WeRead Powered by ReaderPub
De komedianten cover

De komedianten

Chapter 21: XVII.
Open in WeRead

About This Book

Het verhaal speelt zich af in een regenachtige, overvolle stadswijk waar een drukbezochte taveerne het centrum van het sociale verkeer vormt; binnen mengen zich matrozen, weggelopen slaven, dieven, religieuze volgelingen en rondtrekkende artiesten tussen het eten, de oliepitten en de rook. Via korte scènes en waarnemingen ontvouwt zich een panorama van dagelijkse strijd en vermaak, waarin sociale ongelijkheid, religieuze rituelen, schijnheiligheid en theatrale vertoning elkaar kruisen en het morele en materiële leven van de bewoners in scherpe, soms ironische tonen belicht wordt.

XVI.

De dominus was geheel ter neêr geslagen. Middagen bracht hij door, zittende op de bank voor de taveerne, wezenloos kijkende naar de obscene schilderingetjes op de muren van het huis van Taurus, waar, tegen den avond, de hooge gestoelten werden geplaatst en de meiden tronen kwamen. Hij had uit Alexandrië bericht, dat zijn wisselaar, bij wien hij een aanzienlijke som in bewaring gegeven had, zich vergiftigd had en geen as had nagelaten. Zijn tweede senex was er van door, net als Clarus gedaan had en hoewel hij dit maal veel geld had uitgegeven om hem te achtervolgen en na te zitten, was er geen spoor van hem ontdekt. Hij had in de „Bacchides” nog zoo mooi den Prologus gespeeld: Silenus op den ezel van Nilus! En nu had de dominus geen enkelen senex meer bij zijn troep! Er waren wel mindere komedianten, die konden invallen, mochten er particuliere Spelen plotseling plaats hebben, maar dat zoû toch geen goed werk zijn: een senex, dat was een hoofdrol! Intusschen, er wèrden geen particuliere Spelen uitgeschreven. De zomer sleepte zich voort met luttel gewin. Cecilius was nog steeds bij den Keizer, want Martialis’ verzoek had niets uitgewerkt. Cecilianus was, ziek, bij Martialis. Hij kwam niet meer van zijn bed, vermagerd, lag bleek en lusteloos, at niet, klaagde niet meer, kwijnde zichtbaar weg.

Vol zorg zat de dominus neêr en iedereen, die voorbij ging, had een goed woordje voor hem: Taurus en de meiden, Alexa en Gymnazium; Nilus zelve hield veel hem gezelschap; de voller en Autronius, de slavenkoopman, kwamen ook wel eens een worstje gebruiken met een kroes Nomentaner. Er was sympathie heen om den dominus en de dominus werd er ontroerd door.

—Er is maar éen ding, dominus, zei Nilus heel ernstig op een middag; er is maar éen ding, dat je troosten kan voor de treurige wisselvalligheden van het leven.

—En dat is, Nilus.

—Dat je je laat opnemen in de Broederschap van de priesters van Isis.

—Ik? zei de dominus. Maar, Nilus, hoe kom je er aan. Jij bent een caupo: je geeft eten en drinken aan al dat volkje hier in de Suburra en daarbij ben je een vreemde ziel, ben je een mysticus, Nilus, ik kan het niet anders noemen en heb jij van de boorden van den Nijl iets geheimzinnigs meê gebracht, dat we geen van allen begrijpen en weten, maar dat ik toch in je voel. Ik ben een eenvoudiger vent dan jij: ik ben een komediant, een kunstenaar, ook wel een man-van-zaken—hoe zoû het anders kunnen voor een dominus-gregis!—maar ik heb niet dien geheimzinnigen aandrang in me, die mijn eersten senex deed gaan tot de Christenen en jou mystes deed worden van Isis. Maar als ik je er pleizier meê doe, nu goed, dan wil ik ten minste wel eens met je meê gaan....

Zij gingen, een nacht, samen naar den tempel van Isis, in het Campus Martius, op een grazige vlakte, dicht bij den Tiber. Nilus zeide den dominus te wachten, tot de heilige processie uit zoû treden, als de volle maan zoû rijzen. Zelve trad hij een zijdeur in van den tempel. En de dominus wachtte, wandelde mistroostig den Tiber langs. Diep zuchtte hij nu, denkende aan zijn geldverlies, aan de jongens, aan zijn velerlei zorg. Langzamerhand begon de vlakte te starrelen van lichten: het waren tal van naderende geloovigen, mannen en vrouwen, en zij droegen allen lantarens, lampen, fakkels, toortsen, kaarsen, brandende lonten; wat maar licht gaf, hadden zij meê genomen. Dat bewoog spookachtig over de vlakte, want de maan was, nog slechts met een bleeken schijn zich aankondigend, te raden achter den Janiculus, die somber golfde tegen bleeke zomernachtlucht. Maar de vlakte, weldra, wemelde van de duizende lichtjes. De lantarens flikkerden van roode, opwaartsche tongetjes in hun doorschijnende spiegelsteentjes; de lampjes flakkerden met gele, zijlings rekkende, lekkende vlammen; de toortsen vlammelden op in harstig geurenden walm: de fakkels wierpen den smook af, waarin de gensteren uitspatten als sterretjes en duizende, duizende dwaallichtjes dwarrelden over de vlakte. Daar ginds, tusschen de zuilen des tempels, op zijne treden, werden ook de lampen ontstoken en hoewel de starren in den hemel bijna onzichtbaar waren, rees de maan hooger en hooger achter de kam van den Janiculus op. En er weêrklonk zacht schalmei-geschal en dwarsfluiten trillerden: sistra werden aangetokkeld en jonge stemmen zongen. Een menigte vrouwen en meisjes, in witte cataclista, die sleepte, en gesluierd, traden uit en haar volgden de opperpriesters; zij waren geheel geschoren de kruinen, die glinsterden; zij stelden de starrebeelden voor van de Groote Dienst en zij droegen de heilige symbolen: de Gondellamp, het Altaar van Toeverlaat, den Arm der Rechtvaardigheid met opene Hand; de gouden vazen, die zijn als vrouweborsten, en waarmede de melkplengingen worden volbracht.

De beelden der goden werden gedragen. Het was de Bemiddelaar tusschen Hemel en Hel: somber donkerde soms zijn gelaat en schitterde dan weêr strálende op: dan ging onder de menigte een murmelende huivering heen. Anubis met den hondekop werd gevolgd door de Koe, die stond overeind op de achterpooten en stak de zwellende uiers vooruit; op het breede deksel van een gouden urn lag de uræus-slang: was zij van juweel, was zij levend? Toen volgden de mysten van de Broederschap en de dominus herkende niet dadelijk Nilus. Maar werkelijk, ja, hij wàs het! Hij liep en tokkelde zijn sistrum aan met een staafje en zijn oogen staarden hoog voor zich uit, terwijl de processie het grazige Campus Martius omtrok en omtrok. Op afstand liep de dominus meê, nieuwsgierig naar Nilus. Was dit de zelfde man, die joviaal in zijn kroeg noodde Nomentaner te drinken en worstjes te eten en Picenumbroodjes?! Het was of hij was verheerlijkt. Of hij niets meer wist van kroeg, wijn, eten en drinken; of de geheele Suburra uit zijn blik was gewischt. Hij liep zoo bleek, zoo klaar, frisch geschoren, zelfs zijn kruin. Zijn oogen staarden, groot, de rijzende maan in extaze toe. Vol en blank, als de witte Io, als de heilige, zilveren Koe vertoonde zij zich in de bleek azuren weide der hemelen. Was dat Nilus? vroeg zich de dominus af, meê loopende, steeds starend naar Nilus. Hoe vreemd waren toch de menschen in hun eigen ziel! Hoe kenden zij elkander weinig! Nilus wist eigenlijk niets van Plautus en Terentius; hij was een ongeletterde kroeghouder, maar.... wist hij wèl, wat al die vreemde symbolen beteekenden; die Gondellamp, dat Altaar, die Arm, die vreemde Beelden....? Indruk, zeker, maakte die dienst en meer dan die der Romeinsche goden, maar het scheen wèl moeilijk en ingewikkeld Isis te dienen. Je moest dat alles begrijpen.... En dat zoû voor een dominus-gregis even moeilijk zijn als voor een Isispriester Scenische Spelen te leiden.... En troostte die Gondel en die Arm en die Koe nu heùsch voor de treurige wisselvalligheden van het leven? Zoû dat alles hem kunnen troosten omdat in Alexandrië zijn schurk van een wisselaar zich vergiftigd had, omdat twee komedianten er van door waren, omdat de tweelingen.... ach!!

De dominus zuchtte diep op. Plotseling voelde hij op zich rusten twee oogen, als twee heldere, blauwe vlammen. En hij zag, even afgedwaald van Nilus en de processie, dat hij zich aan den rand van den Tiber bevond, tusschen vele toeschouwers, die geen lantarens, lampen of fakkels droegen. Zij waren niet wit, maar somber gekleed en een Grijsaard stond tusschen hen, een somberen mantel om. Zij stonden heel stil, zwijgend, rustig naar de processie te kijken. En de dominus herkende hen: het waren de Christenen en zij stonden rondom hun heiligen Man. En plotseling herkende hij, vlak bij zich, den senex....!

Senex....? schrikte de dominus.

—Dominus, antwoordde de senex.

—Ben je tevreden, senex, nu je Christen bent?

—Ja, dominus, ja, jawel!

—Ik niet! Senex-twée is er van door gegaan.... Ik hèb geen senex meer in mijn troep!

—Je moest je heelen troep opgeven, dominus, en het ware geloof deelachtig worden.

—In Isis??

—In Isis? Neen.... in Christus!

—Wie weet de waarheid? vroeg de dominus. Jij of Nilus?

—Ik, zeide de senex. Hij, voegde hij er aan toe en wees naar den grijsaard. Hem volg ik, zelfs naar Patmos.

—Naar Patmos??

—Daarheen is hij verbannen. Morgen gaat hij.

—Is dat Fabulla? vroeg de dominus, haar meenende te herkennen tusschen de vrouwen.

—Dat kàn wel.... Zij gaat meè.... Wij gaan naar Efezos, waar een vrouwenklooster is....

—Wat is een klooster?

—Een bedehuis, waar vrouwen of mannen zich samen terug van de wereld trekken.... Vaarwel, dominus....

—Vaarwel, senex.... O wat speelde je toch de „grijsaard” goèd! Had ik je maar nooit je vrij laten koopen! Stommerik, die ik was!

En de dominus, schuddend zijn hoofd, verwijderde zich langs den Tiber.... Isis? Of Christus?

—Neen, dacht hij bijna hard op. Ik heb die vreemde goden niet lief. Ik begrijp ze niet.... Isis, dat is alles symbool.... Christus is een godszoon, als een slaaf gekruisigd! Neen, neen, ik heb onze òude goden lief, onze goden vooral van Hellas! Die zijn de Schoonheid, de Kunst, de Poëzie, de Mythe.... die begrijp ik, die begrijp ik alleèn. Ik, in de Broederschap van Isis! Nilus is een dweper als de senex is. En ik, ik ben een komediant, een dominus-gregis, een man-van-zaken: ik eeredien Dionyzos-Bacchus en Hermes-Mercurius en ik ben zelfs in staat aan hen een heel kostbare offerande te brengen, als ze me mijn jòngens maar gezond en wel weêr thuis brachten....

En hoofdschuddend en zijn hart vol zorg, sleepte hij zich door Rome, waarover de volle maan gerezen was, en dat blank zuilde rondom hem heen, naar huis, naar zijn heel ver huis, naar het huis van den voller, heelemaal achter de Suburra, ach, ach, en zonder avondeten omdat Nilus’ taveerne op dezen avond gesloten was....

XVII.

Op een morgen, heel eenvoudig-weg, had Carpoforus zich aangemeld op het salutatio-uur van den Keizer. Het was niet eens de promiscua salutatio, de algemeene ontvangdag, dat wie eenigszins maar recht had, Domitianus, tot aan een open getrokken velum, naderen en kon zien, somber ineen gedoken in zijn kussens, omringd door tal van Prætorianen. Spreken deed de Keizer dan tot niemand: hij vergunde alleen de toegelatenen hem te begroeten, en dan weêr door te gaan.... Het was de admissio der Consuls, Præfekten, Senatoren en Consulaire personen en hoogst verwonderd waren de beide dignitarissen, Parthenius en Sigerius, toen zij, te midden der rood-omzoomde, wijd plooiende laticlaviæ der strak en bleek kijkende, aanzienlijkste Romeinen in de veelzuilige wachtzaal, de monsterlijk zwaar gespierde gestalte van den lanista zagen verschijnen, die eenvoudig verzocht tot den goddelijken Augustus toe gelaten te worden.

Plinius, Frontinus en Quintilianus, rondom den ouden Verginius Rufus, waren wachtende in de volgende, kleinere wachtzaal, die toegang gaf tot de galerij, waar men aan het einde, door het opengetrokken velum, den Keizer meer zag liggen dan tronen. En als alle anderen waren zij hoogst verwonderd, toen zij Parthenius en Sigerius den lanista langs hen zagen geleiden, de galerij af, tot in de tegenwoordigheid van Domitianus. Nieuwsgierig keken zij uit van ter zijde. En zij zagen, hoe de gladiator knielde en hoe de Keizer hem even de hand legde op zijn ruigkroezen kruin. De Keizer bewoog even de lippen, Carpoforus scheen iets te vragen. De Keizer vroeg weêr.... De knielende reus antwoordde. Toen knikte de Keizer, wenkte mat Parthenius, zei drie woorden.... Carpoforus stond op, werd terug geleid.... In de kleine wachtzaal zag hij nu de vier heeren en groette ze....

De geheele admissio van den Jager had geene drie minuten geduurd en hijzelve was niet verwonderd over wat hij bereikt had, wel verwonderd, dat hij niet eerder dit in zijn nauwe brein had bedacht. Hij wachtte nu buiten op het paleisplein, de area-palatina en allen, die beneden aan de trappen stonden te gapen naar de draagstoelen, die aankwamen en vertrokken, naar de Aanzienlijken, die instegen en uitstegen, wezen den Jager, Carpoforus, die in het Colosseum worstelde met leeuwen en beren. In het morgenlicht, tusschen al het blanke marmer der trappen, muren, zuilen, beelden, donkerde met een barbaarsch schoone ruwheid en ruigheid zijn in leêren tuniek omspannen en spierende reuzigheid uit.... En geduldig wachtte hij, tegen de kruislingsche lijnen van het marmeren hek, zijn geweldige hand op het voetstuk van de Zegegodin, die hare vleugels spreidde boven hem, zwevende zij op de gouden bal van een zuil.

De heeren kwamen uit. Zij hadden niet meer dan zwijgende den Keizer begroet; de Keizer had hun geen woord gezegd. Toch zouden zij den doodstraf waardig geweest zijn, zoo zij de admissio niet hadden bijgewoond. Plinius naderde den lanista.

—Welken gunst heb je gevraagd, Jager? vroeg Plinius, die reeds ried.

—Cecilius meê te mogen nemen, antwoordde Carpoforus.

—En....?

—De Keizer stond toe.

—Stond toe?? verbaasden zij allen zich.

—Ja, edele heeren. Gunst, dien ik vraag, staat de Keizer mij altijd toe. Maar ik vraag bijna nooit, om geen misbruik te maken.

—Dus mag Cecilius meê?

—Met mij, ja edele Plinius. Ik wacht hem.

—Waar breng je hem!

—Naar Nomentum.

—Breng hem liever naar Laurentum. Nog beter: laat de knaap met mij naar Laurentum gaan. En haal Cecilianus en zeg den dominus, dat ik de beide knapen eenigen tijd wensch te huren, ten mijnent.

—Ik zal het doen, edele heer, zei de Jager en ging de trappen af, verdween in de menigte.

—Wij wachten even met u, zeiden de vrienden.

Zij wachtten, terwijl de Aanzienlijken, met begroeting en plichtpleging langs hen neêr daalden, de trappen af, het Paleis uit, de draagstoelen toe. Er was drukke commentaar, dat de Jager op de Consulaire admissio van den Keizer dadelijk in zijn tegenwoordigheid was toe gelaten. Toen, van af de zijde waar het Tiberische Paleis zich verhief met de Prætorianen-kazerne en het slavengebouw, zagen de vrienden Cecilius komen. Earinus liep aan zijn zijde. De jonge komediant zag bleek, vermagerd, in zijn lange, zijden tuniek; dof stonden zijn donkere oogen. Plinius ging Earinus te gemoet.

—Earinus....

—Edele Plinius....

—Cecilius is vrij.... Carpoforus heeft het gevraagd en de Keizer heeft hem toe gestaan, wat hij zelfs Martialis niet toe stond.... Cecilius, je gaat met mij meê. Naar Laurentum. En gauw zal je Cecilianus terug zien.

—Zoo als ge beveelt, edele heer, zei Cecilius.

Hij nam afscheid van Earinus, die hem omhelsde, terwijl Cecilius den jongen patriciër de handen kuste.

Begeleid door zijne cliënten, steeg, na afscheid van de vrienden, Plinius in en Cecilius, bescheiden, zette zich over hem, zoo als een komediantje zich zet tegen over een heel voornamen heer, die hem meê neemt naar huis, voor zang, spel, dans en saltatio.

—Het is de weg, dien ik al ken, edele heer, zei Cecilius. Maar toen was ik gezond; nu ben ik wel een beetje ziek, als ik straks voor u moet zingen en spelen.

—Je hoeft niet te zingen, noch te spelen, zei Plinius.

Toen zij aankwamen te Laurentum, in de villa, riep Plinius Hermes, den vrijgelatene.

—Hermes, beval hij; breng Cecilius in een cel, die op de zee uit ziet. En zeg Zozimus hem gezelschap te houden.

Hermes bracht Cecilius in een der cellen, waar de slaven woonden, in zicht van de zee. Zozimus kwam.

—Ben je ziek geweest? vroeg Zozimus.

—Ja, zei Cecilius. De edele Plinius denkt, dat zeelucht me genezen zal. Hij heeft me gehuurd, met mijn broêrtje, die komt straks. Dan zullen we wel alle drie samen moeten spelen, Zozimus.

Cecilius keek het celletje rond....

—Je broêrtje krijgt er een naast je, zei Hermes.

—Dat hoeft niet, zei Cecilius. Eén celletje is voldoende. We slapen toch meestal op éen matrasje. Het is een mooi celletje, en we hebben hier alles wat we noodig hebben. Het is een geriefelijk celletje, met die nissen, waar je je boel kan bergen. En dat aardige lampje....

—Je mag ’s morgens baden in de zee, zei Hermes. Vóor dat de meester op is....

—Het zal heerlijk zijn, zei Cecilius. We worden héél vroeg wakker, Cecilianus en ik. Mogen we dan samen baden, voor dat de meester op is?

—Ja, dan baden we allen, zei Zozimus.

—Het zal heerlijk zijn, herhaalde Cecilius. Dan doen we net als de voorname burgers, die gaan baden in de zee bij Antium of Baïæ. Mag ik uitkijken of mijn broêrtje komt?

—Kom dan meê, zei Zozimus, terwijl Hermes in huis terug ging.

Zozimus en Cecilius liepen de lange gebouwen om, den tuin in. Ter zijde van den porticus, die met een D toegang tot de villa verleende, zagen zij uit.

—Daar heb je ze, zei Zozimus.

—Ja, daar heb je ze, zei Cecilius, heel kalm.

Het was Carpoforus, op zijn groote ros en vóor hield hij Cecilianus tegen zich aan. En het was, op een muil, de dominus. Hermes had Plinius gewaarschuwd en hij kwam in den porticus kijken. De ruiters stegen af, begroetten Plinius.

Dominus, zeide hij; ik wilde je beide knapen huren, voor eenigen tijd.

—Het is groot voorrecht voor mij, alleredelste patroon, zei de dominus; u de jongens te verhuren en alles wat gij mij voorstelt, acht ik onwaardeerbaar voordeel voor mij en voor hen.

—Kom dan binnen om te praten....

De dominus ging met Plinius naar binnen. Cecilius en Cecilianus omhelsden elkaâr, heel gewoon. Toen glimlachten zij en keken elkaâr aan.

—Jij ziet wat bleek, zei Cecilius.

Jij ziet wat bleek, zei Cecilianus, met nadruk.

Zij gingen met Carpoforus en Zozimus terug, door den tuin, naar het celletje.

—Dit is ons celletje, zei Cecilius.

—Jij mag, zei Zozimus tot Cecilianus; ook zoo een celletje hebben, hier naast....

—Dat hoeft niet, zei Cecilianus. Eén celletje is voldoende. We slapen altijd op éen matrasje. Het is een mooi celletje en we hebben.... ja, we hebben hier alles wat we noodig hebben. Het is een.... ja, héel geriefelijk celletje. Met die nissen, waar je je boel kan bergen. En wat een aardig lampje!

—En ’s morgens, zei Cecilius; mogen we baden in zee, voor dat de meester op is.

—Heerlijk! riep Cecilianus uit. Dan zijn we net héel voorname burgers, die gaan baden in zee bij Baiæ of Antium....

—Of je den een hoort of den ander....! zei Zozimus.

Zij hurkten allen neêr voor het celletje.

—Ben je niet moê, mijn jongen? vroeg de Jager, toen Cecilianus leunde tegen Cecilius aan. Wil je niet leunen tegen mij?

—Nou, zei Cecilianus. Ik leun nu maar tegen Cecilius.... Heb hem zoo lang niet gezien.

—Ja.... zei Cecilius; zoo lang elkaâr niet gezien....

Ze lagen stil tegen elkaâr. Zij sloten samen de oogen.

—Ik zal wat spelen, zei Zozimus.

Hij nam een dwarsfluit uit zijn borst. Hij floot zacht. De jongens lagen over den grond, tegen den muur, als sliepen zij. De Jager zat op den drempel, titaniesch en somber.

Een slavin kwam aan.

—Plautilla zendt mij, zeide zij. Dit zijn de jasjes, voor de komediantjes. Omdat het aardiger is, als zij gelijk gekleed zijn.

—Leg maar neêr, zei de Jager somber.

De slavin legde de kleêren op het smalle bedje, waar de jongens zamen zouden slapen. Zozimus speelde heel zacht. En de Jager, somber, staarde steeds naar de jongens, die vast sliepen, hand in hand en blonde hoofd tegen blonde hoofd, op den grond, tegen den muur....

XVIII.

Eentonig en stralend sleepte de zomer voorbij en de dominus zag uit naar de eerste herfstkoelte. Dan begon een drukke seizoen: vermoedelijk eerst in Rome particuliere Spelen, door den rijken Sextilianus te geven; dan Spelen in Neapolis, dan in Syracuze, en dan naar Karthago.... De dominus ten minste zag uit naar die gouden dagen, die, naar hij hoopte, goed zouden maken wat de lange zomer bedorven had. Toch, reden om veel te klagen had hij niet: vele zijner komedianten bleef hij verhuren; de knechten bij den voller; de meer geletterde bij de boekhandelaren als kopiïsten; de adulescens.... nu, die bleef altijd gezocht en vele patricische vrouwen bespraken hem voor een paar weekjes; het was altijd aangenaam, des zomers, als de Theaters waren gesloten, een komediant van talent thuis te hebben.... En de tweelingen, ja, die waren nog steeds bij Plinius, die zelfs vergoeding voor ze betaalde, hoewel de dominus Plinius bezworen had—als een cliënt zijn patroon—dit toch niet te doen en dat alleen reeds het verblijf der jongens te Laurentum groot, onberekenbaar groot voordeel was. Plinius zelve was, op aandrang ook zijner vrienden, naar zijn prachtige villa in Toskane, waar zijn zieke vrouw meestal verblijf hield: zonder te vluchten, was deze tijdelijke afwezigheid van een plaats zoo dicht bij Rome als Laurentum was, verstandig in deze dagen, dat de Keizer, waarom wist niemand, op Plinius gebeten scheen.... Maar de jongens mochten in Laurentum blijven en ze hadden er een leven als prinsen. Toen de dominus, op zijn muil gezeten, eens kwam kijken, vond hij, door Hermes geleid, hen in een eenvoudig maar sierlijk zomer gewaad, gezeten in de bibliotheek. Zij zaten samen bij het opengeschoven venster van spiegelsteen in twee gemakkelijke kathedræ geleund, de wit geschoeide voeten op éen voetenbank. Rondom hen heen waren de citroenhouten paneelen der boekenkasten geriefelijk open geschoven en rollen in bronzen cylinders stonden bij de hand: op tafels van azuursteen stapelden boeken en handschriften. Borstbeelden van filozofen en dichters, op lage porfieren zuiltjes, schenen deftig, rondom, de lezende komediantjes te bekijken.

De twee jongens, gemakkelijk gezeten, met hun lectuur, vonden het niet noodig op te staan.

—Dag, dominus, zei Cecilius.

—.... dominus, groette Cecilianus.

—Wel, wel! zei de dominus; zitten de heeren nog al gemakkelijk? In de bibliotheek van den edelen Plinius?

—Dat gaat vrij wel, zei Cecilius.

—Dat gaat zelfs meer dan vrij wel, zei Cecilianus. Maar we mògen, dominus.

—Ja, we mògen van den edelen....

—.... den edelen Plinius.

—En hij heeft ons zelfs gevraagd, toen hij weg ging, fluisterde Cecilius, met een blik naar de deur of Hermes niet hoorde; om de boeken en rollen in orde te brengen, want Hermes, die zet maar Latijn naast Grieksch en Zozimus is meê met zijn meester, om van lucht te veranderen, weet je, en nu zullen wij naar behooren de boeken schikken. We hebben juist al de Grieksche tragici bij elkaâr geplaatst en er zijn zùlke mooie en antieke handschriften, van Sofokles en Euripides: je hebt er geen dènkbeeld van, dominus.

—Kijk eens! toonde Cecilianus een kostbaar Grieksch handschrift, van De Vogels van Aristofanes.

—Zijn jullie maar voorzichtig met die kostbare dingen, beval de dominus aan. Dus, zijn de heeren geen kwijnende lelies meer?

—Hoe, kwijnende lelies? vroeg Cecilianus, doodkalm.

—Wat meen je, dominus, met kwijnende lelies? vroeg Cecilius, eveneens, doodkalm, na.

—Nou, een tijdje geleden, toen de heeren niet bij elkaâr waren, hing den eene de kop naar rechts en den andere de kop naar links, geloof ik. Was de eene ziek bij den Keizer en de andere ziek bij Martialis.

—Ziek? vroeg Cecilius verbaasd.

—Hoe meen je, ziek, dominus? vroeg Cecilianus, nog verbaasder.

—Wel, bij Herkles, waren jullie dan toen niet ziek? Ziek, dat we dachten, dat jullie dood zouden gaan?! Ziek, zièk, zièk; mager, bleek, slap als vâdoeken??

—Ik heb me nóóit zoo erg ziek gevoeld, zei Cecilianus, lichtelijk verwonderd.

—Ik óok niet! beaâmde Cecilius nog meer verwonderd dan Cecilianus was. Ja, ik was wel eens wat moê, als ik voor den Keizer gedanst had....

—O ja, zeide Cecilianus, luchtig; ik had wel eens wat het lànd, omdat Cecilius zoo lang weg bleef.

—Maar ziek....!

—Neen, zièk!

—Dat zijn we, dominus, heusch....

—Geen van beiden....

—.... Neen, geén van beiden geweest!!

En ze keken beiden, hoógst verwonderd, den dominus aan: ze zagen er frisch, blozend uit, de blonde haren keurig geborsteld en met een witten band weg gebonden om de slapen en hunne ondeugende, bruine oogen keken helder en verwonderd, glànzend, den dominus aan, terwijl zij in de ruime kathedræ zaten, de wit geschoeide voeten op de zelfde voetschabel.

—Nou, zei de dominus, schouders ophalend, hoofd schuddend, omdat je nóoit iets zeggen kon van die „dondersche jongens”; des te beter dan; jullie zien er pràchtig uit....

—Dat is de zeelucht, zei Cecilius.

—En dat zijn de zeebaden, zei Cecilianus. Iederen morgen. Heerlijk.

—En dat is de rust, zei Cecilianus. De vacantie....

—We zullen het in October druk....

—Drùk genoeg....

—.... ja, krijgen.

—Eerst die oude Sextilianus....

—Neapolis....

—Syracuze....

—En dan waarachtig heelemaal naar Karthago! eindigden de beide jongens te gelijker tijd.

—We verdiènen wel eens wat te rusten....!

—Verdiènen? Of we het verdienen....!

—Nou, zei de dominus. Ik heb jullie gezien. Ik ga dan maar weêr weg.

De jongens stonden op en rekten zich.

—Doe dat nou niet, zeiden zij, gapende.

—Blijf nu van daag eens....

—Hermes zal het niet aardig vinden als je zoo dadelijk weêr weg gaat.

—Help ons liever eens met den bibliotheek, dan is die gauw....

—.... ja, in orde. En van middag....

—.... komt Carpoforus. En Colosseros misschien ook.

—Dan baden we allen te zamen weêr. En gaan we een beetje paard-rijden.

—En Carpoforus en Colosseros leeren ons worstelen. Kijk eens, wat een biceps ik krijg, zei Cecilius, schoof zijn mouw hooger en spande zijn blanken, ronden arm, waarop van biceps geen spoor was.

—Nou, maar ik ook, zei Cecilianus en spande den zijne.

—Als jullie te veel biceps krijgen, kan je niet meer de „eerste-vrouwerollen” spelen, zei de dominus.

—O, zoo een vaart loopt het niet....

—.... Nog làng niet. Al krijg jij al een snor, Cecilius.

—Nou, jij ook. En zelfs een baard!

—Ik, een baard!! zei Cecilianus en streelde zijn wang. Het is als een perzik zoo zacht. Laat eens voelen bij jou....

Hij voelde Cecilius’ wang.

—Jij hebt meer dons dan ik, zei Cecilianus. Je moet niet eerder dan ik een baard krijgen....

—In der Goden naam niet! riep de dominus. Alles maar preciès eender krijgen en doen! Want anders worden de heeren weêr kwijnende lelies.

—Verbeeldt je toch, zei Cecilius. Wij! Kwijnende lelies....!

—Kwijnende lelies!! herhaalde Cecilianus, oogbrauwen opgetrokken met hoogst onbegrijpelijk gezicht.

—Dus mag ik blijven, denken jullie? twijfelde de dominus.

—Natuurlijk, dominus, zeiden de jongens.

—De edele Plinius, zei Cecilius, heeft Carpoforus en Colosseros óok vergund nu en dan eens te komen. Om ons gezelschap te houden. Want nu Zozimus wèg is....

—Hebben we nièmand, viel Cecilianus in. Hermes....

—Die is zoo dòm, fluisterde Cecilius.

—Wel goèd.... fluisterde Cecilianus.

—Maar dom.... Verbeeldt je toch, Grieksche....

—Ja, bij Latijnsche boeken.... En hij is zelf nog wel een Griek. Hij ziet het toch alleen al aan de letters! Euripides vlak naast....

Cecilianus poefte van het lachen.

—Plautus!! proestte Cecilius het uit.

En zij vielen tegen elkander aan van het lachen, maar Hermes, juist, kwam aan, hoffelijk en volstrekt niet bewust, dat hij zoo ongeletterd gehandeld had door in de bibliotheek van zijn meester een Griekschen tragicus te zetten vlak naast een Latijnschen comicus.

De dominus bleef en Hermes onthaalde hem. Ook de beide gladiatoren kwamen. En het was een dag van genoegelijk samenzijn. Want Hermes, al had hij dan Euripides naast Plautus gezet, was, naar zijns meesters voorbeeld, een hoffelijk gastheer en wat hij deed om zijn gasten te onthalen, was, dit wist hij, geheel in den geest van zijn afwezigen meester. Er was dus, voor aan het strand, een samenkomst voor alle vrijgelatenen en slaven; de jongens dansten, zongen en worstelden, de twee gladiatoren gaven een spiegelgevecht ten beste; er was een algemeen bad in zee, en een maal besloot den middag. Na het maal gingen de gladiatoren, de jongens en de dominus de heuvelen op en zij lagen er in het gras, achter zich de zacht zilveren doezeling van het olijvebosch, voor zich de zomerzee, wìer azuur overduisterd werd door de eerste malve-kleurige asschen, die de avond zeefde. Paars werd het alles of viooltjes vielen den hemel uit....

—Ik moet weg, zei de dominus lui, zich rekkende. Ik zal mijn muilezel halen en ik moet weg, naar Rome.

—Waarom? vroeg Cecilius; hij lag lui tegen Colosseros aan, terwijl Cecilianus, leunende tegen des Jagers knie, herhaalde:

—Waarom moet je naar huis, dominus?

De dominus legde het uit. Voor de particuliere, Scenische Spelen, die de schatrijke Sextilianus woû geven, over enkele weken, was veel te doen. Morgen vroeg, misschien wel dezen avond, wilde hij pogen den maskermaker te spreken, want er wàren nieuwe maskers te bestellen. De kostumen zouden zijn van een ongeëvenaarden rijkdom en het was te dwaas voor een dominus-gregis om zoo zijn tijd te verlummelen, onder de olijven, in het gras.

—Kom, dominus, zei Colosseros; laat het ons er àllemaal maar eens van nemen. Laat ons hier blijven slapen, onder de olijven.

—Ik moet naar Rome, zei de dominus, heel lui, onder den indruk van het goede maal en den gezonden dag in de buitenlucht; en de jongens moeten meê, nu de edele Plinius ze niet meer noodig heeft. Om te repeteeren. Ik woû ze eens, voor de afwisseling, de Tweelingbroeders van de „Menæchmi” laten spelen en dan zonder maskers, omdat ze toch zoo veel op elkander lijken. Het zoû wel aardig zijn, twee zulke lieve, jonge tweelingbroêrtjes, in de „Menæchmi”. Ze moeten langzamerhand adulescens-rollen gaan spelen, nu ze biceps hebben en een snor krijgen. Hoor je, Cecilius.

Maar Cecilius antwoordde niet, want was in slaap gevallen tegen Colosseros aan, die ook sliep.

—Hoor jij, Cecilianus?

—Hè?? vroeg slaperig Cecilianus, genesteld tegen zijn grooten vriend, den Jager, die hem zorgzaam in zijn mantel omwikkeld had.

—Slapen jullie? riep de dominus.

—We slapen allemaal zoo een beetje, dominus, zei Carpoforus; blijf nou óok maar slapen....

Zij sliepen: de dominus ook, streed niet meer. Zij sliepen, terwijl de starren ontloken. Toen hij wakker werd, was het donker; Carpoforus was juist opgestaan.

—De dauw valt, zeide hij. Kom, laat ons naar huis gaan. Het is te laat geworden, dominus, om naar Rome te gaan.

Zij rekten zich allen en stonden geeuwende op.

—Ja, zei Colosseros. De wegen zijn niet veilig, dominus, voor jou, om alleen, op een muilezel, naar Rome te rijden. En wij zouden je wel kunnen beschermen, maar wij blijven hier, niet waar, Jager?

—Wij blijven hier, zei de Jager.

Zij slenterden naar de villa terug, die stil, wit, wijd in de nacht zich strekte aan zee. Zij legerden zich in de celletjes van Cecilius en Cecilianus: de jongens, de gladiatoren, terwijl de dominus, door de starrenacht tot peinzing gewekt, aan zijn nieuw choragium te denken zat op den drempel. Tegen den morgen sliep ook hij in. Hij ontwaakte laat. Zij zouden nu alle vijf naar Rome terug gaan. Te paard, te muil, te ezel. Zij bedankten Hermes en gingen, vóor de eerste ure. De morgen was zilver doorsprenkeld van dauw. Vóor hosten de jongens op hun ezeltjes, als echte bengels, als kinderen. De gladiatoren, te paard, reden aan weêrszijden van den dominus, op zijn muil. Het was alles zorgeloosheid en levensblijdschap. De drie mannen lachten om de tweelingen, die zoo dol deden op hun geduldige, alles van hen verdurende dieren.

Zij reden de Porta Ostiensis binnen en de stad was reeds druk van morgengedoe. Tusschen de groentekarren, die naar de markt, tusschen de steen- en marmerblokkarren, die naar de nieuwe wijken, bolderend, door hier stof, daar modder gingen, reden zij mede dwars den Aventinus over en langs het Septizonium, naar de nieuwe wijk, om het Colosseum.

—Wij zijn thuis, zei de Jager: bij het Colosseum was zijn ludus, zijn gladiatoren-school, waar hij als lanista de jonge gladiatoren drilde, waar hij woonde ook en hij maakte zich gereed af te stappen....

Toen zij een menschenmenigte gewaar werden, die stroomde de richting uit van de nieuwe wijk achter de Suburra....

—Wat is dáar te doen?

—.... daar te doen?? riepen de tweelingen om zich heen.

Er klonken verwarde uitroepen; meerdere nieuwsgierigen stroomden zamen, allen in die zelfde richting. Uit de gladiatoren-school kwamen de zwaardvechters aangeloopen; uit het Colosseum de immer daar nog bezige metselaars en architecten; van verder, uit de Baden van Titus, de baders....

—Is er oproer? vroeg Colosseros.

—Is de Keizer vermoord? vroeg de dominus.

—Dàt moesten ze eens wagen! bulderde Carpoforus.

—Er is een huis ingestort!! antwoordde het eindelijk verward om hen rond.

—Een huis? Wáar? riepen alle nieuw aangekomenen, samen stroomende.

—Achter de Suburra! antwoordden die het al wisten. Ja, een huis, een hóog huis ingestort! Ze bouwen ook maar tegenwoordig, dat het snèrt is! Het hoeveelste huis is dit nu al, dat hier in stort, in de nieuwe wijk?

—Welk huis, welk huis?? riepen allen, die bezorgd waren om verwanten, vrienden.

—Het huis van den voller! riep het rondom.

—Het huis waar Autronius woont, den slavenkoopman!

—Alle heilige goden van den Olympus!! riep de dominus. Dat is waar ik woon!!

—Ingestort! verzekerden wie het wisten en knikten de koppen.

—Dat is waar mijn caterva is gehuisvest! riep de dominus radeloos. Wanneer is het ingestort??

—Geen half uur geleden!

—Het is een hoop puin!

—Menschen omgekomen?? vroegen de gladiatoren, terwijl de jongens—allen steeds te paard, te muil en te ezel—aan het huilen sloegen....

—Wat denk je dan? riep het rondom. Ze zijn niet vroeg in die wijken achter de Suburra. De voller was aan het werk maar die is....

—En de slaven van Autronius....?

—En mijn komedianten? Mijn komedianten?? riep de dominus.

—Die zullen ook niet heelhuids zijn, dominus! riep het rondom.

De dominus schreeuwde van ontzetting, de gladiatoren vloekten, de jongens zetten het op een gillen. De geheele menigte nieuwsgierigen drong, drong, omstuwde de karren, die niet voort konden, omstuwde de vijf ruiters. De morgen was gevuld met het misbaar. Een huis ingestort, en het hoeveelste al?? Was het niet een schande, zoo als ze bouwden? Moest er eindelijk geen wèt daarop komen? En het drong, het drong alles, het stuwde voort, in nieuwsgierigheid en verontwaardiging, het stroomde voort in een onweêrstaanbaren drang. In de straat, waar de ramp geschied was, was de geheele Suburra leêg geloopen. En plotseling, toen zij een hoek omsloegen, zágen zij het en afgrijzen was in hun gegil, gebaar, geschreeuw en gevloek. Het hooge, het vijf verdiepingen hooge huis van den voller lag in een witte hoop puin. Een tragische wolk van stof wemelde er nog als een blanke asch uit op en zweefde de atomennevel nog over de vroege morgenlucht. Nader, nader komende, zag de dominus, dat de muur van Autronius’ woning nog stond, afgebrokkeld, maar overeind, dun, wankel en berstende.... Maar ter andere zijde was het een naamlooze puinhoop van metselwerk en steen en uitgezakte vloeren en zolderingen, waarover het houten dak, meê gezakt, zich nog breidde.

—O goden! O goden! O goden! riep steeds de dominus. Goede menschen, zèg mij: wat is er van mijn caterva?!

Hij sloeg de handen in de lucht, hij schreeuwde het uit, hij smeekte om inlichting. Plotseling zag hij, afgegleden van den muil, Nilus, die zich baan maakte naar hem. En achter Nilus gilden de vrouwen aan, de dikke Alexa, Gymnazium, de meiden van Taurus en Taurus zelve, allen schreeuwende, gillende, huilende, roepende tot de goden.

De dominus snikte in de armen van Nilus. En Nilus vertelde het hem, terwijl Taurus en alle de vrouwen, roepende, huilende, gillende, schreeuwende, hem telkens onderbraken met beklag en met bovenmatige wanhoop. Even na de eerste ure was het gebeurd. Een gekraak en toen een gerommel van steenen als of het aardbeefde en het aardbeefde niet. Ja, riepen de meiden; iedereen had aan aardbeving gedacht maar het aardbeefde niet, het aardbeefde niet: het huis stortte in, zonder aardbeving. Het was ingestort zoo in éenen, in nauwelijks ènkele minuten. Het was bij den voller begonnen en nauwelijks enkele zijner werkers en werksters hadden zich kunnen redden.

—En mijn caterva? Mijn caterva?? schreeuwde wanhopig de dominus en de tweelingen, af van hun ezels, schreeuwden als hij en de gladiatoren bulderden om toch te weten.

Plotseling zag de dominus Syrus, zijn eerste „slave”-rol. Hij had een doek om zijn hoofd en zij duwden hem naar den dominus toe in de nauwe straat, die, waar het huis gestaan had, versperd was door het steeds wolkende puin.

—Syrus! riep de dominus. Syrus! Waar zijn de anderen??

Syrus had een huil van smart en een armgezwaai van wanhoop. Waar zij waren? Dáar! Dáar! Onder dat puin, begraven, dood of half verstikt, verbrijzeld....

—Uitgraven, uitgraven! riepen zij rondom en reeds kwamen er met schoppen aan.

—Mijn caterva! Mijn caterva!! gilde de dominus. Eén-en-twintig slaven!! Heeft niemand zich kunnen redden dan jij....??

—Afer! Afer!! gilden de vrouwen. Hier is Afer, dominus!

Zij brachten Afer, hem steunende, hinkende op en Afer zeide, schokkende over heel zijn knoestig lichaam:

—Ik nog, dominus, maar ik geloof....

—Wàt geloof je? schreeuwde de dominus.

—Niemand anders! Ze sliepen nog! Het was zoo vroeg en ze waren nog niet op weg naar hun werk, bij de boekhandelaren. Ik werkte al bij den voller en heb me kunnen redden maar struikelde in de trap....

—Die kwam in splintertjes hout naar beneden! riep Syrus; juist toen ik hem af was gehold. De anderen, die ik gewaarschuwd had, kwamen achter me....

Een geroep, een gejammer ging aan. Dragers brachten het eerste lijk: het was Autronius, de dikkert; hij was getroffen vlak op zijn drempel.

—Mijn „paraziet”!? schreeuwde de dominus, om zijn kostbaarsten slaaf....

—Ik heb hem nóg niet gezien! jammerde Syrus en de tweelingen omhelsden hem en zij omhelsden Afer.

—Mijn adulescens! schreeuwde de dominus. Al mijn dure slaven! Dood? Allemaal dood!?

Hij schreeuwde als een bezetene en allen schreeuwden om hem rond. Het was een armgewring, een vingergekramp in de lucht; de open monden vertrokken in jammerkreten; er was éen gemeenschappelijke, luidruchtige smart om den ramp, als had ieder dier velen een onheil getroffen.

Carpoforus verzamelde zijn gladiatoren. En zij duwden de menigte weg en riepen om schoppen; zij tilden de steenblokken en gestortene balken. En het was als een berg van puin, een berg, die steeds wolkte van witte asch en gekreun klonk nu duidelijker van slachtoffers, levend nog maar verbrijzeld, half verstikt onder de puinhoopen.

—Mijn caterva! Mijn caterva!! schreeuwde en snikte steeds de dominus: de tweelingen hingen, jammerend ook, aan hem en schreeuwden en snikten en plots, omhelsde hij hen razend, met een gil, tegen zich aan en zij schreeuwden allen en gilden; de meiden van Taurus en Gymnazium en de Alexandrijnsche kreten als katten met een zelfden uitroep, als van woedende smart, tegen de goden, maar Taurus hief hoog de gebalde vuisten en schold schuimbekkend tegen de ædilen....

—Plaats! Plaats!! riepen aankomende slaven, met zweepen. Plaats voor de Viermannen....

Er was een razend geschimp, een geduw, een gedrang, een gehuil. Maar Nilus nam den dominus, zijn arm om diens schouders, meê en wilde hem naar de taveerne brengen en de tweelingen, met Syrus en Afer, tusschen al de vrouwen, volgden, krijschende, snikkende, vragende, roepende, de goden vloekende, de ædilen vloekende....