WeRead Powered by ReaderPub
De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus cover

De Heilige Oorlog, gevoerd door Koning Elschaddai tegen Diábolus

Chapter 9: INLEIDING.
Open in WeRead

About This Book

The narrative presents a sustained Christian allegory in which a defenseless town is seized by a malignant usurper and a heavenly sovereign mounts efforts to reclaim and restore it. Personified vices, virtues, and moral agents enact sieges, betrayals, repentance, and rescue across episodic battles and domestic scenes. Interwoven with dramatic episodes are devotional digressions and exhortations that examine free will, conversion, forgiveness, and divine authority. The tone alternates between vivid incident and pastoral instruction, aiming to instruct readers about spiritual struggle, redemption, and the moral responsibilities of individuals and communities.

DE OUDE GEVANGENIS TE BEDFORD.

Weder werden pogingen aangewend bij den volgenden rechtsdag en ook bij het Hof der Gezworenen, om hem in vrijheid te krijgen. Onveranderlijk werd de vraag gesteld: „Wil hij het prediken opgeven?” Wilde hij dit, dan was er geen hindernis. Maar dat wilde hij niet laten, daarom bleef die hindernis bestaan. Zes jaren lang bleef hij in ditzelfde hol toeven, en verduurde daar al de vuiligheid en ongezondheid, welke eene eeuw later Howard, den vriend der gevangenen, aanleiding gaf op welsprekende wijze hun lot als onuitstaanbaar te schetsen.

Er kwamen tijden, waarin hij geheel ter neergeslagen was. De scheiding van zijne vrouw en hulpbehoevende kinderen neep hem menigmaal als het ware het vleesch van de beenderen, en dat niet alleen omdat hij zoo innig aan hen was gehecht; maar ook omdat zij maar al te zeer, ook uitwendig, in zijn lijden deelden, en hij hen door vrij te wezen had kunnen onderhouden. „Arm kind!” zeide hij tot zijn blinde dochter, „welk een smart hebt gij toch in deze wereld voor uw deel gekregen! Gij moet honger lijden. Koude en naaktheid en duizend andere jammeren komen daarbij, ofschoon ik voor mij niet verdragen kon, dat de wind op u blies.” Maar weer tot zichzelven komende, kreeg hij nieuwe kracht en gaf al zijn hulpelooze kleinen in Gods hand. Hij liet zijn huis op vrouw en kinderen nederstorten, maar het moest zoo zijn en kon niet anders.

Hij begreep zeer goed, dat hij eindelijk van zijn land en volk zou verbannen worden en in den vreemde sterven, of dat zijne gevangenis in de galeien eindigen zou; maar toch kon hij zijn recht niet opgeven om het Woord Gods te prediken. Verlossing uit zijn lijden zou hem zeer aangenaam geweest zijn, want hij zuchtte er vaak onder, bezwaard zijnde; maar hij mocht die niet betalen met ontrouw aan Christus.

Twaalf jaren lang duurde zijne gevangenis; sommigen zijner cipiers waren hem vriendelijk en toegenegen, anderen daarentegen onvriendelijk en lastig. Aan de vriendelijkheid van sommigen moet het toegeschreven worden, dat hij nu en dan de gevangenis mocht verlaten. Niet slechts werd het hem in zijn kerker meer dragelijk gemaakt, maar zelfs werd hem soms verlof gegeven zijne broeders te gaan bezoeken, nadat hij beloofd had op zijn woord van eer terug te keeren. Deze zaak werd verklapt en op zekeren avond werd een bode door de overheden gezonden om den cipier wakker te roepen en hem te vragen Bunyan eens te laten voor den dag komen. Nu gebeurde dit juist op een dag dat Bunyan uit geweest was, maar hij stond onmiddellijk gereed en ontmoette den bode. Zoo was toch alles in orde. Slechts een uur tevoren was hij teruggekeerd, en dat wel zeer haastig, want hij had aan zijn hart gevoeld, dat zijne vijanden hem op het spoor waren. Welke vriendelijkheden hunne ondergeschikten hem ook mochten bewijzen, de overheidspersonen en regeerders wisten van geen de minste barmhartigheid.

Ten langen leste daagde er toch verlossing op. In Maart van het jaar 1672 vaardigde de koning een besluit uit, waarbij alle dissenters (afgescheidenen), uitgezonderd de Papisten, vergunning kregen openbare godsdienstoefening te houden, aan zulke plaatsen en onder zulke leeraars als van tijd tot tijd zouden worden erkend. De bedoeling van dit besluit was de invrijheidstelling der afgescheidenen, die op verschillende plaatsen in de gevangenis zaten. Daarom werden nu ook pogingen gedaan om hunne loslating te bewerken, in het bijzonder door vele Kwakers, wier broeders het grootste getal der lijders om des gewetens wille uitmaakten. Door de onvermoeide en kostbare nasporingen van George Offor zijn feiten ontdekt, die vele onder het volk verspreide en algemeen geloofde misvattingen over de wijze, waarop deze lijders in vrijheid kwamen, aan het licht hebben gebracht, en tevens is de ware toedracht der zaak geopenbaard. Al die gebeurtenissen zijn door Offor in eene meesterlijk geschreven levensschets van Bunyan opgenomen. Wat hier nu volgt geeft er eene korte opsomming van.

„Gij hebt mij wel meer gezien,” zeide een afgezant der Kwakers tot koning Karel. — „Waar dan?” — „Aan boord van het schip, dat u veilig naar Frankrijk overbracht na het gevecht van Worcester.” — „Ja, dat herinner ik mij.” — „En herinnert gij u dan niet, dat een kaper ons nazat, en dat sommigen onzer u naar den oever roeiden, en dat éen onzer u op de schouders nam, door het bruisende water waadde, en u hoog en droog naar een naburig dorp droeg?” — „Ja wel”. — „De man, die u toen op de schouders droeg, was ik, en nu kom ik u vragen, dat gij toch vriendelijk handelen wilt met mijne broeders in hunne droefenis, zooals wij toen vriendelijk geweest zijn jegens u.”

De koning herinnerde zich die gebeurtenis volkomen. Deze man, Richard Carver, was bij een groot gevaar een vriend in nood geweest. Hij verdiende wel eene belooning, dat was waar; maar dissenters waren zoo dweepachtig, dat als men hen uit de gevangenis liet, zij dadelijk alles weer zouden doen als tevoren, en dus spoedig naar den kerker teruggezonden worden. De oude zeeman zette echter zijn pleidooi voort en beduidde den koning, dat de wetten, die hen weder naar de gevangenis terug zouden zenden, slechte wetten waren, die herroepen dienden te worden. De goedhartige koning Karel vergunde den Kwaker zijn verzoek nogmaals te mogen herhalen. Geen tijd werd verspild, en andere Kwakers voegden hun smeekschrift bij dat van Carver, terwijl deze zijn rekest uitstrekte tot alle afgescheidenen van welken naam ook.

Eenig uitstel had plaats, maar op den 13en September van het jaar 1672 werd een bevelschrift geteekend, waarbij John Bunyan vrij verklaard werd. Hij bevond, dat zijne zaak geheel verloopen was, en dat hij weer van voren af aan beginnen moest alsof hij pas op de wereld kwam. Vóor zijne bevrijding was hem een verlofschrift van den koning gezonden, ’t welk behelsde, dat hij prediken mocht, en daar de predikant Gifford dood was, zoo werd door diens gemeente besloten, dat hij hun herder en leeraar worden zou, ingeval hij in hunne begeerte bewilligde.

Volgens de aanwijzingen der apostelen was hij de gevangene des Heeren geweest. Hij had met vreugde de berooving zijner goederen aangezien, zijn leven niet dierbaar achtende voor hemzelven, opdat hij het Hoofd der gemeente mocht navolgen. Het verbod dat hij niet prediken mocht, was eene onteering geweest, eene schande Christus aangedaan. Het verbod om vrij uit het hart te mogen bidden was eene onteering van den Heiligen Geest. Hij had geen ander doel gehad dan pal te staan voor de eere Gods. Zijne gehoorzaamheid aan de hemelsche overheid noodzaakte hem tot ongehoorzaamheid aan de aardsche overheid. Hij kon de clericale wet niet houden omdat die met de goddelijke wet streed. Hij ging naar de gevangenis en daar zou hij tot aan zijn dood gebleven zijn; niet aangevuurd door eene dwaze dweepzucht of wanhopige partijzucht, maar uit diepen eerbied voor God en zijn Woord. Als ziende Hem, die onzichtbaar is, gaf hij het groote voorrecht niet op zijn hart ongedwongen te mogen uitstorten voor den Heere, of durfde hij de bediening, die hij van den Heere Jezus ontvangen had, vaarwel zeggen, wel wetende, dat het Evangelie zich openbaart als eene genadekracht Gods.


IV.
ZIJNE BEDIENING ALS HERDER EN LEERAAR.

Bunyan geloofde, dat hij zijn ambt van God gekregen had. Deze overtuiging lag als een last op zijne schouders. Als een vuur in zijne beenderen was het verlangen in hem om de blijde tijding aan anderen te brengen. Sedert lang was hij de dienaar zijner medegevangenen geweest; ook in de gevangenis had hij van Jezus getuigd. Maar nu mocht hij weer openbaar getuigen, en wat was zijne prediking stichtelijk! Wat ging er eene kracht uit van zijne getuigenis der waarheid! Hij verhaalt van zekere gelegenheid, toen hij in de kamer der gevangenis zich buiten staat gevoelde meer dan vijf woorden te spreken. De vergadering wachtte en de tekst was over het heilige Jeruzalem, afdalende uit den hemel van God. ’t Was of eene schittering van de paarlen poorten zijne oogen verblindde, en hij zelf vermoedde, dat hij meer zou te zien krijgen. Hij stortte zijn hart uit voor God, en kreeg zulk eene toestrooming van geestelijke gedachten, dat al de aanwezigen verzadigd en verblijd werden. Toen hij allen hun bescheiden deel gegeven had hield hij nog een korf vol over.

Zulke oefeningen waren niet weinig geschikt geweest om hem voor te bereiden voor het werk der bediening als herder en leeraar der gemeente van Christus. Door het voortdurend ernstig Bijbelonderzoek en het gebruik, dat hij van zijne gaven gemaakt had, was hij een welsprekend man geworden, machtig in de Schriften. Bij zijne loslating vond hij een groote vergaderzaal, die keurig netjes was ingericht en waar het volk bij menigten samenstroomde. Ernstig en diep bestudeerde hij zijn onderwerp, dan predikte hij, en daarna, volgens zijne opvatting in dezen, schreef hij uit wat hij gezegd had tot later gebruik. Zijne hulpbronnen waren slechts weinige; vooral in het eerst had hij geene andere dan het Woord Gods en het gebed. Hij vond zijne hulp en zijne inspiratie bij een hoogere bron, zooals hij zelf voortdurend verklaarde. Water uit zijne eigen regenbak te putten was zijn genot, een ander te mogen verblijden met wat God hem had geschonken door de kracht van Woord en Geest verheugde hem. De groote bijbelkennis van Bunyan kwam uit in elke preek, die hij deed. Het gebruik, dat hij van de Schrift maakte, was niet slechts voortdurend, maar ook recht gepast en krachtig; hij toonde steeds aan zonder het zelf te vermoeden, dat het ware geloof en de zuivere prediking nooit anders dan schriftuurlijk zijn. Daarbij drukte hij zich zeer klaar en eenvoudig uit. Hij zeide dat woorden, die goed verstaan worden, tot het gemoed doordringen, terwijl hooge en geleerde uitdrukkingen slechts de lucht slaan. In geen enkel opzicht gaf zijne bazuin een onzeker geluid. Zijn prediking was dadelijk te verstaan. Het geringe volk hoorde hem gaarne, terwijl de meer ontwikkelden zich nooit over zijne woorden beklaagden. Hij was begrijpelijk zonder plat te zijn, en krachtig zonder brutaal te wezen.

In het uitspreken zijner redevoeringen had hij het voorrecht een scherpe en vlugge blik, een mooie stem en een aangenaam talent te bezitten. Zoowel door de natuur als de genade was hij geschikt gemaakt om een goed prediker van Jezus Christus te wezen. Geen wonder dus, dat zijne kerk altijd opgepropt was van toehoorders en dat menigeen daar getroffen werd, terwijl vele belangstellenden moesten buiten staan. Daar ging kracht uit van dezen prediker, dat werd in den ganschen omtrek openbaar, terwijl allerlei lieden zijn onderricht begeerden.

Op bepaalde tijden bezocht hij de omliggende dorpen, en bijgemeenten werden gevormd, die tot op heden bestaan. Nu en dan bracht hij ook een bezoek aan de hoofdstad, waar hij bijna even populair was als tehuis. Eene enkele aankondiging was voldoende om hem een groot gehoor te verzekeren. Een ooggetuige zegt: „Ik heb eens eene prediking van hem bijgewoond, waar, naar ik gis, twaalf honderd menschen samen kwamen, en dat nog wel des morgens om zeven uur op een werkdag, in den donkeren wintertijd. Ook woonde ik eene prediking bij op den dag des Heeren in eene vergaderzaal te Londen, waar meer dan drie duizend waren opgekomen, zoodat de helft zich genoodzaakt zag uit gebrek aan plaats weer heen te gaan, en Bunyan zelf kon slechts met moeite door een achterdeur als over de schouders der hoorders heen zijn predikstoel bereiken”. Het was een zeer aandoenlijk schouwspel wanneer hij op afgelegen plaatsen optrad, meestal voor een duizendtal personen en dat nog wel midden in den nacht. Zijn groote beroemdheid vervulde hem met zorg. Hij verontmoedigde zich des te dieper voor den Heere. Indien hem geen groote genade van den hemel ware geschonken, dan zou hij zijn gaan roemen buiten de maat, en de duivel zou hem verstrikt hebben.

God liet ook toe, dat zijn knecht werd gekastijd. Er kwamen kwade geruchten in omloop, die hem onteerden. Er werd verzekerd, dat hij het zevende gebod had geschonden en het negende evenzeer. Zekere heer Beaumont kwam plotseling te sterven. Zijne dochter, die eerst door hem op straat was gezet omdat zij Bunyans prediking volgde, was daarna weder in gunst ontvangen nadat zij beloofd had niet langer onder „dat volk” op te gaan. Zij had spoedig spijt van die belofte en smeekte haar vader haar toch verlof te geven om naar de preek te gaan luisteren. Op zekeren avond toen de oude heer reeds ter rust was gegaan, zocht zij hem op zijne slaapkamer op en sprak zoo ernstig met hem, dat hij tot tranen bewogen werd. In den loop van dien nacht kwam de vader te sterven. Nu liep het gerucht dat hij vermoord was, dat zijne dochter hem vergiftigd had, en dat haar leeraar haar hierin was behulpzaam geweest. Dit gerucht bracht heel den omtrek in beweging. Deze vrouw was eene moordenares en haar prediker leefde met haar in ontucht. Ofschoon echtgenoot en vader was hij een schandelijk overspeler, zoo niet nog erger dan dat! Het gerecht zou hem straffen. Een onderzoek werd ingesteld, nu ook naar andere lasteringen, die reeds in omloop waren. Maar met dit onderzoek eindigde ook de gansche zaak. De lasteraars werden door den lijkschouwer aan de kaak gesteld, en ernstig wegens hunne vermetelheid bestraft, terwijl de leeraar zeide: „Ik roep God tot getuige aan, dat ik onschuldig ben. Niet dat ik uit of van mijzelven van eenige goddeloosheid ben teruggehouden; maar God heeft mij in zijne genade bewaard, zooals ik bid, dat Hij altoos doen zal.”

BUNYAN IN DE GEVANGENIS.

Dit zooveel opspraakmakende leed werkte mede ten goede. De prediking won aan kracht, en de prediker kwam in nog grooter roep als een goed dienstknecht van Jezus Christus. Uitnoodigingen kwamen tot hem van andere en grootere gemeenten. Hij kreeg beroepen, die zijn inkomen aanmerkelijk zouden vermeerderd hebben en hem in staat gesteld een grooten staat te voeren. Maar hij was onbeweeglijk. De stad Bedford met hare nabuurschap was zijn kring, met dien verstande echter, dat hij ook als de gelegenheid zich aanbood elders ging prediken. Hij werd nu in de wandeling altijd „bisschop Bunyan” genaamd en ontzag moeite noch arbeid om naar verwijderde streken heen te reizen, waar het volk zijne hulp noodig had. Het was hem nu vergund te prediken en raad te geven zonder dat iemand hem eenigszins mocht hinderen, en ofschoon hij voortdurend bleef ontkennen, dat hij deze vergunning behoefde, kwam zij hem toch ten goede. Van zijne roeping als leeraar liet hij zich nooit aftronen, evenmin door goed als kwaad gerucht. Zijn vriend Charles Doe getuigt daarvan: „Toen Bunyan eens op weg naar Cambridge was, ontmoette hem iemand van de universiteit, die tot hem zeide: „Hoe durft gij prediken, aangezien gij den oorspronkelijken tekst niet kent en geen geleerde zijt?” Toen antwoordde Bunyan: „Hebt gij den oorspronkelijken tekst?” — „Ja”, zeide de academie-man. „Zoo, zijt gij in het bezit van de oorspronkelijke handschriften, die door de pennen der profeten en apostelen zijn geschreven?” vroeg Bunyan verder. — „Neen” zeide de ander, „maar wij hebben de echte copiën van het oorspronkelijke.” — „Hoe weet gij dat?” — „Hoe?” herhaalde de ander. „Hoe? Wel wij gelooven, dat wij de ware en echte copiën van den grondtekst bezitten.” — „Juist,” zeide Bunyan, „en zoo geloof ik nu ook, dat de Engelsche vertaling een echte en zuivere copie van den grondtekst is.” En de geleerde mijnheer ging door.

Het zaad des Woords viel in goede aarde. Vele werden bekeerd en den Heere toegevoegd. De gemeente, die onder zijne hoede stond, werd voortdurend uitgebreid, en als een onderherder arbeidde hij voortdurend aan haar welzijn. Op de bediening der sacramenten was hij zeer stipt en daarin zeer getrouw. Zij waren de genade niet, maar wel genademiddelen, die niemand verzuimen mocht. Het laatste avondmaal veranderde niet in het lichaam en bloed des Heeren; maar het stelde het voor. En deze leeraar geloofde, dat de berouwhebbende zondaar en de pasbekeerde geloovige ze niet mochten verzuimen, of zij verzuimden een voorrecht en begingen eenen misslag.

Hij zorgde voor het krankbezoek met veel medelijden en liefde. Waar soms strijd tusschen de broeders ontstond, trad hij onmiddellijk tusschen beiden. Voor zoekenden naar de waarheid in hunne menigvuldige aanvechtingen en bekommering, was hij een trouw en vriendelijk raadgever. Met de leden, die naar elders vertrokken waren, hield hij briefwisseling, er in toestemmend, dat zij elders zich bij eene zusterkerk aansloten, die op denzelfden bodem stond. De tucht op degenen, die zich vergrepen, paste hij met alle gestrengheid toe. Hij zelf ging eerst met de zoodanigen in de eenzaamheid; gelukte het hem dan niet de dwalenden terecht te brengen, dan moesten de broeders er aan tepas komen. Alle tuchtiging, die hij oplegde, moesten de broeders goedkeuren of verzachten. Hij handelde daarin geheel eenstemmig met hen.

De haast, waarmede hij strafte, werd weder goedgemaakt door de haast waarmede hij vergaf. Menigmaal hief hij de tuchtroede op of verzachtte de kastijding aanmerkelijk, waar hij groot berouw en oprechte schuldbekentenis bespeurde, zoodat de tucht diende tot opbouwing van het allerheiligst geloof.

Bunyan matigde zich geen monopolie aan voor den dienst des Evangelies. Hij achtte zich gesteld over de broederschap des Heeren, als voorganger en herder der gemeente. Maar hij zag in ieder lid der gemeente een medearbeider en droeg hun zulke bedieningen op als het best voor hen pasten. De jongere en oudere leden leerden hunne voorrechten en verplichtingen kennen; allen beijverden zich in ’s Heeren dienst, om elkander op te voeden in het Evangelie, elkanders lasten te dragen en alzoo de wet van Christus te vervullen.

Langs deze verschillende wegen werd zorg gedragen voor de kudde over welke de Heilige Geest hem tot een opziener gesteld had. Hij voedde haar met het brood des levens; hij bracht haar tot werken des geloofs; hij oefende haar in godzaligheid; hij bezielde allen met zelfverloochenenden ijver; hij hield haar terug van een zelfvertrouwen, dat gevaarlijk wezen zou, en van verachtering in het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.


V.
ZIJN LOOPBAAN ALS SCHRIJVER.

Bunyan was vertrouwd met de behandeling der pen. Het schrijven was hem daarbij een genot. De opstellen gingen van zijn hart naar zijn hoofd en dan kwamen ze door zijne vingers op het papier. Het moet intusschen worden toegestemd, dat de handeling van het schrijven zelf hem veel moeite kostte en zeer langzaam ging. Te oordeelen naar de vroegste staaltjes van zijn pennekunst, moet het hem heel wat tijd gekost hebben zijn dunste boek voor de pers gereed te maken. De geest was zonder twijfel de pen ver vooruit.

Hij werd auteur in 1656, bijna tegelijkertijd toen hij prediker werd, en zijn eerste werk was een strijdschrift. Het droeg den titel: „Eenige Evangelische waarheden volgens de Schriftuur uitgelegd.” Het doel daarvan was zich te verzetten tegen enkele dwalingen, waaraan zekere Kwakers leden, namelijk de geringschatting van de Schrift en van het offerbloed des Lams in het plaatsvervangend lijden.

Het werd dadelijk beantwoord, en op dat antwoord gaf hij een buitengewoon scherp wederantwoord. Andere boeken volgden en toen werd hij gevangen gezet. Maar het schrijven hield niet op, want de nood drong hem zijne pen geen rust te laten. Hij moest zijne familie ondersteunen, en ofschoon hij een gevangene was, toch moest hij zijn eigen kost verdienen. Daar nu het schoenlappen daartoe niet voldoende was, schreef hij nu en dan korte stukjes, welke zijne vrienden lieten drukken om ze langs de straten te verkoopen. Ze gingen zoo goed van de hand, dat de liedjeszangers bij Newgate en Londen Bridge zijn portret en handteekening op hunne prullerij plaatsten, ten einde ze ingang te doen vinden bij het volk.

Als een bewijs van vriendschap voor hen, die zijne prediking gevolgd waren, en voor wie ze gezegend was geweest, schreef hij een kort verhaal van hetgeen Gods barmhartigheid voor hem gedaan had. Deze levensbeschrijving, die van zijne geboorte tot zijne gevangenneming loopt, is een der merkwaardigste autobiographiën, die ooit uitkwamen. Zij bevat inderdaad de aanleidende oorzaak voor ieder punt zijner bekeering, al wat hij ondervond, dat invloed uitoefende op zijne inwendige wijding tot het leeraarschap. De lezer van deze levensschets heeft dan ook grootendeels den man zelf hooren spreken, zij is in hoofdzaak wat Bunyan zelf geschreven heeft.

De ernstige toon, waarin het geheel gesteld is, komt vooral uit in de volgende zinsnede, die bewonderenswaardig heeten mag. „God speelde er niet mede toen hij mij tot overtuiging der waarheid bracht; de duivel speelde er niet mede toen hij mij verzocht; en evenmin speelde ik er mede, toen de angsten der hel op mij nederkwamen; en daarom mag ik er ook niet mede spelen als ik deze dingen verhaal; maar ik leg ze daar klaar en duidelijk neder, juist zooals ze gebeurd zijn.” De titel, welke hij aan zijn boek gaf: „Overvloedige genade bewezen aan den grootsten der zondaren,” was de beste, dien hij kiezen kon.

Meer doorwrochte uitgaven volgden, waarvan het in gereedheid brengen onder Bunyans omstandigheden inderdaad verbazing wekt. Zij waren diepdoordachte studiën over groote waarheden, als, de rechtvaardigmaking door het geloof, de wederopstanding der dooden, en ofschoon nieuwere werken deze in onze theologische scholen hebben verdrongen, ze zijn toch maar zelden overtroffen evenmin in hunne overtuigingskracht als in hun diep inzicht, terwijl ze blijk dragen hoe nauwgezet hij de waarheid toepaste en ook anderen tot ernstige toepassing drong. De eenige hulpbron, die bij zijne letterkundige werken hem als hulpmiddel diende, was een Concordance, en het „Boek der martelaren van Fox;” — de eenige plaats, waar hij schrijven kon, zijne cel, waar hij ieder oogenblik werd gestoord en hij zoo goed als geene geriefelijkheden krijgen kon. De toon van zijne werken in de gevangenis was grootendeels de polemische, en somtijds was de strijder zelfs hardvochtig en gestreng. Jegens den predikant Fowler, die eene ondubbelzinnige ontkenning en verloochening van het 13e artikel van zijne eigen kerk had geschreven, zegt Macaulay dat hij „woest” was. Hij was voorzeker wel wat ruw, maar Fowler was op zijn minst al even ruw, en beiden verloren veel te veel de bescheidenheid uit het oog.

Het laatste werk, dat uit zijne gevangenis naar de pers ging, was getiteld: „Eene belijdenis van mijn geloof, en eene verdediging van mijn praktijk.” Het had de strekking om zijne praktijk te verdedigen, dat Christenen als Christenen aan ’s Heeren avondmaal mochten deelnemen. Het was volgens Bunyans gevoelen genoeg, dat iemand het bewijs leverde van een geloof in de liefde werkende. Dat zoo iemand nog niet gedoopt was na de belijdenis van zijn geloof, betreurde de Baptisten-predikant ernstig, maar ofschoon hij zich om des gewetens wille van zulk eene indompeling ook voorloopig onthield — de godzaligheid van zijn wandel was daar het bewijs van — zoo bleef toch zijn recht op de voorrechten der kerk onaangeroerd, en te Bedford mocht hij ze allen genieten.

Een groot geroep ging er na deze uitgave op onder de Baptisten, en deze openbare mededeeling werd als een onteering van den Heere aangezien. Maar Bunyan volhardde stillekens in zijne overtuiging, wel bewust, dat de almachtige God zijn schild was, en duldde alles, naar hij zeide „tot het mos op zijne oogleden groeien zou.”

Er was een ander boek, dat in het licht gegeven is vóor onze auteur de gevangenis verliet — dat boek, hetwelk inderdaad zijn naam vereeuwigd heeft. De „Pelgrimsreis” werd begonnen en geëindigd in de gevangenis. Dit boek werd hem als het ware ingegeven en kwam zonder moeite op papier, zich aan hem opdringende met groote zoetvloeiendheid en innig gevoel, als in de bekoorlijkheden van een droomgezicht. Hij was bezig een ander boek te schrijven, toen hij eensklaps aan dit begon. Twintig denkbeelden drongen zich aan hem op, en vóor hij die neergeschreven had weer twintig andere. Hij zette met genot de pen op het papier. Terwijl hij ophield of rustte kwam het denkbeeld, en wachtte hij maar weer dan kwam er weder een ander, tot hij eindelijk in alle opzichten verblijd en verwonderd was over wat hij had geschreven. Hij behandelde dit onderwerp geheel uit zichzelven, geen enkele menschelijke ziel was hem daarbij behulpzaam; hij had niet zooals anders vooraf bouwstoffen opgezameld. Hij had geene inspiratie gezocht, noch bij het plechtig geklots van vele wateren, noch bij den prachtigen aanblik van een Oosterschen hemel, noch in de plechtige eenzaamheid, of zelfs in de afzondering bij verheven natuurtooneelen. Hij was bewoner van een hol en hij was altijd een zwerveling geweest in het weinig romantische land aan den oever der Ouse. Maar tot zijne onuitsprekelijke vreugde had hij Christen temidden van wonderveel en groote zonden heengevoerd naar de liefelijke bergen, en door het land van doodschaduwen naar het Paradijs van God. De bouwstof en de wijze van bewerking was alles het zijne, en geen mensch kwam er iets van te weten vóor het afwas.

In de gevangenis zat ook een zekere Marsom, door wiens familie bericht is, dat toen de „Christenreis” gereed was, Bunyan die aan al zijne medegevangenen voorlas, om van hen te weten te komen of hij het werk zou laten drukken al dan niet.

Men was er niet eenstemmig over. Sommigen zeiden: „John, laat het drukken,” anderen zeiden: „Niet doen.” Sommigen zeiden: „Het kan goed doen,” anderen meenden van niet. Marsom vroeg of hij het nog eens overlezen mocht en na het nauwkeurig bestudeerd te hebben, ried hij aan, dat het zonder mankeeren moest worden gedrukt.

Toch gebeurde het niet vóór 1678, en toen was dit boek onmiddellijk populair en wel in bijzonder groote mate. Binnen tien jaren werden er twaalf herdrukken van bezorgd en in Engeland alleen hadden 100000 exemplaren hunnen weg gevonden vóor Bunyans dood. Van dien tijd af is het een gevierd boek gebleven. Het is in den schouwburg opgevoerd. De romanschrijvers hebben er van geprofiteerd. Allerlei letterkundigen hebben het aangehaald en vele schrijvers er hunne beelden aan ontleend. De kritiek heeft het onder handen genomen en het op allerlei wijzen ontleed, zoodat alle schoonheden en gebreken in het helderste licht verschenen zijn. Door vertaling is het populair geworden bij schier alle natiën onder den hemel. Kunstenaars hebben hun uiterste best gedaan om de schoone tafereelen af te beelden.

De „Geschiedenis van Meester Kwaad”, met nog een of twee andere boeken volgden op de uitgave van den „Christenreis”, en toen kwam in 1682 „De Heilige Oorlog”. Het valt gemakkelijk uit de inleiding op te maken, dat bij de beschrijving van Menschziel, eerst in bezit genomen door Diabolus en dan heroverd door Immanuel, de schrijver zichzelven op het oog heeft. De beschrijving is geheel op militaire wijze, de bijzonderheden uit het krijgsmansleven zijn herinneringen uit zijn eigen militaire loopbaan bij het beleg van Leicester, vandaar dus zijne beelden. De eerste aanval van den duivel, die met zulk een spoedig succes bekroond werd in de vervreemding van den mensch van zijn Maker, is wonderschoon verhaald, en zoo ook de vleeschwording van den Zone Gods tot verlossing van den verloren mensch. Wellicht wordt dit nog overtroffen door de vernieuwde pogingen van den Booze om den mensch weder in zijne macht te brengen. De diepzinnige filosofie van de beelden, die gebruikt worden, is volkomen in overeenstemming met den geest, die hier lichamelijk voorgesteld wordt. Het bovennatuurlijke, het dichterlijke en het evangelische gaan hand aan hand.

Ook dit boek beleefde vele herdrukken gedurende het leven van den schrijver en wordt nog voortdurend gretig gevraagd, maar toch niet in die mate als de onovertroffen inhoud verdient. Het is het beste menschelijke richtsnoer voor hem, die wenscht te weten hoe de wet der zonden in zijne leden woelt en door Satanische macht daarin is gekomen, en hoe ook door de inwerkende genade des Heiligen Geestes die macht in toom kan worden gehouden.

BUNYAN PREDIKENDE IN DE OPEN LUCHT.

Binnen een paar jaren werd het tweede deel van „de Christenreis” uitgegeven, „de Christinnereis,” waarin wij Christens vrouw en kinderen met hunne geburin Barmhartigheid achter hem naar den hemel zien trekken. Andere medereizigers, wier namen eene zeer diepe karakterkennis verraden, voegen zich bij het gezelschap en onder het voortreffelijk geleide van „Grootmoedig”, bereiken zij eindelijk hunne bestemming. Het is heerlijk om te zien hoe het vlakke veld opgevuld is met paarden en wagenen en trompetters om de pelgrims te begroeten, waar zij éen voor éen de gouden stad binnentrekken. De groote rijkdom en afwisseling van Bunyans denkbeelden komt in dit tweede deel vooral uit waar men ze vergelijkt met het eerste. De reis van Christen was meestal een zware en moeielijke worsteling om de zegepraal; de reis van Christina was grootendeels een aangename reis naar het vaderhuis.[1]

Christina’s zonen waren achtergebleven als een groote zegen voor de strijdende kerk; de droomer begreep, dat hij daarvan in de toekomst nog wel wat te zeggen zou hebben. Zijn vermoeden werd waarschijnlijk vervuld, ten minste in zooverre dat hij ook nog een derde deel onder handen heeft gehad; want enkele jaren na zijn dood kondigde zijn uitgever, Nathaniel Ponder aan, dat hem het manuscript was toevertrouwd en dat het binnenkort het licht zou zien. Er werd evenwel niets meer van die uitgave van Ponder vernomen. Wel kwam er later iets uit, dat een derde deel beteekenen moest; maar het was eene vervalsching. Alle innerlijke en uitwendige bewijzen zijn voorhanden, dat het volstrekt niets te maken heeft met den wezenlijken droomen-droomer, en zijne twee echte „droomen”.

Weder andere boeken volgden tot omstreeks zestig boekdeelen, waaronder verscheidene van aanzienlijke grootte, Bunyans werken uitmaken. Velen daarvan waren polemisch, maar allen hadden betrekking op de fundamenteele waarheden des Christendoms. In vele gevallen bestonden zij uit eene uitbreiding van zijne predikaties, wanneer de overtuiging zich van hem meester maakte, dat zij zeer geschikt waren om goddelooze lezers te doen ontwaken uit hunnen doodslaap en de vromen tot dieper overtuiging te brengen. Hij wilde nuttig zijn niet alleen voor zijn eigen tijdgenooten, maar ook voor de toekomstige geslachten. Het was inderdaad een moeilijke taak om al de tegenwerpingen der verachtende spotters naar eisch te beantwoorden, maar hij vervulde die taak. Het was een hard werk al de verschillende moeielijkheden op te lossen van tuchtelooze en huichelachtige gemoederen, maar hij deed dat werk. Hem woog de zware verantwoordelijkheid om de gemeente Gods te waarschuwen tegen de menigvuldige verzoekingen om de waarheid te ontkennen of te verminken, op het hart, en hij onttrok zich niet aan die taak, maar arbeidde hieraan ijverig, zoowel op den predikstoel als in de pers. Zijne leer leefde in duizenden zijner tijdgenooten, die hij nooit gezien had, en hij wist hen te vervullen met bewonderende liefde voor het Evangelie van Gods genade.

Beide door zijne eenvoudige werken als daar is „Het boek voor jongens en meisjes”, en door zijne diepzinnige geschriften, als b. v. „De Genadewet ontvouwd”, werd het volk over het algemeen aangetrokken; het hield die geschriften dankbaar in waarde, en werd er krachtig door overtuigd.

Niet éen was er onder al die zestig deelen, waarvan niet veilig kon gezegd worden, dat zijn onderwerp waardig, zijne taal verstaanbaar, zijne redeneering vloeiend, zijne inkleeding smaakvol, zijne oprechte bedoeling doorzichtig, zijn toon die van Boanerges en Barnabas was; nu eens verontrustend en verschrikkelijk, dan weer vertroostend — altijd geschikt om zijne lezers een inzicht te geven in het ware zaligmakende geloof.


[1] Van „De Christen- en Christinnereis naar de eeuwigheid” verscheen bij de uitgevers van dit werk en geheel in dezelfde wijze van uitvoering eene volksuitgave met 100 uitstekende platen en portret van den schrijver, in prachtigen stempelband, tot den geringen prijs van ƒ 4.25.

BUNYANS LAATSTE LIEFDEWERK.

Als eene proeve van zijne aangrijpende welsprekendheid, diene het volgende: „Luiaards, onverschilligen, slaapt gij dan altijd? Zijt gij nu vast besloten den slaap des doods te slapen? Zullen noch boodschappen van den hemel noch van de hel u wakker maken? Zult gij dan maar altijd zeggen: Nog een weinig slapens, nog een weinig sluimerings, noch een weinig handvouwens al nederliggende? O, dat mijne oogen tranenbeeken waren, en dat ik een hart vol medelijden met u hadde! Hoe zou ik u dan beklagen! Hoe zou ik u beweenen! Arme, verloren, stervende ziel! Hoe hard is mijn hart, dat ik niet over u wegsmelt in tranen! Indien gij maar een lid van uw lichaam verloort, of een kind, of een vriend, dan zou het nog zoo erg niet wezen; maar arme mensch, het is UWE ZIEL! Indien die naar de hel verwezen werd voor één dag, of voor een jaar, of zelfs voor duizend jaren, dan ware het vergelijkender wijze nog te overkomen; maar het is voor eeuwig! O die ontzettende EEUWIGHEID! Welk een zielverbrijzelend woord zal dat voor u wezen als tot u gezegd wordt: „Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat den duivel en zijnen engelen bereid is!””

In zijn omgang met bekommerden en wankelmoedigen ging hij met groote wijsheid te werk. Lees hier wat hij tot hen zegt: „Niets is eene meer algemeene kwaal onder ons menschen, dan dat er velen zijn, die twijfelen aan de genade Gods, en dat bekomt een zondaar toch wel het allerslechtste. De wet te verbreken is inderdaad reeds dwaas genoeg; maar de genoegzaamheid der genade te betwijfelen is nog erger dan dwaasheid en zonde, erger dan al wat slecht heeten moet. Daarom, wanhopende zielen — want het is tot u dat ik spreek — werpt uw wantrouwen weg, schudt uit uwe slaafsche vrees, hangt al uwen argwaan aan den kapstok, en gelooft, dat gij daartoe een zeer voldoende reden hebt, want daar stroomt eene rivier voor uwe voeten. Laat uw gebrek aan vroomheid en goede werken u niet het minste verhinderen. Dit is eene rivier van het water des levens: stroomen van genade en barmhartigheid ziet gij daar. En wanneer gij ziet dat zij, die vreezen van honger te sterven, mondvoorraad opdoen te Tunbridge, Epsom, Bath en elders, opdat zij voor lange reizen op de wateren uitgerust zijn; zorgt gij dan, dat gij voorzien zijt van levend water, dat gij niet behoeft te koopen, maar dat u wordt aangeboden om niet. O, laat dan uwe ziel niet ophouden noch u terughouden door vrees of twijfel; maar drinkt, drinkt en leeft in eeuwigheid.”

Ook voor den geloovige, die zich in Christus verheugt, had hij een woord op zijn pas. „Het is zoo heerlijk en Gode zoo aangenaam, wanneer Christenen wandelen waardiglijk hunne roeping, hun staat en hun toestand: in alle dingen getrouw aan wat God van hen maakte. Dan zijn zij als de bloemen in den tuin. Waar de tuinman ze geplant heeft daar staan ze, en van den hysop, die aan den wand uitwast, tot den ceder van den Libanon toe is van hen allen hunne vrucht ook hunne heerlijkheid. En aangezien de stam, waarop zij ingeënt zijn, de vruchtbaarste stam is, en het sap, dat door hen heenvloeit het vruchtbaarste sap, en de Kweeker onzer zielen de wijste hovenier, zoo vertrouwen wij alles aan Hem toe ook wat ons vreemd toeschijnt, alleen zorg dragende, dat wij rijk worden in goede werken. Daardoor toont gij immers, dat gij geen geschilderd vuur zijt, dat geen warmte afgeeft; geen geschilderde bloemen, die geen geur hebben; geen geschilderde boomen, waaraan nooit vruchten groeien.”


VI.
ZIJN LEVENSEIND.

Lijden om des gewetens wil bleef Bunyans deel tot het einde. Zijn weinige gehechtheid aan de staatskerk en zijne evangelische getrouwheid brachten hem dikwijls in onaangenaamheden met de overheid, en deze heeft hem meer dan eens van zijne goederen beroofd. Zijn kerkgebouw werd zelfs eene wijle gesloten en hij moest zijne vergaderingen in het open veld houden.

Temidden van al deze onzekerheid voor de toekomst vermaakte hij aan zijne innig geliefde vrouw alles wat zijn eigendom was bij een document, dat gedagteekend is van den 23sten December 1685. Hij, „John Bunyan, kopersmid, gaf, door innige liefde gedreven, aan haar alle goederen, die hij bezat, zoowel roerend als onroerend, en alle schuldvorderingen, waar die ook mochten gevonden worden.”

Aldus op alles voorbereid was hij tijdig en ontijdig in zijn Meesters werk. Zijn roem groeide telkens aan. Van alle zijden werd het hem moeielijk gemaakt door overstelpende bezigheden. Hij werd beter met boeken vertrouwd, en zijne groote kennis der menschelijke maatschappij bracht hem eigenaardige voordeelen aan. Alles werd tot zijn doel aangewend; hij kon alles gebruiken; menigmaal werden onderwerpen uit het dagelijksch leven aangehaald om als illustratiën te dienen, en niet minder staatkundige gebeurtenissen of de geschiedenis van den dag. Als hofprediker van den Lord Mayor van Londen, tot welk ambt hij eens geroepen werd, of als gast der eenvoudige hutbewoners in afgelegen dorpen, wien hij na het landelijk maal het Evangelie prediken zou, altijd was hij dezelfde, altijd bleek zijne vurige begeerte om anderen nuttig te wezen en tot God te leiden.

In het voorjaar van 1688 leed hij veel door de zweetziekte,[2] en het scheen zelfs, dat hij er aan sterven zou. Gedeeltelijk herstelde hij wel weer, en eindelijk meende men zelfs, dat hij zijne volle kracht terugbekomen had. Maar zijn einde was op handen en het duurde niet lang of het kwam. Eer zelfs dan hij of zijne zoo innig aan hem verkleefde echtgenoote vermoed hadden, want hij stierf waar zij hem niet bijtijds kon bereiken, twee dagreizen van huis.

Hij was door een jongeling zeer dringend verzocht eene poging te doen om hem met zijn vader te verzoenen, die gedreigd had hem te zullen onterven. Daar was in het geheel geen kans op dan alleen door een persoonlijk bezoek, en daartoe moest Bunyan eene reis ondernemen van Bedford naar Reading, een afstand van vijftig mijlen.[3] Hij ondernam dien tocht te paard en slaagde zoo goed in zijne opofferende onderneming, dat de vader er in toestemde zijn zoon te vergeven en de bedreiging introk. Zeer verblijd over den goeden uitslag, besloot Bunyan Londen op de terugreis aan te doen, waar die jongeling woonde. Hij wilde hem zelf de goede tijding brengen. Het weder was buitengewoon onstuimig en de reis viel hem zuur. Toen hij de woning van zijn vriend Shaddoks op Sneeuwheuvel bereikte, overviel hem de koorts, en ofschoon er eerst alle hoop was op zijn herstel, stierf hij tien dagen later. De datum is onzeker, daar de opgaven verschillen tusschen den 12en, 17en en 31sten Augustus 1688.


[2] Deze vreemde ziekte, die slechts een verloop van enkele uren had, meestal met doodelijk einde, sleepte omstreeks dien tijd in Engeland vele honderden ten grave.

[3] Ongeveer achttien uren.

BUNYANS GRAF IN BUNHILL FIELDS.

Bunyans dood was een waardig besluit van zijn leven. Zijne lenden waren omgord en zijne lamp brandende. Hij bleef getrouw tot den dood. Hij blies den laatsten adem uit, verzegelende, dat God waarachtig is. „Wat zoudt gij beter voor mij kunnen begeeren,” zeide de stervende tot de omstanders, „dan wat God mij te zien geeft in het heerlijk visioen, waarmede Hij mij verwaardigt? Mijne begeerte is, dat gij heilig moogt leven en eenmaal komen om het te zien. Ik ga naar den Vader van onzen Heer Jezus Christus, die mij zonder twijfel uit kracht van het verzoenend bloed van zijnen Zoon, aannemen zal, ofschoon ik een zondaar ben. Weent niet over mij. Wij zullen elkander eerlang weder ontmoeten om het nieuwe lied te zingen en eeuwig samen gelukkig te zijn.” Hij wist, dat hij in den hemel een beter en onsterfelijk leven tegemoet ging.

Het lichaam werd te Bunhill Fields begraven temidden van vele treffende bewijzen van algemeene liefde en eerbied. Te Bedford was de smart hevig, in het bijzonder bij de gemeente, die nu herderloos was, maar niet minder in heel den omtrek. Het was nog geen veertien dagen geleden, dat zij hunnen herder, leeraar, vriend en stadgenoot hadden zien wegrijden op zijn Samaritanentocht der barmhartigheid naar Berkshire, en toen zag hij er niet minder sterk uit dan vroeger, een krachtig, flink gebouwd man van zestig jaren. Sommigen hunner hadden hem eerbiedig goeden dag gezegd, anderen meer familiaar en vriendschappelijk gegroet.

En nu was hij reeds dood en begraven. Bij zijne bijzondere vriendelijkheid voor een verstootene had hij zijn leven ingeboet. In den dienst van zijnen Heer en Heiland was hij ingesluimerd en tot zijne vaderen vergaderd. Grootmoedige, eerwaardige Bunyan! Gij rust van uwen arbeid en uwe werken volgen u na. Uw loopbaan was moeielijk, maar gij waart standvastig. Gij werdt zwaar beproefd en diep bedroefd, maar gij bleeft getrouw. Uw pelgrimsreis van deze wereld naar de toekomende loopt evenwijdig met uw eigen, bewonderenswaardigen, onnavolgbaren droom, van het begin af tot aan het zegevierend en God verheerlijkend einde.


INLEIDING.

In „De Heilige Oorlog” bezitten wij een van de meesterstukken onder de allegorische werken van den Onsterfelijken Bunyan. Met zijn „Christenreis naar de eeuwigheid” vergeleken is het eene allegorie van geheel verschillende stijl en karakter, voorstellende een andere gestalte der bevinding. Bunyans Heilige Oorlog mag met alle recht genoemd worden „de geschiedenis van ’s menschen ziel.”

In dit opzicht verschilt deze tegenwoordige beeldspraak van het vroegere werk van den uitstekenden droomer; „de Christenreis” handelt over de uitwendige omstandigheden van eens Christens pelgrimstocht, in zooverre zij voor het geestelijk leven voordeelig of schadelijk zijn, en daardoor invloed uitoefenen op de innerlijke gemoedswerkzaamheden van den Christen. De Heilige Oorlog behandelt de inwendige worstelingen der ziel, en gaat vandaar tot de uitwendige gevolgen over, waar zij ’s menschen geluk en vrede bewerken. De Pelgrimstocht beschrijft de vijanden van buiten, die de ziel aanvallen, terwijl de Heilige Oorlog de inwendige vijanden beschrijft, die alle menschelijk geluk, ja zijn leven bedreigen.

Uit deze oorzaak hebben velen de gelijkenis van den „Heiligen Oorlog” zelfs als een veel geestelijker werk dan de „Christenreis” beschouwd, en wellicht is dit eerste daarom ook door de groote menigte minder verstaan en gewaardeerd. Deze leerrijke gelijkenis is een ontleder van het hart in de geestelijke ontleedkunde der ziel. Zij is een geestelijke spiegel, die doet uitblinken wat de mensch was, wiens slaaf hij werd, welke oorlogen en gevechten, welke worstelingen en aanvallen gewaagd en uitgestreden moeten worden, vóor Christus weder op den troon zit in het hart en de verloren Menschenziel kan zingen het nieuwe lied, dat de herwonnen Menschenziel waardig is.

De twee groote denkbeelden, die het geheele werk beheerschen zijn de Verloren en Herwonnen Menschenziel, en doen ons denken aan Miltons Verloren en Herwonnen Paradijs. De eerste zinspeling, toegepast op de stad Menschziel heeft het oog op ’s menschen ziel in het algemeen, maar verder in het bijzonder op dat wezen, hetwelk ziel genaamd, ’s menschen ik aanduidt, waarop eens Gods beeld en zegel werd gedrukt. Het was Gods handenwerk, en evenals al Gods werken, werd het „zeer goed” genoemd. Het was onder al Gods scheppingen het naast in gelijkenis en het innigst in liefde aan God verwant: „God schiep den mensch naar zijn beeld.” De ziel werd geschapen om Gods tempel te wezen, de plek, waar zijn troon stond. Het kasteel van Menschziel is het hart; de wallen zijn het lichaam of het vleesch, en de poorten de vijf zinnen — vandaar hun zeer verstaanbare benamingen. De bewoners van de stad zijn het verstand, het geweten, de wil, de lusten, de gedachten — de duizenden gedachten, die in de ziel rondwriemelen. Dit zijn de mannen, vrouwen en kinderen der stad, aldaar ontvangen, geboren, gevoed, en aldus opgroeiende in daden ten goede of ten kwade. Deze koninklijke verblijfplaats viel in de vernielende handen van satan of Diàbolus en zijne hoofdmannen; de woorden veraanschouwelijkende van den wijsten der koningen — die samenvatting van de geschiedenis der menschheid: — „Ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mensch goed gemaakt heeft; maar zij hebben Pred. 7:29.vele vonden gezocht.”

Dit droevig einde van de gevallen Menschenziel wordt nu aanleiding tot de openbaring van Gods heerlijkheid. Dit breken van het heilig verbond tusschen God en den mensch brengt al dadelijk den Zone Gods in het geding; deze komt de gevallen creatuur te hulp. Immanuel maakt nu met zijnen Vader een verbond, dat Hij zelf de ziel onder de souvereiniteit van God zal terugbrengen; en dit vervult Hij door zijn dood en zijne offerande en de daarop volgende werkingen van den Heiligen Geest.

Maar intusschen heeft Satan den troon in Menschziel opgeslagen en daar een nieuwe regeering aangesteld. De overweldiger moet verjaagd worden. Diensvolgens begint de worsteling, en hier daalt de allegorie af tot het bijzondere; tot uw ziel en de mijne. De ziel wordt door Christus hernomen; maar daar zijn nog die loerende handlangers van Diàbolus, het zaad des boozen in het hart, het overschot van het onkruid, het overblijfsel van den „ouden mensch” en de bedorven natuur. Deze veroorzaken menigmaal geestelijke schade aan de ziel; zij bedroeven den Heiligen Geest, en drijven somtijds Christus weg van zijnen troon. Satan treedt spoedig weder binnen, en moet weder verhuizen. Afwisselend geluk en tegenspoed zijn de toestanden van ons eigen geestelijk leven, brengende ons dichter bij Christus of houdende ons verder van Hem verwijderd dan weleer.

Zoo is de aard van dit onnavolgbare werk — DE HEILIGE OORLOG. Wij wilden nu slechts de aandacht van den godzalige en den goddelooze, van het vrijgemaakt kind Gods en den gekluisterden slaaf des satans, van den zwakke in het geloof en den bevenden, twijfelenden Christen op dit wondervolle tooneel van strijd vestigen.