WeRead Powered by ReaderPub
De Koopman van Venetië cover

De Koopman van Venetië

Chapter 12: Vijfde Tooneel.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The play follows a merchant who helps a friend obtain funds to court a wealthy heiress; to raise money the friend borrows from a resentful moneylender who demands a gruesome pound-of-flesh bond when repayment fails. Parallel plots show the heiress’s suitors facing a casket test and the moneylender’s daughter eloping, heightening social and personal tensions. A dramatic courtroom confrontation poses questions about mercy, justice, and the letter of the law, while disguises and legal ingenuity lead to an unexpected resolution. Themes explore contractual obligation, prejudice, friendship, and the tension between material wealth and moral value.

Tweede Bedrijf.

Eerste Tooneel.

Belmont. Een vertrek in Portia’s woning.

Trompetgeschal. De Prins van Marocco met zijn Stoet, Portia, Nerissa en anderen van haar Gevolg komen op.

Marocco.

Versmaad mij om mijn kleur niet; ’t is de donkre

Livrei der helle zon, in wier nabijheid

Ik ben geboren en mijn zetel heb.

Maar koom’ de blankste jongling van het noorden,

Waar Febus’ gloed de ijskegels nauwlijks smelt,

En om uw min verwond’ zich elk van ons,

Tot proef, wiens bloed het roodst is, ’t zijn of ’t mijn.

’k Verklaar u, jonkvrouw, dit gelaat deed zelfs

Den stoutste sidd’ren; ’k zweer u bij mijn min,

Dat het de fierste maagden van het zuid

Bekoren kon; en ’k ruilde niet mijn kleur,

Dan om, mijn koningin, uw hart te stelen.

Portia.

Mijn keuze, prins, wordt niet alleen geleid

Door wat een ijdel meisjeshart begeert;

De loterij, waaraan mijn toekomst hangt,

Ontneemt mij zelfs het recht van eigen keus;

Maar had mijn vader in zijn wijsheid mij

Niet zoo beperkt, en mij niet opgelegd

Slechts hem als echtgenoot te aanvaarden, die

Mij op de wijze wint, die ik u noemde,

Dan ware uw uitzicht, wijdvermaarde prins,

Wel even schoon als dat van eenig ander,

Die vóór u naar mij dong. 22

Marocco.

Die vóór u naar mij dong. Reeds hiervoor dank.

Ik bid u dus, geleid mij tot de kastjes,

Om mijn geluk te toetsen. Bij deez’ kling,—

Die aan den Sophi, en een Perzisch prins,

Voor wien de Sultan Soliman driemaal

Het veld moest ruimen, ’t leven nam,—ik zou

Den fiersten blik der aard nog overfonklen,

Het kloekste hart der aard nog overtrotsen,

Aan de berin haar zuiglingwelpen nemen,

Den leeuw beschimpen, brullende om een prooi,

Voor uw bezit, signora. Maar helaas!

Als Hercules en Lichas met den teerling

Uitmaken wie het dapperst is, dan doet

Wellicht de zwakste hand den hoogsten worp,

En moet Alcides voor zijn schildknaap wijken;

En zoo kan mij, als blind geluk beslist,

Ontgaan, wat aan een mindren man ten deel valt,

Zoodat ik sterf van smarte.

Portia.

Zoodat ik sterf van smarte. Zoo is ’t lot!

Beslis dus, dat gij afziet van de keus,

Of zweer vooraf, dat, als gij aav’rechts kiest,

Gij u verbindt om nimmermeer een vrouw

Ten echt te vragen. Overweeg dus wel.

Marocco.

Ik zweer het, nimmer! Kom, de keus gewaagd!

Portia.

Neen, eerst uw eed voor ’t altaar. Na den noen

Beproeft ge uw lot.

Marocco.

Beproeft ge uw lot. Gelukstèr, toon uw macht,

Nu ’t zaligst heil of diepste ellend’ mij wacht!

(Trompetgeschal. Allen af.)

Tweede Tooneel.

Venetië. Een straat.

Lancelot Gobbo komt op.

Lancelot.

Zeker, mijn geweten zal wel toegeven, dat ik van dezen jood, mijn meester, wegloop. De booze is mij op de hielen, en verzoekt mij, en zegt: „Gobbo, Lancelot Gobbo”, of „goede Gobbo”, of goede Lancelot Gobbo, sta op, haal je beenen na je, loop weg”. Mijn geweten zegt: „neen; pas op, brave Lancelot”, of, zooals daareven, „brave Lancelot Gobbo, ga niet op den loop; stamp met je hielen, dat je den brui geeft van dat wegloopen”. Goed, maar de verbenedijde booze drijft mij aan, mij weg te pakken, en zegt: „Loop” zegt de booze, „voort!” zegt de booze, „in ’s hemels naam; heb een hart in ’t lijf”, zegt de booze, „en loop weg”. Goed, maar mijn geweten werpt zich om den hals van mijn hart en zegt op wijzen toon tot mij: „mijn brave vriend Lancelot, gij zoon van een braaf man”,—of liever van een brave vrouw, want, inderdaad, van mijn vader gesproken, daar was wel een luchtje aan, hij had zoo zekere neigingen, zoo wat smaak in—, nu, mijn geweten dan zegt: „Lancelot, blijf”, „blijf niet” zegt de booze; „blijf”, zegt mijn geweten. Geweten, zeg ik, uw raad is goed; Booze, zeg ik, uw raad is ook goed; als ik aan mijn geweten gehoor geef, zou ik blijven bij den jood, mijn meester, die (God straffe mij, als ik lieg!) een soort van duivel is: en als ik van den jood wegliep, zou ik aan den booze gehoor geven, die, met verlof gezegd, de Duivel zelf is. Want dit is zeker, dat de jood de gevleeschelijkte duivel is; en, op mijn geweten, mijn geweten is een hard soort van geweten, dat het mij wil aanraden bij den jood te blijven. De booze geeft mij den besten vriendenraad; ik wil op den loop gaan, Booze; mijn hielen zijn tot uw dienst; ik wil op den loop gaan.

(De oude Gobbo komt op, met een mand.)

Gobbo.

Mosjeu, jonge heer, gij, wees zoo goed en zeg mij, wat is de weg naar mijnheer den jood zijn huis?

Lancelot

(ter zijde). Och hemel, daar is mijn echte vleeschelijke vader; hij heeft meer dan zand, hij heeft kiezel in zijn oogen en kent mij niet.—Ik wil toch eens wat excrementen met hem nemen.

Gobbo.

Mosjeu, jonge heer, wees zoo goed en zeg me, wat is de weg naar mijnheer den jood zijn huis?

Lancelot.

Sla bij den eersten draai rechtsom, maar bij den allereersten draai linksom; maar onthoud, sla bij den allerallereersten draai noch rechts noch links om, maar sla dadelijk na een poos kaarsrecht af naar het huis van den jood.

Gobbo.

Sapperment, dat zal een moeilijke weg wezen om te vinden. Kunt ge mij zeggen, of zekere Lancelot, die bij hem dient, bij hem dient of niet? 49

Lancelot.

Spreek je van den jongen mosjeu Lancelot?—(Ter zijde). Nu opgepast, nu leg ik hem het vuur aan de schenen.—Spreek je van den jongen mosjeu Lancelot?

Gobbo.

Geen mosjeu, heer, maar de zoon van een armen drommel; zijn vader is, al zeg ik het zelf, een brave doodarme kerel, en, Gode zij dank, heel welvarend.

Lancelot.

Wel, laat zijn vader wezen wat hij wil, wij spreken nu van den jongen mosjeu Lancelot.

Gobbo.

Uw gehoorzame dienaar, en Lancelot kortaf, heer.

Lancelot.

Maar ik bid je, ergo, oude man, ergo, verzoek ik je, spreek je van den jongen mosjeu Lancelot?

Gobbo.

Uw edeles dienaar, en Lancelot, heer.

Lancelot.

Ergo, mosjeu Lancelot; spreek niet van mosjeu Lancelot, vadertje; want die jonge heer heeft, ten gevolge van de noodlotten en lotsbeschikkingen en zulke vreemde gezegdens meer, de drie schikgodinnen en verdere geleerdhedens, het tijdelijke met het eeuwige verwisseld, of, om het platweg uit te drukken, hij is ter—hemel gevaren.

Gobbo.

Och, och, God beware! de jongen was zoowaar de staf van mijn ouderdom, mijn eenige steunpilaar.

Lancelot

(ter zijde). Zie ik er uit als een knuppel of een tentpaal, een staf of een pilaar?—Ken je mij niet, vader?

Gobbo.

Ach hemel, ik ken u niet, jonge heer; maar ik bid u, zeg me, is mijn jongen, (God hebbe zijn ziel!) levend of dood?

Lancelot.

Ken je mij niet, vader?

Gobbo.

Helaas, mijnheer, ik ben half blind, ik ken u niet.

Lancelot.

Neen, maar waarlijk, al hadt je je oogen, dan zou het nog wel kunnen gebeuren, dat je mij niet kende; ’t is een wijs vader, die zijn eigen kind kent. Komaan, oude man, ik zal je van je zoon bericht geven. (Hij knielt.) Geef mij uw zegen! De waarheid komt altijd aan het licht; een moord kan niet lang verborgen blijven, wel de zoon van een vader; maar toch, ten langen leste, komt de waarheid uit.

Gobbo.

Ik bid u, heer, sta op; ik weet zeker, dat gij Lancelot, mijn jongen, niet zijt.

Lancelot.

Kom, ik bid je, alle gekheid op een stokje, maar geef mij je zegen; ik ben Lancelot, je jongen die was, je zoon die is, je kind dat wezen zal. 91

Gobbo.

Ik kan niet gelooven, dat gij mijn zoon zijt.

Lancelot.

Dan weet ik ook niet, wat ik er van denken moet, maar ik ben Lancelot, bij den jood in dienst, en, dat weet ik zeker, Margriet, je vrouw, is mijn moeder.

Gobbo.

Ja wezenlijk, ze heet Margriet; en ik wil er op zweren, als je Lancelot bent, dat je dan mijn eigen vleesch en bloed bent. Maar, bij God en al zijn heiligen, wat een baard heb je gekregen; je hebt meer haar gekregen aan je kin, dan Hans, mijn sleeppaard, aan zijn staart heeft.

Lancelot.

Dan lijkt het wel, dat Hans zijn staartharen achteruit groeien; toen ik hem het laatst gezien heb, had hij bepaald meer haren in zijn staart dan ik nu op mijn gezicht heb.

Gobbo.

Heerejé, wat ben je veranderd! En kun je met je meester nog al overweg? Ik heb hem een present meegebracht. Hoe sta je tegenwoordig met elkaar?

Lancelot.

Zóó, zóó,—; maar voor mijn part, daar ik het er op gezet heb om van hem weg te loopen, zoo wil ik niet rusten, voor ik een heel eind achter de hielen heb. Mijn meester is een echte jood; hem een present brengen! geef hem een strop. Ik ben in zijn dienst verhongerd; je kunt iederen vinger, dien ik heb, met mijn ribben tellen. Vader, ik ben blij, dat je gekomen bent; maar geef je present aan zekeren heer Bassanio, die wezenlijk prachtige nieuwe livreien geeft; als ik niet bij hem terecht kan komen, wil ik loopen, zoo ver Gods aardbodem reikt.—O, wat een tref, wat een geluk! daar komt hij aan;—naar hem toe, vader; want ik ben een jood, als ik nog langer bij den jood blijf.

(Bassanio komt op, met Leonardo en andere Bedienden.)

Bassanio.

Zoo kun je het wel doen;—maar je moet er zoo veel spoed achter zetten, dat het avondmaal op zijn laatst tegen vijf uur gereed is. Bezorg deze brieven; maak dat de livreien in orde komen en verzoek Gratiano dadelijk bij mij te komen in mijn huis.

(Een Bediende gaat heen.)

Lancelot.

Nu naar hem toe, vader.

Gobbo.

God zegene uwe edelheid.

Bassanio.

Dank je zeer; wou je iets van mij hebben?

Gobbo.

Hier is mijn zoon, heer, een arme jongen. 129

Lancelot.

Niet een arme jongen, heer, maar de knecht van den rijken jood; en die graag, heer, zooals mijn vader zal spezivizeeren—

Gobbo.

Hij heeft een groote infectie, heer, om zoo te zeggen, om bij u—

Lancelot.

Inderdaad, heer, het kort en het lang van de zaak is, dat ik bij den jood in dienst ben, en declinatie heb, zooals mijn vader zal spezivizeeren—

Gobbo.

Zijn meester en hij, met verlof van uw edelheid, leven zoo wat als kat en hond,—

Lancelot.

Om kort te gaan, de zuivere waarheid is, heer, dat de jood mij verongelijkt heeft, en dat maakt, zooals mijn vader, die naar ik hoop een oud man is, u fructivizeeren zal—

Gobbo.

Ik heb hier een duivenschoteltje, dat ik aan uw edelheid wensch te vereeren, en mijn verzoek is,—

Lancelot.

Om zoo kort mogelijk te zijn, het verzoek interruppeert mijzelf, zooals uw edelheid hooren zal van dezen braven ouden man, die, al zeg ik het zelf, schoon een oud man, toch een arm man en mijn vader is.

Bassanio.

Niet beiden te gelijk;—wat wil je? spreek!

Lancelot.

Bij u in dienst komen, heer.

Gobbo.

Ja, dat is het, dat wij u willen opponeeren, heer.

Bassanio.

Ik ken u wel; ’t verzoek is toegestaan;

Shylock, uw heer, beval vandaag u aan

Voor deez’ bevordring, zoo ’t bevordring is,

Uit zulk een dienst als van een rijken jood,

Te komen bij een armen edelman.

Lancelot.

Het oude gezegde, heer, is zeer goed verdeeld tusschen mijn meester Shylock en u; gij hebt de genade Gods, heer, en hij heeft vele goederen.

Bassanio

(tot Lancelot). Zeer juist. (Tot Gobbo.) Ga heen nu, vader met uw zoon,—

Neem afscheid van uw vroeg’ren heer en kom

Dan aan mijn huis.—(Tot zijn Bedienden.) Bezorgt hem een livrei,

Wat meer bestrikt dan de andre; let daarop.

Lancelot.

Kom, vader.—Neen, ik kan geen dienst krijgen; wel neen, ik heb mijn tongetje niet tot mijn dienst.—Nu, (Hij bekijkt de binnenvlakte van zijn hand.) als er in Italië iemand zoo’n mooie handpalm heeft om op de schrift te zweren! of ik ook geluk zal hebben!—Kijk eens, welk een onnoozel levenslijntje; ’t is me daar een kleinigheidje vrouwen; acht, tien, vijftien vrouwen is nog niets: elf weduwen en negen jonge dochters is wel een onnoozel inkomen voor één man; en dan, driemaal bijna te verdrinken, en mijn leven haast te verliezen aan den rand van een veerenbed;—dat noem ik er genadig afkomen! Ik moet zeggen, als Fortuin een vrouw is, dan is zij in dàt opzicht een goeie meid.—Kom, vader; ik zal in een ommezientje klaar wezen met dat afscheidnemen van den jood.

(Lancelot en de oude Gobbo af.)

Bassanio.

Ik bid u, Leonardo, denk hieraan;

En kom, is dit gekocht en alles klaar, 179

Terstond terug, want al mijn goede vrienden

Onthaal ik dezen avond. Haast u, ga.

Leonardo.

Ik doe mijn best; gij zult tevreden zijn.

(Gratiano komt op.)

Gratiano.

Waar is uw meester?

Leonardo.

Waar is uw meester? Heer, daar gaat hij juist.

(Leonardo af.)

Gratiano.

Signor Bassanio!—

Bassanio.

Signor Bassanio!— Gratiano!

Gratiano.

Ik wensch een gunst van u!

Bassanio.

Ik wensch een gunst van u! Ze is toegestaan.

Gratiano.

Ja, toestaan moet ge; ik moet met u naar Belmont.

Bassanio.

Wat moet, dat moet; maar hoor dan toch, Gratiano,

Gij zijt te wild, te ruw, te luid van stem;

’t Gaat u goed af, en is volstrekt geen fout

In oogen zooals de onze; maar het wordt,

Waar men u zoo niet kent, al licht te vrij,

Te dol gevonden;—temper, zoo gij kunt,

Met enkle koude drupp’len stemmigheid

Uw dart’len geest; opdat ik, door uw woestheid,

Niet word’ miskend, en wat ik wensch en hoop

Niet derven moog’.

Gratiano.

Niet derven moog’. Gerust maar, vriend Bassanio;

Hul ik mij niet in stemmige eerbaarheid,

Praat ik niet deftig, vloek slechts nu en dan,

En is mijn blik niet zedig, draag ik niet

Een kerkboek in mijn zak, en houd ik niet

Mijn hoed voor de oogen bij ’t gebed, en zucht

Ik niet, en zeg ik niet ootmoedig „amen”,

Neem ik naar eisch niet iedren vorm in acht,

Als een, die om de gunst van grootmama

Een uitgestreken facie toont, geloof mij

Dan in ’t vervolg nooit meer.

Bassanio.

Dan in ’t vervolg nooit meer. Wij zullen zien,

Hoe gij u houden zult.

Gratiano.

Hoe gij u houden zult. Maar, vriendlief, hoor,

Deze avond geldt nog niet, gij moogt mij niet

Verkett’ren om van avond.

Bassanio.

Verkett’ren om van avond. Zeker niet,

Dat zou wel jammer zijn, ik zou u eer

Verzoeken uitgelaten dol te wezen,

Want onze vrienden willen vroolijkheid.

Doch nu vaarwel; ik heb nog wat te doen.

Gratiano.

En ik moet naar Lorenzo en de vrienden,

Maar kom met hen van avond goed op tijd.

Derde Tooneel.

Aldaar. Een kamer in Shylock’s huis.

Jessica en Lancelot komen op.

Jessica.

Het spijt me, dat ge ons huis verlaten gaat;

Het is een hel, en gij, een snaaksche duivel,

Hebt soms de slepende uren mij verkort.

Maar ’t ga u goed; neem deez’ dukaat van mij;

En, Lanc’lot, hoor; straks ziet ge op ’t avondfeest

Als gast van uwen nieuwen heer, Lorenzo;

Geef hem deez’ brief, maar doe het in ’t geheim;

En nu vaarwel; ik wil niet, dat mijn vader

Ons samen spreken ziet.

Lancelot.

Atjé!—tranen verlangen mijn tong.—Gij allerliefst heidinneke, allerzoetst Jodinneke! Als een Christen niet voor schelm heeft gespeeld en uw hart gestolen, dan weet ik er niets meer van. Maar atjé, deze bespottelijke druppels verdrinken mijn manlijkheid te veel; atjé.

(Lancelot af.)

Jessica.

Vaarwel, vriend Lancelot.—

Ach, hoe afschuw’lijk is het toch in mij,

Dat ik mij schaam mijns vaders kind te zijn!

Maar ben ik ook zijn dochter naar den bloede,

Ik ben ’t niet naar den geest.—O, mijn Lorenzo,

Geen strijd meer, neen; ik word, blijft gij mij trouw,

Christinne, en met een hart vol liefde uw vrouw.

(Jessica af.)

Vierde Tooneel.

Aldaar. Een straat.

Gratiano, Lorenzo, Salarino en Solanio komen op.

Lorenzo.

Hoort toe, wij sluipen weg van ’t avondmaal,

Vermommen ons bij mij aan huis en zijn

Dan allen in een uur terug.

Gratiano.

Wij zijn op zulk een feest niet voorbereid.

Salarino.

Voor fakkeldragers is niet eens gezorgd.

Solanio.

’t Moet puik in orde zijn, of ’t is niets waard;

En dan zij ’t, dunkt mij, liever niet begonnen.

Lorenzo.

Het is nog pas vier uur; wij hebben dus

Nog twee uur vóór ons. 9

(Lancelot komt op, met een brief.)

Nog twee uur vóór ons. Lanc’lot, zoo! wat nieuws?

Lancelot.

Als uwe edelheid dezen brief gelieft te openen, zal het schijnen te verduidelijken.

Lorenzo.

Ik ken de hand; ja, ’t is een schoone hand,

En blanker dan ’t papier, waarop zij schreef,

De schoone hand, die schreef.

Gratiano.

De schoone hand, die schreef. Een minnebriefje!

Lancelot

(wil weggaan). Met uw verlof, heer.

Lorenzo.

Zeg, waar moet gij heen?

Lancelot.

Och heer, ik moet mijn ouden meester den Jood gaan intiveeren om bij mijn nieuwen meester den Christen van avond het nachtmaal te komen gebruiken.

Lorenzo.

Ziedaar, (Hij geeft hem geld.)—en zeg de schoone Jessica,

Dat ze op mij reek’nen kan;—zeg ’t heimlijk; ga.—

(Lancelot af.)

Mijn heeren,

Maakt ge alles nu voor ’t maskerfeest gereed?

Ik heb al iemand, die mijn fakkel draagt.

Salarino.

Goed, op mijn woord, ik maak het daad’lijk klaar.

Solanio.

Ik ook.

Lorenzo.

En komt dan, na een uur zoo wat,

Aan Gratiano’s huis; daar vindt ge ons tweeën.

Salarino.

’t Is goed, wij zullen komen.

(Salarino en Solanio af.)

Gratiano.

Die brief was van de schoone Jessica?

Lorenzo.

U moet ik alles zeggen: zie, zij schreef,

Hoe ik haar uit haars vaders huis moet schaken;

Hoe ze is voorzien van goud en edelsteenen;

Hoe ze in een page zich verkleeden zal.

Komt ooit de jood, haar vader, in den hemel,

Dan is ’t ter wille van zijn dochter slechts;

En waagt ooit rampspoed haren weg te kruisen,

Dan is er niets, dat zulk een doen verschoont,

Dan dat zij ’t kind is van een valschen jood.—

Kom mede, en zie dit onderweg maar in;

Mij draagt de schoone Jessica de fakkel.

(Beiden af.)

Vijfde Tooneel.

Aldaar. De straat voor Shylock’s huis.

Shylock en Lancelot komen op.

Shylock.

Nu, gij zult zien, met eigen oogen zien,

Hoe anders ’t is bij Shylock en Bassanio;—

Hé, Jessica!—voorwaar, gij zult bij hem

Niet slapen, snorken, telkens kleeren scheuren!—

Hé, Jessica, nog eens!

Lancelot.

Hé, Jessica, nog eens! Hé, Jessica!

Shylock.

Wie zeide u haar te roepen? ’k zei ’t u niet.

Lancelot.

Uwe edelheid heeft mij vroeger altijd gezeid, dat ik nooit iets kan doen, of het moest mij gezeid worden.

Jessica.

Wat is ’t? Gij hebt geroepen? 10

(Jessica komt op.)

Shylock.

’k Ben uitgevraagd ten eten, Jessica;

Daar zijn mijn sleutels.—Maar waarom zou ’k gaan?

Men vraagt mij niet als vriend, maar om te vleien;

Maar ik, ik ga uit haat, en help den christen

Zijn goed verspillen.—Jessica, mijn kind,

Pas op mijn huis;—ik ga met tegenzin;

Er broeit iets, vrees ik, dat mijn rust verstoort;

Ik heb van nacht van zakken gouds gedroomd.

Lancelot.

Ik bid u, heer, kom; mijn jonge meester wacht op uw bezoeking.

Shylock.

Die zal wel gebeuren.

Lancelot.

En ze hebben saamgezworen,—ik wil niet zeggen, dat gij een maskerade zult zien, maar als gij er een ziet, dan was het niet voor niets, dat mijn neus begon te bloeden op den laatsten Paaschmaandag ’s morgens om zes uur, die dat jaar viel op Asschenwoensdag voor vier jaren in den namiddag.

Shylock.

Wat, zijn daar maskers? Hoor mij, Jessica!

Sluit dan de deur, en als gij tromm’len hoort

En dat gegil van kromgenekte fluiten,

Klim dan niet tot het venster op en steek

Uw hoofd niet op de straat, en kijk niet uit

Naar dat geverfd gelaat van christenzotten;

Maar stop dan de ooren van mijn woning,—’k meen

Mijn vensters,—dicht, opdat mijn eerbaar huis

’t Geraas dier flauwe zotternij niet hoore.—

Ik zweer bij Jacobs staf, ik heb geen zin

Om buitenshuis van avond feest te vieren;

Toch wil ik gaan.—Gij knaap, ga voor mij uit;

Zeg, dat ik kom.

Lancelot.

Zeg, dat ik kom. Ik zal vooruitgaan, heer.—

(Fluisterend tot Jessica.) Maar kijk, meestres, alevel ’t venster uit;

Dra passeert een christen goed,

Waard, dat een jodin hem groet.

(Lancelot af.)

Shylock.

Wat zeide daar die gek, die zone Hagars? 43

Jessica.

Hij zeide mij vaarwel en anders niet.

Shylock.

De dwaas is goedig, maar een wolf in ’t eten;

Bij ’t werk een slak, in ’t slapen overdag

Een wilde kat; ik wil geen hommels houden;

En daarom ga hij heen, en ga hij heen

Naar iemand, wien hij den geborgden buidel

Moog’ helpen leêgen.—Jessica, naar binnen;

Misschien kom ik zoo daad’lijk wel terug;

Doe wat ik zeide en sluit de deuren goed;

„Een dichte kast, weert meen’gen gast;”

Zoo spreekt een elk, die op zijn zaken past.

(Shylock af.)

Jessica.

Vaarwel;—en als Fortuin mij niet bestrijdt,

Ben ik een vader, gij een dochter kwijt.

(Jessica af.)

Zesde Tooneel.

Aldaar.

Gratiano en Salarino komen op, gemaskerd.

Gratiano.

Dit is het afdak, waar Lorenzo ons

Verzocht te wachten.

Salarino.

Verzocht te wachten. ’t Uur is haast voorbij.

Gratiano.

En ’t is een wonder, dat hij ’t uur verzuimt;

Verliefden zijn meestal de klok vooruit.

Salarino.

O, tienmaal sneller vliegen Venus’ duiven

Om nieuwe liefdebanden te bezeeg’len,

Dan om gezworen trouw gestand te doen.

Gratiano.

Ja, dat gaat door: wie staat ooit van een feest

Met zooveel eetlust op, als hij ging zitten?

Waar is het paard, dat op zijn lange baan

Terugdraaft met hetzelfde ondoofbre vuur,

Waarmee het steig’rend wegstoof? Ieder ding

Wordt met meer vuur begeerd dan wel genoten.

Ziet, hoe, gelijk een jong en kwistig zwakhoofd,

Het nieuwe jacht daar zee kiest, vlag in top,

Door dartel windgestreel gekust, geliefkoosd!

Hoe keert het weer als de verloren zoon,

De spanten bloot en met gescheurde zeilen,

Verarmd en naakt door ’t dartel windgestreel!

(Lorenzo komt op.)

Salarino.

Daar komt Lorenzo;—later dus ’t vervolg. 20

Lorenzo.

Verschoont mij, lieve vrienden, dat ik toefde;

’k Had veel te doen; dat draag’ de schuld, niet ik.

Maar is ’t ùw beurt eens om een vrouw te stelen,

Dan wacht ik even lang op u.—Komt hier;

Hier woont mijn jodenvader.—Wie is thuis?

(Jessica verschijnt aan ’t venster, in jongensgewaad.)

Jessica.

Wie is daar? Zeg ’t voor alle zekerheid,

Hoewel ik zweren zou de stem te kennen.

Lorenzo.

Lorenzo, en uw liefste.

Jessica.

Lorenzo, zeker; en mijn liefste, ja;

Want wien heb ik zoo lief? Maar wie, Lorenzo,

Staat voor u in, dat ik u ’t liefste ben?

Lorenzo.

De hemel en uw hart zijn mijn getuigen.

Jessica.

Hier, vang dit mandje; ’t is de moeite waard.

Goed, dat het nacht is, en ge mij niet ziet;

Want ik ben erg beschaamd in deez’ verkleeding;

Maar liefde is blind; verliefden kunnen niet

De vreemde streken zien, die zij bedrijven;

Maar konden zij ’t, Cupido zelf zou blozen,

Als hij mij zoo als jongen zag verkleed.

Lorenzo.

Kom af, gij moet mijn fakkeldrager zijn.

Jessica.

Wat! moet ik ’t licht doen vallen op mijn schande?

Die is, voorwaar, van zelf reeds veel te licht.

Dit is een post, mijn lief, die openbaart,

En ’k moet verborgen zijn.

Lorenzo.

En ’k moet verborgen zijn. Dat blijft gij, liefste,

Als u ’t bevallig pagekleed omhult.

Maar haast u thans;

Of de ons bevriende nacht gaat vluchtling spelen,

En men verwacht ons bij Bassanio’s feest.

Jessica.

Ik ga de kasten sluiten en verguld mij

Met meer dukaten nog, en kom dan fluks.

(Zij gaat weg van ’t venster.)

Gratiano.

Ze is, bij mijn kap, Godinne, geen Jodinne.

Lorenzo.

God straff’ me, zoo ’k haar niet oprecht bemin;

Verstandig is ze, als ik er iets van weet;

En schoon is ze, als mijn oog mij niet bedriegt;

En trouw is ze ook, dat heeft ze reeds getoond.

En, zooals ze is, verstandig, schoon en trouw,

Wordt zij mijn teêr en trouw beminde vrouw.

(Jessica komt op, beneden.)

Lorenzo.

Zoo, zijt ge er reeds?—Dan, heeren, voort, met spoed;

Ginds wacht ons al sinds lang de maskerstoet.

(Hij gaat heen, met Jessica en Salarino.)

(Antonio komt op.)

Antonio.

Wie daar?

Gratiano.

Wie daar? Signore Antonio?

Antonio.

Gratiano, foei! En waar zijn nu al de andren?

’t Is negen uur; de vrienden wachten u.—

Geen maskerade thans; de wind is om;

Bassanio wil op ’t oogenblik aan boord;

Ik zond wel twintig man om u te zoeken.

Gratiano.

Zeer gaarne, ja; want niets staat meer mij aan,

Dan nog van avond scheep en weg te gaan.

(Beiden af.)

Zevende Tooneel.

Belmont. Een zaal in Portia’s huis.

Trompetgeschal. Portia en de Prins van Marocco komen op, beiden met Gevolg.

Portia.

Goed, schuif den voorhang open en onthul

De kastjes alle voor deez’ eed’len prins;—

(Tot den Prins.) Doe thans uw keus.

Marocco.

Van goud het eerste, dat tot opschrift heeft:

„Die mij verkiest, verkrijgt, wat menig man begeert”.

Van zilver ’t tweede, dat ons dit belooft:

„Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient”.

Dit derde, zwaar, van lood, met plomp vermaan:

„Die mij verkiest, die wage en geve al wat hij heeft”.

Hoe weet ik nu, of ik het rechte kies?

Portia.

Slechts één er van bevat mijn beelt’nis, prins;

En kiest ge dat, dan ben ikzelf ook de uwe.

Marocco.

Een God bestuur’ mijn oordeel dan! Laat zien;

Nog eens wil ik die spreuken overlezen.

Wat zegt dit looden kastje?

„Die mij verkiest, die geve en wage al wat hij heeft”.

Die geev’—voor wat? voor lood? hij waag’ voor lood?

’t Is taal, die dreigt. En zij, die alles wagen,

Doen dit op hoop van kostelijk gewin;

Een gouden geest bukt niet naar schuim van erts;

En ìk geef niets en waag ook niets, voor lood.

Wat zegt het zilver, met zijn maagdeglans?

„Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient”.

Zooveel als hij verdient!—Denk na, Marocco,

En weeg uw eigen waarde op de juiste hand;

Waardeert men u, zooals ge uzelven schat,

Genoeg is uw verdienste; schoon, genoeg

Kan ontoereikend wezen voor de jonkvrouw.

Doch, angst te koestren over mijn verdienste,

Waar’ zwak, onwaardig twijflen aan mijzelf.

Zooveel als ik verdien!—Nu, ’t is de jonkvrouw;

’k Verdien haar door geboorte en door mijn goed’ren, 32

Door gaven der natuur en door beschaving,

Maar bovenal verdien ik haar door liefde.

Als ik niet verder ging, en dit verkoos?—

Maar toch, die spreuk van ’t goud nog overwogen!

„Die mij verkiest, verkrijgt, wat menig man begeert”.

Nu, dat ’s de jonkvrouw; iedereen begeert haar,

En iedre hoek der aard brengt pelgrims aan,

Om ’t sterflijk, aad’mend heiligbeeld te kussen.

Hyrcanië’s wouden, de onafzienbre vlakten

Van ’t woest Arabië zijn gebaande wegen

Voor vorsten thans, tot schoone Portia;

Het rijk der waatren, dat met fiere kruinen

Den hemel in ’t gelaat spuwt, keert ze niet,

Die zoo vermeet’le vreemden; neen, ze komen,

Als door een beek, tot schoone Portia.—

Eén van deez’ drie omsluit haar hemelsch beeld.

Is ’t denkbaar, dat haar lood omsluit?—’t Waar’ lastring,

Zoo iets te denken; ’t lood is te verachtlijk

Om zelfs in ’t donkre graf haar wâ te ompants’ren.—

Of is ’t te denken, dat ze in zilver huist,

Wel tienmaal minder waard dan ’t loutre goud?

O zondig denkbeeld! zulk een rijk juweel

Wordt steeds in goud gevat. In Eng’land is

Een munt, van goud, gestempeld met een engel,

Maar daar is ’t beeld eens engels bovenop;

Hier ligt een engel, door een gulden bed

Geheel omsloten.—Geef den sleutel mij;

Dit is mijn keus; geluk, wees aan mijn zij!

Portia.

Daar, neem hem, prins; en is mijn beeld hierin,

Dan ben ik de uwe.

(Bij ontsluit het gouden kastje.)

Marocco.

Dan ben ik de uwe. O, hel, wat vind ik hier?

Een grijnzend doodshoofd, en in de oogkas ligt

Een opgerold geschrift?—Ik wil het lezen.

„Al wat blinkt, is nog geen goud,

Wis is dit u vaak ontvouwd;

Menig heeft den schijn vertrouwd,

Maar te laat zijn doen berouwd.

Gulden graven zijn gebouwd,

Waar de worm toch huis in houdt.

Waart gij even wijs als stout,

Jong van leên, van oordeel oud,

’t Afscheid hadt ge niet aanschouwd:

Al uw gloed laat Portia koud.”

Koud voorwaar en moeite om niet;

Welkom, koude; en gloed, ontvlied!—

Leef, Portia, wel! Het vonnis doet mij pijn;

’k Verloor; zoo moog’ dan kort het afscheid zijn!

(Marocco af, met zijn Gevolg.)

Portia.

O heuglijk eind!—Trek weer den voorhang toe;—

Dat elk, die hem gelijkt, die keuze doe.

(Allen af.)

Achtste Tooneel.

Venetië. Een straat.

Salarino en Solanio komen op.

Salarino.

Ja, vriend, ik zag Bassanio onder zeil;

Gratiano heeft zich met hem ingescheept,

Maar zeker is Lorenzo niet op ’t schip.

Solanio.

De jood, die hondsvot, tierde, tot de doge

Met hem Bassanio’s schip ging onderzoeken.

Salarino.

Hij kwam te laat; het was reeds onder zeil.

Toen echter kwam den doge dra ter oore,

Dat men Lorenzo en zijn Jessica

Gezien had in een gondel; bovendien

Gaf ook Antonio de verzeek’ring, dat

Zij niet Bassanio op zijn schip verzelden.

Solanio.

Nooit hoorde ik zulk een teugellooze woede,

Zoo vreemd, zoo heftig, zoo van ’t een op ’t ander,

Als van dien jood, dien hond, daar op de straat:

„Mijn dochter!—Mijn dukaten!—O mijn dochter!—

En met een christen!—O, mijn christ’lijke dukaten!—

O recht en wet! mijn dochter! mijn dukaten!

Eén zak, twee zak, verzegeld, vol dukaten!

Dubb’le dukaten;—en mijn dochter stal ze!

Juweelen ook, twee steenen, kostbre steenen!

Mijn dochter stal ze!—Rakkers, zoekt die deern!

Mijn steenen heeft ze bij zich, mijn dukaten!”

Salarino.

De straatjeugd van Venetië schreeuwt hem na:—

„Zijn steenen, zijn dukaten en zijn dochter!”

Solanio.

Als nu Antonio maar op tijd betaalt,

Want anders zal hij ’t boeten.

Salarino.

Want anders zal hij ’t boeten. Ja, zeer juist.

’k Was gistren met een Franschman aan het praten;

Die zeide mij, dat in de nauwe zee,

Die Frankrijk scheidt van Eng’land, er een schip

Vergaan was, rijk bevracht, en hier van daan.

’k Dacht daad’lijk aan Antonio, toen hij ’t zeide,

En wenschte in stilte: „zij dat niet van hem!”

Solanio.

Gij moet hem toch vertellen, wat ge hoort;

Maar niet te plotsling, want het mocht hem leed doen.

Salarino.

Er is geen trouwer hart op aard; ik zag

Bassanio’s afscheid van Antonio. 36

Bassanio zeide, dat hij spoed zou maken

Om weêr te keeren; „Doe dat niet”, was ’t antwoord,

„Verbroddel niet om mij uw zaak, Bassanio.

Neen, laat de tijd haar rijpen. Wat den schuldbrief

Betreft, dien ik den jood geteekend heb,

Die rijz’ niet voor uw geest naast uwe liefde;

Wees opgeruimd en wijd al uw gedachten

Aan hoflijkheid en de uiting uwer liefde,

Aan al wat ginds u ’t beste passen zal.”

Toen reikte hij,—zijn oog schoot vol van tranen,—

Met afgewend gelaat zijn vriend de hand,

En schudde, met een wonderdiepe ontroering,

Met kracht Bassanio’s hand. Zoo scheidden zij.

Solanio.

’k Geloof, is hem de wereld nog iets waard,

Dan is ’t om hem. Kom, zoeken wij hem op,

En zij door scherts of boert die somberheid,

Die hem beving, verjaagd.

Salarino.

Die hem beving, verjaagd. Ja, doen wij dat!

(Beiden af.)

Negende Tooneel.

Belmont. Een zaal in Portia’s woning.

Nerissa komt op, met een Bediende.

Nerissa.

Kom, spoedig, spoedig, trek den voorhang weg;

De prins van Arragon heeft de’ eed gedaan

En komt zoo daad’lijk zijn geluk beproeven.

(Trompetgeschal. De Prins van Arragon en Portia komen op, beiden met Gevolg.)

Portia.

Gij ziet, daar staan de kastjes, edel prins;

Verkiest gij dat, waarin mijn beeltnis is,

Dan wordt terstond het huwlijksfeest gevierd;

Maar faalt uw keuze, heer, dan moet gij ook

Terstond en zonder tegenspraak vertrekken.

Arragon.

Drie dingen zijn door de’ eed mij opgelegd:

Ten eerste, nimmer iemand te openbaren,

Welk kastje ik koos; dan, mocht ik ’t rechte kastje

Niet treffen, nimmer in mijn leven meer

De hand van een’ge vrouw te vragen; eind’lijk,

Indien ’t geluk me een juiste keus ontzegt,

Hier niet te toeven maar terstond te gaan.

Portia.

Hiertoe verplicht zich elk bij eede, die

Voor mijn onwaardig ìk de kans komt wagen.

Arragon.

Ik nam het op mij. Thans, Fortuin, vervul

Mijn hartewensch!—Goud, zilver, waardloos lood!

„Die mij verkiest, die geve en wage al wat hij heeft”;

Glans vrij wat schooner, eer ik geef of waag!—

Wat zegt het gouden kastje? Laat eens zien:—

„Die mij verkiest, verkrijgt wat menig man begeert.” 24

Wat menig man begeert!—dit menig meent wellicht

De dwaze menigt’, die naar schijn slechts kiest,

Niet meer ziet dan het ijdel oog kan leeren,

Niet in het binnenst dringt, maar als de zwaluw

Haar bouw bevestigt aan den buitenwand,

Geheel aan storm en toeval prijsgegeven.

Ik kies niet, neen, wat menig man begeert,

Ik wil mij niet naar lage geesten schikken,

Niet voegen bij den grooten dommen hoop.

Dus thans tot u, gij zilvren schatbewaarder,

Zeg mij het opschrift, dat gij draagt, nog eens:

„Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient”.

Zeer goed gezegd: want wie durft stout Fortuin

Verschalken, en zich eere stelen, waar

Verdienstes stempel op ontbreekt! Dat niemand

Een onverdiende waardigheid zich eigen’!

O, werden goed’ren, rang en ambten nooit

Op laak’bre wijs verworven; eere steeds

Onwraakbaar, door verdienste alleen, gekocht!

Hoe menig dekte zich, die blootshoofds staat;

Hoe menig, die beveelt, wierd dan de dienaar!

Wat laag gepeupel zou de wan niet schiften

Uit wat het zaad der eere is; hoeveel tarwe

Waar’ niet te lezen uit het kaf der tijden,

En weer tot eer te brengen!—Maar, de keuze:—

„Die mij verkiest, erlangt zooveel als hij verdient.”

Ik kies verdienste;—ontsluit mij dit, opdat

Me onthuld zij, hoe ’t geluk mij is gezind.

(Hij ontsluit het zilveren kastje.)

Portia.

Te lang gedraald voor dat, wat gij daar vindt.

Arragon.

Wat is dit hier? Het beeld eens zots, dat me aangrijnst,

En een geschrift mij reikt? Ik wil het lezen.

Hoe weinig zijt ge aan Portia gelijk!

Hoe weinig aan mijn hoop en mijn verdiensten!

„Die mij verkiest, verkrijgt zooveel als hij verdient.”

Verdien ik dan niets beters dan een zotskop?

Is dat mijn loon? Is mijn verdienste zoo?

Portia.

Misdoen en rechtspraak gaan niet samen; ’t een

Verschilt in aard van ’t ander.

Arragon.

Verschilt in aard van ’t ander. Wat staat hier?

„Zevenmaal in ’t vuur geheet

Werd dit zilver, en gesmeed;

Zevenmaal is hij doorkneed,

Die nooit dwaze keuze deed.

Menig greep een schaduw beet,

Die hem door de handen gleed.

Dwazen zijn er, zoo ik weet,

Als deez’ nar, in zilvren kleed. 69

Kies een meisje, grof of fijn,

Altijd is uw hoofd als ’t mijn;

Gaat, laat dit genoeg u zijn.”

Grooter nar schijn ik mij toe,

Als ik hier nog toeven doe.

Eénen zotskop bracht ik mee,

En ik ga nu weg met twee.—

Nu, vaarwel, ik houd mijn eed,

Zal geduldig zijn in ’t leed.

(De Prins van Arragon met Gevolg af.)

Portia.

Dat de mot de vlam niet meed!

O, o, die wijze narren! als zij kiezen,

Zijn zij zoo wijs, door wijsheid te verliezen.

Nerissa.

Hoe goed het oude spreekwoord het toch wist!

Wie hangt, wie huwt, wordt door het lot beslist.

Portia.

Kom, trek ’t gordijn weêr toe, Nerissa.

(Een Bediende komt op.)

Bediende.

Waar is mijn jonkvrouw?

Portia.

Waar is mijn jonkvrouw? Hier; wat wil mijn heer?

Bediende.

Mejonkvrouw, aan de poort is afgestegen

Een jong Venetiaan, om u te melden,

Dat weldra zijn gebieder u begroet;

Hij brengt van deze’ u liefdevolle groeten,

Behalve hoff’lijk schoone woorden, gaven

Van hooge waarde; en nimmer zag ik nog

Een liefdeboô, zoo goed zijn boodschap waard;

Want nooit kwam in April een dag zoo schoon,

Om ons den fraaien zomer te voorspellen,

Als deze boô vooraf zijn heer ons meldt.

Portia.

Genoeg, ik bid u; ik begin te vreezen,

Dat gij zoo daad’lijk zegt: „hij is mijn broêr:”

Zoo feestlijk zijt ge in ’t roemen van zijn lof.

Nerissa, kom; ’k wil zien wie ’t is, die zoo

Zijn liefde ons meldt, reeds door zijn liefdeboô.

Nerissa.

Geef, liefdegod, het zij Bassanio!

(Allen af.)