Lorenzo komt op.
Een leger geest'ge woorden heeft de dwaas
Zich in het hoofd geplant! en menig dwaas
Ken ik, van hoog'ren rang en zooals hij
Van geest voorzien, die aan een snedig woord
De zaak ten offer brengt. Kom Jessica,
Zeg gij uw meening nu eens, lieveling,
Wel, hoe bevalt u Lord Bassanio's vrouw?
Dat hij een onbesproken leven leidt,
Want, zóó gezegend met zijn echtgenoot,
Vindt hij de hemelvreugde hier op aard,
En als hij op deze aard niet matig is,
Dan wacht hem zeker nooit het hemelrijk.[55]
Indien twee hemelgoôn in weddenschap
Twee aardsche vrouwen legden op een schaal,
En Portia was er één, dan moest nog iets
Bij de and're, want deze onvolmaakte wereld
Bezit haar weerga niet.
Als zij een vrouw is, hebt gij nu in mij.
Hoe gij ook spreekt, 'k verteer 't dan met de rest.
Vierde bedrijf
Tooneel I.
Venetië. Een Gerechtshof.
De Doge, De Magnifico's, Antonio, Bassanio, Gratiano, Salarino, Solanio, en Anderen.
Zoo hard als steen, een wreede' ellendeling,
Onmedelijdend, gansch verstoken van
Elk grein barmhartigheid.
Dat Uw Genade moeite deed om hem
Te maat'gen in zijn wreeden eisch, maar nu hij
Hardnekkig volhoudt, en geen macht van wet
Mij aan zijn haat ontrukt, beantwoord ik
Zijn woede met geduld, en 'k wapen mij
Om met een kalm gemoed zijn tirannie
En ongetemde gramschap te ondergaan.
Shylock komt op.
Shylock, de wereld denkt, en ik met haar,
Dat gij slechts dit vertoon van boosheid voert
Tot dit laatste oogenblik; en dan zult gij,
Zoo denkt men, meêlij toonen en berouw,
Nog vreemder dan uw vreemde schijnb're wreedheid:
En dat, terwijl ge nu 't verbeurde vergt,
('t Pond vleesch van dezen armen koopman hier,)
Gij niet alleen hem van de boete ontheft,
Maar ook, bezield door liefde en mensch'lijkheid
Hem nog een goed deel schenkt van 't kapitaal,
Uw oog vol deernis slaand op zijn verlies,
Dat kort geleên zich stapelde op zijn rug,
En dezen vorst der koopliên vallen deed,
Zoodat zijn toestand medelijden vond
Bij koop'ren boezems, harten ruw als staal,
Bij stugge Turken en Tartaren, nooit
Met teeder vriend'lijkheidsbetoon vertrouwd.
Wij wachten een zachtzinnig antwoord, Jood.
En bij mijn heil'gen Sabbath zwoer 'k er op
Te hebben wat mij toekomt bij kontrakt:
En weigert gij, dan koom 't gevaar ter neer
Op privilege en vrijheid van uw stad.
Waarom 'k een pondje van dat minne vleesch
Veeleer verkiezen wil dan drie duizend
Dukaten? Wel daar antwoord ik niet op:
Maar, stel, 't is zoo mijn luim: is dàt geen antwoord?
Hoe, als mijn huis geplaagd wordt door een rat,
En 'k tienduizend dukaten geven wil
Om 't beest te loozen? Lijkt dit antwoord u?
De een kan 't niet uitstaan als een varken schreeuwt,
Een ander weer wordt dol, ziet hij een kat,
Een derde houdt zijn water niet, wanneer
De zakpijp door den neus zingt: ieders aard,
De meester van zijn neiging, drijft hem tot
De stemmingen van wat hem lust of walgt.
Zooals er nu geen zeek're reden is,
Waarom een schreeuwend varken d' een mishaagt,
D' and're' een onschaad'lijk huisdier als de kat,
Een derde een wollen doedelzak,[56] zoodat
Hij de onvermijdb're schaamte lijden moet
Om last te geven daar hij dien ook krijgt;
Zoo kan en wil ook ik geen reden geven.
't Is slechts een diepe haat, een zeek're walg
Dat ik Antonio dus vervolg met wat
Voor mij verlies is. Lijkt dit antwoord u?
Ter verontschuld'ging van uw wreed gedrag.
Want even goed kunt ge op het strand gaan staan,
En zeggen tot den vloed: "Was nu niet meer;"
En even goed krakeelt ge met den wolf
Waarom hij de ooi liet blaten om het lam;
En evengoed verbiedt gij 't berggeboomt'
Zijn hooge kruin te schudden, geen gedruisch
Te maken als de hemelvlaag 't doorvaart;
Ja, evengoed kunt gij het zwaarste doen,
Als trachten zijn Joodsch hart (is er iets harders?)
Gedwee te maken.—Daarom, 'k smeek het u,
Bied niets meer aan, gebruik geen midd'len meer,
Maar laat ik kort en bondig, zooals past,
Mijn vonnis hebben, en de Jood zijn wensch.
In zessen ging, en elk deel een dukaat,
Ik nam ze niet,—ik wenschte mijn kontrakt.
Gij allen hebt u slaven aangeschaft,
Die als uw ezels, muildieren en honden
Verachtelijke en slaafsche diensten doen,
Wijl gij hen kocht:—En zeg ik nu tot u:
"Laat vrij hen, huw'lijk hen uw erven uit;
Wat zweeten ze onder lasten? laat hun bed
Zoo zacht als 't uwe zijn, en streel hun tong
Met even lekk're spijs," dan antwoordt gij:
"'t Zijn onze slaven,"—zoo antwoord ik u:
"'t Pond vleesch dat ik hier eisch is duur gekocht,
Het is mijn eigendom, en 'k vraag het dus."
Als gij 't mij weigert, schande op uwe wet!
Dan heeft Venetië's besluit geen kracht,
'k Sta voor mijn recht hier; antwoord, krijg ik het?
Tenzij Bellario, een geleerde doctor,
Naar wien ik om beslissing hierin zond,
Hier heden komt.
Een bode, die zoo juist uit Padua kwam
Met brieven van den doctor.
De Jood krijgt mijn vleesch, beend'ren, bloed, en al
Eer gij voor mij één druppel bloed verliest.
Voor 't slachten 't meest geschikt; de zwakste soort
Van vruchten valt het eerst omlaag, zoo ik.
Gij doet, Bassanio, mij geen beet'ren dienst
Dan dat gij voortleeft en mijn grafschrift schrijft.
Nerissa komt op, als een advokatenklerk gekleed.
(Zij reikt hem een brief over.)
Hardvocht'ge Jood, uw mes; maar geen metaal,
Neen, zelfs het beulszwaard niet, is half zoo scherp
Als 't vlijmen van uw haat. Roert u geen beê?
En 't recht zij aangeklaagd omdat gij leeft.
Gij doet mij bijna wank'len in 't geloof,
Om met Pythagoras het ééns te zijn,
Dat dierenzielen sluipen in het lijf
Van menschen: uwe hondsche ziel gebood
Een wolf, gehangen wegens menschenmoord;
En aan de galg ontvlood zijn felle ziel,
Die in u drong terwijl gij in den schoot
Van uw onheil'ge moêr laagt; want uw aard
Is bloedig, hong'rig, wreed, als van een wolf.
Vermoeit ge uw longen slechts door zulk geschreeuw.
Lap uw verstand wat op, jongmensch, of 't gaat
Totaal verloren.—'k Sta hier voor mijn recht.
Een jong en kundig doctor aan bij 't hof:—
Waar is hij?
Gaarn weten of hij toegelaten wordt.
Geeft hoffelijk geleide hem hierheen,—
Intusschen hoore 't hof Bellario's brief.
En ik geloof dat daar de doctor is.
Portia komt op, gekleed als doctor in de Rechten.
Zijt gij van het geschilpunt onderricht
Dat heden in het hof aanhangig is?
Wie is de koopman hier, en wie de Jood?
Maar toch zóó geldig, dat Venetië's wet
U in uw hand'ling niet kan tegengaan.
U dreigt gevaar van hem, is dat zoo niet? (Tot Antonio)
Zij drupt als zachte regen van omhoog
Op wat omlaag is: dubbel zegent zij;
Zij zegent wie haar geeft als wie haar krijgt;
Ze is 't machtigst in de machtigen; zij staat
Den hoogen heerscher beter dan zijn kroon:
De schepter toont zijn wereldlijk gezag,
Het teeken van de tucht en majesteit,
Waarin de vrees en schroom voor vorsten troont;
Maar de genade is meer dan schepter-macht,
Zij is gezeteld in der vorsten hart,
Zij is een zinnebeeld der Godheid zelf,
En aardsch gezag lijkt dán 't meest dat van God,
Als door genade 't recht getemperd wordt.
Schoon gij dus 't recht bepleit, Jood, denk aan dit,
Dat, als het recht zijn loop heeft, géén van ons
Behouden wordt: wij bidden om gena;
En dàt gebed leert allen ons te doen
De werken der gena. 'k Heb dit gezegd
Om 't recht van uwen eisch te temperen,—
Want staat ge er op, dan moet Venetië's hof
Strikt eerlijk tegen hem een uitspraak doen.
De boete die verbeurd is door 't kontrakt.
Het dubb'le zelfs: en is dit niet genoeg,
Verbind ik mij tot tienmaal deze som,
Op boete van mijn handen, hoofd en hart:
Als dit hem niet voldoet, dan is het klaar,
Dat boosheid deugd vertrapt. En 'k smeek hièrom:
Dwing nu voor ééns de wet naar ùw gezag:
Doe 't weinigje onrecht om het groote recht,
En knot deez' wreeden duivel in zijn wil.
Die de ééns gestelde wet verand'ren kan:
't Werd later licht als voorbeeld aangehaald,
En meen'ge dwaling zou door zulk een daad
Een inval in den staat doen; 't kàn niet zijn.
O, hoe vereer 'k u, wijze jonge rechter!
Zal ik een meineed leggen op mijn ziel?
Voor heel Venetië niet.
En volgens recht is het den Jood vergund
Een pond vleesch uit te snijden vlak bij 't hart
Van dezen koopman.—Toon barmhartigheid;
Neem driemaal 't geld; verscheur 't kontrakt met mij.
Het schijnt dat gij een waardig rechter zijt;
Gij kent de wet, gij hebt haar uitgelegd
Zooals 't behoort: ik eisch dus bij de wet,
Waarvan gij een verdienst'lijk schrager zijt,
Dat gij een uitspraak doet. 'k Zweer bij mijn ziel,
Dat er geen macht is in der menschen tong
Die mij doet wank'len. 'k Houd mij aan 't kontrakt.
Een uitspraak geve.
Gij moet uw borst ontblooten voor zijn mes.
Stemt met de boete gansch'lijk overeen
Die hier verschuldigd staat op het kontrakt.
Hoe veel, veel ouder zijt gij dan ge schijnt!
't Staat in 't kontrakt;—niet, eed'le rechter, niet?—
Het dichtst bij 't hart: dat staat er letterlijk.
Om 't vleesch te wegen?
Die hem de wond stelpt, anders bloedt hij dood.
Gij moest het toch uit menschenliefde doen.
Geef mij uw hand, Bassanio, vaarwel.
Treur niet dat mij dit treft om uwentwil;
Want hierbij toont Fortuin zich meer bevriend
Dan zij gewoon is: altijd laat ze toch
Ellendigen hun rijkdom overleven,
Om met gerimpeld voorhoofd en hol oog
Een ouden dag vol armoe aan te zien!
Maar van het sleepend kwellen die deez' ramp
Met zich te voeren pleegt, ontheft ze mij.
Breng aan uw achtenswaard'ge vrouw mijn groet;
Vertel haar hoe Antonio sterven moest;
Zeg hoe 'k u liefhad; prijs mijn gang ten dood;
En als 't verhaal gedaan is, oordeel' ze of
Bassanio niet eenmaal werd geliefd.
Heb geen berouw dat gij uw vriend verliest,
Nu 't hem niet rouwt dat hij uw schuld betaalt;
Want snijdt de Jood slechts diep genoeg er in,
Betaal 'k haar dadelijk met heel mijn hart.
Die me even dierbaar is als 't leven zelf;
Maar 't leven zelf, mijn vrouw, en heel deze aard,
Uw leven schat ik hooger dan die saam;
Dat alles wil 'k verliezen, offer 't op,
Aan dezen duivel hier voor uw behoud.
Als zij u hier dit aanbod hoorde doen.
Ik wensch haar in den Hemel, als ze zóó
Deez' hondschen Jood door beden buigen kon.
't Werd anders wel wat woelig in uw huis.
Shylock (ter zijde):
Een dochter; liever zag 'k dat een van 't kroost
Van Barrabas[59] haar man waar' dan een Christen!
(Luid) Geen tijd verspild; doe uitspraak, bid ik u.
Het hof bekrachtigt wat de wet vergunt.
Wat u de wet veroorlooft, staaft het hof.
't Kontrakt hier geeft u niet één druppel bloed,
De woorden zijn uitdrukk'lijk, een pond vleesch;
Maar stort gij bij het snijden éénen drop
Van 't Christenbloed, dan wordt uw land en goed
Volgens Venetië's wet verbeurd verklaard
Ten gunste van Venetië's staat.
Want, daar ge op recht staat, ik verzeker u,
Gij zult het hebben, meer dan gij verlangt.
En laat den Christen gaan.
De Jood krijgt alle recht;—zacht wat;—geen haast;—
Niets anders krijgt hij dan wat is verbeurd.
En stort geen bloed, en snijd niet min noch meer,
Maar juist een pond vleesch: neemt ge meer van hem,
Of minder dan precies een pond,—al is 't
Een twintigst partje slechts te licht of zwaar
Van éénen scrupel,—ja, indien de schaal
Hier nog een deel van of een haartje helt,—
Dan sterft ge, en al uw goed'ren zijn verbeurd.
Nu heb ik je te pakken, heidenhond!