WeRead Powered by ReaderPub
De Koning der Zee cover

De Koning der Zee

Chapter 9: HOOFDSTUK III.
Open in WeRead

About This Book

Een jonge marine-luitenant op verlof stapt aan boord van een kleine kotter en raakt al snel verstrikt in een reeks zeemansavonturen, begonnen met het merkwaardige geval van het beschadigde oorlogsschip Zieten. Onderzoek wijst op een geheim gebouwd pantserschip, de Almirante Constant, en mondt uit in gevangenschap aan boord van een raadselachtig vaartuig, verraad en zeeroof, gevolgd door mijnvelden en hinderlagen. Hulp van andere schepen, een sluwe list en luchtwaarneming spelen een rol bij gevaarlijke reddingen en de diefstal van marconitechniek, die leiden tot een grote zeeslag. De handelwijze van het vaartuig Olijftak en persoonlijke wraakmotieven bepalen uiteindelijk de afloop.

The Project Gutenberg eBook of De Koning der Zee

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De Koning der Zee

Author: Percy F. Westerman

Illustrator: André Vlaanderen

Translator: A. F. Pieck

Release date: July 28, 2018 [eBook #57593]

Language: Dutch

Credits: Produced by R.G.P.M. van Giesen

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE KONING DER ZEE ***
[Illustratie: kaft]




DE KONING DER ZEE





HOOFDSTUK I.

Het wonderlijke geval met de "Zieten".

Het was een snikheete middag in de maand Augustus.

Fel blikkerden de zonnestralen op de spiegelgladde watervlakte van de haven van Portsmouth. Slap hingen de witte vlaggen van de talrijke oorlogsschepen in de bijna windstille lucht.

Eventjes schommelend aan haar ankerketting op de eerste rimpeling van het opkomend getij, lag daar de torpedoboot-vernieler "Calder". Ze maakte nu een veel minder trotschen indruk, dan toen ze een paar dagen geleden de haven verliet. De machine was onklaar geraakt en daardoor had ze moeten terugkeeren om de vrij ernstige schade op de werf te laten herstellen. Dat zou stellig wel een paar maanden in beslag nemen. De officieren hadden verlof gekregen het schip te verlaten, want een enkele torpedist was voldoende voor het toezicht.

Ting-ting! Ting-ting! Ting-ting! Ting-ting!

Acht keer rinkelde met een hard geluid een schel en toen kwamen twee mannen op 't dek, behendig klauterend uit het kleine luik, dat toegang gaf tot de groote kajuit.

De eerste was een slanke man, met een mager en scherp-geteekend gezicht: de kapitein-luitenant ter zee, die het bevel voerde over de "Calder". De ander was luitenant Gerald Tregarthen, met wien we wat meer van nabij zullen kennismaken.

Hij was zoo wat even lang als de kapitein, dat wil zeggen ruim vijf voet, als hij op zijn kousen stond en zijn breedte was daarmee evenredig. Zijn gezicht, gebruind en verweerd door zon, wind en zeeschuim, was glad geschoren en had een jongensachtige uitdrukking met iets schalks in zijn diepblauwe oogen.

Toch was het hem wel aan te zien, dat hij de flinkheid, die zijn gevaarlijk beroep eischte, niet miste.

In zijn nog korte, maar zeer voorspoedige loopbaan had hij talrijke bewijzen gegeven van vastberadenheid, koelbloedigheid en onversaagdheid, zoodat men in de toekomst nog veel van den jongen officier verwachten mocht. Zijn voorspoed had hij ook en vooral te danken aan ijverige studie en harden arbeid, waardoor hij zich een goeden naam als artillerist en torpedist had verworven, terwijl zijn zeemanskunst in de marine algemeen bekend was. Zoo was hij reeds op jeugdigen leeftijd voor bevordering in aanmerking gekomen.

Gerald Tregarthen droeg nu geen uniform, hij was in politiek, maar de burgerkleeding deed niet te kort aan zijn flinke houding. Hij had een verlof van zes weken gevraagd en verkregen, nu de "Calder" toch tijdelijk werkeloos moest blijven en het klinkt wel een beetje vreemd, maar het was zijn voornemen om het grootste deel van dien tijd op het water door te brengen.

Algemeen bekend is de geschiedenis van den koetsier van een Londensche omnibus, die eens een vrij dagje had, wat maar uiterst zelden gebeurde en die zijn vacantiedag niet beter wist te gebruiken, dan door als passagier met zijn eigen voertuig te gaan meerijden. Dezelfde gevoelens, die dezen koetsier er toe brachten uit rijden te gaan, bezielen honderden blue-jackets en mariniers, als ze op verlofdagen bootjes huren om te gaan spelevaren.

In alle oorden van de wereld, waar zich Engelsche matrozen bevinden, kan men dan ook vroolijke pekbroeken aantreffen, die hun vrijen tijd in gehuurde bootjes doorbrengen, alsof deze vorm van uitspanning de meest aantrekkelijke voor hen is. En zoo behoeft het ons dan ook niet al te zeer te verwonderen, dat Gerald Tregarthen het plan maakte, zijn verlof te gaan doorbrengen aan boord van de 4-tons kotter "Playmate", die op dat oogenblik in de haven van Poole lag en toebehoorde aan zijn ouden schoolmakker Jack Stockton.

Zoodra de twee officieren op het dek verschenen, klonk de heesche stem van den kwartiermeester, die bevelen gaf. Vlug voerden de mannen van de ploeg voor de boot die bevelen uit en de kleine boot werd aan stuurboord naast het schip gebracht. De bagage van Tregarthen, alleen bestaande uit een volgepakt valies, werd erin geworpen en nadat de luitenant zijn commandant had vaarwel gezegd, nam hij plaats in den stuurstoel.

Vlug gleed de boot over het vlakke water en een kwartier later stapte Gerald Tregarthen aan wal bij de Koningstrap.

Gevolgd door den matroos, die zijn valies droeg, liep hij naar den hoofdingang van de werf. Eén van de chauffeurs, die met hun wagens dicht bij de poort stonden, kreeg hem dadelijk in het oog en bracht zijn taxi naar de plaats, waar Tregarthen stond.

"Naar het station!" riep de luitenant, terwijl hij instapte. Maar voor hij het portier achter zich had toegetrokken, kwam er een krantenjongen naar hem toehollen.

"Avondblad, mijnheer? De laatste scheepstijdingen!" Dat trok natuurlijk den zeeman.

Tregarthen kocht de krant, stapte toen in de taxi en voort ging het naar het station.

De chauffeur zette flink aan, maar tweemaal hadden ze een klein, onvoorzien oponthoud op hun rit door de drukke straten en dat was juist genoeg om de plannen van Tregarthen in de war te sturen. Toen hij aan het station kwam, bemerkte hij, dat hij precies twee minuten te laat was voor den trein van 4.45 naar Bournemouth. Dat het verlies van die twee minuten een geduchte verandering zou brengen in zijn loopbaan in de naaste toekomst, kon hij toen zelfs niet vermoeden.

"Volgende trein 6.2, mijnheer," antwoordde een kruier op zijn vraag.

"Dat tref ik. Meer dan een uur wachten," bromde Tregarthen.

Hij zocht een gemakkelijk plaatsje op een van de banken op het perron, zette zijn valies naast zich, vouwde de krant open en was al heel gauw in de lezing verdiept.

Eerst de "Marine-berichten", waarin hij nieuwtjes vond omtrent enkele van de talrijke officieren, die hij persoonlijk kende. Toen kwamen de "Scheepstijdingen" aan de beurt en daarna viel hem een berichtje in 't oog, dat dadelijk zijn belangstelling trok.

"Het nieuwe pantserschip, Almirante Constant, verliet gisteren de Tyne. Een hardnekkig gerucht heeft in zekere kringen geloopen, dat het vaartuig, gebouwd in 't geheim, bestemd is voor de Braziliaansche Marine. Uw correspondent heeft de meest nauwkeurige nasporingen op dit punt gedaan, maar de betrokkenen weigeren, inlichtingen te geven. Eén ding is zeker: het schip moet onbewapend worden geleverd aan een Amerikaansche firma."

"Wat zouden die Zuid-Amerikaansche Republieken met zulke nieuwerwetsche oorlogsschepen moeten uitvoeren?" dacht Tregarthen, terwijl hij de weerbarstige bladen van de krant omvouwde. "'t Is een veel te gevaarlijk speelgoed voor die menschen, net of je een kind een scheermes in handen geeft. Voor een Europeesche zeemogendheid zou een half dozijn van die schepen nog niet veel beteekenen, maar dat is heel wat anders.... Hé, wat hebben we daar verder?...."

"Een telegram uit Wilhelmshaven, gedateerd den 2en dezer, meldt, dat de Keizerlijke kruiser derdeklasse Zieten daar is binnengevallen, blijkbaar in moeilijkheden verkeerend. Twee sleepbooten brachten het schip in de haven. Kapitein Schloss ging onmiddellijk aan land en verzond een uitgebreid rapport aan de Admiraliteit. Niemand van de bemanning mocht het schip verlaten, zoodat uw correspondent niet in staat was verdere bijzonderheden te verkrijgen over het ongeval. We hebben reden aan te nemen, dat er een ernstig ongeluk aan boord gebeurd is."

"Later bericht. — Van den gezagvoerder van de sleepboot Vulkan vernemen we, dat de kruiser Zieten, twee honderd mijlen westwaarts van Helgoland, plotseling werd overvallen door een magnetischen storm van ongekende kracht. Alle geleiddraden aan boord waren gesmolten, de installatie voor draadlooze telegraphie en de kompassen weigerden allen dienst. De gevechtswaarde van de Zieten is voor het oogenblik teruggebracht tot die van een kruiser, zooals er dertig jaar geleden gebouwd werden. Het staat vast, dat het schip nog sterk geladen is met electro-magnetisme en geruimen tijd zal moeten dokken. Kapitein Schloss moet er ernstig aan twijfelen, of het wel ooit weer geheel zeewaardig zal kunnen worden."

Gerald Tregarthen had het bericht met de grootste belangstelling gelezen. Eerst was hij geneigd er mee te spotten, want hij dacht, dat de gezagvoerder van de Duitsche sleepboot zich een sprookje op de mouw had laten spelden. Hij had zelf in de tropen herhaalde malen hevige electrische stormen meegemaakt, maar nooit hadden de kompassen en fijne electrische instrumenten beduidende schade geleden. Mocht het echter waar zijn en zou het verschijnsel meer voorkomen, dan zouden de gevaren en moeilijkheden aan de zeevaart verbonden, nog geducht toenemen.

Toen hij zijn krant had opgeborgen kwam het Gerald in de gedachte, dat hij nog wel even aan zijn vriend Jack Stockton kon telegrafeeren, om zijn overkomst te melden.

Hij wandelde op zijn gemak naar het telegraafkantoor om zijn voornemen uit te voeren. De tijd schoot daardoor meteen nog wat op en zoo kwam er toch ook weer een eind aan het vervelende uur.

De trein kwam vóór en Tregarthen zocht een gemakkelijk plaatsje in een eerste-klasse-coupé. Aan het station Southampton-West kocht hij een deeltje goedkoope reislectuur en een avondblad van een Londensche krant. Hij begon met de lezing van het laatste en het eerste wat hem in 't oog viel, was een bericht van Reuter's agentschap, uit Wilhelmshaven, dat alweer handelde over het geheimzinnige geval, waarvan hij straks aan het station gelezen had. Reuter meldde het volgende:

"Het vreemde ongeval van den kruiser Zieten, schijnt veel ernstiger dan men eerst veronderstelde. Het schip is waarschijnlijk zwaar geladen met electriciteit van onbekende soort. Zijn standaardkompas is opgezonden naar het keizerlijk laboratorium te Berlijn. En nu is de groote kruiser, Von der Tann, die in het dok lag in de onmiddellijke nabijheid van de Zieten, ook door den vreemden stroom aangetast. Om verdere nadeelige gevolgen te voorkomen is er bevel gegeven, dat de Zieten het dok moet verlaten en op stroom moet gaan liggen."

Verder stond er nog, dat alle berichten omtrent de Zieten ontvangen waren over Middelkerke en Dumpton Gap, daar de onderzeesche kabel tusschen Borkum en Lowestoft beschadigd was. Een telegraaf-kabelschip had de Theems verlaten met bevel te trachten, de storing tot een bepaald gedeelte van den kabel te beperken en ze daarna te verhelpen.

Tregarthen begon nu toch te denken, dat er wel iets waar zou zijn van de vreemde geschiedenis en hij was verlangend er nog meer bijzonderheden van te vernemen. Hij zocht in de lange, fijn-gedrukte kolommen van de krant en vond ten slotte nog het volgende:

"Omtrent het Zieten-incident wordt via Lowestoft bericht, dat alle sporen van het ongewone verschijnsel verdwenen zijn. Kompassen en electrische instrumenten werken weer normaal."

Meer stond er niet in het blad. Tregarthen vouwde het dicht en stopte het tusschen de riemen van zijn valies. Hij kon er niet toe komen, met de lezing van zijn deeltje spoorweg-lectuur te beginnen, want het voorval met den Duitschen kruiser hield zijn gedachten te veel bezig. Hij verdiepte zich in de vraag, wat hij zelf wel doen zou, als een vaartuig, dat onder zijn bevel stond, in zulke omstandigheden kwam.

Ongemerkt schoot daardoor de tijd op en voor hij het wist, stopte de trein aan het station Poole. De duisternis was reeds gevallen. Gerald stapte uit en zocht op het volle perron naar zijn ouden schoolmakker. Maar geen Jack Stockton was er te zien.








HOOFDSTUK II.

Waarin we kennis maken met de "Playmate" en haar schipper.

"Er zal niets anders opzitten, dan te probeeren de Playmate te vinden," dacht Tregarthen. "Misschien heeft Jack mijn telegram niet ontvangen. Ik hoop niet, dat hij uitgezeild is, zonder op mij te wachten, maar verwonderen zou me dat niet, want 't is eenmaal zijn vaste gewoonte, om nooit een enkele minuut te wachten, op wien ook."

Toen Tregarthen aan de kade kwam, vond hij daar een groot aantal kustvaartuigen: brikken, schoeners, lichters en vrachtbooten, die in twee rijen rustig voor anker lagen.

Daartusschen merkte hij wel een paar jachten op, maar die waren grooter dan de Playmate.

't Was een wanhopig werk, hier naar het jacht van Stockton te gaan zoeken.

Gerald Tregarthen stond verlegen. Behalve enkele half-beschonken zeelieden, die naar hun vaartuigen terug scharrelden, zag men niemand op de kade en hij stond op het punt, zich naar een nabij gelegen hôtel te begeven, toen hij een stem hoorde, die uit de diepte kwam.

"Een boot, Sir?"

De jonge officier keek naar beneden. Op de plaats, waar hij stond, was een trap gemetseld, die naar het water leidde. Het was eb en de treden zagen er alles behalve uitlokkend uit: vuil en glibberig. Aan den voet van die landingstrap, tusschen den voorsteven van een brik en het roer van een Theems-vrachtboot, lag een roeiboot en daarin stond de man, die geroepen had. Door middel van een korten bootshaak, dien hij in een ijzeren ring in den kademuur gepikt had, hield hij de boot op haar plaats.

"Een boot, Sir?"

"Weet je ook iets van een jacht, Playmate genaamd?" vroeg Tregarthen.

"'t Spijt me, Sir, maar 'k heb er nooit van gehoord," antwoordde de jolleman. "Maar 'k zal mijn maat roepen; die weet het misschien." Hij bolde zijn handen om zijn mond en schreeuwde: "Cartridge, waar zit je?"

De nagalm van de krachtige stem van den jolleman was nauwelijks weggestorven, of er kwam een roep van den overkant.

"Hallo, daar!" dadelijk gevolgd door 't zwak geplas van riemen in 't water.

"Cartridge weet stellig, of er een vaartuig van dien naam in de haven ligt," merkte de jolleman op en toen de boot van den ander den neus schuurde langs het boord van de jol, werd de vraag overgebracht.

"Wat? — De Playmate, van iemand, die Stockton heet? Zeker, die ligt bij de ducdalven!"

"Kan je mij aan boord brengen?" vroeg Tregarthen, blij, dat zijn vriend nog niet was uitgezeild.

"Met alle pleizier, Sir," antwoordde Cartridge.

Tregarthen gaf zijn valies aan den jolleman, die het zijn makker toewierp en toen stapte hij in de eerste boot en wipte daarna in de tweede.

De lange, rustige slagen van den roeier, voerden de boot over het gladde water langs de rij van vaartuigen en toen het kanaal in. Hier, in bijna open water, blies de avondwind krachtig en frisch uit het N.W., zoodat Tregarthen huiverde. Op de brug van zijn torpedoboot was hij aan weer en wind gewend, maar daar had hij zijn dikke stuurmansjekker en de draaibare tent.

De boot voer tusschen lange, lage banken van dampenden modder door, totdat ruim een kwart mijl van de kade, de schemerige omtrekken opdoken van een half dozijn jachten van verschillende grootte. De ankerlichten beschenen het vochtige dek en de overtrekken van zeildoek en trokken lichtende strepen op het kabbelende watervlak.

"Daar is de Playmate, Sir," riep de roeier, rustend op de riemen en over zijn schouder kijkend. Tregarthen volgde de richting van zijn blik.

Ongeveer twintig meter verder lag een sierlijk, klein, wit vaartuig. Door het ronde venster van de kajuit scheen een helder licht over 't water, dat bij Tregarthen een beeld wekte van vriendelijke gezelligheid. Zijn ergernis over 't niet vinden van Stockton en de troostelooze aanblik van de kille, verlaten kade, — alles was vergeten. Hij had een veilige plaats gevonden, waar hij zijn anker kon uitwerpen.

"Playmate, ahoy!"

De roeier trok een van zijn riemen binnen boord en bracht met de andere zijn boot naast het jacht.

"Hallo, daar! Ben jij het, Cartridge?"

"Ja, Sir, 'k heb iemand meegebracht, die U komt bezoeken."

Er werd een geluid gehoord van schuifelende voeten, het luik werd half op zij geschoven en er kwam een hand te voorschijn, die een lantaarn vasthield en daarna het hoofd en de schouders van den eigenaar van de Playmate.

"Hallo, ben jij het?" riep hij uit, toen hij zag, wien hij voor had. "'k Had je niet meer verwacht!"

"Dat heb ik al wel in de gaten," antwoordde Tregarthen, "heb je mijn telegram niet ontvangen?"

"Telegram? — Wat voor telegram? — Maar blijf daar niet staan, kom aan boord!"

Het hoofd van Stockton verdween weer. Tregarthen betaalde den roeier, sprong vlug op het dek en stond een oogenblik later in de kombuis.

Jack Stockton, met een pijp in den mond, was bezig visch te bakken voor zijn avondmaaltijd.

Gerald begon te hoesten. De hitte van de kachel, de tabaksrook en de geuren van visch, soep en zeegras maakten, dat het haast niet was uit te houden. 't Was hier zoo heel anders dan in de kajuit van een oorlogsschip, maar hij zag tegen die bezwaren niet op, hij moest er alleen maar even aan wennen. Die ruwheid was juist een van de aantrekkelijkheden van het leven aan boord van een jacht.

"Excuseer den rommel!" riep Stockton. "Zooals je ziet, had ik je al uitgeschrapt. Maar in een ommezien komt alles in orde. Waar is je bagage?"

"Op 't dek."

"Breng die beneden en ga dan in de kajuit, ik kom gauw bij je. — Pas op je hoofd!"

De waarschuwing kwam te laat. Tregarthen vergat, dat de kombuis van een vier-tons-jacht maar een hondenhok is, vergeleken bij die van Z. M.'s Calder; maar gelukkig was zijn hoofd goed beschermd door zijn stevige pet, anders had hij zeker een flinke buil opgeloopen.

Hij wierp zijn valies van 't dek op den vloer van de kombuis en transporteerde het toen door het nauwe gangetje naar de kajuit, waar hij nog eens met de zoldering in onzachte aanraking kwam. Nu had hij geleerd, zich met de noodige omzichtigheid te bewegen in de bekrompen ruimte. Hij maakte het zich gemakkelijk op een van de breede banken en toen de eigenaar van de Playmate een krachtig avondeten had klaargezet, vroeg hij: "En wat denk je nu te doen?"

"Ik wou een tocht maken door het Kanaal. Heb je daar wat tegen?"

Tregarthen floot tusschen de tanden en zei: "Een beetje gewaagd, vind je niet?"

"Heelemaal niet. De schuit is zoo stevig als een huis, en al wat we noodig hebben is aan boord," zei Stockton.

"Heb je een kompas?"

"Een klein prachtstuk. Alles is in orde."

"Dan ben ik van de partij. — Wat ik zeggen wou, heb je de krant van vandaag al gelezen?"

"Neen, 'k ben wel aan wal geweest, maar ik heb heelemaal vergeten er een te koopen. Maar hoe dat — is er een ongeluk gebeurd?"

"Dat nu niet," antwoordde Gerald, terwijl hij zijn nieuwsblad voor den dag haalde en het bericht aanwees.

"Wat denk je daarvan?"

"Niet veel," zei Jack zonder veel geestdrift, toen hij het stukje gelezen had, "en in allen gevalle hebben wij er niets mee te maken."

Toen Gerald zag, hoe weinig belang zijn vriend stelde in het geval, sprak hij er verder niet over en vroeg: "Wanneer denk je te vertrekken?"

Stockton antwoordde niet dadelijk, maar keek eens naar buiten. — "Zoodra je maar zin hebt," zei hij toen. "De vloed begint op te komen en met den wind, dien we nu hebben, kunnen we mooi naar buiten komen. Wil je me dat rolletje kaarten eens aangeven?"

Gerald deed, wat hem gevraagd werd en zijn makker zocht de kaart van het Engelsche Kanaal uit.

"Vóór het aanbreken van den dag kunnen we St. Catherine bereiken en als 't dan een beetje meeloopt, zijn we vóór zonsondergang bij Kaap Barfleur. Dat is maar vijftien mijlen hemelsbreed."

"All right; vooruit dan maar," zei Tregarthen.

Twintig minuten later ging de Playmate onder zeil. Haar reis was begonnen, zonder dat de twee vrienden konden vermoeden, dat deze de inleiding zou worden van een reeks heel buitengewone avonturen.








HOOFDSTUK III.

In den grond geboord.

Een paar jaar geleden heeft, naar men zegt, een admiraal verklaard, dat de Engelsche zeelui de beste zeilers van de wereld zijn, terwijl een ander hooggeplaatst zeeofficier geschreven heeft: "ik geloof niet, dat er eenige marine is, die slechter dan de Engelsche geoefend is in de behandeling van haar booten — bij ons is het een schande." We kunnen moeilijk zeggen, wie nu wel gelijk heeft, maar in elk geval verwaarloost de Admiraliteit bij de opleiding der zeeofficieren het onderwijs in het zeilen niet: de cadetten te Dartmouth beschikken over een voldoend aantal kotters.

Gerald Tregarthen was dus zeker geen nieuweling aan boord van een zeilvaartuig. Hij had vroeger bij verschillende wedstrijden prijzen behaald en nu hij de inrichting van de Playmate voldoende kende, kon hij gerust de zorg voor het roer op zich nemen, zoodat Jack Stockton de handen vrij had voor andere werkzaamheden.

Kalm gleed de Playmate door het goed verlichte kanaal tusschen de duinen door naar den ingang van de haven van Poole. Daarna volgde ze het vaarwater langs de boeien aan de luwe zijde van Studland Heath en toen ze die aan den havenboom waren omgezeild, schoot het jacht in het ruime sop.

Jack Stockton trok zijn oliejas aan, het roer werd vastgezet en Gerald ging in de kajuit om een paar uur te rusten.

Jack stopte zijn pijp en zocht een goed plaatsje op, om gedurende den nacht wacht te houden. Hij was een uitstekend zeeman: rustig en bedaard bij moeilijkheden, geduldig bij tegenslag, afkeerig van waaghalzerij, maar vol moed en zelfvertrouwen.

Bij het eerste ochtend-lichten was de Playmate in den krachtigen stroom van St. Catherine, waar het getij alleen aan een vaartuig een snelheid van ruim vijf knoopen geeft.

"Jammer, dat 'k hem wakker maken moet," bromde Stockton, terwijl hij het roer omwierp om aan te sturen op de Fransche kust. "Jammer, maar ik kan er niets aan doen."

Door den schok rolde Gerald van de bank op den vloer van de kajuit.

"Hallo! Waar zijn we?" vroeg hij, nog een beetje slaapdronken.

"Jij, ouwe jongen, ligt onder de tafel op den vloer; ik sta aan het roer, in de hoop eindelijk eens te worden afgelost en de Playmate is zoowat twee mijlen zuid-west van St. Catherine. Ben je nu op de hoogte?"

"Prachtig kameraad," antwoordde Tregarthen, terwijl hij zich door de opening van het half gesloten luik heenwerkte. "Daar ben ik al, om de wacht over te nemen."

"Kijk, dezen kant uit: zuid-west ten westen," zei Stockton, den koers aanwijzend; en toen kroop hij in de kombuis en was spoedig ijverig bezig om een ontbijt klaar te maken.

Tregarthen genoot van den prachtigen aanblik van de rustige zee. Een groot oorlogsschip zette koers naar Spithead. Aan de gevorkte masten en den vreemden vorm van schoorsteenen en tuig herkende de luitenant het schip als de Foudroyant, het nieuwste type voor de Britsche marine. Verder op zeilde een schoener en eenige vrachtbooten stoomden rustig door het Kanaal; de omtrekken doezelden weg in den ochtendmist.

"Hoe staat het glas?" vroeg Gerald, toen zijn makker weer te voorschijn kwam, met het ontbijt op een houten bak.

"Zoo vast als een rots. Kom hier en tast toe, ik zal nog even de koffie gaan halen."

Ondanks het stampen van het jacht, deden de twee vrienden het maal alle eer aan. Toen het afgeloopen was, nam Jack zijn plaats bij het roer weer in en Gerald belastte zich met het wasschen van de vaten.

Hij moest even glimlachen, toen hij erover dacht, hoe hij daar nu aan den gang was. Hij, officier van Z. M.'s Marine, stond in een ongemakkelijke houding gebukt in een kombuisje, bezig met werkzaamheden, die hij anders aan zijn oppasser overliet. Wat zouden zijn wapenbroeders wel gezegd hebben, als ze hem zóó hadden kunnen zien. Maar hij had er pleizier in, juist om het ongewone van het geval.

"'k Zou me wel eens willen wasschen!" zei hij, toen hij klaar was met zijn werk.

"Daar kan je naar fluiten," zei Jack. "Niet vóór we in een haven zijn, want we mogen geen water verspillen. Maar wat zou je zeggen van een zeebad?"

Gerald keek eens naar het kielwater. De Playmate vorderde zoowat drie knoopen en zeilde rustig door het kalme water van het Kanaal.

"Hoe wil je dat opknappen? — Allebei tegelijk?"

"Neen, ieder op zijn beurt. Pas jij maar eerst op."

Jack trok vlug zijn kleeren uit, greep stevig een afhangend touw en slingerde zich over boord. Daar hing hij in 't water de golven sloegen over zijn hoofd. Toen hij er genoeg van had, klauterde hij weer vlug aan boord.

"Heerlijk," riep hij, toen hij druipend op het dek stond. "Maar het water is veel kouder, dan je denken zoudt, in dezen tijd van het jaar."

"Dat is altijd zoo in diep water," antwoordde Gerald, terwijl hij zich gereed maakte om het voorbeeld van zijn makker te volgen.

Toen hij ook klaar was, kwamen ze overeen, dat Stockton nu een poos zou gaan rusten en dat Gerald hem wekken zou, zoodra er iets bijzonders gebeurde.

Gerald plaatste zich aan het roer. De Playmate had nu al ruim dertig mijlen van haar tocht dwars door het Kanaal achter den rug. De hemel was helder in de richting van de Engelsche kust, maar vooruit hing aan den horizon een grijzig waas, waardoor zee en lucht niet meer te onderscheiden waren. De wind was zwak en nam nog voortdurend af in kracht, zoodat het jacht niet veel meer dan twee knoopen maakte.

Hoe meer de wind ging liggen, des te dikker werd de mist, en twee uur, nadat Gerald aan het roer gekomen was, bevond zich de Playmate in een dichten, ondoorzichtigen nevel.

"Jack, oude jongen, heb je een misthoorn aan boord?"

Stockton was oogenblikkelijk klaar wakker.

"Wat een mist!" riep hij, toen hij bemerkte, dat het einde van de boegspriet niet meer zichtbaar was in den witten, drijvenden damp. "Neen, een misthoorn heb ik niet, ik gebruik altijd maar een roeiklamp. Hier is er één. Laten we die overeindzetten en vastklemmen in het rolluik."

Toen dat gedaan was, gaf hij met een hamer een paar slagen tegen het hout.

"Dat maakt leven genoeg om een vaartuig op een afstand van een kabellengte te waarschuwen," ging hij voort.

Gerald meesmuilde. Hij dacht er anders over dan zijn vriend en meende, dat een stoomschip, dat met een vaart van acht knoopen, zooals ze gewoonlijk hadden, door den mist voer, alleen gewaarschuwd kon worden door middel van een sirene.

"All right," zei hij, "'k ben er benieuwd naar; je kunt nu nog wel wat gaan slapen."

"'k Heb genoeg geslapen naar mijn zin," antwoordde Jack. "Laten we samen wacht houden. Hier; trek aan, anders wordt je nat tot op je huid." Hij gaf Gerald een oliejas en nam er voor zich zelf ook één uit het kastje.

"Wat is dat?" vroeg Gerald, na een poosje, toen een dof, regelmatig geluid, dat veel geleek op 't gerucht van de machine van een groot stoomschip, zwak door den mist tot hen doordrong.

"Ze mogen me hangen, als ik het weet! Hier, oude jongen, ga wat op zij, dan zal ik onze mistklok luiden."

Tregarthen deed, wat hem gevraagd werd en Stockton maakte een oorverdoovend geweld met zijn hamer op de roeiklamp.

Steeds nader kwam het geheimzinnige, trillende gebrom en plotseling klonk vlak bij het schril gillende geluid van een sirene.

"We gaan naar den kelder!" riep Jack, maar hij verloor zijn kalmte niet. Hij overzag het gevaar in zijn geheelen omvang.

Een oogenblik later werd er met een heesche stem geroepen: "Ahoy, daar! Naar stuurboord het roer!"

Jack wierp met een krachtigen ruk het roer om en het jacht beschreef daardoor een wijde boog. Geen tien seconden waren verloopen, of daar daagde uit den mist op een reusachtig gevaarte van grijs geschilderd staal, waarvan alleen het onderste gedeelte zichtbaar was, terwijl de omtrek van het bovenstuk in den grauwen damp verloren ging.

"Krak!"

Het stalen gevaarte, dat een gang had van ongeveer vijf knoopen, bonsde midscheeps tegen het kleine jacht. De stevige planken werden doorgesneden, alsof ze van bordpapier waren, de mast knapte bij het dek af en sloeg met tuig en zeilen over boord en het water golfde door de geslagen opening onstuimig naar binnen.








HOOFDSTUK IV.

Gevangen aan boord van het geheimzinnige schip.

Door den vreeselijken schok van de aanvaring verloor Gerald het evenwicht en toen de mast over boord sloeg, bonsde hem een katrol tegen het hoofd. Tallooze witte stipjes dansten hem voor de oogen en hij tuimelde in de half ondergeloopen kombuis. Vaag herinnerde hij zich later, dat zijn vriend de armen om zijn middel sloeg, toen hij daar bijna geheel verdoofd neerstortte.

Met inspanning van al zijn krachten, was Stockton er inderdaad in geslaagd, zijn vriend op te beuren en hem in het bootje te smijten, dat naast het jacht dobberde.

Daarna sprong hij zelf in den notedop, trok zijn mes en sneed met een vlugge beweging het touw door — juist bij tijds.

Het vaartuig, dat den schok veroorzaakt had, stopte onmiddellijk en werkte achteruit. Hoog sloegen de golven op en in een warreling van schuim en luchtbellen zonk de Playmate weg naar haar laatste rustplaats.

Jack Stockton greep de riemen, die gelukkig in de boot lagen en roeide met wanhopige krachtsinspanning in de richting van de oorzaak van de ramp. Het groote vaartuig was al bijna niet meer te zien en vormde slechts een grijze vlek met wazige omtrekken in den dikken mist. Als het schip geheel uit het gezicht verdween, zou de toestand van de twee vrienden niet benijdenswaard zijn, want hun boot was klein en licht gebouwd en ze beschikten over spijs noch drank.

Aan boord van het groote schip heerschte doodsche stilte. Jack slaagde erin het meer en meer te naderen, want het lag blijkbaar zoo goed als stil en toen hij er vlak bij gekomen was, werd hem handig een touw toegeworpen. Hij maakte het aan den ring aan den boeg van zijn bootje vast en toen werd er in alle stilte nog een kabel neergelaten.

Handig sloeg Jack dezen om het lichaam van zijn vriend en maakte het touw onder diens armen vast en als een zak koopwaar werd Gerald omhoog geheschen. Hij kwam even tot zich zelf, maar toen hij op het dek lag uitgestrekt, verloor hij weer geheel het bewustzijn.

Toen hij bij kennis kwam en de oogen opende, bevond hij zich in de bovenste van twee bedsteden in een kleine, maar goed ingerichte hut.

"Wat drommel, waar ben ik?" bromde hij slaperig.

Hij ging overeind zitten en toen kwam hij tot de ontdekking, dat de pyjama, die hij aanhad, niet tot zijn eigen garde-robe behoorde. Zijn hoofd deed pijn en toen hij de pijnlijke plaats betastte, voelde hij een reep pleister.

Toen schoot hem ineens te binnen, wat er gebeurd was en angstig drong zich de vraag aan hem op: "Waar is Jack?"

Met moeite boog hij zich buiten zijn kooi, zoodat hij in de andere kon kijken, maar de onderste slaapplaats was ledig.

Vermoeid door de inspanning ging hij weer rustig liggen en probeerde zijn gedachten te verzamelen en zich te herinneren, hoe en waar hij zijn vriend voor 't laatst gezien had.

Spoedig echter werd zijn aandacht van die overdenkingen afgeleid. Midden boven de bedstede bevond zich een luchtkoker, waarin een luchtstroom floot als een wervelwind en van de plaats, waar hij lag, kon hij opmerken, dat de scheepswand beschermd werd door een pantserplaat van minstens 7 c.M. dikte. Hij moest zich dus aan boord bevinden van een zwaarbewapend oorlogsschip en dan nog was die pantsering, zoo hoog boven op waterlijn, niet te verklaren.

De nieuwsgierigheid van den luitenant was opgewekt en hij probeerde nu, door het kleine, ronde venster te kijken en hij slaagde daarin ook werkelijk. Hij zette groote oogen op. De mist was geheel opgetrokken, en de zon schitterde van een wolkloozen hemel op het blauwe water. Maar die geheele verandering van het weer hield zijn aandacht niet lang gespannen, want met de grootste verbazing merkte hij op, hoe het water zich schijnbaar zeer snel bewoog.

Voor zoover Tregarthen er over oordeelen kon met zijn gebrekkige waarneming, moest het vaartuig de golven klieven met een verbazingwekkende snelheid. Het moest wel een kruiser zijn van het grootste type en hij schatte de snelheid niet beneden de vijfenveertig knoopen. De Calder, die veel lichter van bouw was, kon die snelheid niet bereiken en kwam niet hooger dan achtendertig. En bij het vreemde van die buitengewone snelheid kwam het ontbreken van alle trilling en geluid. Niets werd vernomen dan het geruisch van den wind, veroorzaakt door de vaart van het schip zelf; het gerucht van de machines, waardoor het schip zich in den mist had aangekondigd, had ook geheel opgehouden.

Verder deed Tregarthen nog een ontdekking. Te oordeelen naar den stand van de zon, bewoog zich het geheimzinnige vaartuig in zuidwestelijke richting. Hij werd dus met een fabelachtige snelheid weggevoerd van de kusten van zijn vaderland — maar waarheen?

Toen besloot Gerald de hut eens aandachtig te onderzoeken, maar daar was niets, wat eenige aanduiding kon geven van de nationaliteit of den aard van het vaartuig, dat hem had opgenomen. Hij dacht wel, dat hij zich aan boord van een Engelsch schip bevond, want vóór de aanvaring had men immers in 't Engelsch geroepen, maar zekerheid gaf dat nog niet. Hij had menigmaal gehoord, hoe Duitsche en Hollandsche officieren hun orders gaven aan een loods in volmaakt zuiver Engelsch, wanneer ze zich in de Britsche wateren bevonden.

De inrichting van de hut was zeer eenvoudig. Er stond een waschtafel en aan de zoldering hing een badkuip. Verder bestond het meubilair uit een kleine latafel, twee rieten stoelen en een spiegel. Op één van de stoelen hingen zijn kleeren, die heelemaal droog waren.

Gerald besloot nu een poging te doen om op te staan en met veel inspanning slaagde hij daarin. Hij kleedde zich aan en scharrelde naar de deur, die hij open duwde.

Tot zijn groote verbazing zag hij een schildwacht voor zich staan, een stevig gebouwd zeeman, gestoken in een uniform, die veel op de Britsche geleek. Het blauw van zijn baatje was alleen wat donkerder en de witte uitmonstering van de Koninklijke Marine was door een zwarte vervangen. Er stond geen naam op den rand van zijn muts, maar op zijn rechtermouw had hij een onderscheidingsteeken, dat een blad voorstelde. Om zijn middel droeg hij een zwart lederen koppel, waaraan geen bajonet maar een hartsvanger hing. Het geweer, dat hij aan den bandelier over zijn schouder droeg, geleek veel op het laatste model Lee-Enfield, waarvan het echter in enkele kleinigheden afweek.

Tregarthen had dit alles met één oogopslag waargenomen. Hij wilde naar buiten stappen, maar de schildwacht maakte hem met een krachtig gebaar duidelijk, dat dit ten strengste verboden was. Er zat voor hem niets anders op dan dit stomme voorschrift op te volgen. Hij stapte daarom weer naar binnen en onmiddellijk daarop hoorde hij een sleutel in het slot omdraaien. Hij was een gevangen man.

Gerald begreep er niets van en zijn verbazing was zóó groot, dat hij onmogelijk kalm kon nadenken. Allerlei verwarde gedachten verdrongen zich in zijn hoofd: eerst het treurige ongeval met het jacht, dan het geheimzinnige van het vaartuig, dat hem had opgenomen, het nog niet opgeloste vraagstuk van het verdwijnen van zijn vriend en ten slotte het schandelijke gedrag van zijn redders, om hem als een gevangene te behandelen. — Op eens gevoelde hij een onweerstaanbare behoefte om te rooken. Hij zocht in zijn zak naar zijn pijp, maar hij herinnerde zich, dat hij die verloren had in de kajuit van de Playmate en toen wilde hij zijn toevlucht nemen tot zijn cigarettenkoker, in de hoop, dat de inhoud niet van het zeewater zou geleden hebben. De koker was droog en geheel gevuld, maar met een andere soort dan hij gewoon was te gebruiken: zijn onvriendelijke gastheer had het hem toch wat prettig willen maken.

Uit verveling ging hij nu eens onderzoeken, wat er in de latafel te vinden was, maar dat gaf niet veel afleiding, want ze was leeg, alleen stond er in de bovenste lade een doos met een borstel, een kam en scheerbenoodigdheden, alles fonkelnieuw.

Terwijl hij bezig was met het bekijken van die zaken, werd de deur van de hut opengesloten en na een inleidend tikje trad een man binnen, die in zijn eenvoudige, nette uniform een prettigen indruk maakte. De bezoeker was niet groot en had een vriendelijken oogopslag, die vertrouwen wekte.

"Goedenmiddag, Mr. Tregarthen," zei hij. "Ik hoop, dat ge u wat beter gevoelt? Mijn naam is White en ik ben eerste officier van gezondheid aan boord."

"Dank u, Sir, ik gevoel me redelijk wel. Maar mag ik u eens vragen, op welk schip ik me bevind en waarom men mij hier achter slot en grendel heeft gezet?"

"Het spijt mij, dat ik u op dat punt geen inlichtingen geven kan. Ge zult daarop moeten wachten, totdat ge den kapitein te spreken krijgt."

"Maar mijn vriend — is die gered?"

"Ja, die is in veiligheid."

"En." —

"Geen vragen meer, als 't u blieft, Mr. Tregarthen," zoo viel hem de dokter in de rede, zóó beslist, dat het duidelijk was, dat alle pogingen om iets te weten te komen, nutteloos zouden zijn.

"In afwachting van een uitnoodiging van kapitein Brookes, om bij hem te komen, zou ik u aanraden, wat te eten. Het doet mij genoegen te zien, dat het ongeval geen ernstige gevolgen voor u heeft gehad."

Met deze woorden verliet de dokter de hut en nu trad een hofmeester binnen, die een smakelijk maal opdiende. Spraakzaam was de man niet: hij zei geen woord meer dan noodig was en ging zoo spoedig mogelijk weer heen.

Toen werd de deur weer op slot gedraaid.

Toen Tregarthen met zijn gedachten alleen was, kwam hij tot het besluit, dat hij nog niet veel wijzer was geworden. Alleen wist hij nu, dat Jack Stockton ook gered was en zich aan boord bevond, zeker als gevangene, net als hij zelf. En verder had hij de zekerheid, dat de bemanning Engelsch sprak, maar of het schip Britsch of Amerikaansch was, kon hij niet uitmaken.

Eindelijk zakte de zon weg achter den horizon, als een roode bol, die goud sprankelde in een blauwen nevel.

Gerald keek op zijn horloge. Het was een uitstekend uurwerk en de kast sloot zóó goed, dat er heel geen water in gedrongen was. De wijzers stonden op kwart voor zevenen.

Dat was alweer een vreemd geval. Hij wist zeker, dat thuis de zon moest ondergaan om kwart over zevenen en het schip voer, voor zoover hij kon nagaan, in zuid-westelijke richting. Hoe was dan dat verschil in tijd te verklaren?

Zou zijn horloge dan misschien toch in de war zijn?

In spanning wachtte hij en luisterde scherp, of hij de scheepsbel ook hoorde. Precies om zeven uur — het tweede uur van de tweede hondewacht — klonk het doffe geluid van de bel — ting, ting — ting! Zijn horloge ging dus goed en daar het schip niet naar het oosten voer, was het eenig mogelijke, dat de snelheid zoo ongelooflijk groot was, dat ze zich nu reeds op de breedte bevonden van de Golf van Biscaye.

't Werd donker in de hut, maar eensklaps gloeiden helder een paar electrische lampjes.

Gerald voelde grooten zin om te gaan slapen. Hij was vermoeid en den vorigen nacht had hij weinig rust genoten, daarenboven had hij niets om den tijd te verdrijven. Hij besloot dus naar kooi te gaan en was net begonnen zich te ontkleeden, toen weer de sleutel in het slot knarste en een jonge man binnentrad.

"De kapitein wil u spreken, Sir," zei hij, terwijl hij in onberispelijke houding het militair saluut bracht.