WeRead Powered by ReaderPub
De H. Nikolaas in het folklore cover

De H. Nikolaas in het folklore

Chapter 9: INHOUD.
Open in WeRead

About This Book

Deze studie onderzoekt de gebruiks- en voorstellingswereld rond de viering van Sint-Nicolaas, met nadruk op Limburgse bronnen maar met vergelijkend oog naar andere regio's. De auteur bespreekt methoden van de folkloristiek, onderscheidt christelijke elementen van oudere heidense resten, en groepeert liederen, sagen, gewoonten en rituelen — onder meer vruchtbaarheidsmotieven en kostuumtradities — om mogelijke oorsprongen en transformaties te achterhalen. Kritische bronnenanalyse, verwijzingen naar controverse tussen katholieke en niet-katholieke onderzoekers, en voorbeelden uit mondeling en gedrukt materiaal illustreren hoe lokale varianten zowel continuïteit als aanpassing tonen binnen bredere culturele processen.

St. Niklasawen,
denn geit wi nâ baben,
denn klingelt de klokken,
denn danzen de poppen.
(Mannhardt, l. l., p. 327 Aanm. 2).

Zoo zingt men te Friedrichstadt a/d Eider. De komst van Sinterklaas wordt door belgeklingel aangekondigd. Knapen doen dit reeds eene week te voren in het kanton Bern(187); in Hohenzollern trekken op den vooravond van het feest, mannen en vrouwen, z. g. Niclause, onder ketting- en belgerinkel door de straten(188); in het kanton Unterwalden gaat eenige dagen te voren een als hanstworst gekleed man Samichlausen-Geiggel genaamd, met bellen van huis tot huis(189).

Dat de bel den Heilige ook in ons land niet vreemd is, blijk uit het volgende rijmpje:

Sint Niclaes Bisschop, goed heylich man,
Wil je wat in mijn schoentje geven, God loont u dan,
Geefftemen een beurs met bellen(190),
Soo sal ickje niet meer quellen,
So langhe als het God geliefft,
Heb ik Sinte Niclaesje lieff(191).

Maar in den Dantziger Werder is de bel een attribuut van den Zaligmaker; daar hoort men:

Heilige Krist du gôde mann,
trek dîn besten tabbert an(192),
komm veer onse deer,
klinger ons wat veer(193).

Vandaar dat het Kerstkind ook de benaming van Klinggeest(194) en Klingjes(195) draagt. Ook in den Elzas en in het Bohemerwoud kondigt het Kerstkind Zijne komst door het luiden eener zilveren klok aan(196). Maar het is toch vooral de in pels en erwtenstroo gehuldigde gedaante, waarvan op blz. 35 sprake was—Ruprecht, Clas of anders geheeten—die met bellen en ketenen behangen optreedt. Te St. Vith (Rijnprovincie) is Hans Muff van bellen voorzien(197); in Mecklenburg heet de Schimmelrijder Klingklas(198); klokjes en belletjes draagt ook Aschenklas(199). In het Noorden treden de Joelbokken met schelletjes op(200).

Mijns inziens is de bel evenals het roetgezicht den huisgeest eigen; niet van Wôdan maar van den kant der elfen gewerd Sinterklaas dit attribuut; Wôdan is trouwens de Elfenkönig of Ellenkönig(201). Een Pück (kobold), zoo verhaalt Ern. Joach. Westphal(202), diende dertig volle jaren bij de monniken van een klooster in Mecklenburg, in keuken, stal en elders. Tot loon bedong hij: tunicam de diversis coloribus et tintinnabulis plenam(203). In Schotland huisde eertijds een kobold, die den naam van Shellycoat droeg; ook de dwergen der Middeleeuwen hielden veel van bellen; de bellen aan het pak van den hofnar pleiten voor zijn verwantschap met den lustigen huisgeest(204).

Ook de op verschillende tijden en onder verschillende benamingen zich voordoende vertegenwoordiger van den woudgeest—Grüner Georg, Pfingstl, Pfigstbutz, enz.—vertoont een roetgezicht en rinkelt met eene koeschel(205). Gedurende de Rauchnächte loopen de Perchteln met koeschellen en lange zweepen rond; op Kerstavond loopen op vele plaatsen van Duitschland knapen met riemen vol koeschellen door het dorp; op Donderdag vóór Vastenavond bestaat plaatselijk de vermomming hoofdzakelijk uit een bedlaken, eene hanenveder, en een riem met paardenschellen(206). De bel schijnt dus tevens met de vruchtbaarheid in verband te staan, wat verder nog o. a. hieruit blijkt, dat in het Beneden-Inndal de jongelieden bij het begin der lente „das Gras ausläuten”, d. i. met bellen het veld doorkruisen, om den groei van het gras te bevorderen; en in de Vingstau den 22sten Februari de jeugd, met groote bellen en koeklokken omhangen, van huis tot huis gaat: dit noemt men „den Langas (lente) wecken(207).

Uit dusdanige feiten trekt Mannhardt het besluit(208), „dass Glocke und Schelle zur ursprünglichen Darstellung des Wachstumsgeistes gehörten und eine notwendige Seite seines Wesens andeuten sollten”. Kon de huisgeest als geest zich anderszins kenbaar maken, zoo b. v. door te suisen, te sissen, te fluiten, te rammelen met ketens, of door het homerische τρίζειν—de taal der geesten in het algemeen—bel en klok zijn hem wel als daemon der vruchtbaarheid eigen.


Ein Schatten schleichet um das Haus,
Und horch, welch Kettengeklirre!
Fürwahr das ist Sanct Nicolaus,
Das Ruthen-Männlein von Myra.
(Schnell, l. l., I, p. 15).

Een enkel woord ook over de roede of gard. Sinterklaas, St. Maarten, Ruprecht en diens varianten, alle die persoonlijkheden, welke geschenken uitdeelen, zijn ook gewapend met het bewuste tuchtmiddel, waarvoor men de kinderwereld zulk een heilzaam ontzag weet in te boezemen. Gewoonlijk is dezer roede van berkenhout; in Tirol vindt men de hazelaarsgard, met welke de Butzemann, behoorlijk in erwtenstroo gewikkeld, alwie hij op zijn weg ontmoet onmeedoogend kastijdt(209). In Zwitserland draagt de H. Nikolaas plaatselijk een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een groene twijg(210). Hiermee komt de z. g. Martinsgerte overeen, die de Beiersche herder den 10den November zijn meester ter hand stelt: achter krib of staldeur gestoken schut zij gedurende den winter het vee tegen alle onheil, en in de lente drijft men er de koeien mee naar de weide. Hierbij bedient men zich in Etzendorf (Beieren) van de volgende spreuk:

Kommt der heilig St. Märten (Mirte)
Mit seiner Gerten;
Soviel Kranewitbeeren,
Soviel Ochsen und Stiere.
Soviel Zweige, soviel Fuder Heu!
Steckt sie hinter den Kühbarn,
So wird auf's Jahr keine Kuh verloren,
Und steckt sie hinter die Stalltür,
Treibt sie auf's Jahr mit Freuden herfür.

En in Beneden-Oostenrijk:

Kommt der Sanct Mirt mit seiner Ruten;
Soviel als die Rute Zweige hat,
Soviel soll auch der Bauer Vieh haben.
Nehmt ihr die Ruten in eure Hand,
Steckt ihr 's wol auf ober der Wand,
Wol hinter das Dach,
Am Sankt Gregoriustag
Treibt das arme Vieh aus,
Durch alle Engeln aus(211).

Blijkbaar staat deze twijg met de vruchtbaarheid in verband, en is haar elke verhouding tot eene tuchtroede vreemd. Hetzelfde kan gezegd worden van de zweepen der Perchteln(212) en der boerenknapen, die te Mähren (Oostenrijk) op den vooravond van Sinterklaas door de velden trekken(213). Zou dus de meening van Tille(214) het ware treffen, volgens welke de levens- en vruchtbaarbeidsroede van Sinterklaas door het Protestantisme tot ware slagroede, tot strafinstrument, tot plak hervormd is? Dan waren de bordjes verhangen, en zou men den juisten toestand nog b. v. in de Orlagau aantreffen, waar de kinderen op den derden Kerstdag hunne ouders en peetooms met rozemarijnstengels slaan, terwijl ze roepen:

Frisches Grün! Langes Leben!
Ihr sollt mir 'n blanken Taler (Nüsse u. s. w.) geben(215).

De feestdag der Onnoozele Kinderen heet in Zwaben Pfeffertag, wijl dan de kinderen met roeden of groene twijgen door de straten trekken, de voorbijgangers slagen toedienen en de huizen binnendringen, om appelen, noten en peperkoek te eischen. Bij Lichtefels (Beieren) slaan de jongens de meisjes met rozemarijnstengels, al zeggend:

Da komme ich her getreten
mit meiner frischen Gerten,
mit meinem frischen Mut.
Schmeckt der Pfeffertag gut?(216)

Wat hiervan zijn moge, het blijft onze innigste wensch, dat de afstraffing, door Dr. Brom aan Joës a Leydis met de roede van Sinterklaas toegediend, een „slag met de levensroede” moge geweest zijn!


En nu de gevolgtrekking: dat de oorsprong van het Sinterklaasfeest uitsluitend in het heidendom te zoeken is? Geen haar op mijn hoofd, dat er aan denkt. Trouwens, noch Dr. Brom, noch andere „mannen van naam en groote kennis”, die men „helaas ook in ons eigen vaderland” dezelfde meening vindt toegedaan, hebben ooit iets dergelijks beweerd. Dit echter meen ik uit het bijgebrachte materiaal te mogen besluiten:

De zuiver wetenschappelijke, IN CASU Folkloristische stelling, dat sommige volksvoorstellingen en volksgebruiken, die heden ten dage met de feestviering van den H. Nikolaas in verband staan, door het volk van heidenschen op kristelijken bodem zijn overgebracht, kan door eene menigte van feiten worden gestaafd.

Niet dat ik deze meening aan iemand zou willen opdringen, aan een Joës a Leydis het allerminst; maar men verkettere dan ook niet hen, die haar mochten zijn toegedaan, men betitele hen niet als napraters van Renan en Faustus den Manicheër! De eer der Kerk zal evenzeer gehandhaafd blijven, ook al mochten knecht en paard en gard den Heiligen Nikolaas definitief worden ontzegd! En wat de grootheid van Myra's bisschop betreft—op zuiver historische gronden niet genoegzaam gewaarborgd, straalt zij ons schitterend tegen van de hooge eereplaats af, die de verheven kindervriend in het Folklore inneemt. Zijne attributen mogen van kristelijken of van heidenschen oorsprong zijn, dit ééne staat vast: de H. Nikolaas zou de groote rol, die hij in de volksvereering speelt, niet hebben verworven, zou het aureool van populariteit niet om zijne slapen gevlochten hebben, ware hij niet werkelijk groot geweest in de oogen van het kristelijke volk.

Blijven aldus de eer van Gods Kerk, de grootheid Zijns lieven Heiligen ongerept, zou het dan niet verkieslijker zijn, in vrije geschillen als dit den moker te laten rusten, opdat het vertrouwen in den kampioen niet geschokt worde, wanneer ter verdediging van 's Heeren ware glorie, ter bestrijding van wezenlijke dwaalbegrippen het slagzwaard dient te worden opgevat?

(187) Schnell, l. l., I, p. 95.

(188) Schnell, l. l., I, p. 22.

(189) Schnell, l. l., I, p. 73.

(190) Wij kursiveeren.

(191) Eelcoo Verwijs, l. l., p. 73.

(192) Volgens J. A. Leydis stelt de tabberd het pallium voor!

(193) Mannhardt, l. l., p. 327 Aanm. 2.

(194) Mannhardt, l. l., p. 326.

(195) Bartsch, l. l., II, p. 224.

(196) v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., pp. 446, 453.

(197) Schnell, l. l., I, p. 61.

(198) Bartsch, l. l., II, p. 324.

(199) v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 448.

(200) Meyer, l. l., p. 218.

(201) van den Gheyn, l. l., p. 115 vlg.

(202) Bij Grimm, l. l., I, pp. 423, 424.

(203) Een veelkleurig kleed vol bellen.

(204) Grimm, l. l., I, pp. 385, 424; III, p. 148.

(205) Mannhardt, l. l., p. 608.

(206) Mannhardt, l. l., pp. 542, 543.

(207) Mannhardt, l. l., p. 540.

(208) L. L., p. 327.

(209) Mannhardt, l. l., p. 269.

(210) Tille, l. l., pp. 130, 131.

(211) Mannhardt, l. l., pp. 273, 274; vgl. Meyer, l. l., p. 254.

(213) Vernaleken, l. l., pp. 285, 286.

(214) L. L., p. 195 et passim.

(215) Mannhardt, l. l., p. 265; Tille, l. l., p. 196. Mannhardt vooral heeft over dit onderwerp in zijn Baumkultus onder den titel van: „Der Schlag mit der Lebensrute” eene meesterlijk gedachte en keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Dat de daar besproken gebruiken met de gard van Sinterklaas zouden samenhangen is eene zuivere hypothese, en we geven ze dan ook slechts als zoodanig. Men vergelijke nog een feestgebruik der Lupercalia, te Rome den 15den Februari gevierd. Naar den schijn te oordeelen was het slaan met riemen, dat de Luperci zich tegenover de Romeinsche vrouwen veroorloofden, eene tuchtiging; en toch stond dit gebruik veeleer met de vruchtbaarheid in verband (Jordan-Preller, l. l., p. 390), zoodat de vrouwen den Lupercis zelfs den weg versperden, om zich in de vlakke hand te doen treffen. Vgl. Juv., Sat. II, v. 14:

Nec prodest agili palmas præbere luperco.
En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden.

(216) v. Reinsberg-Düringsfeld, l. l., p. 467.

INHOUD.

Pagina.
Voorrede3
I.Het Vruchtbaarheidstijdperk7
II.Schoorsteen en Schoen17
III.De Schimmelrijder25
IV.Vormveranderingen32
V.Bel en Roede39
Besluit44