), als „Frô Goden Deel Struuss”. In deze laatste schoof schuilen ook de wolf en de bok, dieren, over wier Folkloristische beteekenis boven gesproken is(92).

Te Hagenow (Mecklenburg) liet men vroeger eenige halmen staan „damit”, zooals men zeide, „de Waur Futter für sin Pferd finde”. Vergelijken wij nu hiermee het ook in Duitschland gebezigde: „Sankt Martin muss noch ein Heu für sein Rössl finden(93)”. De synonimie springt in het oog, schoon het in deze laatste uitdrukking niet Waur, noch Sinterklaas, maar St. Maarten geldt. Immers, het hooioffer strekt zich buiten het oogstfeest en de Sinterklaasviering uit. Te Müggelsheim (Altmark) gelooven de kinderen, dat Kristus op een ezel komt gereden, en werpen het dier hooi voor de huisdeur(94). Op Silvesternacht steekt men in een dorp bij Stavenhagen eene schoof op buurmans grondgebied; stilzwijgend wordt de schoof weer ingehaald en aan het vee gevoerd. Hierdoor gaat op het vee de zegen van 's nabuurs vee over(95). In Oostenrijksch Silezië wordt op Kerstavond het vee met weit en erwten gevoerd(96); ook in Mecklenburg werd dien nacht eertijds Haferloses (losse haver) als veevoeder op tafel gelegd(97). Eindelijk, bij het haver zaaien laten de boeren op den Hesterberg (Sleeswijk) des nachts een zak vol haver staan voor het paard van koning Abel(98).

Nader moge het verband tusschen het Joel- en Oogstfeest nog blijken uit het feit, dat te Pölitz (Mecklenburg) het nabootsen van een schimmel door middel van een bedlaken, een gebruik dat men elders op Silvesteravond aantreft, gedurende den oogsttijd heerschende is(99); dat het everzwijn bij beide feesten eene hoofdrol speelt, men denke aan den z. g. Roggenbär(100); en eindelijk, dat men op beide tijden bijna algemeen de bekende stroopoppen (of stroovermommingen) ontmoet, die doen denken aan de simulacra de pannis facta(101), en aan het simulacrun quod per campos portant(102), resp. No 27 en 28 van den Indiculus superstitionum(103).

(64) Grimm, l. l., II, p. 774.

(65) Bartsch, l. l., I, p. 17.

(66) Grimm, l. l., II, p. 770 vlg.; Overblijfselen, pp. 27, 28; Dr. L. Knappert, Folklore. Amsterdam, 1887. P. 167 Aanm.; Vernaleken, l. l., pp. 25, 38, 46. Goud als geschenk van woudgeesten: Mannhardt, l. l., pp. 142, 152.

(67) Bartsch, l. l., II, pp. 242, 243.

(68) Bartsch, l. l., p. 237.

(69) Niet slechts door den schoorsteen, ook door het sleutelgat komt Sinterklaas binnen. Het sleutelgat immers speelt in Folklore eene niet onbeduidende rol: om b.v. van ziekte genezen te worden, moet men driemaal door het sleutelgat blazen. (Bartsch, l. l., II, p. 103).

(70) Brandt bij Eelcoo Verwijs, l. l., p. 19.

(71) L. L., V, p. 42.

(72) L. L., p. 19.

(73) Wij kursiveeren.

(74) Schnell, l. l., p. 10.

(75) Schnell, l. l., III, p. 60.

(76) L. L., II, pp. 770 vlg.

(77) Overblijfselen, p. 28.

(78) Bartsch, l. l., II, 61, 349, 449.

(79) Vernaleken, l. l., pp. 349, 350; Bartsch, l. l., 236.

(80) v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 438.

(81) Schnell, l. l., p. 60.

(82) Sleipnir's spijs.

(83) Overblijfselen, l. l., p. 24.

(84) Grimm, l. l., I, p. 128.

(85) Overblijfselen, l. l., p. 24.

(86) L. L. l. l., pp. 307, 308.

(87) Grimm, l. l., I, p. 128.

(88) Overblijfselen, l. l, p. 24.

(89) Neem uw voêr in ontvangst (of haal uw voêr). Zie Meijer, l. l., p. 291.

(90) Knappert, l. l., p. 173.

(91) L. L., p. VI en pp. 337 vlg.; zie verder over dit gebruik Mannhardt, l. l., pp. 190, 213, 393, 396; Grimm, l. l., I, p. 209.

(92) Zie p. 12.

(93) Tille, l. l., p. 23.

(94) Kuhn, l. l., pp. 345, 346.

(95) Bartsch, l. l., II, p. 233.

(96) Mannhardt, l. l., p. 232. Over de erwten als symbool der vruchtbaarheid in een volgend hoofdstuk.

(97) Bartsch, l. l., II, p. 227.

(98) Meijer, l. l., p. 256. Over de verhouding van koning Abel tot de Wilde Jacht in het volgende hoofdstuk.

(99) Bartsch, l. l., II, p. 306.

(100) Meijer, l. l., p. 102; Mannhardt, l. l., p. 421.

(101) Poppen uit lompen.

(102) Pop, die men door het veld draagt.

(103) Heijne, l. l., p. 90.

III.

DE SCHIMMELRIJDER.(104)

Sinter Klaas, die goede heer,
Hij komt alle jaren weer,
Met zijn paardje voor den wagen,
Daar komt Sinte Klaas aan jagen.
(Eelcoo Verwijs, l. l., p. 74).

Een groote, krachtige figuur te paard, den staf in de hand, den mijter op het hoofd(105), een ruimgeplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen(106), die aan weerskanten statig langs het paard naar beneden hangt,—zoo stelt zich de kinderwereld den heiligen bisschop van Myra voor.

Een persoon van hooge gestalte, met langen, witten baard, den breedgeranden hoed diep in de oogen gedrukt, de wonderlans Gûngnir in de hand, het rijzige lichaam in een wijden, donkeren mantel gehuld, waarin hij zijne beschermelingen door de lucht draagt, en gezeten op zijn trouwen schimmel Sleipnir,—ziedaar het portret van Wôdan-Odhin, ons in de hoofdtrekken door Saxo Grammaticus geteekend.

Maar dit geeft u nog geen recht een parallel te trekken tusschen den Germaanschen hoofdgod en den geliefkoosden volksheilige.—Volkomen juist, wanneer deze trekken de eenige gemeenschappelijke waren, en de Wodanstype slechts in Sinterklaas hare uitdrukking vond. Maar wanneer zulke overeenkomst zich in meer dan één opzicht vertoont, en vooral, wanneer men, behoudens eenige afwijkingen van minder belang, die slechts op lokale verhoudingen berusten, de Wodansvoorstelling in tal van bekende persoonlijkheden buiten den H. Nikolaas, bij name in die des Wilden Jagers, wedervindt? Wanneer er van den anderen kant heel wat goede wil, laat ik zeggen esprit de système vereischt wordt, om de volksvoorstelling van den H. Nikolaas zelfs met de overgeleverde legenden van dezen Heilige in overeenstemming te brengen? Zou het dan ongeoorloofd zijn, naar de zijde der Oud-Germaansche overlevering over te hellen? Ter zake dus.

Gedurende heel het Joeltijdperk met zijn gure, woeste buien en huilende windvlagen reed de Germaansche windgod op zijn Sleipnir door de lucht, door een talloos heer van geesten gevolgd. Deze stoet vormt het Wôdansheer of de z. g. „Wilde Jacht”, die nog heden bij alle Germaansche stammen in de volksfantasie voortleeft. Zelfs de naam is op verschillende plaatsen, min of meer verbasterd, behouden gebleven. In den Eiffel heet deze Jacht het Wudes- of Wodesheer; in Zwaben het Wutes- of Mutesheer; in den Elzas het Wütenheer (men vergete niet, dat de naam Wôdan van dezelfde Germaansche wortel afkomstig is als het Oud-Hoogduitsche wuot, wat „woede” en „verstand” beteekent); in Zweden het Odens här. Daar zegt men, als het stormt, uitdrukkelijk: „Oden far förbi(107).

De voorrijder, met of zonder stoet, draagt in Beneden-Duitschland den naam van Wode, Jaue, Goi of Joe, in Mecklenburg Waur, in Beieren Wotn, Wutan, Wut of Wode(108). In Zwaben worden hem, buiten de algemeene betiteling van Schimmelreiter, dezelfde bijnamen gegeven, waarmee men eertijds Wôdan placht aan te duiden: Breithut, Langhut, Schlapphut. In Oostenrijk is hij in een langen mantel gehuld en draagt een hoed met breeden rand(109). Het zou echter eene dwaling zijn te meenen, dat het volk aan Wôdan het monopolie, den bewusten schimmel te berijden, zou hebben afgestaan. Over heel Duitschland is de sage van een vervloekten jager verspreid, die wegens het schenden van den Zondag gedoemd werd, door zijne honden gevolgd, door het luchtruim te jagen tot den jongsten dag. Hij draagt den naam Hackelberg(110), uit hackel bärend „mantel dragend” verbasterd. Het Limburgsche Folklore kent deze figuur onder de benaming van „Hänske met de hond”(111). In Hessen is het de Schnellertsgeist(112). Veelal ook zijn het historische persoonlijkheden: In den Harz en in de Lausnitz Dietrich von Bern (Theodorik de Groote) ook wel Berndietrich genoemd; in Oostenrijk dezelfde koning onder den naam van Banadietrich(113); te Eisleben Eckhart(114); in Engeland koning Artur, in Skandinavië koning Waldemar, in Sleeswijk koning Abel. Frankrijk heeft de Germaansche voorstelling overgenomen en op Karel den Grooten en Karel V toegepast; volgens een Bourgondisch gedicht uit de XVIIde eeuw rijdt Charlemagne aan de spits van het geestenheer, terwijl Roland het vaandel draagt(115).

Ook andere Heiligen, ja ook Engelen deelen deze eer met den H. Nikolaas. Zoo in de XVde en XVIde eeuw de Aartsengel Gabriël; in Staffordshire noemt men nog heden de Wilde Jacht „Gabriel Hounds”, en te Lembeck in Westfalen „de Engelske Jagd”, d. i. de Jacht des Engels(116). Zoo ook St. Hubertus, „la chasse St. Hubert” (door ontleening); zoo vooral St. Martinus. Hiermee bedoel ik niet de gewone ikonografische voorstelling van dezen Heilige die, te paard gezeten, zijn mantel in tweeën deelt; maar de volksvoorstelling van Sint Maarten (Limb.: Sintermerte), van Junker Marten, volgens welke deze, door zijn knecht begeleid, door het luchtruim raast. De Wilde Jacht op Sint Maartensavond draagt in Duitschland den naam van Martinsgestämpf(117).

De opgenoemde persoonlijkheden zijn toch niet allen Middeleeuwsche bisschoppen geweest; wel is het aantal der heilige Middeleeuwsche bisschoppen, bij welke geen spoor van paard te bekennen valt, legio. Veeleer was de schimmel van Wôdan na de overwinning van het Kristendom in de IXde en Xde eeuw, toen het werkelijk geloof aan een Wôdan was verloren gegaan, eene res derelicta primi occupantis, nog slechts bereden door eene half goddelijke, half demonische schim, die zich nog hier of daar in het Folklore vertoont(118), maar welke het niet moeielijk viel voor edeler, meer reëele figuren te doen wijken. Op dien schimmel heeft het volk in den loop der tijden aan allen, die het hoog hield, omdat zij eene groote rol in kerkelijke- of staatkundige geschiedenis of sage hadden gespeeld—Heiligen, koningen, legerhoofden en anderen—eene eereplaats gegund; en zoo heeft Wôdan's Sleipnir ook „als substratum gediend voor de vereering van Sint Nicolaas”(119).

Nog eene opmerking. Niet slechts dat er sprake is van het paard des Heiligen; aan dit paard wordt als het ware een zekere kultus gebracht, die slechts dan te verklaren is, wanneer men denkt aan den hoogen rang, dien Sleipnir in de vereering der oude Germanen bekleedde: daar had die vereering ook beteekenis, wijl Wôdan met zijn paard, beiden verpersoonlijkingen van den wind, als vereenzelvigd gedacht werden. Beiden werden in één adem genoemd; „Oden und sein Pferd”, „Wôdan und sein Pferd” is nog thans eene in vele Zweedsche en Duitsche sagen, zegenspreuken en gebruiken gangbare uitdrukking. Vergelijk ook de bede, die in het Lubecksche z. g. Schwerttanzspiel (stedelijke en landelijke tooneelvertooning) Starkader in den mond wordt gelegd: „Heilige Wode, nû lên mi dîn pêrd(120).

Vorm en kleur van het bewuste paard hebben hier en daar eenige wijzigingen ondergaan. Oorspronkelijk is het achtbeenig en wit; in het moderne Folklore verschijnt het niet zelden drie- of tweebeenig en zwart(121). In Oostenrijk duikt nog een schimmel met acht pooten op(122).

Het paard is voor den Heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard te laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond(123); aldus ook Wôdan en de Wilde Jager(124). Het paard van Sinterklaas laat ook niet zelden een hoefindruk achter, evenals de schimmel van Karel Quinte, als deze uit den Gudinsberg (Wuodenesberg) komt(125). Van een Sinterklaaswagen spreken onze volksrijmpjes, en het Oostenrijksche Folklore(126); van een wagen bedienen zich ook de Wilde Jager(127), St. Thomas en het Kerstkind(128). De Wôdanswagen is genoegzaam bekend(129).

Aan verre tochten te paard of in zijn wagen is de H. Bisschop gewend, evenals Wôdan, die den bijnaam draagt van vegtamr „aan verre tochten gewend”. Sinterklaas komt van verre, en wel van het land van licht en zonneschijn, vanwaar hij appelen, kastanjes enz. medebrengt. Dit rijk schijnt voorheen Engeland, de Insula pomorum(130), geweest te zijn(131); in onze Sinterklaasliedjes is het meestal Spanje, dan ook Condé: