WeRead Powered by ReaderPub
De 'handel in blanke slavinnen'. cover

De 'handel in blanke slavinnen'.

Chapter 29: § 15. Afrika.
Open in WeRead

About This Book

This dissertation systematically analyzes the trafficking of women and girls into prostitution, defining the phenomenon, distinguishing domestic and cross-border forms, and cataloguing deceptive methods used by traffickers. It surveys the scale and causes, assesses preventive and repressive measures, and discusses general legal principles. A major portion reviews national laws and international declarations, comparing legislation and case approaches across numerous countries and regions. The work concludes with recommendations for legal and administrative responses and a postscript reflecting on evidence gathering and reform challenges.

§ 8. Rusland.

Het positieve strafrecht van het Russische Rijk biedt weinig stof ter bespreking aan.

De artt. 998, 999 en 1000 van het strafwetboek van 1866 treffen iedere koppelarij, onafhankelijk van den leeftijd van de beschermde persoon, alhoewel voor personen beneden den leeftijd van 14 jaar speciale beschermingsvoorschriften bestaan. Er is evenwel éen restrictie: de genoemde artikelen treffen alleen het lenocinium, de directe koppelarij. (Zie rapport Sabouroff, Congres Londen 1899.)

Evenwel valt het feit op te merken, dat de Russische rechter de daad van den meisjeshandelaar toch tracht te straffen door haar in de bepaling van art. 1410 te wringen, welk artikel straf stelt op het verkoopen van Russische onderdanen in slavernij, (c. f. cass. arr. Senaat, dos. Nordkovitch 1874 no. 395.) (Zie Rapport Jelatchitch Pénit. Congres Parijs 1895)

Er bestaat evenwel een ontwerp voor een nieuw strafwetboek. De eerste hoofdstukken van het bijzondere deel, ontworpen door Prof. N. Tagánzeff te St. Petersburg, zagen omstreeks 1885 het licht. Aan de Duitsche vertaling van Dr. X. Gretener te Bern ontleen ik art. 70, dat over de koppelarij handelt. Het luidt aldus:

Art. 70. “Die Verkuppelung

1.) eines Mädchens von zwölf bis zu sechszehn Jahren ohne Missbrauch seiner Unschuld;

2.) eines Mädchens von 16 bis zu 18 Jahren mit Kenntniss seiner Jungfräulichkeit;

(3.) der Ehefrau Tochter oder einer in der Erziehung oder unter der Fürsorge des Schuldigen stehenden Frauensperson unter einundzwanzig Jahren;

4.) von Personen deren Beischlaf das in den art. 67 u. 68 vorgesehene Vergehen der Blutschande bildet, zum Beischlafe wird mit Gefängniss bestraft.”)

Binnen zeer enge perken is de koppelarij in dit ontwerp gehouden. Er is geen sprake van dat de meisjeshandel hieronder zou kunnen vallen want we hebben te doen met directe koppelarij. Zelfs als medeplichtige kan de placeur niet getroffen worden, als de vrouw, tusschen de 16 en 18 jaar oud zijnde, reeds haar maagdelijkheid verloren heeft. Indien de vrouw boven de 18 jaar oud is, dan is er geen sprake meer van strafbaarheid buiten de zeer buitengewone gevallen van art. 70 3o en 4o. Ik acht de oude bepalingen zonder twijfel beter.

Noch de tegenwoordige, noch de toekomstige Russische wetgeving,—indien het ontwerp althans niet aanmerkelijk gewijzigd wordt—voorziet dus in het geval, dat vrouwen en meisjes met een ontuchtig doel in een bordeel (het meest voorkomende geval) hetzij in ’t binnenland hetzij in het buitenland gelokt worden.

Administratieve maatregelen zijn evenwel reeds getroffen om het kwaad zooveel doenlijk te keeren. Ten bewijze hiervan b. v. de aanstelling van een opzettelijk daarvoor bestemd dienaar van politie te Odessa om een wakend oog te houden op de aan boord gaande vrouwelijke passagiers en hare begeleiders. De resultaten van dezen maatregel zijn volgens den heer Sabouroff (Rapporteur Londen 1899) zeer gunstig; menige arrestatie heeft er reeds plaats gehad en verschillende vrouwen zijn van een wissen ondergang gered.

Eveneens draagt de strenge reglementeering in Rusland er toe bij, dat de politie in de gelegenheid is zich op de hoogte te stellen of onder de ingeschreven vrouwen ook eenige aanwezig zijn die op de bedoelde wijze tot het leven van prostituée geraakt zijn.

§ 9. Finland.

Kapitel 20 van het strafwetboek voor het grootvorstendom Finland van 19 Dec. 1889 handelt over Beischlaf und andre Unzucht. Art. 10 van dit hoofdstuk luidt naar de Duitsche vertaling van Joh. Ochgvist te Helsingsfors in Z. f. d. Ges. Strfr. W. 11e deel (Beilagen):

Art. 10. Wer ein Haus unterhält um daselbst Unzucht zu treiben, oder wer eine Frau zur gewerbsmässigen Unzucht verleitet, wird wegen Kuppelei mit Zuchthaus bis zu drei Jahren und Verlust der bürgerlichen Ehrenrechte bestraft.

Der Versuch einer solchen Verleitung ist strafbar.

Eine Frau, die sich in einem solchen Hause oder sonst öffentlich zur gewerbsmässigen Unzucht brauchen lässt, wird mit Gefängnis bis zu zwei Jahren bestraft.

Blijkbaar heeft dit artikel ten doel het houden van bordeelen strafbaar te stellen.

Juridisch is hier de meisjeshandel onbestaanbaar, daar behalve het verbod van bordeelen ook het zijn van prostituée een strafbaar feit is.

C. q. zou mogelijk (dit hangt af van de feitelijke omstandigheden en van de speciale wettelijke bepalingen omtrent de leer der uitlokking en medeplichtigheid) een placeur gestraft kunnen worden wegens provocatie tot of hulpverleening aan ’t misdrijf van art. 10 derde lid.

§ 10. Italië.

Sedert 1 Januari 1890 vigeert in Italië het strafwetboek van 30 Juni 1889.

De artt. 345 en 346 die de koppelarij straffen zijn van dezen inhoud:

Art. 345. “Chiunque, per servire all’altrui libidine, induce alla prostituzione una persona di età minore, o ne eccita la corruzione, è punito con la reclusione da tre a trenta mesi, e con la multra da lire cento a tremila.

Strafverzwaring heeft plaats: Si il delitto sia commesso:

1º. Sopra persona che non abbia compiuto gli anni dodici.

2º. on inganno.

3º. da ascendenti da affini in linea retta ascendentale etc.

4º. abitualmente o a fine di lucro etc.

Art. 346. Chiunque, per servire all’altrui libidine favorisce o agevola la prostituzione o la corruzione di una persona minorenne, nei modi o nei casi indicati nel primo capoverso dell’articolo precedente, è punito etc; e nel caso preveduto nel secondo capoverso, la reclusione etc.

Art. 345 straft het teweegbrengen van de prostitutie of de ontucht van een minderjarige. Art. 346 het begunstigen en gemakkelijk maken daarvan. In beide gevallen met strafverzwaring, indien de feiten geschieden door bedrog (2º) of uit gewoonte of winstbejag. (4º) Mij komt ’t voor, dat deze artikelen ook slechts de directe koppelarij willen treffen en wel van minderjarigen hetzij als causa movens hetzij als begunstiger.

Ten opzichte van minderjarigen kan dus de placeur als medeplichtige van den hoofddader gestraft worden met de gewone beperking en wel dat er minstens strafbare poging aanwezig zij. M. i. vordert het artikel, dat voor de voltooiing hetzij de prostitutie hetzij het bederf der minderjarigen moet plaats gehad hebben.

§ 11. Spanje en Portugal.

Het Spaansche strafwetboek, nog van 1848 dateerende, alhoewel sedert Januari 1871 gewijzigd, bevat als strafbepaling tegen koppelaars art. 367, dat volgens van Swinderen in zijn Esquisse van den volgenden inhoud is: “Celui qui, habituellement ou par abus d’autorité ou de confiance, excitera ou facilitera la prostitution par la corruption de mineurs pour satisfaire les désirs d’autrui sera puni de la peine de la prison correctionnelle.

Het lijkt mij vrij wel overbodig tot de bespreking van dit art. 367 over te gaan. Ik zoude slechts in herhalingen vervallen, van hetgeen ik reeds vroeger bij andere strafwetten opmerkte. De blanke slavinnenhandelaar kan niet als dader op grond van dit artikel gestraft worden.

Art. 406 van het Portugeesche strafwetboek (10 Dec. 1852, omgewerkt 14 Juni 1884 en 16 Sept. 1886.) straft het uit gewoonte teweegbrengen of bevorderen van den onzedelijken levenswandel of van de verleiding van minderjarigen beneden de 21 jaren.

Hetgeen ik zooeven in verband met art. 367 van het Spaansche strafwetboek zeide, zij ook hier gezegd.

§ 12. Turkije en Bulgarije.

Art. 201 van het Turksche strafwetboek van 25 Juli 1858 bevat eene strafbepaling tegen de koppelarij; hoe deze luidt is mij niet bekend. We behoeven er evenwel niet te veel verwachtingen van te koesteren—althans ten opzichte van den handel in blanke slavinnen—als wij in het oog houden—zooals in het feitelijk gedeelte van dit proefschrift werd aangetoond—hoe de Turksche overheid de placeurs en consorten duldt en hun praktijken tolereert.

In Bulgarije gold tot 1895 Turksch recht. Sedert 4 Maart 1896 werkt er evenwel een nationaal wetboek. Art. 228 van dit wetboek bestraft de koppelarij. Het luidt aldus:

Art. 228. Quiconque se rend coupable de proxénétisme en vue d’impudicité et de coït:

1. envers une personne au-dessous de 16 ans;

2. envers une fille honnête de 16 à 20 ans, dont le proxénète connaît l’honnêteté.

Verder komen er nog 3 nummers voor om aan te geven de koppelarij gepleegd tegenover personen, tot wie de dader in zekere betrekking staat.

De strafbaarstelling van het proxénétisme in art. 228 is binnen zeer enge perken gehouden. De uiterlijke grens is 20 jaar, doch bij koppelarij van meisjes tusschen 16 en 20 jaar is men slechts strafbaar, indien men haar maagdelijken staat kende.

Art. 228 van het Bulgaarsche strafwetboek treft den meisjeshandelaar als dader niet.

§ 13. Amerika.

Van de Amerikaansche strafwetgevingen is het mijn plan slechts die aan te stippen, welke m. i. de aandacht vorderen in verband met het feit, dat onder het werkingsgebied van die wetgevingen de handel in blanke slavinnen op uitgebreide schaal gedreven wordt.

Ik heb ’t oog op de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, en van Mexico en uit Zuid-Amerika op Brazilië (Rio de Janeiro), Uruguay (Monte Video) en Argentinië (Buenos Ayres).

Mr. van Swinderen vermeldt in zijn Esquisse bij de bespreking van de misdrijven tegen de goede zeden, dat de wetgevingen der verschillende Vereenigde Staten van Noord-Amerika wat de koppelarij, speciaal het houden van huizen van ontucht, betreft in zulke bijzonderheden afdalen en vooral de wetgeving van New-York, dat het voor iemand een groot waagstuk is zich aan een dergelijk feit schuldig te maken zonder onder ’t bereik der strafwet te vallen. Daarom wil ik hier citeeren de strafbepalingen uit het op den 1sten Dec. 1882 in werking getreden strafwetboek voor New-York (voltooid 26 Juli 1881), en wel de Duitsche vertaling zooals die te vinden is in de bijlage van het 4de deel van het Zeitschrift für die gesamte Strafrechtswissenschaft.

Art. 282. Wer

. ....

2º. eine bisher unbescholtene unverheiratete Frauensperson unter fünfundzwanzig Jahren in ein Haus von schlechtem Rufe oder in ein Hurenhaus oder an einen andern Ort zum Zwecke der Prostitution oder des fleischlichen Verkehrs verlockt oder verführt;

3º. ...

ist der Entführung schuldig und mit Einsperrung bis zu fünf Jahren oder mit Geldstrafe bis zu 1000 Dollars allein oder in Verbindung mit einander zu bestrafen.


Art. 322. Wer ein übelberüchtigtes Haus oder ein Bordell irgend welcher Art oder ein Haus oder einen Ort für Personen hält, welche zum Zweck unerlaubten fleischlichen Verkehrs oder zu irgend einem andern liederlichen, unzüchtigen oder unabständigen Zweck besucht werden, oder wer ein unordentliches Haus oder einen allgemeinen besuchten Ort hält, wodurch der Friede, die Behaglichkeit oder der Anstand der Nachbarschaft regelmässig gestört wird, oder wer als Agent oder Eigentümer ein Gebäude oder ein Teil eines Gebäudes, wissend dass dasselbe zu einem der in diesem Paragraphen bezeichneten Zwecke gebraucht werden soll, vermietet, oder einen solchen Gebrauch eines Gebäudes oder eines Teils eines Gebäudes zulässt, ist eines Vergehens schuldig.

(Art. 385. Gemeinschaden ist ein Verbrechen gegen die Ordnung und Wirtschaft des Staates und besteht in einer ungesetzlichen Handlung oder Unterlassung, welche 2º. den öffentlichen Anstand verletzt.)

Art. 322 maakt het bestaan van bordeelen juridisch onmogelijk. Juridisch is dan ook onmogelijk de binnenlandsche- en de importhandel.

Art. 382 2° stelt het strafbare feit der “Verführungdaar; ik zou het met de koppelarij willen gelijkstellen.

Het artikel geeft evenwel aanleiding tot de meening, dat het teweegbrengen (of bevorderen) van de ontucht zonder dat het opzet bestaat, dat dit geschiedt op een bepaalde plaats, buiten het bereik der strafwet valt. Anders waren toch de woorden “in ein Haus von schlechtem Rufe oder in ein Hurenhaus oder an einem andern Ort” geheel overbodig. Valt nu de meisjeshandelaar onder het bereik van dit artikel? In mijn oog is dit wel mogelijk, voorzoover de vrouw eerbaar, ongehuwd en beneden de 25 jaar oud is. De interpretatie van het woord “verlockt” belet deze meening mijns inziens niet; doch tevens vallen de gevallen er onder, dat de vrouw wel degelijk weet, dat zij in een huis van ontucht belandt. De buitenlandsche handel wordt natuurlijk op gelijke wijze getroffen; processueele moeilijkheden zullen hier natuurlijk dikwijls vrijspraak ten gevolge hebben.

Het Mexicaansche wetboek van 7 Dec. 1871 (Z. f. d. g. Srtr. W. 14e deel) geldend voor het Bondsdistrict en het Territoir Neder-Californië wat de gemeene delikten betreft en voor de geheele Republiek wat de vergrijpen tegen den Bond aangaat, bevat de volgende strafbepalingen, in verband met mijn onderwerp te vermelden:

Art. 803. Das vergehen der Verführung Minderjähriger wird nur bestraft wenn es vollendet worden ist.

Art. 804. Wer gewohnheitsmässig die Verführung Minderjähriger unter 18 Jahren bewirkt oder unterstützt, oder die letzteren dazu anregt, um die schändlichen Eigenschaften eines andern zu befriedigen, wird u. s. w.

Strafverzwaring, indien de minderjarige beneden de 11 jaar is.

Als gewohnheitsmässig gilt dies Vergehen, wenn der Angeklagte es drei oder mehrere Male ausgeübt hat, auch wenn es sich jedesmal um ein und denselben Minderjährigen gehandelt hat.

Art. 805 stelt afzonderlijke straffen, indien het delict uit winstbejag begaan wordt, terwijl ’t dan geen delictum collectivum behoeft te wezen; Art. 806, strafverzwaring in de gevallen van artt. 804 en 805 bij ’t bestaan van zekere betrekkingen.

Het komt mij overbodig voor deze artikelen te bespreken, daar ze zóo veel overeenkomst toonen met de koppelarij-artikelen van vele andere strafwetten, dat het duidelijk is dat de blanke slavinnenhandelaar evenmin door gene getroffen wordt als hij onder het bereik van deze laatst bedoelden zoude vallen, zooals de bespreking van deze te rechter plaatse ons aantoonde.

Het Braziliaansche Wetboek van 11 Oct. 1890 straft de koppelarij in art. 278, dat in de Fransche vertaling van dezen inhoud is:

“Induire des femmes en abusant de leur faiblesse ou de leur misère, ou en les contraignant par des intimidations ou des menaces à s’employer dans le trafic de la prostitution; leur prêter pour compte propre ou d’autrui, sous sa propre responsabilité ou sous celle d’un tiers, assistance habitation et secours dans le but d’obtenir, directement ou indirectement, un profit de cette spéculation.

(Peine—prison cellulaire d’un à deux ans et une amende de 500 $ 000 à 1000 $ 000).”

Dit art. 278 betreft niet den meisjeshandel, want volgens den duidelijken tekst is de vrouw op de hoogte van het feit dat zij zich aan de prostitutie overlevert, alhoewel zij zich slechts ten gevolge van de praktijken die het artikel aangeeft aan de ontucht overlevert. In de Strafgesetzgebung der Gegenwart, etc. (II) vind ik als inhoud van de artt. 277 en 376 het volgende aangegeven: “Kuppelei (lenocinio, art. 277, 278) is die Herbeiführung, Begünstigung oder Erleichterung der Prostituierung einer Person, um die unsittlichen Absichten oder unkeuschen Gelüste eines Anderen zu befriedigen; gewohnheitsmässige oder gewerbsmässige Begehung ist zur Strafbarkeit nicht erforderlich.

De Nederlandsche Consul-Generaal van Brazilië, die mij ook den bovengenoemden tekst van art. 278 verschafte, zegt in zijn schrijven, dat de politie een vreemdeling, zoodra zij weet, dat hij placeur is, maar daarvoor de wettige bewijzen niet te bekomen zijn, aan boord van eene naar het buitenland vertrekkende boot brengt en aldus dwingt het land te verlaten.

Op welke wijze de koppelarij in het wetboek van Uruguay van 1889 precies strafbaar gesteld is, is mij onbekend. In de Strafgesetzgebung der Gegenwart II vind ik onder de “Delikte gegen die guten Sitten” o. a. vermeld “die Verführung Minderjähriger.” Ook dit wetboek voldoet dus blijkbaar niet aan het verlangen, dat het ook den meisjeshandel kunne treffen.

Tot mijn leedwezen moet ik hetzelfde opmerken aangaande de voorziening van bepalingen tegen deze handelingen in het wetboek van Argentinië uit ’t jaar 1886. In de Strafgesetzgebung der Gegenwart wordt slechts aangegeven dat het bijzondere deel van deze strafwet ook strafbare feiten “gegen die Geschlechtsehre” bevat. Algemeener kan het werkelijk niet aangeduid worden. Ik moet mij natuurlijk onthouden uit deze algemeene aanduiding conclusies te trekken.

§ 14. Azië.

Wat de strafrechterlijke bepalingen in Azië geldende betreft wensch ik mij op hetzelfde standpunt te stellen als bij Amerika en mij te occupeeren met die landen, waar zooals de feiten aantoonen de meisjeshandel een zekeren omvang bereikt heeft. Het zijn Nederlandsch Oost-Indië, Japan, Hongkong en de Straits Settlements en Britsch Oost-Indië.

Art. 250 van het Ned. Ind. Wetb. voor Europeanen gearresteerd bij Koninklijk Besluit van 10 Febr. 1866 No. 54 (Staatsblad 55) luidt: “Ieder, die zich tegen de zeden vergrijpt door er zijn werk van te maken de ontucht of de onzedelijkheid van jonge lieden van de een of andere kunne beneden de 21 jaren op te wekken, te begunstigen of gemakkelijk te maken, wordt gestraft etc.”

Art. 252 van het Wetboek van Strafrecht voor Inlanders (en Inlandsche Christenen—Ord. van 6 Mei 1872, ingevoerd 1 Mei 1873) is gelijkluidend met het juist geciteerde artikel 250 met uitzondering dat voor Europeesche minderjarigen de leeftijd van 21 jaar, voor Inlandsche die van 18 jaar gevorderd wordt. Buitendien bestaat er verschil in strafmate.

Het behoeft voorzeker niet nader aangetoond te worden, dat bovengenoemde artikelen niet aan onze wenschen kunnen voldoen.


Het Japansche strafwetboek bestaat sedert Juli 1880; in werking getreden 1 Jan. 1881.

Art. 233 van dit wetboek luidt:

“Wer gewerbsmässig unbescholtene Frauenspersonen zum geschlechtlichen Verkehre veranlasst, wird mit Zuchthaus bis zu einem Jahre oder mit Geldstrafe Bakkin bis zu einhundert Yen bestraft.”

(Duitsche vertaling uit das Z. f. d. Ges. Strafr. W. 1899.) Het is werkelijk niet veel, dat het Japansche wetboek ons biedt. Dit artikel is dan ook volkomen ontoereikend om een placeur te kunnen treffen, al ware het alleen omdat de vrouw ten opzichte van hetgeen er met haar gaat geschieden niet onwetend is.


In Hongkong geldt “The Women and Girls Protection Ordinance 11” sedert 1890, die krachtige maatregelen treft tegen den handel met Chineesche vrouwen en meisjes met ’t oogmerk ze aan de prostitutie over te leveren. (Die Strafges.geb. der Gegenwart II).

Het is mij niet mogen gelukken een exemplaar van deze verordening machtig te worden: in Engeland was ze niet verkrijgbaar, in Hongkong zelf was ze uitverkocht.

Eene wet van 1891 (Ord. 7) verbiedt het houden van bordeelen, indien zij tot last strekken der omwonenden.


Van de Straits Settlements heb ik vooral het oog gevestigd op Singapore. Hier geldt volgens die Strafg. geb. der Gegenwart II een strafwet (Ord. IV van 1870) die op een enkele uitzondering na volkomen gelijkluidend is met het strafwetboek van Britsch Oost-Indië.

De strafwet, die in deze koloniën geldt, dateert van 1860. Hier stelt de leeftijdgrens van 16 jaar een scheidspaal vast. Beneden de 16 jaar kan slechts sprake zijn van “kidnapping” om zoo te zeggen “schaking”. Boven de 16 jaar kan er slechts van verleiding sprake zijn (abduction); dwang of bedriegelijke middelen moeten aangewend zijn.

Art. 372 en 373 straffen volgens de Strafges.geb. der Gegenw. II de koop en verkoop van minderjarige meisjes met ’t oogmerk ze aan de ontucht over te leveren. Hoe de tekst dezer artikelen luidt is mij onbekend.

Ik wil nog vermelden, dat in Britsch Oost-Indië sedert 1883 (Wet No. XXI) een wet vigeert, die de emigratie regelt.

§ 15. Afrika.

In Afrika vragen de Zuid-Afrikaansche Republiek en de Kaapkolonie een oogenblik onze aandacht.

In de Transvaal werkte sedert 1897 eene wet “tot het tegengaan van ontucht in de Zuid-Afrikaansche Republiek”. Deze wet is vervangen door eene wet van betrekkelijk zeer recenten datum, te vinden in de Staatscourant der Zuid-Afrikaansche Republiek van den 11 Oct. 1899. Deze wet van 11 Sept. 1899 zijnde “de Wet op Ontucht” bevat de volgende in verband met dit onderwerp te vermelden artikelen:

Art. 2, 4, 5, 9.

Art. 2 al. 1 verbiedt het houden van bordeelen. Een zevental nummers van art. 2 al. 2 werkt het begrip bordeelhouder zeer uit en stelt met dezen de meest verschillende personen gelijk b.v. ook den souteneur. Ik veronderstel, dat de minder juiste redactie op ’t oog had de in die nummers genoemde personen onder dezelfde strafbepaling als den bordeelhouder te willen laten vallen, zonder hem nu juist met dezen gelijk te stellen.

Art. 4 straft de vrouw die zich prostitueert. Art. 5 treft dezelfde feiten, die de Engelsche Crim. Law Amendment act van 1885 in art. 8 straft. Art. 9 bevat eene strafbepaling tegen de gewone koppelarij uit winstbejag ten opzichte van minderjarigen. In art. 2 al. 2 sub. c wordt als de houder van een bordeel beschouwd:

Art 2.c “Eenig persoon, die eene vrouw of vrouwen van elders invoert of van de eene plaats naar de andere in deze Republiek vervoert of laat vervoeren voor onzedelijke doeleinden.”

Onder deze strafbepaling valt de placeur; doch het artikel is veel ruimer gesteld, zoodat het ook treft feiten, die in veel mindere mate ingrijpen in de samenleving en in de rechtssfeer van den individu. Voor de bepaling der straf wordt evenwel geen onderscheid gemaakt. Zij is evenwel ruim genoeg gesteld om den placeur naar behooren te straffen: gevangenisstraf met of zonder harden arbeid van ten hoogste 5 jaren met of zonder verbanning uit de Republiek. Welk een verschil toch tusschen de daad van hem, die een eerbare vrouw met ’t oogmerk haar aan de prostitutie over te leveren in een bordeel lokt, haar evenwel dat oogmerk bedriegelijk verzwijgende, en de daad van hem, door wiens tusschenkomst eene beroepsprostituée uit ’t eene bordeel naar het andere overgebracht wordt!

Voor de voltooiing behoeft de ontucht niet gepleegd te zijn. De exporthandel wordt niet in ’t bijzonder zwaarder getroffen; ze zal er ook niet dikwijls voorkomen; dit zal wel de reden zijn van de niet bijzondere vermelding in het artikel.

Wat de Kaapkolonie aangaat, zoo vermeldt de Strafges.geb. der Gegenwart II, dat de grondslag van het aldaar geldende strafrecht is het Hollandsch-Roomsche Recht. We hoeven hier dus geen strafrechtelijke bepalingen te zoeken tegen moderne maatschappelijke euvels. Trouwens vind ik in Hugo de Groot “Inleydinge tot de Hollandsche Regtsgeleerdheid” door van Groenewegen bewerkt in het 35ste deel van het 3e boek, dat het opschrift “Van Hoon” draagt (§ 1 Misdaed jegens de Vrijheyt werd genoemt Hoon) zeer weinig variatie in de misdrijven tegen de zeden. Koppelarij is hier in ’t geheel niet te vinden.

§ 16. Australië.

Bij ’t nagaan, wat de strafwetten van Australië ons bieden in zake koppelarij en meisjeshandel, ben ik aan zeer beperkte bronnen gebonden. Die “Strafgesetzgebung der Gegenwart II” biedt toch niet veel, en wat ze ons geeft, is zeer beknopt.

Het strafwetboek van Victoria geldt sedert 1 Aug. 1890 (The crimes act 1890). Het bijzondere deel straft in §§ 42–52: Notzucht, Kuppelei, Entführung und Verführung. (Gegenwart II). Ik zou mij overigens wel kunnen onthouden om na te gaan in hoeverre N. Z. Wales, Queensland, Nieuw-Zeeland, Tasmania in dit onderwerp voorzien; behalve Melbourne treedt geen andere plaats ter zake van den handel in blanke slavinnen op den voorgrond. Evenwel wil ik niet nalaten te vermelden dat volgens Gegenwart II de strafwet van Nieuw-Zeeland uit ’t jaar 1893 in Titel IV Deel XIV het houden van huizen van ontucht verbiedt.


1 De wet is streng. Juist daarom is merkwaardig te vernemen wat Yves Guyot in zijn rapport op ’t Penitentiair Congres te Parijs in 1895 gehouden over de werking van die wet vermeldt.

Le Criminal law amendment act est en vigueur depuis 1885. Il a donné lieu à des dénonciations et à des chantages; il n’a supprimé ni les proxénètés ni les brothels, ni les rapports sexuels dans des maisons installées dans ce but, parce qu’il y a des hommes et des femmes, qui cherchent à avoir des relations entre eux, en dépit des dispositions législatives; et ils les éludent.

2 Ik moet er nog op wijzen, dat de artt. 379 en 380 vorderen, dat het plegen van ontucht voor het voltooide misdrijf moet plaats gehad hebben.

3 Proposition de loi “sur la prostitution et les outrages aux bonnes moeurs.”

4 Les femmes, qui exploitent des lieux de prostitution doivent faire enregistrer dans les vingt-quatre heures, au bureau administratif du dispensaire de salubrité, les filles qui se présentent chez-elles pour y demeurer et s’y prostituer. Les infractions à cette règle peuvent entrainer la suspension ou le retrait définitif de la tolérance. (Rapport van den Heer Lecour, op ’t Pénitentiair Congres te Parijs 1895).

5 De wet van 21 Jan. 1897 (R. Ges. Bl. 27.) geeft voor Oostenrijk voorschriften met betrekking tot de emigratiekantoren.

6 De exporthandelaar kan mogelijk nog getroffen worden door de bepaling, waardoor hij die eene minderjarige of getrouwde vrouw met een ontuchtig doel aanzet het land te verlaten, gestraft wordt. (Hoofdstuk 15, art. 8 of 18).

7 Tevens moet vermeld worden een Koninklijk Besluit van 28 Mei 1886; volgens dit besluit kan iedere vreemdeling zonder middelen van bestaan, en geen moeite doende om op eenige wijze werkzaam te zijn ter voorziening in zijn onderhoud, maar gevaar opleverende voor de algemeene zedelijkheid etc. naar het land, vanwaar hij afkomstig is, teruggezonden worden.