Hoe Shylock en Bassanio verschillen.—
Hei, Jessica!—je eet je lang niet vol
Zooals je 't deedt bij mij;—hei, Jessica!—
Je slaapt en snorkt niet, slijt geen pakken af;—
Kom, Jessica, zeg ik!
Jessica komt op.
Ziehier mijn sleutels.—Maar waarom zou 'k gaan?
Men vraagt me uit vriendschap niet; ze vleien mij:
Maar toch zal 'k gaan uit haat om te eten van
Den Christ'lijken verkwister.—Jessica,
Pas op mijn huis:—ongaarne ga ik heen.
Er wordt iets kwaads gebrouwen tegen mij,
Want 'k heb van nacht van zakken goud gedroomd.
Sluit alle deuren; hoort ge trommelslag,
En 't piepend janken van de kromhals-fluit,
Klauter me dan niet tegen 't venster op,
Steek niet uw hoofd op de publieke straat
Voor Christengekken met geverfd gezicht,
Maar stop de vensters, de ooren van mijn huis;
Laat tot mijn ernstig huis 't geluid niet toe
Van holle zotternij.—Bij Jakobs staf,
'k Wou liefst van avond niet van huis naar 't feest,
Maar toch zal 'k gaan.—Jongmensch, ga voor mij uit:
Zeg, dat ik kom.
Juffrouw, kijk met dat al toch uit het raam;
Want een Christen komt voorbij,
Waard dat een Jodin hem vrij'. (Af.)
Slak-traag in 't winnen, en hij slaapt bij dag
Meer dan een boschkat: hommels wil ik niet;
Daarom laat ik hem gaan, en 'k laat hem gaan
Naar een dien hij naar 'k hoop 't geleende geld
Verkwisten helpt.—Naar binnen, Jessica;
Misschien kom ik onmiddellijk terug.
Doe als 'k je zeg, en sluit de deuren dicht:
"Wat vastgehouden wordt, vast weergevonden wordt,"
Spreuk die door zuin'gen nooit geschonden wordt. (Af.)
Mis ik een vader, en mist gij een kind. (Af.)
Tooneel VI.
Dezelfde Plaats der Handeling.
Gratiano en Salarino komen gemaskerd op.
Dat men hem wachten zou.
Want minnaars loopen steeds de klok vooruit.
Om nieuwe banden te bezeeg'len, dan
Om de eens beloofde trouw gestand te doen!
Met d'eetlust waar hij mede zitten gaat?
Waar is het paard, dat met het felle vuur,
Waarmêe het door de lange renbaan reed
Zijn stappen nog eens zet? Al wat bestaat
Wordt greet'ger nagejaagd dan 't wordt genoten.
Als een verkwistend jonker gaat de bark,
Getooid met wimpels, uit de moederbaai,
Omhelsd, geliefdkoosd door den wulpschen wind!
Hoe keert ze als de verloren zoon terug,
Met ribben losgebeukt en flarden zeil,
Verarmd, ontredderd door den wulpschen wind!
Lorenzo komt op.
Niet ik, de omstandigheden zijn de schuld.
Zoodra gij uwe vrouwen stelen gaat,
'k Zal even lang op u dan wachten.—Komt;
Hier woont de Jood, mijn vader.—Hola, daar!
Jessica verschijnt boven, in manskleeren.
Al zweer 'k ook dat uw stem mij is bekend.
Want wien heb ik zóó lief? En wie dan gij,
Lorenzo, weet of ik wel de uwe ben?
't Is nacht gelukkig, gij kunt mij niet zien,
Want 'k schaam mij over mijn vermomming zeer;
Maar liefde is blind, en minnenden zien niet
De dwaze grappen die zij zelf begaan;
Want konden zij 't, Cupido bloosde zelf,
Zag hij mij zoo veranderd in een knaap.
Zij is van zelf, gerust, al veel te licht.
Dat kan slechts tot ontdekking dienen, lief,
En 'k moet in 't donker zijn.
Juist door de lief'lijke kleedij van knaap.
Maar kom terstond;
De duist're nacht gaat heim'lijk op den loop,
En op Bassanio's feestmaal wacht men ons.
Met meer dukaten; dan zal 'k bij u zijn.
(Zij verdwijnt boven.)
Ze is schrander, als ik haar naar waarheid schat,
Ze is schoon, indien mijn oog mij niet bedriegt,
Ze is trouw, zooals zij 't ook bewezen heeft;
Dus schrander, schoon en trouw, zich zelf gelijk,
Vindt zij in mijn standvast'ge ziel een plaats.
(Jessica verschijnt beneden.)
Wij worden door den optocht thans verbeid.
(Af met Jessica en Salarino.)
Antonio komt op.
't Is negen uur! De vrienden wachten u:
Geen optocht nu; de wind is omgedraaid;
Bassanio gaat onmiddellijk aan boord,
Wel twintig boden zond ik naar hem uit.
Dan weg te zeilen en van hier te gaan. (Beiden af.)
Tooneel VII.
Belmont. Een vertrek in Portia's Huis.
Hoorngeschal. Portia en de Prins van Marocco komen op met hun beider stoet.
Het drietal kistjes aan den eed'len Prins.—
Doe thans uw keus.
"Wie mij kiest, wint wat menigeen begeert."
Het tweede, een zilv'ren, dat als volgt belooft:
"Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient."
Dit derde, 't logge lood, met lomp vermaan:
"Wie mij kiest, geve en wage al wat hij heeft."
Hoe kan ik weten of 'k het juiste kies?
En kiest gij dat, ik ben er de uwe door.
'k Loop omgekeerd nog eens de spreuken door:
Wat zegt dit looden kistje?
"Wie mij kiest, geve en wage al wat hij heeft."
Geve—Voor wat? voor lood? hij waag' voor lood?
Dit kistje dreigt;—wie alles, alles waagt,
Hij doet het hopend op een mooie winst:
Een gouden geest bukt niet naar laag metaal;
En daarom geef en waag ik niets voor lood.
Wat zegt het zilver, maagdelijk getint?
"Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient."
Zooveel als hij verdient?—Marocco, wacht,
En weeg uw waarde met een vaste hand.
Als gij geschat wordt naar uw goeden naam,
Genoeg verdient gij dan; maar dit genoeg
Strekt zich misschien niet tot de jonkvrouw uit,
Maar toch, bezorgd te zijn voor mijn waardij,
Waar' slechts een zwak verkleinen van mijzelf.
Zooveel als ik verdien! Nu, 't is de jonkvrouw:
'k Verdien haar door geboorte en door fortuin,
Door mijn talenten en beschaafden toon;
'k Verdien haar door mijn liefde 't allermeest.
Hoe als 'k niet verder dwalend, dit hier koos?—
Laat nog eens zien de spreuk in goud gegrift:
"Wie mij kiest, wint wat menigeen begeert."
Nu, 't is de jonkvrouw, die een elk begeert:
Uit alle hoeken komen zij der aard,
Naar 't altaar hier, dit levend heil'genbeeld.
Hyrcanië's[36] woestenij, de wildernis
Van 't wijde Arabië zijn de paden thans
Voor vorsten, wenschend Portia te zien:
Het waat'rig rijk, welks overmoedig hoofd
Spuwt in 't gelaat des hemels, stelt geen perk
Aan vreemdelingen-moed; zij komen aan
Als door een beek om Portia te zien.
Een van de drie bevat haar hemelsch beeld.
Of 't lood dit doet? Het zou verdoem'lijk zijn
Zóó laag te denken: 't lood waar' te gemeen
Haar lijkwa zelfs te omkleên in 't donk're graf.
Of moet ik denken dat haar 't zilver bergt,
Dat tienmaal minder is dan 't lout're goud?
Zond'ge gedachte! Zulk een rijk juweel
Werd nooit in min dan goud gezet. Men heeft
Een munt in Eng'land, met een eng'lenbeeld
In goud gestempeld, 't ligt er boven op;
Hier ligt een engel in een gouden bed
Geheel besloten.—Geef den sleutel aan;
Dit kies ik, hoe ook de uitslag moge zijn!
Dan ben ik de uwe. (Hij ontsluit het gouden kistje.)
Een doodshoofd, met in 't ledig oog een rol,
Die is beschreven, 'k Lees hier wat er staat:
Luidt een spreekwoord, wijs en oud;
Menig waagde 't leven stout,
Maar heeft slechts mijn schijn aanschouwd.
't Gulden graf meest wormen houdt.
Waart gij even wijs als boud,
Jong van lijf, van oordeel oud,
Deez' rol ware u niet ontvouwd:
Ga, de keus heeft u berouwd."
Dus welkom, vorst, nu warmte mij verliet.—
Portia, vaarwel! mijn hart is vol geween;
'k Talm dus niet lang: zoo gaan verliezers heen. (Af.)
Zoo kieze me iedereen met zoo'n gelaat. (Allen af.)
Tooneel VIII.
Venetië. Een Straat.
Salarino en Solanio komen op.
Met hem is Gratiano meegegaan;
In hun schip is Lorenzo zeker niet.
Die met hem meetoog naar Bassanio's schip.
Maar daar ontving de Doge op eens 't bericht:
Lorenzo en zijn lieve Jessica
Zijn in een gondel met elkaar gezien;
En ook verklaarde Antonio den Doge
Dat zij niet waren in Bassanio's schip.
Zoo vreemd, uitbundig en afwisselend,
Als 't Joodsch stuk vee deed galmen door de straat:
"Mijn dochter!—Mijn dukaten!—O mijn dochter!
Weg met een Christen!—Christ'lijke dukaten!
Wet! Recht! O mijn dukaten en mijn dochter!
Eén zak, twee zakken goed verzegeld, vol
Dukaten, door mijn dochter mij ontstolen!
Juweelen ook, twee rijke, kost'bre steenen,
Gestolen door mijn dochter! Spoort haar op!
Zij heeft de steenen en dukaten meê!"
En roepen: "Steenen, dochter en dukaten!"
Hij boet er anders voor.
'k Had gist'ren met een Franschman een gesprek,
Die mij vertelde dat in 't nauw stuk zee
Dat Engeland van Frankrijk scheidt, een schip,
Met rijke vracht, uit ons land, was vergaan.
'k Dacht aan Antonio, toen ik dat vernam,
En wenschte in stilte dat het hem niet trof.
Maar niet te plots'ling, 't griefde hem zoo licht.
'k Zag 't afscheid van Bassanio en hem.
Bassanio zei dat hij zich haasten zou
Terug te komen, maar hij zei: "Doe 't niet;
Verknoei uw zaak nu niet om mijnentwil.
Maar wacht totdat de tijd haar heeft gerijpt:
En wat mijn afspraak met den Jood betreft,
Zij store uw geest, die liefde koestert, niet.
Wees vroolijk: maak het hof met hart en ziel,
En toon uw liefde op zulk een schoone wijs
Als bij de rol past die ge ginds vervult."
Toen wendde hij, zijn oog van tranen zwaar,
't Gelaat om, gaf hem afgewend de hand,
En diep getroffen, vol genegenheid,
Greep hij Bassanio's hand; zoo scheidden zij.
Ik bid u, gaan we en zoeken we hem op
En fleuren wij met een of ander spel
Den weemoed die hem knelt wat op.
Tooneel IX.
Belmont. Een Kamer in Portia's Huis.
Nerissa komt op met een dienaar.
De Prins van Arragon zwoer reeds den eed,
En nadert aanstonds om zijn keus te doen.
Hoorngeschal. De Prins van Arragon en Portia komen op met hun stoet.
En kiest gij dat waarin 'k besloten ben,
Dan wordt terstond ons huw'lijksfeest gevierd;
Maar als gij faalt, dan moet gij zonder meer
Onmiddellijk van hier vertrekken, Prins.
Ten eerste maak ik niemand ooit bekend
Welk kistje ik koos: dan, als ik falen mocht
In 't juiste kistje, zal 'k zoolang ik leef,
Geen maagd ten huw'lijk vragen: eindelijk,
Als ik mocht falen in 't geluk der keus,
Ga ik, onmidd'lijk u verlatend, heen.
Een kans waagt voor mijn waardelooze zelf.
Mijns harten hoop!—Goud, zilver, waard'loos lood.
"Wie mij kiest, geve en wage al wat hij heeft."
Gij moet meer glanzen, eer ik geef of waag.
Wat zegt het gouden kistje? Ha! laat zien:
"Wie mij kiest, wint wat menigeen begeert."
Wat menigeen begeert. Die menigeen kan zijn
De dwaze menigte, die kiest op 't oog,
Die niet meer weet dan wat haar zotheid ziet,
Niet naar 't inwend'ge speurt, maar als de zwaluw
In de open lucht bouwt aan den buitenmuur,[37]
Juist in 't bereik en op den weg van 't lot.
Wat menigeen begeert, dat kies ik niet,
Wijl 'k niet gelijk wil staan met het gemeen,
Mij niet wil scharen bij de ruwe hoop.
Welnu, naar u dan, zilv'ren schatfoedraal;
Zeg mij nu ook het opschrift dat ge voert:
"Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient."
't Is goed gezegd. Want wie streeft naar het doel
't Geluk te paaien, en geëerd te zijn
Zonder verdienste's merk! Dat niemand waag'
Een onverdiende waardigheid te voeren.
Dat rangen, graden, ambten niet zoo vuig
Verworven werden! en dat zuivere eer
Gekocht werd door verdienste van den drager!
Wie dekte er 't ongedekte hoofd dan niet?
Wie werd dan niet bevolen, die beveelt?
Hoe meen'ge lage boer werd dan geoogst
Van 't echte zaad der eer! en hoeveel eer
Gelezen uit het kaf en puin des tijds
Om nieuwen glans te krijgen! Kom, mijn keus:
"Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient."
Ik neem verdienste:—Geef den sleutel dus,
En thans ontsluite zich 't geluk voor mij.
En mij een briefje biedt? 'k Zal 't lezen.—O,
Hoe ongelijk zijt gij aan Portia,
Aan wat ik hoopte en wat ik waardig was!
"Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient."
Verdiende ik niets meer dan een zottenhoofd?
Is dat mijn loon? Heb ik niets meer verdiend?
Is tegenstrijdig, niet vergund.
Ben 'k gelouterd; 'k evenaar
't Oordeel dat geen keus vervaart:
Hem die met een schim zich paart,
Heeft 't slechts schim van lust gebaard.
Gekken zijn er, naar mijn aard,
Overzilverd en niets waard.
Neem wie gij maar wilt tot bruid,
Mijn hoofd heeft u dat verbruid,
Ga dus heen, met u is 't uit."
Dwazer word ik, meer en meer.
Met één zotshoofd kwam ik aan
Maar met twee ga 'k hier vandaan.—
Lief, vaarwel. Ik houd mijn eed,
En verdraag gedwee mijn leed.
(Arragon af met zijn stoet.)
O, die voorzicht'ge zotten! bij hun keus
Blijkt al hun wijsheid niets meer dan een leus.
Hangen en trouwen wordt door 't lot bepaald.
Een Bode komt op.
Een jong Venetiaan, die u vooruit
De naad'ring van zijn meester melden komt,
Van wien hij tastbare eerbewijzen brengt:
Rijke geschenken, waar vol hoflijkheid
Hij zich mede aanbeveelt; en 'k zag nog nooit
Zulk een aantrekk'lijk liefdesafgezant;
Zoo zoet een dag kwam nimmer in April,
Als voorboô van het kost'lijk zomertij,
Als deze bode vóór zijn meester komt.
Dat ge aanstonds hem tot bloedverwant benoemt,
Gij slaat zoo'n Zondagstoon aan bij zijn lof.
Kom, kom, Nerissa, want het maakt mij blij
Dien vluggen liefdeboô te zien bij mij.
Derde bedrijf
Tooneel I.
Venetië. Een Straat.
Solanio en Salarino komen op.
Shylock komt op.
Een Bediende komt op.
(Solanio, Salarino en bedienden af.)
Tubal komt op.