WeRead Powered by ReaderPub
De lelie van 's-Gravenhage cover

De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 46: I.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Set in a historical Dutch setting, the narrative opens on a stormy November night as a small party arrives at a guarded house to deliver a heavy, wrapped bundle while a child’s plaintive cries suggest concealed troubles. Through episodic episodes it traces interactions among travelers, a gatekeeper, and local residents, revealing social tensions, domestic strains, and unfolding secrets. The prose alternates atmospheric landscape and weather description with close observation of character behavior and moral dilemmas, gradually assembling a network of relationships and obligations that determine how private burdens and public expectations shape the community’s fate.

Een mooie Aprilmorgen in ’t Haagsche Bosch.

Langs het vijvervlak door een koeltje gerimpeld, glanst vroolijk de lentemorgenzon. Blij schallend vieren de vogels hun hoogtij in ’t woud. De fijne bolsters hebben den drang van ’t jonge leven niet langer weerstaan. Tusschen de zware stammen zijn de heesters reeds geheel met lichtgroen omhuifd, en ook de iepen en beuken tooiden zich reeds met een zachtgroen waas. De rosse knopjes der eiken glimmen hooger, bottende in ’t zonlicht. Frisch groen breekt het bruin van den sierlijk golvenden bodem, die bedekt is met een glanzige bloemensneeuw van duizenden bosch-anemonen.

Verrukkelijk bosch! Trotsch in den zomer, als ge uw rijkdom van lommer aan den frisschen vijverzoom huwt; prachtig in ’t najaar, als de schuine zonnestralen tinten tooveren in uw dieper groen en bruin; liefelijk, betooverend schoon in ’t voorjaar, als het koeltje suist, en de zonnestraal spreekt van lieven en leven.

En gewis, alles stroomt er naar buiten; oud en jong, rijk en arm, nu de zon, na malschen regen de lustwarande der hofstad zoo prachtig tooit voor het groote jaarfeest der Natuur....? Zacht wat! Nu ik aan ’t eind van den breeden vijver,—als zoo dikwijls reeds op dit vriendelijk plekje—de zoete stemmen van een eersten lentemorgen beluister, nu bespeur ik, noch langs die vijverzoomen, noch op de paden tusschen ’t hout, eenig spoor van menschelijk leven. Doch zie, een woudduif schrikt op. ’t Geklinklang van een bungelend wapen doet zich hooren. Achter den heuvel, waar ’t zwartaarden rijpad slingert, worden twee ruiters ten deele zichtbaar. In galop schieten ze langs ’t malsche heestergroen voorbij. Ginds, bij ’t klimmen van den heuvel, verrijzen ze even, maar duiken ook aanstonds weer weg achter den zoom der bosch-anemonen.

Hoe! is er in dit vriendelijk morgenuur—en immers nog vóór bureautijd—geen enkele wandelaar in ’t prachtige Haagsche Bosch?

Ja toch, ginds in de verte daar gaat “de grijze mijnheer,” en daar, op ’t groote pad, keert de altijd lezende bakkersjongen met zijn leege broodmand als naar gewoonte dood-langzaam naar de stad terug. Of hij wijsheid of dwaasheid zoekt....? Natuurschoon en ’s meesters voordeel zeker niet. Ei zie, ’t is waarlijk druk dezen morgen; daar komen nog twee personen de kleine brug af, en gaan mijn zitplaats voorbij.

“Nein! Traviata nicht gesehn, nein!”

—’t Is egoïstisch misschien maar bij ’t vernemen van iets dergelijks, krijgt men er vrede mee, dat het ’s morgens vóór den pantoffeltijd, zoo kalm blijft in het heerlijke bosch.

En bij ’t stil genieten van ’t jonge leven in ’t ronde, is ’t zeker niet vreemd dat de geest terugdwaalt naar de lente van ’t leven, die reeds zoolang voorbij is. Wat was ’t een heerlijke tijd, die blonde jeugd! ... vroolijk, vrij, zonder zorg, in dartele onschuld genietende....

Straks bij ’t opstaan zal ik ’t eerst begrijpen hoe David Bot mij plotseling zoo klaar voor den geest is gekomen.

’t Was in den knikkertijd. David had me al mijn knikkers afgenomen, en bovendien was ik er hem nog twintig schuldig gebleven—twintig met inbegrip van twee albasters.

“Willen we quite ou double?” zei David.—“Wat is dat kiet oe doebel?”—David was drie jaar ouder en veel sterker en ook knapper dan ik.—“Wel we doen even of oneven; als je ’t raadt ben je me niemendal schuldig, en anders dubbel zooveel.”—Goed! Ik raadde even. ’t Was oneven. “Da’s veertig!” zei David: “Nog eens!”—“Oneven”—”’t Is even” zei David: “da’s tachtig.” Ik kreeg het vreeselijk warm.—“Nog eens?” vroeg. David. “Neen, neen!”—“Niet? Ben je mal; als je ’t raadt heb je alles weerom!”—“Nou! oneven.”—“Mis!” zei David: “da’s honderd zestig.”—nou win je ’t!”—“Even!”—“Alweer mis, driehonderd-twintig.” De tranen sprongen mij in de oogen.

“Nogeens!” riep David. En nog eens raadde ik mis, en David lachte, en telkens stak hij mij zijn roode saamgeknepen hand toe; en toen ik nog vijf malen met bevende stem had misgeraden, toen grinnikte David: “Nou schei ik er uit! Twaalf duizend vierhonderd tachtig knikkers ben je me schuldig. Je zult ze me geven hoor of anders ben je een dief en je komt aan de galg!”

O zalige kindertijd! Acht dagen lang heb ik in doodsangsten doorgebracht. Ellendiger kan de totaal geruïneerde huisvader zich niet gevoelen, dan ik mij gevoelde; vooral wanneer die kleine propperig dikke David, mij, sarrende, telkens papiertjes in handen speelde, waarop dat schrikkelijke cijfer geschreven stond, o, dan brak mij het angstzweet uit, en eens, midden onder schooltijd, toen hij de lei omhoog hield met een poppetje aan de galg er op en alweer dat cijfer er onder, toen wenschte ik dat ik dood was. Eerst nadat ik alles aan mijn goede moeder gezegd en zij mij honderd knikkers gekocht had, ademde ik weer vrijer, want de propperige David vond—evenals ik—tusschen de getallen 1 2 4 8 O en 100 zoo’n groot onderscheid niet.

Blijde kinderjaren! Mijn nichtje Anna had een bakkesje om te stelen, en op de kinderbals dansten we meestal samen. Eens had zij tegen David gezegd, dat zij niet met hem dansen wilde, omdat hij zoo gniepig met mij gespeeld had. Den volgenden dag zei David tegen mij, dat Anna scheel zag, en van de pokken geschonden was. Ik ben toen woedend geworden, want Anna was als een meikers zoo glad, en mooier oogjes waren er niet in de heele wereld! Hoewel David zooveel ouder en sterker was dan ik, heb ik hem toch een duchtigen slag gegeven. Maar David heeft me daarop met zijn stevige knuisten zoo erbarmelijk toegetakeld, dat mijn linkeroog bont en blauw zag. ’t Was om razend te worden! Meester zei dat ik was begonnen en daarom moest schoolblijven, en duizendmaal schrijven: Ik mag mijn kameraden niet slaan. Toen David naar huis ging, stak hij de tong tegen mij uit en fluisterde: “Weet je, ze is scheel en mottig!”

En ik, die duizendmaal schrijven moest, dat die leelijkerd mijn kameraad was!! Toen ik thuis kwam zei mijn vader, dat meester mij stellig niet onrechtvaardig zou gestraft hebben, en moeder, dat het van David zeker een grapje geweest was.

In den zwaren beukestam ginds, staat met kolossale letters de naam DAVID gesneden; en David Bot heeft mij aan die donkere dagen herinnerd, en aan nog zoovele andere uit die vroolijke zorgelooze jeugd, uit die nooit volprezen lente van ’t leven.

In ’t midden van een breed uitgesneden hart, staat in dienzelfden beukestam, ter linkerzij en veel hooger den naam Maria.

Maria! En ik denk aan het schoone jonge vrouwtje dat haar Eduard aanbad. Hij—hij droeg haar op de handen. Hun liefde was hun hemel. En—nog was het kindje niet geboren, dat hun echt bekronen zou, toen zij starend neerzat in ’t sombere rouwkleed. Geknakte lelie! En uw zomer zou zoo schoon zijn! Maar uw kind werd uw liefde en rijkdom. Zoo had de zomer dan toch zijn bloemen voor u, trouwe moeder.

In dien boomstam staan nog een menigte naamcijfers en jaartallen. Misschien bezie ik de kloeke beuken, die de herinnering aan meer dan drie geslachten bewaren, later wel eens wat nauwkeuriger; nu is ’t genoeg. Met de frissche morgenlucht heb ik tevens een fiksche teug uit den frisschen levenskelk genoten. Neen, als de lente herleeft, en land en bosch jubelt in den zonnestraal met de zachtste tinten en kleuren, dan droomen we niet van een zoet weleer, dat slechts in de herinnering zoo vlekkeloos schoon was; dan leven we evenmin in een toekomst, hunkerende naar een zorgloozen ouderdom, die nooit zal komen; maar dan leven we in het heden en roemen in de heerlijke lente, die nu weer haar schatten ontplooit.... Maar zie, bij ’t genietend voortwandelen langs het lichtste groen van iepen en eschdoorns, terwijl hooger de vogelkers met zijn sierlijk witte bloemtrossen, honinggeuren door ’t bosch verspreidt, komt toch een droeve toon, een toon van smart en rouw en vervlogen kracht en geluk het hart beroeren: Ginds op een bank zit een grijsaard. ’t Is een arme; een houten kruk staat naast hem; om zijn versleten zeer rossen hoed, zit een breede nog rosser rouwband. Zijn gezicht moet hij missen, want de drie kinderen, die slechts op zeer korten afstand anemonen plukken, hij roept ze en waarschuwt hen toch niet te dicht bij het water te komen—ofschoon de vijver nog op grooten afstand is.

Arme tobber, eens kondt ge zien; eens kondt ge de lente genieten; eens kondt ge u vrij bewegen, dartel zooals die kleinen ginds, of rustig zooals hij die uw zitplaats nadert.

En de kinderen keeren met hun bloemen tot grootvader terug; en, als ze hem hun schat toonen—alsof hij dien zien kon—en het kleinste meisje hem de anemonen onder den neus drukt, dan lacht hij tevreden en niest, om zijn verrukking aan ’t kind te toonen. En terwijl grootvader de roode wangen van het lieve bloemplukstertje streelt, roept haar oudere zusje: “Nou draaien, grootvader! Toe!” En zie, zij heeft den oude het eind van een lang touw reeds in de hand gegeven. “Ja kom, nu lustig aan ’t springen,” zegt grootvader: “Jij Jan, ’t eerst meedraaien.” En de grijsaard draait het springtouw. En met luisterend oor, het hoofd een weinig ter zij, bespiedt hij den lustigen touwdans der kleinste. Ei, ’t oudste zusje, ongeduldig, springt mee in de bocht. En grootvader glimlacht, want: Ja ja, hij bemerkt het wel. Maar ze mag het wel doen! En het touw vervat hij gedurig van de eene in de andere hand. “Neen, ga je gang maar; grootvader zal wel draaien, als jelui maar pret hebt!”

Hij zou wel draaien, als die kinderen maar pret hadden!—En nog een poos zag ik naar ’t lustig gespring der kleinen, die, eerlijk om beurten met grootvader het touw draaiden; en ook zag ik naar dien oude met zijn vergenoegden lach op het kennelijk door smarten gegroefd gelaat. En weer voortgaande langs het tintelend weefsel van doorschijnende blaadjes, dacht ik nogmaals aan dat ziekelijk dwalen in verleden en toekomst; en het bosch met zijn stemmen van vogels en kleuren en geuren het riep mij nogmaals toe: Prachtig is deze lente! ’t Is niet te denken dat er voor u schoonere zullen komen! Geniet dan, o mensch, en klaag en zucht niet om ’t geen voorbij is, en hunker en jaag niet naar.... uw graf. Als ge zelf niet meer springen kunt, welnu draai dan het touw voor de kleinen. Als anderen lachen en vroolijk zijn dan zult ge nog mee genieten. Leef in het heden! zie—de zon in die blaadjes, ze lacht zelfs voor den zwaarst beproefden sterveling.

Juist bij ’t uitgaan van ’t bosch gaat Flanor mij voorbij. “Prachtig in ’t bosch!” roep ik hem toe.—“Overheerlik!” is zijn antwoord.

Of het Flanor werkelijk ernst is de ij af te schaffen? Ik weet het niet; maar, nu zijn overheerlik mij nog in de ooren trilt, en ik hem in ’t groote bosch langzamerhand zoo heel klein zie worden.... nu geloof ik toch dat hij in zijn “Spectator” bij ongeluk God zonder hoofdletter heeft geschreven. Ik nam het voor ernst, en vond het.... kinderachtig. De oorsprong van alle bestaan; de bron van alle leven door het zonnestofje mensch, onder vele namen ook GOD geheeten; dat hoogste waarnaar de wijsheid vorschte sinds ’s werelds bestaan, Flanor zal het alvast eenvoudig geen hoofdletter waardig keuren! Maar neen, de kerel meent het niet, hij heeft er te veel hart en verstand voor. Straks als hij ’t Groote orkest der natuur in ’t bosch zal gehoord hebben, dan lacht hij er zelf om—of, hij lacht er niet om, en misschien is ’t nog beter.

Antwoord van de weduwe Samüël Zadok, geb. Sara Lot,

op den brief van haren zoon Levie, vrijwilliger bij het Fransche leger in de Krim.

Feelgeliewde Heer Zoon!

As ’k iwes brief in de voorhuijs kwam staan te hontfange was ik zoo veraltereerd as vader Mozes as ie in de bieze kistje geen aasshem kon krijge.

“’n Brief uit de Krimp,” zee Asser de briewebesteller, en as ie me zee, wat ie khostte, was ’k op stikke af, en as ie me kwam staan khabaal te schoppe—as ’k ’m los had gemaakt—heb ’k em ’n ouwe diffel, deer ie ’n bhrander op had, in ’t vesier gesmhete—as ’r de rhasende mot in was.

Nah! liewe Lewie, heb ik de brief van iwes sjlecht kunne lese; ben ik geloope naar Lijpie, die leest as ’n prefhester, en heb ik mijn memmeles gefoel khomme te honderdrikke, as ’k gheen luijsig figuur wou sjlaan.

Ach! ik weet nog zoo goed as de dag van ghistere dat iwes me hadie zee, en ’k dacht toen: as Lewie maar in de reusedensie is, dan zal ie wel ’n sjmeer van de fet meekhrijge, en as ’n Rotsjchild bij zijn memmele, die em gedhrage en geshoogd het, terugkeere. Ach! ’k had ’r illisie van; ’k dacht al: God zel ’em zegene, dacht ik; me zelle de haffaire in heijere en zier van khant make,—as er toch zoo weinig zier wordt geghete,—en pheperement in ’t groot gaan verhandele, as er maghtig feel in wordt homgezet; ’k dacht al, as Lewie der weer is, kan ie de huitdragerij op ’n ghroote sjhaal contenueere en me zelle in ’t fette khomme as Joseph in Egipte.

God bewhare! as de mensche die in de reusedensie khomme sjwart worde! Beter in ’t fet, as in ’t smet; en as ’k gewhete had as ze m’n eige vleesch sjwart hadde gemaakt, had ik ze ’n mhaling gesjopt as Mozes as ie ’t khalf van goud zag.

Lewie! Lewie!! as ’k hoorde as iwes in ’n groot huys in Barijs iwes zelvres met de bon mesjeurs was te bhuite gegaan, heb ik geroepe: O waai! O waai! as Lijpie, die meende as ’k pijn in de puik kreeg zee: “Wallê”....? zeej ’k: “Luisige jonge wat raakt het jou, lees jij maar verder.”

Lijpie kwam verder te lese, en as ie me kwam te zegge at iwes in de puik van de prepheet Jonas over de zee was gefare, dacht ’k: wat zal Lewie ’n honger hebbe gehad; ’k zel gesond weze as ’k iwes niet met liewde foor ’n dhibbeltje heijers met khroot in ’t zier had gegewe, as ’k ze toch niet huit de khim kan houwe.

’k Was, liewe Lewie, weer meer as gefoelig van fhreugde as ’k kwam staan te hoore as iwes gesond te Hafrika in Halgiers was aangekhomme, maar as ’k hoorde as iwes most sjchiette en nekserseere heb ’k ’n sjchreeuw gelate, asof ’r ’n fiegelante teuge me zierhaffaire aanrhee, en zeej ’k: “as ze Lewie maar niet wheerom sjchiete. God gaf as ze ferlamde en as ze de ooge fol drek van de Bhreestraat hadde, en Lewie, de zoone Sams geshond bleef, as de khindere Abrams, tijdens de phlage van Egipte.

Heb ik verder gehoord as Lijpie las, as iwes over de Sjwarte see was gefare, ’t was ’n goeije massematte, en Lewie, as iwes gochem bent, kon ’t ’n mooi hakkefietje voor iwes memmele, en iwes zijn. Stier me ’n honderd khruike van dat sjwarte whater, m’n jonge, as ’r toch in ’t gezegende faderland zoo feel wordt geklad en gesjchrewe, as ’r geen hinkt genoeg is; of ’r voor al ’t gesjchrijf lezers zijn gaat me geen luijs aan, en of de hinkt sthand houwe zel, gaat me ook niet aan, as, die ’t leze motte d’r ook niet om mahle. As iwes Lewie soms digt in de biert van de rhooije see benne, stier me dan ook ’n honderd van ’t rhooije d’rbij, as d’r tegenwhoordig feel kleine met rhood motte poeke as ghroote geen moos bethale. ’k Kan me ter whereld niet beghrijpen wat iwes in iwes missiwe van ’n sjletel van Jerisalem hebt gesichreven, ’k sou—’k mag geshond blijwe!—iwes niet voor de whaarheid kenne zegge waar die sjletel te finde is. Of de Koeizak, of de Ris, of de Tirk, of de Hengels, of de Vrans, of de Mensekop of de Luijbrandi of wie iwes ook zee, ’em hebbe—iwes memmele weet ’t niet as ik ’r gheen een van kan, al fiel ’k ’r over.

Lewie! Lewie! daar gaat me ’n licht op as de heerste dag toen er licht was; zeg Lewie, as de ghroote sjetel, die nog altijd in de oudroestbak, bij de khopsphijkers ligt,.... is pasthe! zeg Lewie—gezegende Lewie! lieve Lewie! as.... die is pasthe, en as je memmele die zelvres is opfijlde en poesthe en die aan iwes oversond! alle khindere Abrams en Isacs en Jacobs zelle geshond weze!—wie weet Lewie of iwes dan niet ’n ghraaf, of ’n mijoor of wel hopper-rhabijn van die geshegende Synagoge zelvres, zou worde. Och Lewie, lieve Lewie, as je memmele—God zegen d’r—zoo gelikkig mogt zijn, dan zou ze d’r eenige soon Lewie Mozes Zadok aan d’r hart dhrikke en Sjinkel en Bahlmann zou ze’n sjmet doen, as ze khonne hoprolle d’r matthe, en de risie van de sjletel, zou door Samuëls zoon, en z’n memmele Sara gesjlecht zijn .... flaauw as ze wordt, as ’r om één sjletel zoofeel khoppe, en arrheme, en pheene worde afgesjlage.

Liewe Lewie tot hiertoe heb ik iwes ghistere geschrewe, of liefer—heeft Lijpie geschrewe, as ’k hem toch gedicteerd heb.

Mijn gefoel was te heefig gesjockt as d’r ook bijkwam as ’r nafraag van de thinne nachtsjpiegel was—No. twee van de bovenste phlank—weetje, hebbe ze gepooije en gedhonge, heb ik ze eindelijk voor drie kwartjes gelate—as ie toch lek was. Nou mot iwes wete, as ik op hede mijn brief zal khomme te contenueere met iwes het een en ander te mhelde van honse frinden en goeije kennisse en wat ik meer zal wete.

Zoo mot iwes dan wete, as Lijpie in iwes brief van sjchapefelle las, ’n ghroote ambisie khreeg om met iwes op de Khrimp te handele, as ie toch ’n maght hasefelle in huijs, en met feel liewhebberij ’n ghroote khattejagt gemaakt heeft.—Khatte!—Khatte! Lewie is ’t mooiste wat ’r is. De felle gewe prefijt, de dharme gewe prefijt en de gesthroopte kat geeft ook prefijt.—Of ze ze hebbe wille....?—Lang sel je geshond weze. In de resterasies.... as iwes maar blieft; en ’t kost ’r maar drie dibbeltjes ’n fette porsie khattepeper. Lijpie sel de felle cefiel levere en fhranko aan de beertschip besthelle. Gun ’m de khlandisie en as ie me geseid het as er bij iwes in de Khrimp soofeel khapotte jasse van noode zijn, denk dan—simon blê, seggen de Vransen—ook aan je memmele as ze d’r nog acht en van alle khleure in ’t voorhuijs het hange, en nog vier somerphantelons van alle stoffe, daar iwes toch sjchrijft as ’t nog wel ’n poosje kan diere.

As iwes liewste Lewie, in de laatsthe tijd in Hamsterdam was geweest, zou iwes ’n maght lawaai aan de hoverkant van de Hamstel hebbe gehoord. Hebbe ze gerhoepe en gesjchreeuwd door de stad as ze zeejen, ’n wolf was losgebhroke en ie liep rond in ’n sjchaapskleed. ’k Sta je te zegge geen Israëliet was er ’s avonds op straat sonder mes op sak. Hebbe ze nog gesjchreeuwd en gerhoepe en hebbe ze gekhomme bij ons, en hebbe ze gezeid—as t’r te ferdiene was.—Hebbe ze wille ferdiene as t’r te ferdiene was.—Hebbe ze weer gezeid—as te wolf most worde wegghesonge.—Hebbe ze alle in de biert o waai! gerhoepe, as ze niet op wolve gestheld wahre.—Hebbe ze nog weer gezeid as te wolf.... geen wolf, as ie ’n dhomenie was.1 Nah! zeej’ik, en Nah! zeejen ze halle, late we de fingers niet brande, en late ze de wolf zelvres tam make. Lijpie het ’m later gesien en—ie liep net as ’n mens, en was tam as ’n lam: het ie ewel gehoord, ze hadden em zóó besjchote en gejhaagd as ie soo magher as prood en soo gheel as shaffraan was—tothaal in de khrimp! As ie ook van ’t sjweete de khoors ’t lijf het. ’t Is beter Lewie op katthe te jage as op mense, je memmele Lewie zeid ’t aan de hoffesiere en gineraals, en aan de jhagers van dhomenies.

Om hop de friende terig te kbomme liewe Lewie, zei ik je segge as Rachel, de nest-dot van smoel of de hazelip, ook al d’r zjwarte khop het khaal geschore en ’n phruik het opgezet, as ze de bedgenoot van Joppie is gewhorde; ze zijn zes dage na de Freegde der Wet van ’t jaar na de sjchepping: Vijfduizend zeshonderd en vhijftien in d’ echt gethrede, en Rachel het ’m gebhaard twee stamhouwers ineens, waarvan de houdste, die twaalf mhenute houwer as de jhongste is, in de bhotte en de jhongste in de lucewere negosie zel worde hopgeleid.

Sam ken ’k iwes khomplemente niet make, as ie twee dage voor ’t nieuwe jhaar2 naar de sjchoot van Vader Abram is afgereisd. Z’n hebbe en houwe is in m’n voorhuvs, en as, liewste Lewie, Lijpie de felle, en je memmele de khapotte jasse en shomerbroekjes levert, zei ik ’r die stikke maar bijdoen; d’infentaris hieronder, halles cefiel.

Moses dhient de khoning; hij is met de khramp uit de khamp gekhomme en het ’r de puyk fol van. ’t Sjchiete was nhimmer z’n lieuwhebberij, en as ie sjchoot, het ie aan Lijpie gezeid, kneep ie altijd de ooge toe, as ie niet whete wou waar de khoegel bleef. Een gehk voor Moses as ze nooit op ’m hebbe afgevierd, had ie zich anders bedaan van benaauwdheid.

Bram zel met Liewde iwes brief ontfange, ’t is anders ’n sjlecht Israëliet, want as ie met schoenpoese ’n sjlomp geld het verdhiend kan ie ’t niet late—as Joppie zee—om zelvres bij ’t sabbeslamp z’n cente te thelle. Nau Lewie, frucht van m’n liewde, leef frolik en geshond m’n liewe jonge. Sjhrijf me apsjluut van de SJLETEL en van de levransie. Zeg Lewie—as j’m zelvres kwam hale;.... je ken nooit whete m’n liewe jonge.... je kon dan de sjwarte en rhooije hinkt au phesant meêbrenge, en de levransie van je memmele en de felle van Lijpie hop je nek meephakke. Zel je me jonge....? Nou hadie m’n Lewie tot shiens, mogt ’r bij jeluih nog gesjchote worde hou iwes nheutraal; ’t this ’t beste werachtig! de menisters bij hons zegge ’t ook—as ze ’t fet hebbe!—Hebbe ze gelijk....? Nah!

Gelik m’n Lewie, de hemel segene iwes, en make as iwes rhijk te huijs khomme bij iwes liewhebbende

Amsterdam Jan. 1855 (5616).

memmele: wedhuwe Samuel Zadok geb. Sara Lot.

PS. De groetenisse van halle; as iwes khomt, kan iwes de thabak zelvres meênhneme as ’k ’r zoo geen verstand van heb.

Infentaris van ’t goed van Sam.

Behalve één khapotte jas; een gelapte diffilsche proek.

Eén fest met dhiffrente knoope.

Één paar fetleere sjchoene, die maar gesoold en gehachterlapt hoeve te worde.

Één rhooije poeffante (as ’r voor ingestaan wordt, als Sam ’m z’n heele lehwe met sicces het gebruikt).

Één pet, as ie ghlimmend is gewhorde goed voor d’ afloop van ’t rhegewater.

Één khatoene hemd (krimpvrij).

Één sjhoenepoesbak met TWEE bhorstels en ’n potje d’r bij voor ’t sjchoenesjmeer.

Behalvres:

Nog eenige rhariteite waarvan we de sjubtansies niet hielk en één aan de nees kenne hange.


1 Kabaal naar aanleiding van het beroep van Ds. Meijboom, destijds predikant van de Groninger richting.

2 13 en 14 Sept.

Brieven van Grietje Sluimer.

Vier brieven van Grietje Sluimer aan de redactie van “De Dames-Courant”.

I.

Mijnheer de courantier of uitgever, of hoe gij heeten moogt, ik, ben zoo om en bij de zestig jaren oud, mijn vader heette Mispel en was in zijn tijd schoolmeester te Dinges, mijne moeder was juffrouw Mispel zijne vrouw.

Toen ik de school ontleerd was en geen slag had om als mijn oudere zuster met de kleinen—wij waren met z’n dertienen—om te gaan, zei vader: “Grietje kan ’t wolle- en linnen-naaien, strijken en al die aardigheden meer, ze moet dus maar ’n dienst zoeken en de deur uit.” ’t Was koorn op mijn molen, want dat kinderdragen, daar wier ik ijselijk moe van en toen zocht ik ’n dienst en ik kreeg er een, en een bovenste beste ook als linnenmeid. Nu zult u zeggen: “Wat gaat mij dit aan,” maar wacht, ik ben er nog niet. ’k Hield veel meer van mijn ouders en ook van mijn zusters en broers—tot de ergste schreeuwers toe—toen ik in den vreemde was. ’k Stuurde dikwijls, vooral met Sinterklaas lekkers en aardigheden naar Dinges, voor vader en moeder en de kleuters, want ik verdiende een aardig duitje, en verval was er, dat zou je niet gelooven. We waren in dien dienst met z’n zevene booien: ’n gezelschapsjuffrouw die ook het huishouden deed, ’n keuken- en werkmeid, ikke, ’n koetsier, ’n huisknecht die ook palfrenier was en ’en tuinman. Dat doet er nu ook wel niet toe, maar ’t was zoo en daarom zeg ik het. ’k Zal me zelve niet prijzen, daar hou ik niet van, maar vast is het waar dat ik eerlijk en trouw was—al heb ik het nooit op schrift gekregen—en ’t bewijs zal ik leveren, want, net precies dertig jaren bleef ik bij m’n eerste lui en als God ze niet twee maanden na elkaar had geroepen,—na vier jaar geleden—dan was ik er nog.

Dat ik verschrikkelijk triest was toen mevrouw op d’r sterfbed me nog goejen dag zei en prees dat ik altijd zoo ijvrig en trouw was geweest, waar God me voor loonen zou, dat kan je begrijpen. Zij gaf mij de hand en zei nog ten slotte: “Grietje in den hemel hoop ik je weer te zien, dan zijn we allen gelijk.” Ik zei: “Ja mevrouw,” zei ik, “dat benne we ook” en toen schoot mij ’t gemoed vol en ik ging.

Nu, toen ze begraven was—mijnheer was haar voorgegaan—kwamen de neefjes en nichtjes omdat er geen kinders waren, en hoezeerden in huis, en alles van den vloer dat het een schand was. Maar weet je, daar spreek ik misschien wel eens later van; voor ’t oogenblik wou ik maar zeggen dat Grietje Mispel, zoogoed als de beste in het testament vermeld stond. Ja mijnheer de courantier of redacteur, ze hadden er niet veel plezier in, die azers, dat aan Grietje de linnenmeid, Aaltje de keukenmeid en Koendert den huisknecht—wij met z’n drieën waren blijvers geweest, de andere booien trekvogels—een lijfrente van vijfhonderd gulden vermaakt was. Nu het was zoo en ik dankte er God voor, maar vooral ook de goede mevrouw, die ons een onbezorgden ouden dag had verzekerd.

Koendert, die altijd vriendelijk was geweest, en ’en goed kameraad, vroeg me, een maand of twee later, of we botje bij botje zouden leggen, maar zie je, daar kon ik zoo dadelijk geen antwoord op geven. Zes en vijftig, en dan nog trouwen! maar eindelijk.... Koendert vroeg er zoo vriendelijk om en, ik gaf hem de hand en ja, we trouwden vijf maanden later.

Zie je mijnheer, nu wonen we in een paar nette kamers, heel kneuterig en we leven zoo stilletjes en hebben ’t meisje van m’n jongste zuster, die ook al rondom in de kleuters zit, bij ons ingenomen. “Wat kan mij dat schelen,” zegt u alweer, maar hoor, ik kom tot de zaak:

’k Heb altijd van lezen gehouden. De werkjes van ’t Nut kregen we altijd in de keuken; de kranten, als mijnheer ze uit had, ook, en Koendert en ik we lazen ’s avonds als we tijd hadden om beurten voor en soms waren er kameraads die er plezier in hadden, maar de meesten hielden er niet van en dommelden in. Zoo lezen wij ook nu nog—behalve den Bijbel, dat spreekt toch vanzelf—de Haarlemmer en ’t Handelsblad, wel vijf dagen later dan ze uitkomen, maar dat is ons precies hetzelfde, en zie, nu las ik voor eenigen tijd in een van die beide dat er een Dames-Courant bestaat, en dadelijk werd ik nieuwsgierig om dat blad eens te zien.

’t Jongentje uit den boekwinkel, die ons de oude kranten bezorgt, vroeg ik er naar, maar weet je mijnheer, wat die ten bescheid gaf....? “’t Is geen krant voor jou, juffrouw, ’t is een dames-krant.” Zie mijnheer, met dat antwoord ben ik dagen doende geweest, en heb me honderd malen afgevraagd, wie nu eigenlijk tot de dames en wie er niet toe behooren. De weduwe van den sergeant-majoor Teleskoop, die wel eens met haar breikous komt buren, spreekt altijd over de regiments-dames en ze bedoelt er de onderofficiers-vrouwen mede, daar ze mee “op en neer ging”. Maar juffrouw Teleskoop draagt ook precies ’n muts, zooals vroeger mijn goede mevrouw droeg, maar met veel meer linten dan HEdl....!

Ja, mijnheer, ik was, al meer en meer over het damesschap en de krant denkende, nog nieuwsgieriger naar uw blad geworden en juffrouw Teleskoop, die mij gaarne plezier doet en zooals ik zeide, een damesmuts draagt, haalde op een morgen toen ze toch winkelde, voor mij bij den boekverkooper het eerste No. op bezien en kreeg er een briefje bij dat een programma was.

Maar mijnheer, hoe zal ik u mijne verwondering beschrijven, toen ik daar boven het eerste opstel al dadelijk las: “een woord tot de vrouwen.” De vrouwen! ik had er den krantenjongen wel met zijn neus op willen drukken. De Krant voor Dames, maar het woord tot de Vrouwen! Dat ik, mijnheer! geen dame ben, dat weet ik maar al te goed, doch dat ik een vrouw, en meer bepaald Koenderts vrouw ben, dat zegt hij wel honderdmaal daags.

Dat eerste stuk althans mocht ik, als ook tot mij gericht, wel degelijk lezen, en dat ik het mooi vond, dat verzeker ik u. Zeg mijnheer, wat meen je nu eigenlijk; is het een krant alleen voor dames en stond er bij vergissing: Een woord tot de Vrouwen, dan pas ik er voor; Koendert zegt: “Vlieg niet hooger dan je met eere kunt,” en, nu mijn nieuwsgierigheid om die krant eens te zien voldaan is, wil ik, zoo zij niet voor mij en ’s-gelijken wordt gedrukt, er niets van weten ook. Maar, is het wel degelijk een blad voor alle vrouwen die smaak in ’t lezen hebben, en had het eigenlijk: Een vrouwen-courant, of: Een courant voor vrouwen en jonge dochters, moeten heeten—al klinkt zulks ook minder voornaam—dan wil ik haar evenals de Haarlemmer geregeld lezen, en zelfs nu en dan iets van de verschillende dames opstellen, die ik alzoo in mijn leven ontmoette, gij kunt dan daarvan het een of ander in gedachten houden om er misschien in een uwer stukken, als ’t u goeddunkt, partij van te trekken.

Zoo ik niets van u verneem houde ik de zaak voor afgedaan, anders een regel antwoord aan haar, die zich hoogachtend noemt, Mijnheer de Courantier of Redacteur,

Uw Dw. Dienaresse,

GRIETJE SLUIMER,

geb. MISPEL.

Arnhem,

30 April 1856.

P. S. We wonen bij Sliedrecht op de Varkesmarkt.

[Door juffrouw Sluimers brief in zijn geheel in dit No. op te nemen, alsmede door HEdl. een present-exemplaar van ons weekblad aan te bieden, toonen wij dat het ons eene eer is HEdl. onder de lezeressen en inzonderheid onder de medewerksters aan de Dames-Courant te mogen rangschikken, terwijl wij, met de verzekering, dat wij met dien titel niets anders dan eene Courant voor beschaafde lezeressen bedoelden, haar vriendelijk uitnoodigen om spoedig aan hare belofte te voldoen. Wij zullen de stukken gaarne plaatsen en ons maar zooveel noodig, in taal of spelling, kleine veranderingen veroorloven.]

DE REDACTIE.

II.

Mijn Heer de Redactie!

’t Is al meer als ’n maand geleden dat ik ’n kleur kreeg als ’t lint op de muts van.... ja van een zekere juffrouw, die boos op mij is, omdat haar naam, de naam van een sergeantmajoors-weduwe zegt ze, in de krant heeft gestaan. Nu ’t is hetzelfde, maar Koendert vroeg me, wát of me scheelde.

U moet dan weten dat ik over de post in een geel omslag het 6e nommer van de krant voor beschaafde lezeressen kreeg met.... warempel met den heelen brief er in, precies zooals ik die geschreven had. Ik kan u niet zeggen hoe ik er van ontsteld was, al die letters, al die woorden, die ik zelve geschreven had, zoo mooi gedrukt te zien en mijn naam en alles er onder! Neen waarlijk mijnheer,’t was alteé, en toen ik alles en ook uw antwoord gelezen had, was ik er beduusd van en wist niet of ik boos op u moest zijn om zoo misbruik van mijn brief te maken, of wel vereerd, omdat u er zóó gebruik van hadt gemaakt. Koendert vond het ijselijk gek dat mijn hebben en houen zoo publiek was, maar nam toch, evenals ik wel twaalfmaal in één uur het blad op om dien “Brief” in te zien en ongejokt dat hij hem twintigmaal gelezen heeft. Weet je mijnheer hoe het toen gegaan is? Den eersten dag was ’k boos en vereerd, ’s nachts droomde ik er van en ook dat ik in ééns in juffrouw of mevrouw Toussein werd veranderd, die ook zoo mooi schrijven kan, u weet wel. Den anderen dag was ik uit het veld geslagen, omdat ik ruzie met juffrouw T—p (ik zal haar naam niet meer noemen) kreeg, die me verweet dat ik haar aan de klok had gehangen—nota béne.—Nu, ze liep kwaad de deur uit en zei dat ik “een schandaal” was,—omdat ik de waarheid had gezegd. Dien nacht, mijnheer, sliep ik al zeer onrustig en droomde dat ik onder een stapel dames-couranten bedolven lag, waarop duiveltjes met roodbelinte mutsen stonden te dansen, ’s Morgens kon ik uw krant niet meer zien, ik was er wee van, maar ziet u, van lieverlede kwam de aardigheid er voor toch weer boven, en op ’n goejen achtermiddag toen wij—Koendert en ik—aan de thee zaten, zei ik: “Koendert wat dunkt je?”

“Wat meen je?” zei Koendert.

“Wel van de krant,” zei ik weder. “Zou ik het doen?”’

“Nog eens schrijven?” vroeg mijn man, en daar hij glimlachend zijn kopje vatte, begreep ik het al dat hij er trotsch op was en zei ik: “Waarom zou ik het laten nietwaar?”

Zie je mijnheer, ofschoon ik dien eersten brief niet had geschreven om zoo heel te laten drukken, maar alleen om u van die krant te vragen, en ook slechts van meening was om u ’t een en ander van eenige dames te melden, opdat gij ’t zelf eens zoudt kunnen beschrijven, zoo ben ik nu tot het besluit gekomen om mij maar net als die mevr. Dolly en juffer Koosje en juffr. Elise, voor uw krant aan ’t schrijven te zetten, als gij de fouten maar wat veranderen wilt want zie je, ik ben van ’t jaar 97.

Als ik u dan wat zal schrijven over dames, dan komt mij ’t eerst die brave mevrouw voor den geest, die ik dertig jaren answiet, zooals ik reeds vroeger zeide, eerlijk gediend heb.

Zie je, ze was deftig van postuur; toen ik er ’t eerst kwam was ze vier en dertig en zag er—zooals Koendert zegt—kostuljeus uit. Altijd netjes maar eenvoudig, in de kleederen eenvoudig, want prachtig gekleed te gaan dat deden, zooals ze zeide, de dames van ’t minste állooi. Nou, ’t schemerde mijn goeje mevrouw in ’t geheel niet. Ze was wonderlijk vlug van verstand en sprak precies zoogoed Fransch en Duitsch en Engelsch wanneer het te pas kwam als haar moedertaal; als het te pas kwam, want die ’t Hollandsch verstonden daar sprak ze geen Fransch of wat anders tegen. ’t Was goed voor de kinderen om zoo’n taal te leeren, maar van groote menschen vond zij ’t even verkeerd, ja slecht, als wanneer een kind zijn moeder verloochent, die hem heeft grootgebracht. Mevrouw las machtig veel boeken, maar altijd op gezette uren, want op haar tijd ging ze ook met de juffrouw van gezelschap ’t huishouden na, en later ’n wandeling doen of rijden, al naar het uitkwam. ’s Morgens als ’t ontbijt was afgeloopen, dan moesten wij booien altijd binnenkomen en dan las zij ons uit een godsdienstig boek, ja soms ook wel eens de Bergrede of een gelijkenis van den Heere Jezus voor, och, en dat deed zij zoo mooi, dat het was alsof je er bij waart. Als mijnheer—die veel in Den Haag op de kamers van de regeering moest zijn—te huis was, dan deed die het, maar och hechie! daar hadt je niet de helft aan; mevrouw zei altijd dat men in een goed huishouden geregeld des morgens, “iets goeds” moest lezen en dat het onvergeeflijk was indien heeren en vrouwen aan hunne booien, daar ze over gesteld waren, die lezing onthielden; en ze had wel gelijk, daarom, als Koendert en ikke ’s Woensdags en ’s Zaterdags de werkvrouw hebben dan roepen wij ze ook altijd om ’t lezen te hooren, maar och Heere! wij kunnen ’t bij lange na niet zóó als onze goeje mevrouw.

Nu zult u misschien wel denken dat mevrouw, omdat ze zoo niets voor opschik en fratsen was en zooveel van degelijke boeken hield, geen liefhebberij in handwerken had. Verexcuseer me wel, als je ’t gezien hadt, dan zou je de handen er van in mekaar hebben geslagen. Ze deed niet zooals zoo vele juffertjes tegenwoordig, die ’n geruit papier koopen met prenten er op en dan mannetje aan mannetje natellen en nazoeken, nu ’n draadje van dit, en dan weer van dat, neen, ’t was heel wat anders. Uit de hand, mijnheer, werkte mevrouw op satijn, heele landschappen en figuren en binnenkamers met gekleurde zijde, zoo maar gladweg naar zwarte platen of levende bloemen, ’t was meesterachtig en HEd. heeft mij toch dikwijls gezegd als ik er over uit was, dat zij alleen in haar jeugd een weinigje teekenen had geleerd en dit was begonnen eerst gebrekkig, maar allengs beter. Een slaafsch navolgen van gekleurde ruitjes was in hare oogen een onverdraaglijk werk, even onbeduidend als het natekenen van platen, die er bij honderden zijn, en waarvan—zooals ik mevrouw hoorde zeggen—de eenige verdienste is, dat men er vijf of zes of acht weken op peutert om bijna aan het voorbeeld gelijk te worden, ’t welk men niet zelden voor weinige stuivers koopen kan.

Zie mijnheer de redactie, als dit nu de jonge dames lezen, dan zullen ze zeggen, die Grietje de linnenmeid spreekt van dingen daar ze geen verstand van heeft—pantoffels, voetenzakken, canapé-kussens, wat al niet meer zouden we die nu met zijde op satijn gaan werken? Zie je mijnheer, ik weet van al die dingen best, maar ’t was mijn bedoeling niet om die dames—als ze plezier er in hebben—haar werk te beschimpen, maar slechts om haar te zeggen wat mevrouw mij meermalen zeide: Een handwerk krijgt eerst waarde, wanneer daar eenig vernuft uit blijkt. Als er nu jonge dames zijn, die weten willen hoe mijn goede mevrouw dat werk op satijn aanvatte, dan moeten ze ’t maar eens in de krant vragen, dan zal ik het eens duidelijker zeggen, zooveel als ik er mij van herinneren kan.

Als ik zoo van mevrouw aan ’t praten raak, dan zou ik haast van geen uitscheiden weten. Als ik denk hoe goed ze voor de armen was en toch nooit een cent aan de deur gaf. Een staaltje van de wijze, waarop mevrouw weldeed moet ik toch geven.

In de stad bij ons was een man komen te vallen, die eene vrouw met acht bloeien van kinders naliet. Koendert vertelde het in de keuken, en ook er bij dat die vrouw ’n slechte peuzel was—zooals men zeide—smerig en lui en heel gemeen ook. ’s Anderen daags, toen ik aan ’t vouwen van damasten tafellakens was en mevrouw kwam kijken, sprak ik er van, precies zooals Koendert het gezegd had. Een paar dagen later kwam de werkmeid, juist toen mevrouw mij haar kraagjes te strijken gaf, en bracht haar een briefje waarop antwoord moest wezen. Dat briefje, ’t welk mevrouw mij naderhand lezen en behouden liet, en dat ik uit een aardigheid tot heden bewaarde, was precies als hier volgt:

hoogWelEdele Mijnvrouw als UwelEdele MijnVrouw het Niet kwaalik neem heef ik zooVeel as Mijn man Verloore en Zit met ag Schaap Van Kinders alleenig oVer, God zel Mij niet verlaate WelEdele MijnVrouw als U mij Niet kwaalik neem ik van Uwes een klijnigheidje voor mijn armen schapen vraag De God en de hemelSche Vader zal U eewiglijk loone Voor wat UwelEdele Mijnvrouw aan Mijn gedaan heef, zal ik Verblijven In de hoop U dit niet kwaalik neem Uwe Bedroefde Dienaar—Esze De weduwe Roos. woon kortestraat 75.

Ziet u, mijnheer! ik heb dien brief maar precies zoo afgeschreven uit een aardigheid, maar toen onze mevrouw hem gelezen had gaf ze een dubbeltje aan de werkmeid, die een gezicht zette alsof ze zeggen wilde: Hoe kaal voor zoo’n rijk mensch. De weduwvrouw aan de deur had ook braaf geprutteld, maar ’t bleef er bij. ’s Avonds, toen de gezelschapsjuffrouw vrij-af bij de familie had, schelde mevrouw driemalen—dat was voor mij—ik kwam, en kort en goed mijnheer, wilde mevrouw dat ik HEd., ’t zij met eerbied gezegd, een kornet zou geven en een jak en rok, en grummels, mijnheer! toen verkleedde mevrouw zich precies alsof ze een booi was, maar een mooie booi was ze, dat verzeker ik u. Om niet te lang te worden zal ik u ’t beloop maar kort verhalen. We gingen samen, mevrouw en ikke, naar de Kortestraat en kwamen na eenig zoeken op de kamer waar de weduwvrouw van den opperman woonde. Weet je mijnheer, toen moest ik het woord doen zooals mevrouw ’t mij gezegd had. ’t Was er zoo netjes dat het een lust was om aan te zien, al de kinders behalve de twee oudste meisjes lagen in een bedstee te slapen. De weduwvrouw huilde ijselijk en zei dat ze niet wist hoe ze ’t aan moest, ze had aan drie van de voornaamsten briefjes geschreven, maar twaalf stuivers was alles wat ze gekregen had, bedelen dat wilde ze niet en van de diakenie daar had ze ook wel uitzicht maar nog geen dadelijkheid van. Toen mevrouw nu alles gehoord, en gezegd had dat ze iemand heel goed kende die veel naaiwerk had en als het handig gedaan wier er goed voor betalen wou, zei de weduwe dat ze er maar al te dankbaar voor wezen zou, en dat Mieneke en Kaatje ook zouden werken zoo hard als ze konden. Zie je mijnheer, ’t kwam heel anders uit dan de menschen gepraat hadden en mevrouw was er toch zóó mee begaan dat ze verder aan vrouw Roos deed wat ze maar kon en nog wel vijfmaal is ze verkleed naar die arme vrouw geweest, die in plaats van smerig en lui en heel gemeen, netjes en werkzaam en zeer fatsoenlijk was. Zie je, dat was nu een voorbeeld dat men de armen niet alleen geven, maar ook bezoeken moet, en als het nu gebleken was dat vrouw Roos niet deugde, wat dan? zul je zeggen. Weet je wat onze mevrouw antwoordde toen ik haar hetzelfde vroeg. Ik zou getracht hebben haar hare verkeerdheden te doen verbeteren, zeide zij, en in ieder geval voor de arme kinders wat gedaan hebben. Zie, dat moeten de beschaafde lezeressen ook zoo doen. Er zijn er wel, maar niet als te veel.

Nu mijnheer de Redactie, eindig ik deze, Koendert en ikke we gaan naar mijn zuster en zwager Janssen in Doesborgh lozeeren, dus, of ik gauw weer zal kunnen schrijven weet ik niet, maar als ik nu den volgenden keer eens over een andere dame spreek, dan zal ik van onze goede mevrouw, ook nog wel een woordje zeggen zoo af en toe, want over HEd. ben ik nooit uitgepraat.

Nu mijnheer, zet deze nu maar in de krant, ik ben al weer nieuwsgierig om het te zien, en ook met de groeten van Koendert noem ik mij met de meeste hoogachting, mijnheer de Redactie

Uw Dw. Dienaresse,

GRIETJE SLUIMER.

geb. MISPEL.

Arnhem,

18 Junij 1856.

P. S. Ik bedank u wel voor uw present-exemplaar.

Atjuus.

III.

Mijnheer de Uitgever van het Dames-Weekblad.

Ik ben een boon als UE. al niet lang zult gedacht hebben: waar zit Grietje Sluimer toch, ze schreef in haar laatsten brief dat ze lozeeren ging te Doesborgh, maar van Juni tot haast November zal ze daar niet geplakt hebben. Mis gedacht Mijnheer! en toch goed gedacht, want wij zijn wel uit geweest al dien tijd, maar niet achtereenvolgend in Doesborgh gebleven.

Nu voor acht dagen weer te huis gekomen, had ik heel wat te redderen, want het huis van Sliedrecht is wel wat vochtig; de spinnen hadden ook braaf geboezeerd, zooals Koendert dat noemt. Op een stapeltje vond ik al de Nos. van de Dames-Courant bijeen, die ik gemist had, en ik dank UE. daar wel vrindelijk voor. Om op mijn propo te komen, wat ik ook zeggen wou.... á ja, met veel genoegen mijnheer, las ik vooral mijn eigen brief weder; Koendert had er ook aardigheid van, en kan zich met mij best begrijpen, dat er—zooals zij het noemen—zooveel oteurs komen, omdat het zoo iets aardigs is, dat inktgeknoei in mooie drukletters te zien overgebracht. Nou kunt u wel denken dat ik het fameus druk had zooals ik reeds zeide, en niet dadelijk kon gaan zitten om UE. te schrijven, maar de boel is nu zoo wat aan kant en alles op zijn plaats, reden waarom ik zoo vrij ben, u eens weder te schrijven.

Waar een mensch toch toe komen kan! Lieve deugd, wat heb ik staan kijken. Zie, ik dacht dadelijk, dat moet ik voor de krant eens opstellen, zonder namen te noemen. Ja mijnheer, in mijn vuur zou ik de kluts kwijtraken om geregeld te vertellen. Mijn voeten worden koud, wacht ik zal eerst een kooltje nemen.

Ziezoo! u moet dan weten dat we van Doesborgh naar Zutphen zijn gegaan, bij een Neef en Nicht van Koendert, die een kommenij hebben, zonder kinderen; meer om wat om handen te hebben dan om den broode, want Esboom heeft van UE weet wel, en Doortje-nicht—een beste vrouw—kan er van haar zelves ook zijn. Wij waren er met veel plezier en zijn op een dag heen en weer naar Hetloo geweest in een knap wagentje en naar de Laatste Stuiver meer dan eens en ook naar het gesticht van Mettree. Zie mijnheer, het is misschien kinderachtig maar ik kreeg de tranen in de oogen toen ik al die spullen en die bloeien aanzag, die voor tijd en eeuwigheid worden behouden; ’k ga graag naar een komedie en ook wel graag naar een paardenspul, maar ’k verzie op dat Mettree nog liever een rijksdaalder dan in die spullen drie kwartjes. Ja, mijnheer, het is een mooi en heerlijk gesticht, zooals ik wenschen zou dat er een paar dozijn in het land waren; maar ziet u, in Zutphen zelf is nog een ander gesticht dat ook heel nuttig en, helaas! ook ekstra noodig is, maar toch aan vreemdelingen, zooals Koendert en ikke, een naren indruk geeft. Ik meen het onnoozelen- of krankzinnigenhuis. Esboom, woonde er dicht in de buurt, en zoo zagen wij alle dagen een heelen troep van die ongelukkige menschen voorbijkomen die, óf met geleiders gingen wandelen, óf van minder allooi, naar het land gingen werken, buiten de stad. Voor geen duizend gulden zou ik er alleen, zoo een zijn tegen gekomen.

Op een Woensdag morgen—ik weet nog best, we zaten te ontbijten—was er een akelige drukte op straat; een lijkstaatsie kwam roerende ons huis voorbij met twee koetsen er achter.

Esboom, die van alles het fijne nog al weet, zei dat het zeker een doode uit het gesticht was, want het kwam van dien kant en de dokter zat in de tweede koets. Toen hij er goed over nadacht, herinnerde hij zich van een oppasser—waar hij zeer mee bevriend is—voor eenige dagen gehoord te hebben, dat een dame van grooten huize erg slecht lei; die zou het zeker wezen, maar hij zou het nader nog wel eens vragen.

’s Anderendaags kwam Polle—zoo heet Esbooms vriend—tusschen schemerdonker eens even aanloopen. Het duurde niet lang of Doortje-nicht had hem reeds naar de lijkstaatsie en naar den persoon gevraagd die begraven was.

“Wel ongelukkig,” antwoordde Polle: “’t was zoo’n knap slag van een vrouw, de dochter van een schout-bij-nacht, uit ’s-Gravenhage geboortig, zij heette van E.”

Ziet gij mijnheer, namen wil ik niet noemen, en daarom zet ik maar blootweg een E. Toen ik dien naam hoorde, liet ik waarlijk van schrik de breikous zakken en vroeg: “heette zij Mathilde of Dora?”

De heer Polle bedacht zich en verzekerde dat de eerste letters van haar voornaam M. A. waren. Mathilde Aleksandrine riep ik, en had werk om van mijne verbazing te bekomen. Zij gestorven, zoo ongelukkig gestorven, dat beeldschoone meisje. O mijnheer, ik had haar gekend zoogoed als mij zelve. Haar moeder, een juffrouw B. van haar eigen, was een beste vriendin van mijn brave zalige mevrouw, ieder jaar kwam zij met Mathilde en Dora een week of wat bij ons lozeeren. Poetjes van kinderen! Mathilde, waarover ik schrijven wil. was als een beeldje zoo mooi, en werd van jaar tot jaar al mooier, ze was zwart van haar, bruin van oogen en blank daarbij als krijt. Wat ze hebben wou kon ze krijgen, want mevrouw Van E. gaf haar alles toe, zoodat mijn goeje mevrouw wel eens zei: “’t lieve kind wordt te ijdel,” en mevrouw had gelijk. Toen ze achttien jaar oud was. wier ze al ten huwelijk gevraagd, maar ze bedankte omdat haar zinnen voornamer waren. Ik geloof niet dat mijn beste mevrouw in een heel jaar zoo dikwijls in den spiegel zag als juffrouw Mathilde op éénen dag. Het allerliefste zat ze dan ook vlak over den spiegel, maar overdag, voor ’t raam, om zooals Koendert destijds zeide: naar de wandelstokken te zien. Nooit heb ik met een lozee zooveel te stellen gehad. Als de dames eens uitgingen dan had ik met juffrouw Mathilde alleen wel een groot uur werk. “Trui wat dunk je,” was het dan, “staat me dit goed, of kijk, vin je dat beter, of dit?” of weer wat anders, o, in ’t bespottelijke! Somwijlen drie zijden japonnen op één dag; ja ’t was akelig, en altijd draaien om in ’t oog te vallen zelfs bij ons achter, als er binnen te weinig op gelet wier. Het heugt mij nog als de dag van gisteren, dat ze eens mee naar een bal was geweest en thuis gekomen, onder het uitkleeden in tranen uitbarstte. Juffrouw Dora vroeg naar de oorzaak, maar toen begon onze juffrouw Mathilde in het Fransch, en ziet u, dat verstond ik niet, maar eindelijk kon zij in ’t Fransch van kwaadheid niet meer voort, en ik merkte, dat ze te weinig naar haar zin gedanst had, en verweet zulks hare zuster, dewijl zij haar voor dien avond een zijden kleed had aangeraden, ’t welk haar zooals ze zeide, “zat als een gek, en niemendal kleurde”.

Mijn brief zou veel te lang worden, wanneer ik alles van juffrouw Mathilde zou verhalen; genoeg mijnheer, zij was zoo ijdel als zij mooi was, en heeft het genoeg getoond met dien knappen G. die candidaat-notaris was, en dien zij letterlijk met haar gekheid—de Heere vergeve mij—in ’t graf heeft geholpen.

Sedert een jaar of zes had ik volstrekt niets van de dames Van E. gehoord en u kunt dus begrijpen, hoe ik ontstelde, toen de vriend van Esboom dat treurige nieuws verhaalde.

“Ja,” zeide de heer Polle, toen ik van mijn eerste verbazing eenigszins bekomen was, “die ongelukkige dame was wel de voornaamste en de knapste die wij hadden. Geen kosten zijn er door haar moeder gespaard, doch alles vruchteloos. Zij meende de troonopvolgster van de koningin—ik meen—van Engeland, Victoria te zijn en wachtte alle dagen in de grootste onrust op een brief, die haar tot de regeering zou roepen. Haar parelen en diamanten, die ze had meegebracht, verwerkte zij zelve, op een balein, tot een soort van kroon, en indien de dokter of haar verzorgster niet met eerbiedige buigingen tot haar kwamen, dan ontvlamde zij in de schrikkelijkste woede.

Nog veel verhaalde ons de heer Polle en ik werd er naar van om ’t hart. Letterlijk moet de schoone juffrouw door haren hartstocht in twee jaren tijds als verteerd zijn, en toen zij stierf, was zij bijna onherkenbaar geworden.

Twee dagen later zijn wij met Esboom en Doortje-nicht den weg naar Warnsveld op gewandeld, waarnaast het mooie kerkhof ligt; wij zijn er op gegaan en ik vond er ook een gloednieuwe zerk met de namen Mathilde Aleksandrina Van E. er op. Daar lag ze dan, en ik dacht aan de woorden van mijn zalige mevrouw: “Het kind wordt te ijdel!” en ik dacht ook aan mevrouw Van E., die te verblind was om die schrikkelijke ondeugd in haar kind te bemerken, en ik nam mij voor om dit aan uw krant of weekblad te schrijven. Ja mijnheer, als er zooveel door de meisjes in den spiegel wordt gekeken dan deugt het al niet; dan zijn ze op weg naar juffrouw Mathilde, naar—o! foei! ik kan er akelig van worden en wilde nog zoo graag eens aan alle mevrouwen met kinderen toeroepen: “Pas op, dat uwe meisjes niet te ijdel worden, één ligt er op het kerkhof te Zutphen en ’t was zoo’n mooie!”

’t Wordt tijd dat ik eindig; als dit geschrift gedrukt onder de oogen van spiegeljuffers komt, dan wensch ik haar dat ze bang worden, en aan ’t versje zullen denken, dat mijn vader ons in de school liet opzeggen:

Wil ’k weten wie ik ben;

Zoo moet Gods woord de spiegel zijn

Waar ik mijn hart uit ken.

Nu vaarwel mijnheer, zet dit maar gerust in uw krant, en verblijve:

Uw Dienstw. Dienaresse,

GRIETJE SLUIMER,

geb. Mispel.

Arnhem,

22 Oct. 1856.

[De Redactie plaatst den brief van Mej. Sluimer volgaarne, doch verzoekt HEd. vriendelijk zoo HEd. later weer mocht schrijven, iets meer op taal en spelling te letten, dewijl de correctie al te veel tijd vordert. Enkele fouten liet zij onverbeterd. Het laatste gedeelte van den brief was bijna onleesbaar. Intusschen blijft zij zich aanbevelen.]

IV.

Mijnheer de uitgever van het Dames-Weekblad!

Als ik eens een boek las of een verhaaltje, dan heb ik meestal opgelet dat de schrijvers net deden als de meeste menschen, namelijk dat ze met een weerpraatje begonnen. ’T is: óf een zoete, geurige zomermorgen, óf een regenachtige najaarsavond, maar ’t allermeest een koude stikdonkere winternacht. ’t Is wel iets om tot lezen uit te lokken dat ze daarmee beginnen, dewijl alle menschen bijzonder veel belang in ’t weer stellen, natuurlijk omdat zij er zoo afhankelijk van zijn. Vandaag—’t is den 5den Januari—heb ik mij op uw verzoek eens weer aan een brief voor het Weekblad gezet, en nu ik zit, nu kan ik niet nalaten om toch ook iets van ’t weer te zeggen, want hoe hard of Koendert ook in onze potkachel zit te pooken, hoe hard hij ook uit zijn doorrooker dampt en hoe’n flinke kool ik ook in de test heb, we zeggen toch maar gedurig dat het grummels koud is geworden. ’t Is waarlijk griemelig als je naar buiten ziet. Aan de overzij woont een knappe Schoolmeester, maar ik heb medelijden met al die roodneusjes die daar binnengaan. Nu, ’t sneeuwt ook niet weinig en zoo jachterig, weet je, iederen keer met zoo’n rukwind er bij dat de sneeuw opstuift alsof een bakker aan ’t ziften is. Mijn zusters kind dat we, zooals U weet, bij ons in hebben, is met boodschappen naar den slager en den kruidenier toe; ik heb met de stumperd te doen en wou dat ze al terug was; maar zie je mijnheer, waar de dingen toch al weer goed voor kunnen zijn; dat het vandaag zulk koud en guur weer is, doet mij aan een persoon denken, die met juist zulk weer bij mijn zalige mevrouw kwam. ’t Was een Zaterdag avond—’t heugt me als de dag van gisteren—Aaltje was met de vaten bezig, Koendert met het zilver schuren en ik met het opbouten van nachtmutsen—zoo goed weet ik het nog. Nu was het bij ons aan huis Zaterdags avonds altijd een druk geschel; slager, bakker, kruienier en zoo al meer omdat er bij mevrouw ’s Zondags nooit van boodschappen-doen inkwam.

In de kwiesienjeere—zooals ze zeggen—brandde een stevig vuurtje, want het was vinnig koud en het stormde buiten van geweld. Opeens wordt er weer gescheld en omdat Koendert juist met het mooie tabaks-komfoor doende was, zoo liep ik maar even naar de voordeur en nam een servet voor ’t warme brood mee.

Maar jawel, pas had ik de deur open of ik zag al dat het de bakker niet was.

“Ben ik hier terecht bij mijnheer Van W?” klonk een beverige stem en ik zag een soort van juffrouw voor mij, die een alles behalve proper voorkomen had, terwijl zij een jongetje van een jaar of tien aan de hand hield.

“Ja wel,” zeide ik, “maar mijnheer is niet thuis,” die was in Den Haag op de Kamers van de regeering. “Niet thuis” zuchtte de juffrouw; “och asjeblieft ga ’t maar eens vragen.”

Dat wilde zooveel zeggen als: “je hebt zeker gelogen, mijnheer is wel thuis;” ik werd er niet boos om, wel wetende dat zulke onwaarheden dikwijls van wegens de lui moeten overgebracht worden en de dienstboden alzoo in kommissie—zooals ze ’t noemen,—tegen beter weten en willen aan, liegen moeten, maar zie je mijnheer, daar was mijn goeje mevrouw niet van thuis en ik herhaalde daarom dat mijnheer uit de stad, maar mevrouw wel thuis was.

De vreemde juffrouw steunde een woordje, dat hare blijdschap moest uitdrukken en stapte de deur binnen. Ik wist niet recht, mijnheer, of ik haar toe zou laten of tegenhouden, want bedelarij mocht ’s avonds de deur niet in, dat was ’n vaste boodschap, maar, ik had den moed toch niet om de juffrouw den toegang te weigeren en, om de waarheid te zeggen, de scherpe wind stond ook zoo vreeselijk op de voordeur dat ik weinig behagen in een langer gesprek tusschen deur en drempel had. In één woord mijnheer, vóór dat ik het zelve recht wist, stond de avondbezoekster op de mat ook binnen de lakensche tochtdeur; en, bij ’t licht der kloklantaarn zag ik nu eerst recht wat een naar en haveloos perceeltje ik in huis had gehaald en zou—ziedaar!—twee zesthalven uit mijn zak hebben gegeven zoo ik die juffer met goed fatsoen weer op straat had gehad.

“Maar wie bent uwes dan?” zeide ik, haar nogmaals van ’t hoofd tot de voeten opnemende. “Wie moet ik aan mevrouw zeggen dat er is....?” ik was een beetje onthutst mijnheer—“want zie je, als u komt om een aalmoes dan mag ik niet naar binnen gaan. Mevrouw geeft nooit aan de deur, maar althans niet bij avond en ontijden.”

“Och! neen,” klonk toen haar antwoord,—en ik vond bij me zelve dat ze wel iets moois en fatsoenlijks in haar stem had,—“neen ik kom geen aalmoes vragen, ik kom.... ik ben....” maar ze sprak niet verder en ik zag duidelijk dat ze moeite had om haar tranen te bedwingen. Het jongske aan haar zijde stond te knie-knikken van de kou en hield zijn ijskoude vingertoppen in den mond om ze met zijn adem te verwarmen.

Ik hield mij toen overtuigd mijnheer, dat er bij die vrouw geen kwaad overleg was, maar vroeg tevergeefs naar naar naam, totdat ten laatste haar woorden: “zeg maar een oude bekende,” mij verwonderd deden opzien maar mij tevens zoo spoedig mogelijk aan haar verlangen deden voldoen.

Nooit in mijn leven mijnheer, heb ik zoo’n raren avond beleefd. Mevrouw had twee dames op theevisite en een warm broodje. Zij deed mij licht in het spreekkamertje brengen, en ontmoette er de juffrouw met het kind. Toen wist ik natuurlijk niet wat er verhandeld werd—later begreep ik het.—Mevrouw schelde driemalen, weet je voor mij—en ik kwam. Wat ik nooit verwacht had te hooren, werd mij gelast. De juffrouw, die door mevrouw gladweg haar nicht werd genoemd, moest met het kind in de achterkamer gebracht, dáár de kachel aangelegd en goed koffie met brood worden toegediend. “Mijn nicht wil liever alleen blijven,” zeide mevrouw: “omdat zij vermoeid van de reis is.”

Zonder een woord te kunnen zeggen, want ik beefde inwendig een beetje, omdat zoo’n soort van.... arme landloopster door mijn mevrouw nicht werd genoemd,—zonder te kunnen spreken knikte ik zooveel als, ja wel mevrouw, en wilde gaan, maar opeens werd ik getroffen door een aandoenlijk gezicht, daar ik nog—’t is misschien kinderachtig—een traan van in de oogen krijg, als ik er om denk. De juffrouw, zooveel als de nicht, sloeg hare magere handen voor het aangezicht en begon zoo luid en zoo bitterlijk te schreien dat mevrouw er merkbaar van ontdaan werd, doch haastig zeide: “Bedaar Emilie, ga en rust eerst wat van je vermoeienissen uit, morgen zullen wij samen spreken; je kind heeft ook wat verkwikking noodig,—nietwaar ventje?”

Het kind keek verlegen vóór zich en antwoordde niet, doch Emilie—zal ik maar zeggen—kon niet zoo aanstonds bedaren, maar schreide bitter voort, en terwijl zij eindelijk mijne lieve mevrouw bij de hand vatte en die vreeselijk kuste, riep zij gedurig: “U verstoot mij niet edele vrouw! o die barmhartigheid zal God u vergelden!” en nog een heele boel dergelijke uitdrukkingen meer, die ik nu om de waarheid te zeggen vergeten ben.

Wat ik vergeten zal of niet, zeker de oogenblikken nooit, die ik met mevrouw in het spreekkamertje doorbracht, nadat ik de nicht met haar zoontje in de achterkamer gebracht, er licht ontstoken en Koendert gezegd had, dat hij er de kachel zou aanleggen.—In plaats dat mevrouw naar de zaal bij de dames zou zijn teruggekeerd zat HE. nog in het kamertje—en grummels wat zag ze bleek!

“Is u niet wel mevrouw?” vroeg ik zacht en vroeg ook, of ik een glas water zou halen. Mevrouw knikte, ik haalde het spoedig en liet mevrouw drinken. Dat moet mevrouw goedgedaan hebben, want haastig stond zij op, drukte haar zakdoek even voor de oogen en mij toen tot zich wenkende zeide HE. met een bewogen stem: “Grietje wat je gezien en gehoord hebt, behoeft in mijn huis geen geheim te blijven, want, dergelijke geheimhoudingen baren slechts nieuwsgierigheid en laakbaren achterklap. Zeg aan je kameraden gerust dat de aangekomene een ongelukkige nicht van mij is, terwijl ik hun vriendelijk verzoek haar met den verschuldigden eerbied te bejegenen; jou, Grietje,” liet mevrouw er op volgen, behoef ik zulks niet eens te zeggen; je ziet dat de wederontmoeting mij eenigszins heeft getroffen, maar nu gevoel ik mij toch weer in staat om naar mijn gezelschap terug te keeren.” Zie mijnheer, dit is misschien niet zoo heel belangrijk voor u en ook niet voor de beschaafde lezeressen van uw weekblad, maar wat de hoofdzaak van het geval betreft. die ik u verder mee zal deelen, ik geloof dat die wel belangrijk genoeg voor u en voor iedereen zal zijn.

Den volgenden morgen dan gaf mevrouw mij orders om de nieuwe lozee van mevrouws kleeren een stel uit te zoeken, want wat ze aan ’t lijf had was bijster verlapt en schunnig en voor den wintertijd kaal en dunnetjes. Wat zag die arme nicht, bij daglicht bekeken er millankeliekjes en schraal uit. Grummels! ik had er mee te doen. Ze zat met haar zoontje bij het vuur, en schrikte letterlijk toen ik binnenkwam. Ik zei: “Goeje morgen juffrouw, of u die kleeren eens woudt passen,” en toen stond de juffrouw op, kwam naar mij toe en vatte mij zoo aandoenlijk bij de handen, dat ik er puur kippevel van kreeg. “O!” zeide zij, en de tranen maakten haar het spreken moeielijk: “O, het moet u wel zeer verwonderen in mij eene nicht van uwe rijke mevrouw te zien; in mij die.... die het kleed der armoede draagt en wie de ellende op het wezen staat. De schuld.... de zonde....” maar zij sprak niet verder, en toch hield zij mijn handen vast, alsof ze mij ongaarne zag vertrekken, misschien in mij een wezen gevonden hebbende dat zij, om zoo te zeggen, tusschen haar en haar tante stelde.

“Och heden! mevrouw heeft wel met u te doen,” zei ik, “u hebt zeker veel verdriet gehad juffrouw?”

“Verdriet! o! God weet het alleen wat ik geleden heb!” zuchtte de ongelukkige dame: “maar mijn ellende was het loon voor zonde en berokkend verdriet....” Weer zweeg zij en mij eenige oogenblikken later schuchter in de oogen ziende, zeide zij zachtjes: “zeg meisje, heeft uw edele mevrouw u niets gezegd...?” “Neen, juffrouw, waarlijk niet,” antwoordde ik, en nauwelijks had ik dit gezegd of de deur ging open, mevrouw kwam binnen en zag ons staan, zooals ik zeide met de handen inéén. Emilie—zal ik maar zeggen—liet mij dadelijk los, en luid snikkende op mijn goede mevrouw toetredende, riep zij met afgebroken woorden: “Vergeef mij, vergeef mij, brave grootmoedige tante! Ik heb zoo zwaar misdaan; zoo weinig uw liefde beantwoord. O, vergeef mij, om den wille van mijn ongelukkig kind? God weet het, hoe uw voorkomende liefde zonder eenig verwijt nog meer mijn hart heeft verbrijzeld. Ik bid, ik smeek u om vergiffenis!” Ik was al bij de deur om heen te gaan, want bij zóó iets hoorde ik niet, maar het “Grietje blijf!” van mevrouw deed mij blijven en op den achtergrond staande, hoorde ik verder wat er tusschen mevrouw en haar ongelukkige nicht verhandeld werd, iets wat mevrouw, zooals HE. later zeide, deed, omdat ik ten deele de waarheid gehoord hebbende, haar ook geheel moest kennen, dewijl er leering uit te trekken en zij overtuigd was, dat ik er nooit dan gepast en ten nutte van anderen over spreken zou.

De menschen in die zaak betrokken zijn allen dood mijnheer, en een leering zit in deze zaak, dus schrijf ik u ronduit wat er van aan is. Gelukkig! daar komt de kleine meid terug met de koffie en grauwe erwten voor van middag—eerst koffie zetten.

Ziezoo, dat heeft den inwendigen mensch goedgedaan. Zoo’n kopje koffie verwarmt het hart—grummels wat zeg ik, het hart? neen, mijn hart had geen koffie tot verwarming noodig, want dáár was ik straks zoo warm als op het oogenblik. Hoe zou het anders wanneer men een daad kan vermelden, die aan de hoogste liefde raakt.

Kortom, mijnheer,—want ik ben al bang dat de brief te lang wordt hoewel ik zoo kneuterig op mijn schrijf ben—kortom dan, ik hoorde toen en later wat de oorzaak dier armoede geworden was. De juffrouw—nicht—werd als wees van Mevrouws eigen zuster bij HE. grootgebracht. Ze had niets geen geld, maar moet een lief meisje geweest zijn, hoewel altijd met romans van die Franschen, daar mevrouw, zoo’n afkeer van had. Ze las stil bij avond, op bed, en wier wat ze romenesk noemen. De juffrouw kreeg les in alles, tot de piano en teekenen toe. Maar door die piano, zie, daardoor kwam het. Die muziekmeester was een Franse flierfluiter die snorren en lang zwart haar had. Meestal zat mevrouw er bij, maar soms was ze wel eens uit of er niet bij als ze hoofdpijn had. Die Fransoos moet de juffrouw altijd geprezen en gezegd hebben, dat ze zulke mooie bandjes en wat al niet meer had en ook, dat ze hem op de piano haast de baas was. Dat streelde de juffrouw en ze studieerde op de piano dat het mevrouw soms te druk wier, maar ook—en daar zat hem de kwaje kneep—ze verlangde naar niets en naar niemand sterker dan naar dien vreemden muziek-poespas. Wat er toen allemaal zoo precies is voorgevallen, dat weet ik niet, maar wél, dat die twee meer voor malkaar gingen voelen dan rechtuit,—zij ten minste. Hij moet haar een heelen boel in ’t hoofd hebben gehangen en zij moet hem gezegd hebben dat ze ook smoorlijk op hem verliefd was. Daar was het spul aan den gang. Op zekeren dag werd onze mijnheer zoo maar brutaal weg door dien Fransoos aangesproken en om de hand der nicht gevraagd. Wat een narigheid—dat kun je begrijpen. Een vreemde overgewaaide snoeshaan, die in de Vlakkesteeg op een kleine kamer woonde en wel om zijn knapheid, gaandeweg eenige lessen kreeg, maar een slechte betaler was, die kwam maar zóó om de hand van een meisje, dat destijds haast als mijnheers en mevrouws dochter werd aangemerkt. Dat het spaak liep kun je begrijpen. Huilen van juffrouw Emilie geen gebrek, maar mijn goeje mevrouw had door haar godsdienstige en verstandige gesprekken toch zooveel vermogen op de juffrouw dat zij hare dwaze en dolzinnige plannen liet varen—dat meende mevrouw ten minste. Mooie stukken! drie weken ging alles zijn gang. De Fransoos had als muziekmeester natuurlijk zijn paspoort met een replement er bij gekregen. Daar kwam mijnheer en mevrouw op een goejen morgen in de ontbijtkamer, en daar lag een brief op tafel van de hand van juffrouw Emilie. Wat mevrouw ontstelde, kan ik u niet zeggen, want ze las niets meer of minder, dan dat de juffrouw niet langer in een huis kon blijven waar zij met de grootste onbarmhartigheid werd behandeld en waar men haar tijdelijk geluk dwarsboomde. Kort en goed, zij had den heer Dulo—of zoo wat—niet kunnen en willen vergeten en ongelukkig maken; zij hadden elkander eeuwiglijk trouw gezworen en dien eed mocht ze niet breken. Als mevrouw den brief las, zou ze reeds naar Frankrijk vertrokken zijn, met den man dien ze als haar zelve liefhad. God zou het haar vergeven—schreef ze—dat zij om het heil haars levens te verwerven een klein misdrijf had gepleegd, en uit tantes schrijftafel eenige losse gelden en drie bankjes van honderd gulden had meegenomen, benevens het juweelen garnituur, dat zij van tante toch krijgen zou als ze meerderjarig zou worden, besluitende met de toezegging, dat zij die schuld later wel af zou doen, want dat ze met haar eenig dierbaren Alfonsus—geloof ik—de wereld zou doorreizen om met hunne talenten veel geld te verdienen.

Hoe die eerste dagen zullen geweest zijn kunt gij begrijpen. Mijnheer schreef naar Brussel en Frankrijk, want in ’t land was van die twee geen spoor te vinden; maar wat hij schreef of deed van de ongelukkige juffrouw Emilie hoorden ze verder niets.

En ja, die daar tien jaren later—ik was bij mevrouw toen in ’t achtste jaar—’s avonds berooid met een kind kwam aanzetten was diezelfde juffrouw Emilie. ’t Was haar naar werken vergaan. Niet naar Frankrijk maar naar Amerika had zij zich met haar Alfonsus ingescheept,—daar had mijnheer geen idees op gehad. In ’t eerst was alles mooi geweest en ze hadden waarlijk, in Nieuw-jork en nog meer zulke namen, gespeeld op conserten ook; toen was de juffrouw—zie, zonder zelfs getrouwd te zijn—van een zoon bevallen en had later weer van voren af aan, getrokken en geleefd, zonder zin of nagedachte, altijd met de muziek voorop. Maar de juffrouw was er van al dat trekken en die vermoeienissen niet mooier op geworden; kortom, die lieve mijnheer Alfonsus had zijn bekomst van de mooie handjes, en toen, toen was er voor de ongelukkige een leven begonnen, te akelig om te zeggen. Als ik er van verhalen wou, zouden de dames er naar van worden; aan de woorden: schelden, razen, slaan en gebrek, hebben zij zeker genoeg. Nog drie jaren—vijf in ’t geheel—hield ze het met dien poespas uit, toen liep ze van hem weg, zwierf, tobde en wurmde met haar kind nog vijf jaren in de vreemde wereld op de ellendigste wijze, kwam om Godswil mee terug naar Holland, en na een geheelen dag in de nabijheid van het huis te hebben gedwaald, waagde zij het eindelijk ’s avonds aan te schellen.

Ziedaar de heele historie;—maar het einde....? Geen verwijt zelfs kwam over de lieve lippen der brave mevrouw. Alleen zeide zij—toen ik er bij was—deze woorden: “Kind, je hebt veel geleden, zie dáár ligt de bijbel; en dáár,” zij wees door het venster naar den hemel—“dáár woont God!” Mevrouw deed wat zij dikwijls haren Zaligmaker na had gebeden: zij vergaf gelijk zij wenschte vergiffenis te bekomen. Zij deelde in de blijdschap des hemels, die verheugd is, over één zondaar die zich bekeert. Zij vergaf niet alleen, maar zij deed wèl bovendien. In overeenstemming met haar echtgenoot werd er voor de jonge, maar door het leed vroeg verflenste vrouw, ten platten lande bij fatsoenlijke lieden een paar kamers gehuurd; dáár leefde zij, door ervaring tot God gebracht, met haren zoon in vrede en dankbaarheid; daar beweende zij vurig de groote zonden der jeugd; en hare brieven getuigden van de meeste dankbaarheid jegens hare weldadige bloedverwanten en van de hope op vergeving bij God.

Als dáár geen leering in zit, mijnheer dan weet ik het niet. Van ’t begin tot het einde zie ik er leering in—zelfs betreffende mijn brave mevrouw, die met dien Fransoos en de mooie woorden van Emilie te goed van vertrouwen was geweest. Afein, dat alles wil ik niet uitpluizen, de dames hebben verstand genoeg. Het zoontje is zoo wat drie jaren vóór zijn diepbedroefde moeder gestorven—waaraan weet ik niet; de juffrouw zelve een jaar vóór mevrouw, ik geloof aan een hartkwaal.

Grummels, wat een lange brief; ik eindig dus maar sito, we moeten ook aan de erwten, en noem mij hoogachtend:

Uw Dw. Dienaresse,

GRIETJE SLUIMER

geb. MISPEL.

Arnhem, 5 Januari 1857.

P. S. Ik heb de kleine meid die school gaat, nog eens de fouten laten nazien en laat het maar verder aan u over; snejeer u niet om te laten staan of te verbeteren wat u goedvindt. ’t Komt maar op de zaak aan, en al zie ik ook tot mijn spijt dat de laatste pagina’s wel een beetje slecht zijn geschreven, nichtje kon er uit wijs worden en hoop zulks ook bij u het geval zal zijn.

Atjuus.