(Beiden af.)
Tooneel II.
Belmont. Een vertrek in Portia's Huis.
Bassanio, Portia, Nerissa en gevolg komen op.
Voordat ge uw kans waagt; want, indien gij faalt,
Mis 'k uw gezelschap; wacht daarom een poos.
Daar is iets dat mij zegt, (maar liefde is 't niet,)
Dat 'k u niet gaarn verloor, en 't is geen haat,
Gelijk ge weet, die mij zoo spreken doet.
Opdat gij me echter grondig kennen moogt,
(Al heeft een maagd geen tong dan wat zij denkt[42])
Zou 'k willen dat gij enk'le maanden bleeft,
Eer gij uw kans waagt, 'k Zou u kunnen leeren
Hoe 't best te kiezen, maar 'k zou 'n meineed doen,
En dat zal 'k nooit: het kan dus dat gij faalt;
En als 't zoo is, dan wekt ge een zond'gen wensch,
Dat ik een meineed deed. O, o die oogen!
Zij hebben mij betooverd en verdeeld;
Eén helft van mij is uw, en de andere uw,—
'k Bedoel mijn eigen; maar toch zoo ook uw,—
'k Ben gansch van u! De booze omstandigheên
Beperken de eig'naars in hun wettig recht;
En zoo, schoon uw, niet uw.—Indien 't zoo blijkt,
Dan zij daarvoor het lot vervloekt, niet ik.
Ik spreek te lang; maar 'k rek daardoor den tijd
En houd hem op en maak hem lang van duur,
Om 't kiezen te vertragen.
Want zooals nu leef 'k op de pijnbank slechts.
't Verraad waarmede uw liefde gaat gepaard.
Dat mij bezorgd maakt voor 't bezit van u.
Er ware eer vriendschap tusschen sneeuw en vuur,
Dan dat mijn liefde met verraad bestond.
Waar men gedwongen alles zeggen kan.
Dàt ware mijn bekent'nis gansch geweest:
O zoete folt'ring, als mijn folteraar
Mij tevens 't antwoord ter verlossing leert!
Maar laat mij 't nu beproeven met de kistjes.
(Het gordijn wordt weggeschoven.)
Als gij mij liefhebt, vindt gij mij wel uit.—
Nerissa, en gij allen, staat van ver.
Muziek weerklinke er onder 't doen der keus,
Want, als hij faalt, dan eindt hij als een zwaan,
Verkwijnend in muziek; opdat het beeld
Volmaakter zij:—mijn oogen zijn de stroom,
Zijn waat'rig doodsbed. Hij kan slagen ook,
Wat is muziek dan? Dan is ze als 't geschal
Wanneer een trouwe menigte zich buigt
Bij 't kronen van een vorst: zij klinkt gelijk
Die zoete tonen bij den dageraad,
Het oor besluipend van den bruidegom
Die droomt, hem roepend tot zijn huw'lijksfeest;
Nu gaat hij, méér in liefde, in moed gelijk,
Als jonge Alcides,[43] toen hij 't zeegedrocht
De maagd ontwrong, die door het gillend Trooi
Als cijns betaald was,[44] ik ben 't offer nu;
Die daar ter zijde zijn Trojaansche vrouwen,
Met oogen dofgeweend, bijeen om 't eind
Te aanschouwen van den strijd. Ga, Hercules!
Leeft gij, dan leef ook ik; mijn angst is groot,
Veel grooter nog dan de uwe in dezen nood.
Muziek en zang, terwijl Bassanio in zichzelf over de kistjes te rade gaat.
Door opschik wordt de wereld steeds misleid.
In 't recht,—wat eisch zoo vuig en zoo gemeen,
Die niet, door mooie woorden opgesmukt,
Het kwade zal omhullen? In den godsdienst,
Wat vloekb're dwaling, of een eerbaar hoofd
Rechtvaardigt en bewijst haar door een tekst,
Haar plompheid dekkend met een fraaien tooi.
Geen ondeugd zoo onnoozel, of zij siert
Zich uiterlijk met eenig merk van deugd.
Hoe menig lafaard met een hart zoo zwak
Als een pilaar van zand, draagt aan zijn kin
Een baard als Hercules en gramme Mars,—
Bij onderzoeking blijkt zijn lever wit;[47]
Hij eigent zich slechts d'uitwas van den moed
Om zich geducht te maken! Denk aan schoonheid,
En zie hoe de opschik hier ook wordt bejaagd,
Die dáárin wond'ren werkt in de natuur,
Door 't lichtst te maken wie er 't meest van draagt;
Zoo staat dat slangen-kroezig gouden haar,
Dat met den wind zoo dartel spelemeit,
Op een gewaande schoonheid,[48] vaak bekend
Als vroeg're bruidsgift van een ander hoofd:
De schedel die 't deed groeien ligt in 't graf.
Daarom is de opschik slechts 't bedrieglijk strand
Bij een geweld'ge zee, de pracht'ge doek
Een negerin omhullend, in het kort,
Schijn-waarheid, waar de list'ge tijd meê pronkt,
De wijsten lokkend. Daarom, glanzig goud,
Hard Midas-voedsel,[49] wil ik niets van u.
Ook niets van u, gij slover, bleek en min,
Van hand tot hand gaand: maar gij, schamel lood,
Dat veeleer dreigt dan iets beloven wilt,
Uw eenvoud roert mij meer dan schoone schijn,
Hier kies ik dus. En moog 't gelukkig zijn!
Als angstig twijf'len, wanhoop snel-geducht,
En sidd'rend vreezen en de groene nijd!
O liefde, matig uw uitbundigheid,
Giet dropsgewijs uw vreugde-stortvloed neer,
Ik voel te veel uw zegen, nu niet meer,
Ik vrees die overmaat!
Bassanio (het looden kistje openend.):
Het beeld van Portia! Welke halfgod kwam
Haar zóó nabij? Bewegen de oogen zich?
Of schijnen ze op de deining van mijn blik
Zich te bewegen? Door d'ontsloten lippen
Gaat geurige adem, zoete scheiding van
Twee zulke zoete vrienden. In het haar
Spon als een spin de schilder 't gouden web,
Een groot're hinderlaag voor 't mannenhart
Dan 't spinnenrag voor muggen; maar hare oogen!—
Hoe kon hij schild'ren en toch zien? Mij dunkt
Als hij er één gemaakt had, waar' 't in staat
De twee van hem te stelen en zichzelf
Te scheiden van zijn maat. Maar toch, zóó als
Mijn lof dit schaduwbeeld verongelijkt
Door 't te onderschatten, zóózeer steekt dit beeld
Af bij 't oorspronkelijk.—Hier is 't geschrift,
Dat heel de som van mijn geluk bevat.
"Gij wien valsche schijn mishaagt,
Die goed kiest en moedig waagt,
Geeft het lot u wat ge vraagt,
Later niet om meer geklaagd.
Als gij hier tevreên meê zijt,
En u dit geluk verblijdt,
Wend tot háár u, die u beidt,
En kus ze als bruid vol liefd'rijkheid."
Een vriend'lijk vers.—Verlof, (hij kust haar,) hier staat geschreven
Dat niet alleen 'k ontving, maar ook moet geven.
Als een van beide kampers om een prijs,
Die meent dat hij gestreden heeft naar eisch,
Het juichen hoorend als uit éénen mond,
En duiz'lend, twijf'lend oov'ral staart in 't rond,
Niet wetend of hèm 't lofgegalm wel geldt;
Zoo, driewerf schoone, is 't ook met mij gesteld,
'k Sta twijf'lend of ik waarheid hier ontmoet,
Tot gij het staaft en 't mij erkennen doet.
Zooals ik ben. Schoon 'k voor mijzelve alleen
Niet in mijn wensch eerzuchtig wilde zijn,
En mij veel beter wenschen, 'k zou voor u
Toch honderd maal mijzelve willen zijn,
Tien duizend maal zoo rijk, en duizend maal zoo schoon.
Om slechts in uwe schatting hoog te staan
Zou ik onschatbaar willen zijn in deugd,
In schoonheid, vrienden en fortuin. Maar 'k ben
Bijeengeteld slechts niets; dat is, totaal,
Een meisje zonder oef'ning, kunde en school:
Gelukkig is zij echter niet te oud
Om iets te leeren; nòg gelukk'ger is 't
Dat zij er niet te dom van aard voor is;
't Gelukkigst is dat haar gedweeë geest
Aan d' uwen ter besturing zich vertrouwt,
Dien van haar heer, haar leidsman en haar vorst.
Ik ben van u geworden, en het mijn'
Is 't uwe thans: ik was zooeven nog
Meest'res van dit mooi landgoed, van mijzelf,
Van mijn bedienden; en terzelfder tijd
Zijn 't huis, de dienaars en mijn eigen ik
Van u, mijn meester. 'k Geef hen met deez' ring,
En scheidt ge er van door schenking of verlies,
Dan zij 't voorspelling van uw liefde's dood,
Voor mij de grond van een gerecht verwijt.
't Bloed in mijn aad'ren spreekt alleen tot u;
En er is zoo'n verwarring in mijn geest,
Als onder 't murm'lende en tevreden volk
Zich voordoet na een rede, schoon van taal,
Gehouden door een welbeminden vorst;
Waar elke kleinigheid, bijeengevoegd,
Een wildernis van louter vreugde wordt,
Geuit, en niet geuit. Maar als de ring
Mijn hand verlaat, verlaat ook 't leven mij:
O, zeg dan vrij: "Bassanio is dood."
Dat wij, die alles zagen, en wier wensch
Met heil bekroond werd, roepen: "Veel geluk!"
'k Wensch u de vreugd, die ge u slechts wenschen kunt;
Gij wenscht van mij de vreugde niet vandaan;
En als UEed'len uw verbond van trouw
Op plecht'ge wijs bezegelt, smeek ik u
Op dien tijd ook gehuwd te mogen zijn.
Mijn oogen zien zoo snel als de uwe, Heer:
De meesteres zaagt gij, en ik haar maagd;
Gij werdt verliefd, ik ook; want uitstel past
Mij even weinig, eed'le Heer, als u.
Uw lot hing van de gindsche kistjes af,
Zoo ook het mijne, 't komt toevallig uit;
Want in het zweet mijns aanschijns aanzoek doend,
En liefdeseeden zwerend, tot mijn keel
Er droog van werd, kreeg 'k op den langen duur,—
Moog' die belofte duurzaam zijn—van háár
(op Nerissa wijzend)
Haar meesteres won.
Maar wie zijn dat? Lorenzo en zijn vrouw?
Wat? met mijn ouden vriend Solanio?
Lorenzo, Jessica en Solanio komen op.
Gesteld mijn pas verworven stelling geeft
Mij 't recht hiertoe. Ik heet, met uw verlof,
Mijn vrienden en mijn landgenooten welkom,
Geliefde Portia.
Zij zijn van harte welkom.
'k Was niet van plan geweest u hier te zien,
Maar onderweg trof ik Solanio aan,
En zijn verzoek, dat ik niet weig'ren kon,
Bracht mij hierheen.
En 'k heb er reed'nen voor. Signor Antonio
Doet u zijn groeten. (Hij geeft Bassanio een brief.)
Moet gij mij zeggen hoe mijn vriend het maakt.
Ook niet gezond, tenzij van geest: zijn brief
Zal u zijn toestand toonen. (Bassanio leest den brief.)
Uw hand, Solanio. Hoe is 't in de stad?
Hoe vaart Antonio, de koopmansvorst?
'k Weet dat hij blij zal zijn om ons geluk;
Wij zijn de Jasons,[50] wonnen 't gulden vlies.
Wijl hij de kleur steelt van Bassanio's wang:
Een dierb're vriend dood, wat kon anders zóó
Den kalmen aard van een bezadigd man
Verand'ren doen? Hoe, erger, erger nog?—
Verlof, Bassanio: ik ben half van u,
En dus komt mij de helft van alles toe
Wat deze brief u brengt.
't Zijn enk'le woorden, zóó onaangenaam,
Als ze ooit papier bevlekten! Schoone vrouw,
Toen ik voor 't eerst u van mijn liefde sprak,
Zei 'k u vrijmoedig, dat mijn gansch bezit
Me in de aad'ren stroomde,—'k was een man van eer:
En 'k sprak de waarheid: maar toch zult ge zien
Hoezeer 'k, bij 't schatten van mijzelf op niets,
Een snoever was, mijn lieve. Toen 'k u zei
Dat niets mijn deel was, had ik moeten zeggen
Dat minder 'k had dan niets; want weet, dat ik
Mij heb verplicht aan een geliefden vriend,
Hem aan zijn ergsten vijand heb verplicht
Om mij de beurs te vullen. Zie dien brief;
't Papier is als het lichaam van mijn vriend,
En ieder woord daarop een open wond
Zijn levensbloed vergietend.—Maar, Solanio,
Zijn al zijn kansen weg? Géén schip terecht?
Uit Tripoli, van Mexico en Eng'land,
Uit Indië, Barbarijë en Lissabon,—
Ontkwam er geen den vreeselijken schok
Van klippen, koopman-moordend?
En bovendien, al had hij 't geld gereed
Ter afbetaling aan den Jood, hij zou
't Niet nemen, naar het schijnt. Ik zag nog nooit
Een wezen met een menschenuiterlijk,
Zóó tuk en happig op eens menschen val:
Hij loopt bij dag en nacht den Doge na,
En hij beticht de vrijheid van den staat,
Indien men hem geen recht doet: twintig kooplui,
De Doge zelf, en de magnifico's[51]
Die 't meest vermogen, deden al hun best,
Maar geen weerhoudt hem van den boozen eisch
Van het verbeurde, 't recht en het kontrakt.
Aan Chus en Tubal, mannen van zijn ras,
Dat hij Antonio's vleesch veeleer verkoos
Dan twintig maal de waarde van de som
Die hij hem schuldig was; en 'k weet erbij,
Dat, weig'ren wet, gezag en macht het niet,
Het slecht dan gaat met d'arme Antonio.
De bestgeaarde en onvermoeidste geest
In 't hulp verleenen; iemand in wien de eer
Van een aloud Romein zich meer vertoont,
Dan wie maar in Italië leven heeft.
Geef hem zes duizend, en verscheur 't kontrakt;
Verdubbel die, doe er 't vierdubb'le bij,
Voordat een vriend zooals hij hem beschrijft
Een haar verlieze door Bassanio's schuld.
Ga eerst met mij ter kerk, en noem me uw vrouw,
En daarop naar Venetië naar uw vriend;
Want nimmer zult ge u vlij'n aan Portia's zij
Met een ontruste ziel. Ik geef u goud
Voor twintig malen deze niet'ge schuld;
Is zij betaald, breng dan uw hartsvriend hier,
Ik en Nerissa zullen midd'lerwijl
Als weduwen en maagden leven. Vlug,
Want gij moet op uw huw'lijksdag terug:
Groet uwe vrienden: toon een blij gelaat:
Zoo duur gekocht, stel 'k u op duren prijs.
Maar lees mij thans den brief voor van uw vriend.
Zoo haast ik mij; maar voor ik weer verschijn,
Leg 'k nimmer mij te slapen op een bed,
Geen rust zal aan mijn talmen schuldig zijn. (Allen af.)
Tooneel III.
Venetië. Een Straat.
Shylock, Salarino, Antonio en een Cipier komen op.
Dit is de dwaas die gratis geld te leen gaf.—
Houd hem in 't oog.
'k Zwoer mij te zullen houden aan 't kontrakt:
Gij hebt me eerst zonder reden "hond" genoemd;
Maar nu ik er een ben, pas op mijn muil;
De Doge zal mij recht doen.—'k Ben verbaasd,
Dat gij zoo dwaas zijt, schelm van een cipier,
Om met hem uit te gaan op zijn verzoek.
Ik houd me aan mijn kontrakt, dus spreek niet meer.
Ik ben geen zachte en huilerige sul,
Die schuddebolt en toegeeft, zucht en buigt
Voor Christelijke midd'laars. Volg mij niet,
Geen woord meer, 'k wil mij houden aan 't kontrakt. (Af.)
Die ooit met menschen leefde.
'k Loop hem niet meer met vrucht'loos smeeken na.
Hij wil mijn leven; 'k weet zijn reed'nen goed;
'k Heb menigeen die bij mij klagen kwam
Verlost van de aanspraak die hij op hen had;
Vandaar zijn haat.
Deze aanspraak nimmer geldig laten zijn.
Want als het voorrecht, dat de vreemd'ling heeft
Hier in Venetië, wordt gestuit, dan zal
't Verwijt van onrecht wegen op den staat,
Omdat de handel en de winst der stad
Door alle volken wordt bewerkt. Dus, ga.
Dit leed en nadeel pakten mij zóó aan,
Dat 'k morgen nauwelijks een pondje vleesch
Kan afstaan voor mijn wreeden crediteur.
Vooruit, cipier.—God geve, dat Bassanio
Zijn schuld komt zien voldoen, dan is 't mij wel!
(Allen af.)
Tooneel IV.
Belmont. Een kamer in Portia's Huis.
Portia, Nerissa, Lorenzo, Jessica en Balthazar komen op.
Gij hebt een edel en een waar begrip
Der goddelijke vriendschap; gij verdraagt
Daarvoor de afwezigheid van uw gemaal.
Maar, als gij wist wien gij deze eer bewijst,
Aan welk een waardig man gij uitkomst zendt,
Hoe hij verknocht is aan uw heer gemaal,
Gij zoudt, dat weet ik, trotscher hierop zijn,
Dan uw milddadigheid u maken moet.
Dat zal 'k ook nu niet; want genooten, die
Den tijd te zamen slijten in verkeer,
Wier ziel hetzelfde juk van liefde torst,
Past ook noodzaak'lijk een gelijke maat
Van trekken en van zeden en gemoed;
Dit doet mij denken dat Antonio,
Als boezemvriend van mijn gemaal, aan hem
Gelijk moet zijn. Als dit zoo is, hoe klein
Zijn dan de kosten die ik heb besteed
Om hem die 't evenbeeld is van mijn ziel[52]
Te koopen uit de helsche marteling!
Maar dit komt eigen lofspraak te nabij;
Hier dus niet meer van: hoort iets anders nu.
Lorenzo, ik vertrouw aan uwe hand
De leiding en 't beheeren van mijn huis
Tot mijn gemaal terugkomt. Ik voor mij,
Ik heb den Hemel heimelijk beloofd
In stil gepeins te leven en gebed,
Alleen van mijn Nerissa vergezeld,
Tot onze gaden zijn teruggekeerd.
Er ligt een klooster twee mijl hier van daan,
En daar zal 'k toeven. Ik verzoek u zeer,
Dat gij den last niet van u schuiven zult
Dien mijne vriendschap en de omstandigheên
Nu op u leggen.
Voldoe ik aan uw vriendelijk bevel.
En zullen u en Jessica erkennen
In plaats van Lord Bassanio en mij.
Vaartwel dus, tot we elkander wederzien.
Mijn besten wensch: vaarwel thans, Jessica.
(Jessica en Lorenzo af.)
Daar ik u trouw en eerlijk steeds bevond,
Laat dit ook nu zoo zijn. Neem dezen brief,
En snel naar Padua met al de macht
Die in een man is: zorg dat gij hem legt
In handen van mijn neef, doctor Bellario;
En wat hij u aan dokumenten geeft
En kleed'ren, breng met allen denkb'ren spoed,
Hen bid ik u, naar het gewone veer
Dat op Venetië vaart. Verlies geen tijd,
Maar haast u wat: ik zal er vóór u zijn.
Dat gij niet kent. Wij zien de mannen weer.
Eer ze aan ons denken.
Dat zij ons zullen wanen in 't bezit
Van 't geen wij missen. 'k Wed om wat ge wilt,
Dat, zijn we als jonge mannen uitgedost,
Ik van ons beî de knapste kerel ben,
Mijn degen met bevall'ger kloekheid draag,
Spreek als bij d' overgang van knaap tot man,
Met rietpijp-stem, twee korte pasjes maak
Tot mannelijk gestap, van vechten spreek
Zooals een zwetsend heertje, en listig lieg,
Hoe hooge dames dongen naar mijn gunst,
(En ik, die weig'rend, kniesden zij zich dood,
Ik kon er niets aan doen)—dan krijg 'k berouw,
En 'k wensch dat ik hen niet zoo had gedood.
En twintig flauwe leugens disch ik op,
Zoodat de mannen zweren dat ik ruim
Een jaar van school af ben. 'k Herinner mij
Wel duizend jongensstreken van die pochers,
En 'k pas ze toe.
Als men daar eens een schuinen zin aan gaf!
Maar kom; 'k vertel u mijn geheele plan,
Als 'k in mijn rijtuig ben, dat aan de poort
Van 't park ons wacht; dus nu niet meer gevraag,
Want twintig mijlen staan er voor vandaag. (Beiden af.)
Tooneel V.
Belmont. Een Tuin.
Lancelot en Jessica komen op.