Breng mijn broerkens ook wat mee.
Breng er mij een g'heel schootjen (schuitjen?) mee.
Te Venloo keert Sinterklaas weer terug naar Picardië:
No 't lendje van Picardië(133).
Na hetgeen boven over het everzwijn gezegd is(134) zal het niemand verwonderen, dat de Schimmelrijder somwijlen den naam van Ebermann draagt. Dan beschouwt men hem vooral als den „gever van goed geluk”, en deelt hij, op een schimmel gezeten, zijne gaven uit. De Schimmelrijder verschijnt in die hoedanigheid onder den vorm van zeer verschillende persoonlijkheden, waarover in het volgende hoofdstuk, en op verschillende dagen. In Silezië is het met St. Maarten, te Kranowitz en Ratibor met St. Nikel(135), te Osnabrück o. a. met Kerstmis en Nieuwjaar: de schimmel heet dan de „Spaansche hengst”(136). Zoo ook in Mecklenburg(137); te Schorau (Preussen) daarentegen slechts op Kerstavond(138), evenals in Engeland. Zou het volgende nog op een samenhang van Sinterklaas met de Wilde Jacht kunnen wijzen? „Auf der Schelfe [Mecklenburg] umreitet in der Neujahrsnacht ein Reiter auf weissem Schimmel dreimal die Kirche. An der stelle derselben stand eine schon vor 1211 erbaute Kapelle des heiligen Nikolaus”. (Bartsch, l. l., I, p. 16).
(104) Bijnaam van Sinterklaas in Tirol en Vorarlberg (Schnell, l. l., II, p. 60).
Settie hooghe mutse op!
Trek dînen besten tabberd aan.
Met uw gespikkelden talfaerd aen.
(107) Odhin vaart voorbij.
(108) Meyer, l. l., pp. 236, 237.
(109) Vernaleken, l. l., pp. 25, 26, 30, 31, 47.
(110) Kuhn, l. l., pp. 19, 25, 101, 187.
(111) Overblijfselen, l. l., p. 12.
(112) J. W. Wolf, Hessische Sagen. Göttingen-Leipzig, 1853. P. 21.
(113) Vernaleken, l. l., p. 41.
(114) „Der treue Eckhart” of „Eckhart mit dem weissen Stab”. Grimm, l. l., II, pp. 779, 780.
(115) Grimm, l. l., II, pp. 779–788.
(116) Mannhardt, l. l., p. 251.
(117) Meyer, l. l., pp. 132, 237. Of ook St. Kristoforus ooit als voorrijder der Wilde Jacht heeft dienst gedaan? Enkele voorstellingen, zooals die, bedoeld door Prof. v. d. Vliet, Tweemaandelijksch Tijdschrift, IV, 2, Nov. 1897, p. 191 Aanm., laten de zaak in alle geval zeer twijfelachtig. En wat het verband tusschen dezen Heilige en Sint Nikolaas betreft, dit kan m. i. bepaald niet worden afgeleid uit het feit, dat Myra's bisschop patroon der schippers was. (Zie b. v. Simrock, Rheinsagen. Bonn, 1850. P. 23; Schnell, l. l., pp. 22, 23, 56, 65.) Dit attribuut kan zeer goed zijn ontstaan te danken hebben aan het bekende verhaal der zeevaart, al mag de echtheid van dit en soortgelijke verhalen met recht worden betwijfeld.
(119) Brom, l. l., p. 161. Zie over dit onderwerp ook de belangrijke studie van den Bollandist J. van den Gheyn, getiteld: Le Personnage d'Arlequin, in zijne Essais de Mythologie et de Philologie comparée. Bruxelles-Paris, 1885. Pp. 107–131.
(120) Zeitschr. für deutsches Altertum, XX, p. 13. De Schwerttanzspiele waren van de XVde tot XVIIde eeuw over heel Duitschland verspreid.
(121) Vernaleken, l. l., pp. 34, 35, 50.
(122) Vernaleken, l. l., p. 83.
(123) Overblijfselen, l. l., p. 14.
(124) Vernaleken, l. l., p. 46.
(125) Meyer, l. l., p. 242.
(126) Vernaleken, l. l., p. 286.
(127) Vernaleken, l. l., p. 55.
(128) v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., pp. 436, 453.
(129) Overblijfselen, l. l., pp. 18, 19.
(130) Het Appeleneiland.
(131) Eelcoo Verwijs, l. l., p. 77.
(132) Ons „appeltjes van Oranje” is aan het Fransch ontleend. Bij Kiliaen vindt men „aranienappel”, vgl. het Ital. arancio uit het Arab.-Perz. nârandj.
(133) Meyer, l. l., p. 256.
(135) Schnell, l. l., I, pp. 65, 66.
(136) v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 448.
(137) Bartsch, l. l., II, pp. 224, 233, 234.
(138) Schnell, l. l., I, p. 50.
IV.
VORMVERANDERINGEN.
Sint Niklaas hoort alles,
Hij luistert altoos!
Hem kan men niet foppen,
Geloof mij oprecht,
Wat hij niet gezien heeft,
Vertelt hem zijn knecht.
Om het in dit hoofdstuk te behandelen Folkloristische materiaal eenigermate te kunnen ontwarren, zullen wij enkele beginselen vooropstellen. De lezer moge dan naderhand zelf oordeelen, of de gevolgtrekking juist was.
Gedurende het tijdperk van vruchtbaarheid treden in het Folklore verschillende persoonlijkheden op den voorgrond; zoo voornamelijk:
I. Van Heidenschen Oorsprong.
1º Wôdan, windgod, voorrijder der Wilde Jacht, god der vruchtbaarheid.
2º Hruodperaht, een bekende huisgeest, kobold of kabouter, die meestal onder den naam van Ruprecht verschijnt. Hij neemt deel aan de Wilde Jacht—gedurende den Joeltijd drijven immers de geesten hun spel—en is, evenals zijn kollega's, nu eens vrijgevig en goedig, dan weer boosaardig en streng. Deze figuur ontmoeten wij slechts op Germaanschen bodem.
3º Perchta of Bertha(139), eene godin, die in karakter het meest met de godin Holda(140) overeenkomt. Als „die wilde Bertha” vaart zij door de lucht, en verleent vruchtbaarheid aan de akkers(141). Haar heilig was de Perchtenabend, aan het einde der Twaalf Nachten. In een langen, witten sluier is zij gehuld(142). Nog heden laat men in Tirol eten voor haar staan.
II. Van Kristelijken Oorsprong.
1º De H. Nikolaas, de vrijgevige kindervriend, de groote bisschop van Myra.
2º De H. Martinus, bisschop van Tours, volksheilige.
3º Het Kerstkind, dat de wereld door Zijne geboorte verblijdt.
4º De H. Driekoningen, die hunne offergaven aan de kribbe des Verlossers nederlegden.
5º De H. Lucia, Maagd en Martelares.
Nu doet zich niet alleen het verschijnsel voor, dat attributen van heidensche figuren op kristelijke zijn overgegaan, maar ook, dat kristelijke dragers derzelfde attributen, volgens plaatselijke omstandigheden, wezenlijk van elkaar verschillen; en eindelijk, dat men, door onderlinge ontleening van verschillende Folkloristische centra, personen, namen en attributen op de meest grillige wijze heeft gekombineerd.
1º Sint Maarten verschijnt in het Limburgsche Folklore, te paard door de lucht rijdend, begeleid door zijn knecht. Als Wilde Jager heet hij Junker Marten(143). In Zwaben noemt men hem Pelzmärte, vroeger in Beieren Pelzmartle. Deze samenstellingen met Pelz- zijn niet zeldzaam; ik vermoed, dat zij hun oorsprong te danken hebben aan eene vermomming door middel van vellen van een den god der vruchtbaarheid heilig dier: eene vermomming van dien aard treft men aan in den Joelbok.—
Ook Sint Maarten ontvangt hooi voor zijn paard(144). In gezelschap van St. Nikolaas begeleidde hij eertijds het Kerstkind op Kerstavond, zooals blijkt uit een edikt van Gustaaf Adolf van 25 Nov. 1682(145). In het Freudenthal (Oostenr. Silezië) brengt hij op een schimmel gezeten allerlei geschenken aan grooten en kleinen(146). In de Rijnprovincie, IJperen en het kanton Aalst speelt hij de rol van Sinterklaas(147).
2º Sint Nikolaas is in Nederland meestal bekend onder den vorm van een eerbiedwaardig bisschop. In Oost-Friesland treedt hij op, niet als bisschop gekleed, maar als een grijsaard met witten baard en in een pelsmantel gehuld(148). Te Quedlinburg waarschuwt men de kinderen voor den Nikelmann; ieder jaar haalt deze zich een offer(149). Dergelijke sombere eigenschappen dankt de Heilige óf aan Ruprecht, in diens hoedanigheid van boosaardigen huisgeest, óf aan het feit, dat Wôdan vaak met den duivel op ééne lijn werd gesteld(150). Duidelijk blijken althans zijne elfische attributen uit eene legende van het kanton Wallis, volgens welke hij—evenals de berggeesten—uit de rotsspelonken te voorschijn komt(151). In Beieren en in de Rijnpalts noemt men hem Pelznikel (ook wel Nikel of St. Nikel). In Tirol heet de vooravond van Sinterklaas Klaubautag(152).
3º In Duitschland rijdt het Kerstkind rond op een schimmel(153), evenals Father Christmas in Engeland, die daar ook een bosje hooi en een wortel vindt voor zijn paard(154). In het graafschap Rupin verschijnt een naamlooze ruiter op een schimmel, terwijl eene in het wit gekleede figuur een grooten zak draagt, en de Christmann of Christpuppe heet(155).
4º Buiten zijn eigen attributen ook nog met die van Sinterklaas of van het Kerstkind voorzien, treedt Hruodparaht op, óf zelfstandig, óf aan één van beiden dienstbaar. In ons land heet hij Pieterman, in de Rijnprovincie Hans Muff, in den Elzas Hans Trapp, anders elders. De benaming Ruprecht heeft als wisselvorm Rupel(156); ook de Wilde Jager heet Ruprecht(157). Op den Hutberg bij Herrnhut huizen twee Wilde Jagers: Ulrich Ruprecht en Bernhard Dietrich(158). Het uiterlijk dezer persoonlijkheid is min of meer gedrochtelijk: verschijnt Ruprecht als kwaadaardige elf, dan is hij trouw gewapend met zak en roedachtig dan is zijn gezicht zwart van het roet. Ook de zak op zijn rug is een roetzak: Schmutzbartel heet hij om zijn roetachtig uitzicht. Ook de Perchteln d. i. vermomde gestalten, die op Perchtenabend(159) rondloopen, de Pfingstlümmel in het Ansbachsche, de pijpers in het gevolg van den Pingstkoning, treden op met een roetig gezicht(160). Dit zwart maken, zegt Mannhardt, is „keineswegs bedeutungslos und zwar scheint sie [die Schwärzung] mir in roher Weise ausdrücken zu wollen, dass der dargestellte Dämon(161) ein nicht sichtbares, für menschliche Augen dunkles unheimliches Wesen, ein Schatten, ein Gespenst sei”(162).
In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond eene baardige, in pels en erwtenstroo gehulde figuur, die appelen, noten, enz. onder de jeugd ronddeelt. Deze heet in de Middel-Mark der hele Christ, Ruprecht of Hans Ruprecht; in Mecklenburg der ru Clas of Ruklas in de Oud-Mark, Brunswijk, Hannover en Oost-Friesland Clas, Glas Bur, of Buller Clas. In Beieren kent men een goeden en kwaden Klas(163). In de Oud-Mark trekt eenige dagen vóór Kerstmis de afschuwelijke gedaante van Klas Bur met de lieflijke figuur van het Kerstkind rond, ondervraagt de kinderen, laat ze bidden, en geeft hun naar verdienste loon of straf(164). In Mecklenburg heet Rug-klas „des heiligen Christ Vorposten”; hij rijdt op een schimmel en is met aschzak en roede voorzien(165). Te Lucern rammelt hij met kettingen en draagt den naam van Schmutzli(166). In een pelsmantel gehuld, het gezicht met roet bedekt, treedt hij in Luxemburg op onder den naam van Huosecker(167), in Tirol onder dien van de Wauwe(168). Omstreeks het jaar 1850 verscheen deze figuur in talrijke plaatsen rondom Bamberg als Hel-Niclas, in erwtenstroo gehuld en rammelend met hare ketens(169). Nog draagt zij in Hohenzollern de namen: Sparmundi, Pelzebub, Pelznikel, Butzemann(170). Dit Butzemann, waarmee men ons „boezeman” of „boeman” kan vergelijken, is eene benaming van den huisgeest(171). Pelzoppel heet hij in Hessen-Nassau. In Beneden-Oostenrijk wordt de taak van knecht waargenomen door eene vrouw, Berchtel, Buzebergt of Eiserne Bertha genaamd; Berchtel en —bergt staan blijkbaar in betrekking tot den naam Perchta, evenals —bartel. In Oberhausen zei men eertijds: „Heut kommt der Klas, morgen de Buzebercht”(172). In het Bohemerwoud verschijnt den 12den December 's avonds de H. Lucia, die aan de brave kinderen ooft uitdeelt, maar de ondeugende dreigt, hun den buik open te rijten. Gewoonlijk vertoont zij zich onder den vorm eener geit, waarover een bedlaken hangt, en is zij door een soort Nikolo begeleid. „Da der Name der heiligen Lucia”, zegt v. Reinsberg-Düringsfeld(173), „welcher aus lux, Licht, entstanden sein soll, dem der heidnischen Perchta, Lichte, entspricht, so ist es natürlich, dass die Heilige im Volksglauben viele Züge der alten Göttin angenommen hat.” Ook door Wode wordt niet zelden de rol van Ruprecht gespeeld, zoo te Mecklenburg(174); in de Thuringsche kerstsage van de 17de eeuw doet dit „der treue Eckhart”(175). Ook wordt Ruprecht veelal door den Julbuk of Julbock vervangen, d. i., een knecht in boksgedaante; te Leipzig noemt men soortgelijke gestalte Klapperbock(176). In erwtenstroo gewikkeld gaat hij de laatste dagen vóór Kerstmis rond. Over den bok als symbool der vruchtbaarheid is reeds gesproken; over den ever insgelijks(177), zoodat het ons niet moeilijk zal vallen den omgang met den beer of tammen ever, meestal in erwtenstroo gehuld (Erbsenbär), die gedurende het Joeltijdperk plaats heeft, te verklaren. Dit gebruik is bijna over heel Duitschland en Tirol verspreid; hieraan dankt de uitdrukking: „Jemand einen Bären aufbinden” haar ontstaan. De beer wordt door Klas of Ruprecht geleid. Te Breslau is Nicolo vergezeld van Bartel, tot wien de kinderen roepen:
Leg mir ein, was i beger, enz.(178)
Bartel wordt ook Strohbartel genoemd; hier en daar draagt Ruprecht het epitheton Strohbart(179), als hij zich nl. in stroo gewikkeld vertoont.
De beteekenis van het stroo moet hierin gezocht worden, dat het erwtenstroo is. Onder de vruchten is vooral de erwt vruchtbaarheidssymbool(180). Om veel ooft te krijgen worden gedurende het tijdperk der Twaalf Nachten de ooftboomen met erwtenstroo omwonden; gedurende dit tijdperk mogen geen erwten gegeten worden(181); op Silvesteravond worden de hoenders met erwten gevoerd: zooveel erwten eene kip eet, zooveel eieren zal ze 't volgend jaar leggen(182). In het Bohemerwoud werpt het Kerstkind een handvol erwten door de kamerdeur(183); gedurende de z. g. Knöpflinsnächte (de Donderdagnachten vóór Kerstmis) trekken in Zuid-Duitschland volwassenen en kinderen van huis tot huis en werpen erwten tegen den vensterruiten(184). Aldus zal het mogelijk zijn eene vreemde bijzonderheid te verklaren in het bericht van Eelcoo Verwijs: „In Zug in Zwitserland werd de Kinderbisschop eerst in 1797 op hooger bevel afgeschaft. Telkens verscheen den 6den December een scholier als bisschop gekleed, voorafgegaan door een bisschop met zijn staf, en gevolgd door een nar, die insgelijks met een staf was gewapend, waaraan eene blaas met erwten(185) was bevestigd”(186).
Of zouden ook de erwten soms eene specifiek kristelijke beteekenis hebben?
(140) Zie over deze godin Knappert, l. l., pp. 123 vlg.
(141) Mogk, l. l., pp. 1107, 1108.
(142) Van haar en Holda stammen onze „Witte Juffers”. Somtijds vertoont zij zich echter, onder den vorm van Berchtel, in zwarte lompen gehuld en met een roetgezicht. Vgl. v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 483.
(144) Zie p. 23. Dat de indruk van zijn voet in een steen zou zijn blijven staan, evenals die van den hoef van het Wôdanros, zooals Meyer, l. l., p. 257 beweert, berust op eene dwaling. Wolf toch spreekt t. a. p. (Niederländische Sagen. Leipzig, 1843. P. 435) uitdrukkelijk van „Martin, ein Sohn des Grafen von Namur, der siebente Bischof von Tongern”.
(145) Bartsch, l. l., II, p. 222.
(148) Brom, l. l., p. 155.
(149) Schnell, l. l., I, p. 29.
(151) Schnell, l. l., I, p. 73.
(152) = Klaubauftag. Klaubauf is de naam van den kobold.
(153) Meyer, l. l., p. 257.
(154) Pol de Mont, Dietsche Warande, X, 1, 1897. P. 30.
(155) Kuhn, l. l., p. 346.
(156) Grimm, l. l., I, p. 417.
(157) Meyer, l. l., p. 237.
(158) Meyer, l. l., p. 242.
(160) Mannhardt, l. l., pp. 162, 314, 321, 365, 548.
(161) Als het Grieksche δαίμων, half goddelijk, half menschelijk wezen, op te vatten.
(162) L. L. p. 322.
(163) Schnell, l. l., I, p. 22.
(164) Kuhn, l. l., p. 345.
(165) Zou tot deze verschijning wellicht Klas Rugebart in betrekking staan, die in het Lubecksche Schwerttanzspiel voorkomt? Zie Zeitschr. für deutsches Altertum, XX, p. 10.
(166) Schnell, l. l., I, p. 73.
(167) Schnell, l. l., V, p. 59.
(168) Vernaleken, l. l., p. 62.
(169) Tille, l. l., p. 49.
(170) Schnell, l. l., I, p. 21.
(172) v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 433.
(173) L. L. p. 434.
(174) Grimm, l. l., II, pp. 781, 782.
(176) Schnell, l. l., I, p. 62.
(177) Ib. De ever speelt ook eene voorname rol in de Wilde Jacht. Zie Meyer, l. l., p. 244.
(178) Schnell, l. l., I, p. 63.
(179) Grimm, l. l., III, p. 149.
(180) Meyer, l. l., p. 103.
(181) v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 464.
(182) Bartsch, l. l., II, p. 233.
(183) v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 453.
(184) v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., pp. 424, 425.
(185) Wij kursiveeren.
(186) L. L., p. 29.
V.
BEL EN ROEDE.