§ 3. België.
Sedert 1867 geldt de in 1810 in België ingevoerde Fransche Code Pénal na vele wijzigingen en aanvullingen in een werkelijk voor ’t land en den tijd meer passenden vorm.
Het Fransche artikel 334 Code Pénal, dat de koppelarij strafbaar stelt, is na eene wijziging door de Belgische wet van 1846 het nu aldus geredigeerde art. 379 van den Code Pénal Belge:
Art. 379. Quiconque aura attenté aux moeurs en excitant, facilitant ou favorisant habituellement pour satisfaire les passions d’autrui, la débauche ou la corruption des mineurs de l’un ou de l’autre sexe sera puni d’un emprisonnement de trois mois à deux ans, si les mineurs sont agés de plus de quatorze ans accomplis et de deux ans à cinq ans d’emprisonnement, si les mineurs n’ont pas atteint cet âge.
Na dit artikel volgt art. 380, dat van dezen inhoud is:
Art. 380. Le fait énoncé à l’article précédent sera puni de la réclusion, s’il a été commis envers un enfant, qui n’avait pas accompli sa onzième année. La tentative de ce crime ne sera pas punissable.
’t Ligt ook hier niet op mijn weg een grondige behandeling van dit artikel in alle opzichten te geven, doch slechts in zooverre als dit voor den blanke slavinnenhandel van belang is.
Ook deze artikelen straffen slecht het proxénétisme, zoodat uit den aard der zaak in generali de meisjeshandelaar, die toch slechts zijne medewerking daartoe verleent, niet als hoofddader kan gestraft worden.
Na een historisch opzet komt Nypels in zijn “Code Pénal Belge interprété” tot deze conclusie: “C’est donc le proxénétisme seul, que punit notre Code.”
De bestanddeelen van het Belgische strafbare feit, dat de koppelarij treft, zijn de volgende:
1. Het “exciter, faciliter ou favoriser la débauche d’autrui”.
2. Er moet bewezen worden, dat het “habituellement” geschiedt.
3. Het moet geschieden “pour satisfaire les passions d’autrui”.
4. Teweeggebracht of bevorderd moet zijn de ontucht van minderjarigen.
Het is een délit collectif of délit d’habitude; enkele daden van proxénétisme vallen buiten ’t bereik der strafwet. Nypels vraagt in zijn werk: “Combien de faits faut-il pour constituer l’habitude?”
Zijn antwoord is “Une jurisprudence, qui parait bien établie, exige qu’il en faut au moins trois” (Arr. Bruxelles 18 Avril 1856; Pasicr. 1856, II, 215).
Het derde bestanddeel is ingevoegd door de wet van 15 Juni 1846. (Vóordien bestond in België omtrent de kwestie of de bevordering van ontucht voor eigen passie ook strafbaar was even grooten strijd als in Frankrijk en ten onzent onder vigueur van den C.P.)
Wat den leeftijd aangaat onderscheidt de wet tusschen minderjarigen boven de 14 jaar, beneden de 14 en boven de 11 en ten slotte beneden de 11 jaar.
M.i. behoeft de dader niet geweten te hebben, dat de leeftijd van den minderjarige juist boven de 14 òf tusschen de 14 en 11 òf onder de 11 jaar was.
Voldoende is, als hij wist met een minderjarige te doen te hebben, dolus eventualis in dit opzet begrepen. Volgens Servais (Code Pénal belge interprété par Nypels) behoeft het Openbaar Ministerie niet het bewijs te leveren dat de beschuldigde den leeftijd van zijn slachtoffer kende. Zooals uit hetgeen ik zooeven zeide, blijkt, kan ik mij hiermede niet vereenigen. Bewezen moet worden, dat de beklaagde wist met een minderjarige te doen te hebben (c.q. is dolus ev. voldoende). Hieruit volgt zijn wil het strafbare feit te plegen; de lagere leeftijden, die de artt. 379 en 380 stellen, zijn als objectief verzwarende omstandigheden aan te merken. Wanneer evenwel de dolus ten opzichte der minderjarigheid vaststaat, is het bestaan der objectief verzwarende omstandigheden niet zoo hard voor den dader, als het wel schijnt. In de meeste gevallen toch zal ook ten opzichte van deze feiten een dolus eventualis aan te nemen zijn.
Onder vigueur van de oude Codebepaling art. 334 heeft de rechtbank te Luik een vonnis gewezen in zake een geval van meisjeshandel. Hare beslissing was aldus: “Celui, qui détermine une mineure à se placer comme servante dans une maison, avec l’assurance qu’elle entrerait dans une maison honnête est coupable de complicité du délit prévu par l’article 334 du Code pénal (379 du C. p. de 1897), s’il a su qu’au lieu d’y être reçu en qualité de domestique cette mineure serait livrée habituellement à la prostitution, qui s’est réellement consommée. (Liège, 14 dec. 1844. Pas. 1845 II 165).
Ware dit feit berecht onder den herzienen Code van 1867 dan had de uitspraak naar gelang der omstandigheden anders kunnen zijn. Dit is toe te schrijven aan de wijze waarop de leer der hulpverleening in het Belgische recht thans is geregeld.
Ik heb ’t oog op art. 66 2o en 67 3o van den C. P. B. Ze luiden aldus:
Art. 66 2o. (Seront punis comme auteurs d’un crime ou d’un délit:)
Ceux, qui par un fait quelconque, auront prêté pour l’exécution une aide telle que sans leur assistance, le crime ou le délit n’eût pu être commis.
Art. 67 3o. (Seront punis comme complice d’un crime ou d’un délit:)
Ceux qui hors le cas prévu par le § 3 de l’article 66 (i. e. 66 2o) auront avec connaissance aidé ou assisté l’auteur ou les auteurs du crime ou du délit dans les faits qui l’ont préparé ou facilité, ou dans ceux, qui l’ont consommé.
Ten opzichte van den Franschen Code van 1810 is hier het begrip auteur uitgebreider, het begrip complice meer begrensd. De deelneming “par aide et assistance” kan zich natuurlijk op velerlei wijze openbaren. Nypels zegt in zijn commentaar daaromtrent: “La participation par aide et assistance sera suivant les circonstances ou un acte de participation principale (d’auteur) ou un acte de participation accessoire (de complice). Si l’aide a été telle qu’à son défaut le crime ou le délit n’eût pu étre commis le participant sera puni comme coauteur (66 : 2o). Si l’aide a été simplement accessoire, c’est à dire si elle n’a fait que faciliter l’exécution du crime le participant sera puni comme complice”. (67 3o).
Het is een feitelijke kwestie, door den rechter in ieder geval afzonderlijk te beslissen, of hij, die op de een of andere wijze behulpzaam is geweest, als coauteur of als complice bestraft moet worden; voor het strafminimum natuurlijk van belang, daar de Belgische complice niet als de Fransche gestraft wordt als de dader (behoudens eenige uitzonderingen).
De blanke slavinnenhandelaar kan dus volgens het Belgische recht naar gelang van de omstandigheden hetzij als dader van hetzij als medeplichtige aan ’t misdrijf van 379 en 380 C. P. B. gestraft worden, mits de overige vereischten door deze artt. gevorderd, aanwezig zijn.2
Dit stelsel van den C. P. B. biedt in zooverre groote voordeelen, dat de strafwet ook den meisjeshandelaar treft, die werkzaam geweest is, vóórdat de dader van het misdrijf van art. 379 of 380 eenig opzet had het strafbare feit te plegen. Inderdaad van groot belang; eene beslissing met ons Nederlandsche recht, naar mijne bescheiden meening, onvereenigbaar.
Nypels geeft in zijn commentaar als voorbeelden op: “Coauteurs par aide ou assistance avant l’exécution: le domestique, qui ouvre aux voleurs la porte de la maison, qu’ils veulent dévaliser; celui qui attire la victime dans la maison, où elle doit être assassinée etc.”
In deze gevallen en in een geval van meisjeshandel, waarbij de placeur valt onder art. 66 2o is er sprake van een “participation indispensable”. Men moet dit evenwel niet opvatten als een absolute onmisbaarheid: het misleide meisje kon ook door een ander verlokt worden; doch de Belgische geleerde zegt, dat de onmogelijkheid dat anders het misdrijf zou gepleegd zijn, slechts relatief moet opgevat worden. Een anderen zin aan ’t artikel te hechten zou leiden tot eene volkomen onbruikbaarheid van het artikel (66 2o.)
Er moet evenwel niet vergeten worden, dat we hier te doen hebben met een geval van “participation”, al wordt de schuldige ook als coauteur gestraft. Kwam het dus niet tot het strafbare feit van art. 379 of art. 380, strafbare poging inbegrepen, de meisjeshandelaar blijft straffeloos, al had hij ook alles gedaan, wat voor zijn werkzaamheid noodig was.
Voor ik van deze bespreking afstap wil ik nog een enkel woord wijden aan het habituellement exciter etc. In ’t rapport van den Heer de Leval op ’t Londensche Congres van Juni 1899 vind ik vermeld één uitspraak van den Belgischen rechter, volgens welke hij die eene minderjarige aan een bordeelhouder aflevert schuldig zou zijn aan het feit in art. 379 (jo 66 2o. C. P. B.) omschreven. De wetenschap, dat een meisje in een publiek huis zich dagelijks aan de prostitutie overgeeft stelt de voorwaarde van de gewoonte daar. ’t Is waar: de meisjeshandelaar stelt den bordeelhouder in staat het misdrijf van art. 379 of 380 te plegen. De redactie der artt. 662o. en 673o. zou ook een argument kunnen wezen. Eene rationeele opvatting en uitlegging verzetten zich m. i. evenwel tegen de meening als zou de deelnemer reeds dan strafbaar zijn. Welk een onzekere rechtstoestand zou hierdoor geschapen worden. Van den dader, een bordeelhouder of ander, zou het afhangen of de meisjeshandelaar vervolgd moet worden of niet. Bevordert hij de ontucht van het verkochte meisje éen keer of 2 keer, dan heeft de placeur niets te vreezen; geschiedt ’t nog eens dan is zijn daad plotseling een feit geworden, waarop een zware straf staat. Welk een rechtsonzekerheid! Gevorderd wordt niet eenvoudig een gewoonlijk zich overgeven aan de ontucht, doch dit moet geschieden als gevolg van een gewoonlijk doen of laten van den schuldige.
De bordeelen zijn niet verboden in België. Het toezicht is overgelaten aan de plaatselijke overheid, die in hoogste instantie de sluiting kan bevelen. Het rapport van den Heer de Leval (op ’t Londensche Congres in 1899) vermeldt, dat dit nog al eens plaats heeft.
Daar de politie de bevoegdheid heeft die huizen ieder oogenblik binnen te treden kan zij in de gelegenheid zijn op ’t spoor te komen van vele ongerechtigheden.
Dit beweert althans bovengenoemde Belgische afgevaardigde op ’t Londensche Congres. Ik heb reeds meer dan eens elders er op gewezen, dat dit in theorie zeer wel mogelijk is, doch dat de praktijk met dergelijke theoretische uitingen meestal den spot drijft.
Eene ministeriëele circulaire (1891) heeft der Belgische politie de aanschrijving gedaan alle vreemde vrouwen, die zich aan prostitutie overgeven uit te zetten. Woordelijk heet het in de circulaire aldus: “le fait de se livrer à la prostitution clandestine, quelle que soit la profession prétendument exércée par les étrangères suffit pour que leur renvoi soit ordonné.” (zie Redev. van Bylandt 2e Kamer 5 Maart 1890). Nog valt te vermelden de Loi du 12 Février 1897 sur les étrangers, waarvan art 1 luidt:
Art. 1er. “L’étranger résident en Belgique, qui par sa conduite, compromet la tranquillité publique, ou celui qui est poursuivi ou qui a été condamné à l’étranger pour les crimes au délits, qui donnent lieu à l’extradition peut être contraint par le Gouvernement de s’éloigner d’un certain lieu, d’habiter dans un lieu déterminé ou même de sortir du royaume.
L’arrêté royal enjoignant à un étranger de sortir du royaume, parce qu’ il compromet la tranquillité publique sera délibéré en conseil des Ministres.” Volgens deze wet kunnen dus placeurs van vreemde nationaliteit het land uitgezet worden op grond, dat zij “la tranquillité publique” in gevaar brengen. Te betreuren is de omslachtige weg, die het artikel aanwijst om tot de verwijdering te geraken.—Volgens den Heer de Leval is het plichtsgevoel en de zucht om den meisjeshandel te onderdrukken bij de politie zeer aangewakkerd na de openbaarmaking van de schandalen van 1880. Een gelukkig verschijnsel, want vóór 1880 was van beiden niets te bespeuren.—De nationale wetgeving in België heeft dus nog geen afzonderlijke bepalingen in het leven geroepen ter bestraffing van placeurs en consorten. Wij hebben evenwel reeds gezien dat zij toch al een open oog heeft gehad voor de belangen van de inlandsche meisjes in het buitenland en van misleide meisjes uit den vreemde in België. Hiervan getuigen de reeds behandelde verklaringen, die België met Nederland en Duitschland respectievelijk den 18 Dec. 1886 en den 4 Sept. 1890 (goedgekeurd door de wet van 27 July 1891) uitgewisseld heeft.
§ 4. Frankrijk.
Wij hebben het artikel dat in den Franschen Code Pénal onze aandacht vraagt reeds meer dan eens ontmoet. Art. 334 C. P. is toch de grondslag geweest voor de bestraffing van de koppelarij in vele andere strafwetgevingen.
Het luidt aldus:
Art. 334. Quiconque aura attenté aux mœurs en excitant favorisant ou facilitant habituellement la débauche ou la corruption de la jeunesse de l’un ou de l’autre sexe au dessous de l’âge de vingt et un ans sera puni d’un emprisonnement de six mois à deux ans, et d’une amende de cinquante francs à cinq cents francs.
Si la prostitution ou corruption a été excitée, favorisée ou facilitée par leurs père, mère, tuteur ou autres personnes chargées de leur surveillance, la peine sera de deux ans à cinq ans d’emprisonnement, et de trois cents francs à mille francs d’amende.
Art. 335 geeft eenige nadere voorschriften voor de straf; ook politietoezicht kan opgelegd worden.
Ad. Chauveau en Hélie Faustin geven in hun Théorie du Code Pénal een historische ontwikkeling van de koppelarij, zooals deze nu in het Fransche Code-artikel aan te treffen is. Het blijkt dat art. 334 C. P. beoogt te treffen hetzelfde feit, dat het Romeinsche Recht als lenocinium strafbaar stelde; d. i. vooral het door (directe) bemiddeling teweegbrengen van iemands ontucht. (Lenocinium facit, qui quaestuaria mancipia habuerit; sed et qui in liberis hunc quaestum exercet, in eadem causa est. L. 4 § 2 D. De his qui not. infam. III 2).
Dat er verder nog sprake is van favoriser en faciliter doet tot de zaak niets af. Het exciter bedoelt de causa movens, het favoriser en faciliter, het in de hand werken van het reeds bestaand voornemen van een derde.
De blanke slavinnenhandelaar, wiens indirecte bemiddeling de vrouw of het meisje tot de ontucht drijft, is dus niet als hoofddader van art. 334 C. P. te straffen. Hij verleent slechts zijne medewerking tot de handelingen van dezen, en is te vervolgen als medeplichtige, indien zijn eigen handelingen op te vatten zijn als deelnemingshandelingen, zooals art. 60, 2de en 3de lid C. P. ze omschrijven.
Art. 60. (Seront punis comme complice d’une action qualifiée crime ou délit).
2o. Ceux qui auront procuré des armes, des instruments ou out autre moyen, qui aura servi à l’action, sachant qu’ils devaient y servir;
3o. Ceux qui auront, avec connaissance, aidé ou assisté l’auteur ou les auteurs de l’action dans les faits, qui l’auront préparée ou facilitée, ou dans ceux qui l’auront consommée, sans préjudices des peines, qui etc. etc.
Dat met de achterhaling dezer wandaden op deze wijze niet volstaan kan worden, is dan ook geruimen tijd door sommige staatslieden ingezien. Frankrijk heeft aan Bérenger te danken een wetsvoorstel, waarvan art. 5 dezen inhoud heeft:
“L’embauchage par violence ou par fraude pour la prostitution, l’emploi des mêmes moyens pour contraindre une personne, même majeure, à se livrer à la prostitution, seront punis d’un emprisonnement de six mois à deux ans et d’une amende de 100 à 2000 francs.
En cas de récidive dans les conditions prévues par l’article 2, la relégation pourra être prononcée.”
Dit artikel werd in 1895 door den Franschen Senaat aangenomen in een wetsontwerp in zake de prostitutie;3 het wordt nu voor de Fransche Kamer van Afgevaardigden behandeld. (1899 Rapport Bérenger op ’t Engelsche Congres). Bérenger achtte het in zijn rapport in ieder geval noodzakelijkheid, dat aan dit artikel nog werden toegevoegd de woorden (”or by abuse of authority”) “ou par abus d’autorité” waardoor zouden getroffen worden zoowel de man of de ouders die hun vrouw of dochter aan de prostitutie overleveren als ook hij, die het meisje, dat hij verleid heeft, noodzaakt zich te prostitueeren, opdat hij bestaan kan van ’t loon van haar ontucht.
Het artikel, zooals het reeds in eerste lezing aangenomen is treft hem,
1º. qui embauche par violence ou par fraude pour la prostitution,
2º. qui contraint par violence ou par fraude une personne, même majeure, à se livrer à la prostitution.
In het eerste geval mag men aannemen, dat in zoo ruim mogelijk gestelde bewoordingen sprake is van den meisjeshandel.
Wanneer de hier gestelde vereischten aanwezig zijn mag voorzeker het oogmerk om aan de prostitutie over te leveren als bij den placeur bestaand aangenomen worden.
Zoowel de minderjarige als de meerderjarige vrouw wordt hier beschermd. De enkele daad van het verkoopen van eene vrouw wordt reeds getroffen.
Het motief doet niets ter zake: winstbejag en andere motieven staan gelijk.
Ik kan echter niet verhelen, dat de bepaling mij niet voldoet, daar ik, omdat het de bedoeling geweest is den meisjeshandel te treffen, de bestanddeelen van een daad van meisjeshandel niet duidelijk weergegeven vind. Onder de bepaling vallen ook andere gevallen: ’t is toch mogelijk, dat de vrouw niets weet van hetgeen men met haar zal doen, en hieronder valt de ware meisjeshandelsdaad; aan den anderen kant kan het bedrog ten opzichte van andere omstandigheden bij de daad in concreto gepleegd zijn, zoodat daardoor niet verhinderd wordt, dat de vrouw zich bewust is, dat zij zich gaat prostitueeren.
Het 2de geval straft hem, die eene vrouw door geweld of bedrog dwingt zich te prostitueeren.
Dit gedeelte zal vooral den bordeelhouder treffen, die een gekochte vrouw met geweld of door bedrog (waaronder ook zou kunnen vallen b. v. het bedwelmen door dranken) dwingt zich aan een man over te geven. In sommige gevallen wellicht een medeplichtigheid aan verkrachting. Door dit tweede geval wordt in tweeërlei opzichten eene uitbreiding gegeven aan het koppelarij-artikel van den Code Pénal, dat slechts straft het exciter habituellement la débauche d’une mineure. In dit ontwerp-Bérenger wordt de strafrechterlijke bescherming uitgestrekt tot iedereen hetzij meerderjarig of minderjarig; behoeft het exciter niet habituellement te geschieden maar moet het par violence ou par fraude geschieden.
Het drijven van handel in vrouwen en meisjes, wordt niet aan strafverzwaring onderworpen, wel de recidive van de enkelvoudige daad. Op den buitenlandschen handel wordt echter niet speciaal gelet.
Mijn opinie is, dat dit artikel aan de behoeften der praktijk zal kunnen voldoen, mits de toepassing goed verzekerd worde. ’t Komt hier dus aan op ruime politiebevoegdheden om gelegenheid te hebben op ’t spoor te komen van die misdrijven, en vereischt is eene degelijke plichtsbetrachting van de zijde der politie.
Hierop schijnt vooral in Frankrijk de nadruk gelegd te moeten worden. Yves Guyot beschouwt het in zijn rapport op ’t Congrès Pénitentiaire, in 1895 te Parijs gehouden, als het kardinale punt. Hij slaakte deze verzuchting: “Sa répression et sa suppression sont bien plus une question de police que de législation. A quoi bon avoir des lois sur le papier, si la police les viole? A quoi bon l’article 334 dans le Code Pénal, si la police inscrit elle même des mineures sur ses régistres et profite de leur misère et de leur inexpérience pour les enfermer dans des maisons de tolérance?”
Juist dit is het zwakke punt. Een macht van wetten en dekreten, zoowel van jongeren als van ouderen datum, tot voor een eeuw her, op het prostitutie-vraagstuk betrekking hebbende vigeeren in Frankrijk, doch de uitvoering ontbreekt. Gewapend met de bevoegdheden haar ter dezer zake in die wetten en dekreten toegekend, is de politie in ruime mate in staat mede te werken tot de bestrijding van den meisjeshandel4.
De strenge reglementatie der prostitutie is in dit land dus een indirect middel voor de politie om het euvel tegen te gaan. Verder moet opgemerkt worden, dat de politiebevoegdheden, op dit punt betrekking hebbende, slechts in zeer algemeene bewoordingen gesteld zijn. Gedetailleerde bepalingen ontbreken, doch juist deze omstandigheid werkt er toe mede om de politie in staat te stellen hare taak ruim op te vatten, niet gebonden aan nauwkeurig gestelde voorschriften die in deze kwestie slechts kunnen uitmunten door ondoelmatigheid wegens de ontelbare variaties der gevallen, die zich kunnen voordoen.
De politie, die in deze zaak bevoegd is, is eene afzonderlijke afdeeling van de Administration de police, de zoogenaamde “service des Moeurs” die het toezicht heeft op alles wat de prostitutie raakt en zoowel preventief als repressief kan optreden ten opzichte van de ongerechtigheden, waartoe de prostitutie zoo bij uitstek aanleiding geeft.
De Fransche afgevaardigde op ’t congres te Londen (1899) de Heer Bérenger, vermeldt, dat minderjarige meisjes geen buitenlandsch paspoort kunnen verkrijgen dan op uitdrukkelijk verzoek der ouders. Dat deze bepaling gemakkelijk kan ontdoken worden, wanneer de meisjeshandelaar het noodig vindt, behoeft geen verder betoog. Uit ’t rapport van denzelfden afgevaardigde blijkt, dat de consuls van Frankrijk in ’t buitenland gevestigd ook hun aandacht vestigen op dit kwaad en pogingen in het werk stellen om het te voorkomen. Hij haalt althans het voorbeeld aan van een consul in Rusland gevestigd, die er op opmerkzaam maakte, aan welke gevaren emigreerende vrouwen en meisjes blootgesteld werden, hetgeen blijkt uit de bij dat consulaat ingekomen talrijke aanvragen om onderstand en om terugzending naar Frankrijk.
§ 5. Zwitserland.
Men acht zich gelukkig in den Zwitserschen Bondsstaat, dat de tijd wellicht niet meer verre zal zijn, die een einde maken zal aan den onhoudbaren toestand, dat binnen een betrekkelijk klein territoir een twee en twintigtal verschillende strafwetten heerschen. Deze wijken zeer van elkander af: de Duitsche kantons hebben hun strafwetten naar Duitschen leest geschoeid, de Fransche kantons hebben zich den Code Pénal tot voorbeeld gekozen. Groote verscheidenheid heerscht vooral op ’t gebied der zedenmisdrijven.
Wanneer wij het begrip der koppelarij in het dagelijksch leven aangeven als het teweegbrengen of bevorderen van de ontucht van derden, die evenwel in deze algemeenheid bijna nergens strafbaar is, dan hebben wij een juiste maatstaf om aan te stippen, in hoeverre in de verschillende kantons de koppelarij gestraft wordt. (De cijfers, die ik hierbij aangeef, wijzen de artt. aan uit de verschillende strafwetboeken.)
Thurgovie straft koppelarij, indien ’t uit gewoonte of of uit winstbejag geschiedt. Strafverzwaring indien manoeuvres frauduleuses gebezigd zijn. (art. 121–124).
Schwyz: art. 94 vordert het gewoonlijk handelen.
Schaffhausen: art. 183 conform aan de desbetreffende bepalingen van Thurgovie.
Bern: art. 168 vordert het koppelen uit gewoonte. Strafverzwaring, indien door prétextes frauduleux eerbare vrouwen tot de prostitutie verleid worden, zelfs dan wanneer ’t doel niet bereikt is.
Grisons: Iedere koppelarij wordt gestraft; de strafmate verschilt al naar gelang er eene gewoonte of niet te constateeren valt of al naar gelang er eene persoonlijke betrekking bestaat met de verleide persoon of niet. (art. 146).
Argovie: dit kanton heeft geen repressie van koppelarij.
Valais: art. 199 vordert een gewoonlijk handelen.
Obwalden: proxénétisme voor de tweede maal bedreven wordt gestraft, art. 70. Eveneens de begunstiger, die eene gelegenheid verschaft, waar ontucht bedreven kan worden. (art. 112 Code de Police).
Glarus: art. 83 is identiek met art. 146 van het strafwetboek van Grisons.
Freiburg: art. 396 vordert dat de koppelarij uit gewoonte bedreven zij.
Bazel, (stad en land). Gewoonte of winstbejag moet bewezen worden, (art. 96).
Genève: Gewoonte of winstbejag maakt de koppelarij strafbaar, doch slechts dan wanneer deze in ’t openbaar plaats heeft. (Loi pénale concernant les délits et contraventions contre la morale publique du 26 Nov. 1888).
Zug: art. 99 bevat dezelfde vereischten als art. 146 van Grisons en art. 83 van Glarus.
St. Gall: art. 170 straft koppelarij in de eenvoudigste gedaante, doch strafverzwaring bij gewoonte, winstbejag of verleiding van jeugdige, eerbare personen.
Lucerne: art. 149 treft alle koppelarij en verder het in de gelegenheid stellen of er toe medewerken dat op eenige wijze in het huis van den dader of elders ontucht gepleegd wordt.
Soleure: koppelarij is strafbaar indien het uit winstbejag geschiedt. (art. 105.)
Neuchâtel: iedere koppelarij wordt gestraft; strafverzwaring heeft plaats, indien eerbare vrouwen buiten haar weten in een huis van ontucht gebracht worden door hen, die de verleiding tot ontucht als bedrijf uitoefenen. (art. 292.)
Tessin: ’t eenige kanton, dat de strafbaarheid der koppelarij beperkt tot die der minderjarigen (20 jaar.) mits gewoonte of winstbejag bewezen zij. (art. 263.)
Appenzell: een gewoonlijk handelen wordt in art. 101 gevorderd.
Vaud. De wet van 20 Nov. 1896 heeft een nieuw artikel over de koppelarij in ’t leven geroepen. Iedere koppelarij is nu in art. 198 (nieuw) strafbaar gesteld.
Zürich. De wet van 30 Maart 1897 om verandering te brengen in het strafwetboek van 8 Jan. 1871 heeft nevens de oude artikelen 121 en 122, die handelen over het proxénétisme, eenige nieuwe bepalingen gevoegd. De toestand is nu aldus: koppelarij uit gewoonte of uit winstbejag is strafbaar. Strafverzwaring bij aanwending van manoeuvres frauduleuses of bij verleiding van eerbare personen. Bordeelen zijn op straffe verboden. Verder bevatten de artt. 121, 121a, 122, 122a, 122b nog verschillende bepalingen, die deels het begrip koppelarij nader uitwerken, deels omstandigheden bevatten, die de straf verzwaren.
Dit is in het kort de inhoud der koppelarijartikelen uit de strafwetboeken der Zwitsersche kantons, voorzoover ze ons belang kunnen inboezemen.
Eerlang zal, zooals ik reeds even aanstipte, een strafwetboek ontstaan voor geheel Zwitserland.
Het herziene ontwerp van Professor C. Stooss is gepubliceerd in Maart 1896.
Wat de misdrijven tegen de zeden betreft, kan men niet ontkennen dat het ontwerp zeer streng is. Wat moderne moralisten op dit gebied kunnen verlangen geeft het ruimschoots.
Artt. 116 en 117 van het ontwerp handelen over proxénétisme 117 speciaal in bordeelen en art. 118 over den meisjeshandel.
Art. 118 luidt aldus in den Franschen text:
Sera puni de la réclusion celui qui, par la ruse, la menace ou la violence, aura cherché à livrer une femme à autrui dans un but de débauche.
La peine sera la réclusion pour 5 ans au moins: si la femme est mineure; si elle est l’épouse, la fille ou la petite fille de l’auteur ou si elle avait été confiée à ses soins, à sa protection ou à sa surveillance; si l’auteur a cherché à la livrer à une maison de prostitution; si c’est à l’étranger qu’elle devait être livrée à la débauche.
La peine sera la réclusion pour 10 ans au moins où la réclusion à vie:
Si la femme était de réputation intacte et si elle a été effectivement livrée à débauche.
Deze laatste omstandigheden zijn niet strafbepalend, doch strafverzwarend.
Dit artikel is m.i. zeer nauwkeurig, wat betreft de afdaling in détails en voor zoover die omstandigheden als strafverzwarend in aanmerking komen. Daar het ontwerp nog geen wet is, wil ik mij van vele op- en aanmerkingen onthouden. Doch éene, m.i. belangrijke, moet mij uit de pen. Wordt dit artikel aldus aangenomen, dan voorzie ik de mogelijkheid dat vele tusschenpersonen, n.l. degenen, die na hem, die door middel van de opgesomde middelen te werk gaat, zich belasten met de taak de vrouw aan hare bestemming te brengen, eene veroordeeling zullen ontloopen, al is hun schuld of opzet nog zoo duidelijk!
Eene bepaling in den geest van het 2de lid van art. 48 van het Duitsche Auswanderungsgesetz ware wel aan te bevelen.
Verder is het onjuist, al zou dit artikel uitsluitend den meisjeshandel treffen; daarvoor is het te algemeen gesteld. De essentiëele bestanddeelen van een dergelijke daad treft men daarin niet aan.
Voor den buitenlandschen handel is het melden waard een wet van 24 Dec. 1880 op de emigratiebureaux en agenten geldend in geheel Zwitserland.
In ’t kort is de inhoud van de wet deze:
Om als emigratie-agent op te treden moet men vergunning bekomen.
Met ieder, die het land wil verlaten moet een contract gesloten worden, waarvan de vorm door de wet voorgeschreven is. Overigens bevat de wet nog verschillende verplichtingen van welke ik vermeld het verbod om minderjarigen beneden de 18 jaar behulpzaam te zijn in hun vertrek naar het buitenland, wanneer deze niet vergezeld zijn van betrouwenswaardige personen. De minderjarigen moeten in hun onderhoud kunnen voorzien op de plaats van bestemming en verder is toestemming noodig van hen die gezag over hen uitoefenen. Verboden is personen behulpzaam te zijn, die na betaling van hun reisgeld, op de plaats van bestemming geheel van middelen zouden ontbloot zijn. Verder nog eenige bepalingen voor de zekerheid van hen, die over zee emigreeren.
De Zwitsersche Consuls in de zeehavens van het buitenland zijn belast met ’t onderzoek van alle klachten van Zwitsersche émigré’s, die betrekking hebben op de niet vervulling van de contractsvoorwaarden. (Rapport van den Heer de Meuron op het Congres te Londen 1899.)
Vermeld moet nog worden een interkantonaal tractaat van 1875: “Concordat entre les cantons de Berne, Fribourg, Vaud, Valais, Neuchâtel et Genève pour la protection des jeunes gens placés à l’étranger.” De bureaux de placement worden onder toezicht van de overheid geplaatst. Ze moeten restitueeren de kosten van de terugkeer van jonge meisjes die zij in den vreemde geplaatst hebben, zoodat haar terugkomst noodzakelijk is. De plaatsing in een huis van ontucht wordt hier uitdrukkelijk als voorbeeld genoemd. Verder wordt nog een opdracht gegeven aan den Consul in het land, waarheen het meisje zich begeeft. De overheid verstrekt aan de jeugdige personen, die emigreeren, een boekje met raadgevingen. (Rapport de Meuron.)
De Zwitsersche politie gaat krachtig preventief te werk door aankondigingen in dagbladen, waarschuwingen tegen verdachte personen.
Het Rapport van den Heer de Meuron vermeldt in dien geest eenige waarschuwingen, afkomstig van het “Département de Justice et Police du Canton de Vaud.”
§ 6. Oostenrijk-Hongarije.
In Oostenrijk dateert het vigeerende strafwetboek van 27 Mei 1852. In zulk een oud wetboek behoeven we voorzeker niet veel te verwachten, dat ons kan voldoen. Vorm en sanctie zijn in dit wetboek zelfs nog in afzonderlijke bepalingen neergelegd.
§ 132 IV verklaart “Kuppelei in Beziehung auf eine unschuldige Person” een strafbaar feit. IV Kuppelei, woferne dadurch eine unschuldige Person verführt wurde, (oder wenn sich Eltern, Vormünder, Erzieher oder Lehrer derselben gegen ihre Kinder, Mündel, oder die ihnen zur Erziehung oder zum Unterrichte anvertrauten Personen schuldig machen). Dit is een Verbrechen. Eene Uebertretung is neergelegd in art. 512c, zooals dit door de wet van 24 Mei 1885 (B. d. L. no. 89) veranderd is. Het artikel straft hen als schuldig aan koppelarij, “welche sonst sich zu Unterhändlern in unerlaubten Verständnissen dieser Art gebrauchen lassen.”
Het Verbrechen zou ik willen beschouwen als het teweegbrengen van de ontucht van een onschuldig persoon, de Uebertretung als het bevorderen van de ontucht van een derde, al dan niet onschuldig. Deze beide artikelen zijn nog minder ruim dan de gelijksoortige artikelen uit de huidige strafwetgevingen. Dat een placeur in generali hieronder zou vallen, daarvan is geen sprake.
In 1861 is men in Oostenrijk begonnen met het ontwerpen van een nieuw strafwetboek. In 1889 geëindigd heeft het tot nu toe nog geen resultaat opgeleverd.
§ 198 ontwerp luidt: Wer der Unzucht anderer Vorschub leistet wird wegen Kuppelei bestraft;
5. Wenn eine Person in das Ausland befördert wird um sie daselbst dem umzuchtigen Gewerbe mit ihrem Körper zuzuführen5.
Straf: hoogstens 5 jaar tuchthuis of gevangenis.
Hier wordt dus een zeer ruwe interpretatie gegeven van het begrip koppelarij. De buitenlandsche meisjeshandel wordt hier getroffen doch daarnevens vele andere handelingen, die buiten het bereik der strafwet moesten vallen. De meest eigenaardige elementen van den meisjeshandel zijn hier genegligeerd. Het artikel is bepaald af te keuren. Het is veel te ruim gesteld.
Art. 207 IV. van het strafwetboek van Bosnië en Herzegovina is gelijkluidend met art. 132 IV van het Oostenrijksche strafwetboek.
Oorspronkelijk was het met het Hongaarsche strafwetboek treurig gesteld. Het strafte slechts den zwaarsten vorm van koppelarij.
Art. 247 is van dezen inhoud:
“Derjenige, welcher seine eheliche oder natürliche Tochter zum Beischlafe mit einem Anderen, oder welcher sein eheliches oder natürliches Kind zu geschlechtlicher oder widernatürlicher Unzucht mit einem Anderen verleitet, begeht das Verbrechen der Kuppelei und ist mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren zu bestrafen.
Dieselbe Strafe trifft auch denjenigen, welcher eine seiner Vormundschaft, Curatel, Erziehung, seinem Unterrichte oder seiner Aufsicht anvertraute Person zu einer solchen Handlung verführt.”
Aan dien ondragelijken toestand werd in 1892 een einde gemaakt door den Minister van Justitie Desiderius von Szilágyi, wiens ontworpen novelle art. 247a van het wetboek werd.
Art. 247a. “Das Vergehen der Kuppelei verübt derjenige und wird mit Gefängnis bis zu einem Jahre und mit Geldstrafe bis zu tausend Gulden bestraft, wer eine unbescholtene Frauensperson dazu überredet, mit einem andern einen ausserehelichen Beischlaf zu vollziehen oder Unzucht zu verüben oder wer eine solche Frauensperson einem Bordelle oder einem ähnlichen unmoralischen Geschäft zuführt—insofern derartige Kuppelei gewohnheitsmässig betrieben wird.”
“Die Kuppelei wird mit Kerker bis zu fünf Jahren und mit Geldstrafe bis zu 2000 Gulden bestraft, wenn dieselbe mit Anwendung von hinterlistigen Kunstgriffen verübt wurde, oder wenn ein unbescholtenes Mädchen behufs Zuführung in ein Bordell oder in ein ähnliches unmoraliches Geschäft in das Ausland beförderd wird. Der Versuch des Vergehens der Kuppelei ist strafbar.”
In ’t kort wil ik mijne opmerkingen over dit artikel laten hooren. Uitvoerige bespreking van de strafwetgeving van ieder land, voor zoover het dit punt aangaat, zou mij veel te ver voeren. Slechts eerbare vrouwen worden beschermd. Dit is te beperkt. Alinea 2 is blijkbaar bestemd de koppelarij het karakter te geven van den meisjeshandel; het zijn verzwarende omstandigheden voor het delikt van al. 1. Doch het omvat veel meer dan den blanke slavinnenhandel; ook hier zijn de essentiëele elementen van dit strafbare feit niet aangegeven.
Het artikel is evenwel te beperkt en omvat in zooverre niet iedere daad van meisjeshandel, als het hier slechts—zooals ik reeds opmerkte—de bescherming van eerbare vrouwen aangaat en voor de strafbaarheid het gewoonte-element gevorderd wordt.
In Hongarije heeft de meisjeshandel zulk een grooten omvang bereikt, dat het wel verbazing moet wekken, dat op zulk een onvolledige wijze in deze materie voorzien is.
De rapporteur van het 4de onderwerp “Die internationale Bekämpfung des Mädchenhandels”, op ’t congres te Budapest in 1899 behandeld, Dr. Ludwig Gruber, vermeldt eene ministeriëele circulaire, die de strekking heeft eenige voorschriften te geven met ’t oog op deze kwestie. Jonge vrouwen, die zich naar het Oosten willen begeven, onder welk voorwendsel het ook zij, kunnen slechts een pas bekomen, indien zij blijk geven na haar aankomst in haar onderhoud goed te kunnen voorzien. De plaatselijke overheid wordt gewezen op haar plicht alle moeite te doen tot opsporing der handelaars. Ouders moeten op ’t gevaar gewezen worden. Hij, die deze koppelaars aan de overheid aanwijst, geniet eene belooning. De koppelaars kunnen gestraft worden volgens de strafwet of volgens politieverordening. Vreemdelingen kunnen na ’t ondergaan van hun straf uit ’t land gezet worden. De wet betreffende “die Auswanderungs-Agenturen” van 1881 vordert eene vergunning om als emigratieagent op te treden.
Zoowel de overheid aan de grensplaatsen, als de ondernemers van stoomschepen voor het Oosten en de consuls aldaar worden steeds op hun plicht gewezen en voortdurende waakzaamheid wordt haar aanbevolen.
§ 7. Het Skandinavische Noorden.
Het strafwetboek van Denemarken dagteekent van 10 Febr. 1866. Zoowel deze omstandigheid, dat het wetboek reeds van zoo’n ouden datum is, als het feit, dat in de Noordelijke landen, zoowel Denemarken als Zweden en Noorwegen niet in die mate de blanke slavinnenhandel gedreven wordt, als in het overige Europa, is wel reden dat wij geen hooge verwachtingen omtrent de wettelijke maatregelen ter bestrijding van dit euvel behoeven te koesteren.
Van Swinderen geeft in zijn Esquisse du Droit Pénal Actuel dans les Pays-Bas et à l’étranger, als geldende strafbepaling tegen de koppelarij in het Deensche wetboek aan § 182, waarvan de inhoud is:
“Ceux, qui auront fait le métier de proxénète de même que ceux qui, moyennant paiement auront donné accès dans leurs demeures à des personnes de sexe différent pour s’y livrer à la débauche, ou qui malgré la défense de la police, auront logé chez eux des femmes vivant de la prostitution seront punis des travaux forcés dans une maison de correction, ou de l’emprisonnement de pain et à l’eau.”
Art. 182 treft dus het teweegbrengen van de ontucht van anderen als causa movens, doch slechts bij een gewoonlijk handelen, verder het bevorderen daarvan, uit winstbejag in zoover als de anderen reeds het plan gevormd hebben, doch slechts als eene woning of kamer daarvoor beschikbaar gesteld wordt. Ten slotte blijkt uit het artikel, dat zij, die kamers verhuren aan prostituées, daarvoor vergunning moeten bekomen van de politie. Het artikel treft dus den blanke slavinnenhandelaar niet.
Het strafwetboek van Zweden geldt sedert 1 Jan. 1865. Art. 11 van Hoofdstuk 18 “Des attentats aux moeurs” is van dezen inhoud (van Swinderen, Esquisse etc.; Rapport Tamm, Congres Londen 1899)
“Quiconque aura favorisé la débauche par maquerellage ou aura tenu une maison de prostitution, sera puni de 6 mois à quatre ans de travaux forcés. La femme qui se sera livrée à la débauche dans une telle maison sera condamnée à un emprisonnement....”
“Maquerellage” zal in de gewone taalkundige beteekenis moeten opgevat worden en niet uitgebreid mogen worden tot het geval, dat de dader slechts het bestaand voornemen van anderen begunstigt.
De bordeelen zijn verboden; inzooverre is de binnenlandsche handel juridisch onbestaanbaar, en kunnen juridisch geen vreemde meisjes in Zweden ingevoerd worden. Van 2 zijden wordt het bestaan van bordeelen onmogelijk gemaakt, daar behalve de bordeelhouder ook de zich aldaar prostitueerende vrouw getroffen wordt.6
Groote contrôle oefent sedert eene wet van 1884 de overheid uit op de bureaux de placement. Deze kunnen slechts door een Zweed gehouden worden.
Met ’t oog op het feit dat westelijk Finland als ’t ware overstroomd werd door prostituées, die daarheen gingen uit Stockholm, is den 16 April 1861 een tractaat tot stand gekomen tusschen Zweden en Rusland om hulpbehoevenden en zwervelingen te repatrieëeren.7
Het strafwetboek voor Noorwegen bestaat reeds sedert 20 Aug. 1842, alhoewel het na dien tijd verschillende veranderingen ondergaan heeft.
Hoofdstuk 18 draagt als titel “De l’impudicité” (v. Swinderen “Esquisse”). Het artikel, dat onze aandacht vraagt is art. 27. Het straft hem, die teweegbrengt dat een vrouw of meisje vleeschelijke gemeenschap heeft met een derde. Eveneens hem, die een bordeel houdt of zijn huis, geheel of gedeeltelijk voor ontuchtige doeleinden beschikbaar stelt. Art. 27 straft dus weer alleen koppelarij door directe bemiddeling. Juridisch is de binnenlandsche- en de import-handel onbestaanbaar, wegens het verbod van bordeelen. Bij Koninklijk Besluit van 14 Nov. 1885 werd eene commissie benoemd voor het ontwerpen van een nieuw strafwetboek voor Noorwegen. Artt. 191–214 uit ’t ontwerp bevatten de “Verbrechen wider die Sittlichkeit.” Ik zal enkele artikelen in de Duitsche vertaling citeeren, voorzoover ze bij mijn onderwerp te pas komen.
Art. 200. Wer jemanden zu unzüchtigem Verkehr mit einem andern verführt oder dazu mitwirkt, dass jemand zu unzüchtigem Verkehr mit einem andern verführt wird ist mit Gefängnis bis zu einem Jahre zu bestrafen. Die öffentliche Verfolging tritt nur auf Antrag des Verletzten ein.
Art. 201. Strafverzwaring indien de verleide beneden de 16 jaar oud is.
Art. 202. Wer eine Person dazu verleitet aus der Feilhaltung ihres Körpers zur Unzucht ein Gewerbe zu machen oder wer zu einer solchen Verleitung mitwirkt, wird mit Gefängnis bis zu vier Jahren und wenn die verleitete Person unter 18 Jahren ist oder zu solchem unzüchtigem Zwecke in das Ausland verbracht wird, mit Gefängnis von einem bis zu sechs Jahren bestraft.
Art. 204. In de voorgaande gevallen heeft strafverzwaring plaats wanneer gehandeld wordt uit winstbejag, uit gewoonte, met dwang, bedreiging of misleiding.
Art. 206. Wer aus Gewinnsucht den unzüchtigen Verkehr andrer befördert oder wer diesen Verkehr zu gewinnsüchtigem Zwecke ausnutzt, wird mit Gefängnis bis zu zwei Jahren bestraft ...... Strafverzwaring: Wenn die Person, deren Unzucht befördert wird unter 18 Jahren ist oder zu unzüchtigen Zwecken in das Ausland verbracht wird.
Wird das Verbrechen in Ausübung eines Berufes oder Gewerbes begangen, so kann dem Thäter das Recht aberkannt werden, den Beruf oder das Gewerbe fortzusetzen.
Laat ik beginnen de artt. 200 en 202 in oogenschouw te nemen. Ons frappeert allereerst het groote verschil in strafmate; deze is daaraan toe te schrijven, dat in art. 200 de verleiding geschiedt tot een enkele daad van ontucht, in art. 202 tot een ontuchtig leven. Art. 200 straft den meisjeshandelaar niet. Het vordert in ieder geval toestemming van de persoon tot de handeling, al is ze door misleiding of beloften verkregen. De meisjeshandel vordert, dat het meisje integendeel niet weet, dat er ontucht met haar gepleegd zal worden.
De uitdrukking “verleitet” in art. 202 verhindert mijns inziens eveneens, dat in het algemeen de meisjeshandel in dit artikel eene gerechte straf vindt. Hoe bovendien in art. 204 sprake kan zijn dat de voorgaande strafbare feiten gepleegd worden door dwang of bedreiging is mij niet duidelijk. ’t Ware wel mogelijk, indien in plaats van verführen en verleiten stond: “er toe gebracht werd” of althans een werkwoord, dat niet a priori het begrip dwang of bedreiging uitsluit.
Art. 206 straft den bordeelhouder. In zooverre is dus volgens het ius constituendum van Noorwegen juridisch de meisjeshandel, zoowel binnenlandsche- als importhandel, onmogelijk, althans in zijn heden ten dage meest voorkomende gedaante als levering van vrouwen en meisjes aan bordeelen.
Eene wet van 1896 heeft een toezicht op de zgn. “bureaux de placement” in het leven geroepen.
In het kort zijn de bepalingen van deze wet de volgende: Vergunning wordt vereischt; deze kan ingetrokken worden. Borgstelling is voorgeschreven, evenwel facultatief. Slechts burgers van Noorwegen kunnen de vergunning bekomen. De overheid kan tarieven vaststellen en andere nadere voorschriften en reglementen uitvaardigen. De bureaux of agenten zijn verantwoordelijk voor valsche inlichtingen. Bij bezorging van een dienst in den vreemde moet een schriftelijk contract in duplo worden opgemaakt. (Rapport van den Heer Faerden, Congres Londen 1899). Verder oefent volgens eene wet de overheid eene speciale contrôle uit op de emigratie naar landen buiten Europa gelegen. (Rapport Faerden).