WeRead Powered by ReaderPub
De lelie van 's-Gravenhage cover

De lelie van 's-Gravenhage

Chapter 61: II.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Set in a historical Dutch setting, the narrative opens on a stormy November night as a small party arrives at a guarded house to deliver a heavy, wrapped bundle while a child’s plaintive cries suggest concealed troubles. Through episodic episodes it traces interactions among travelers, a gatekeeper, and local residents, revealing social tensions, domestic strains, and unfolding secrets. The prose alternates atmospheric landscape and weather description with close observation of character behavior and moral dilemmas, gradually assembling a network of relationships and obligations that determine how private burdens and public expectations shape the community’s fate.

Antwoord van Jan Stukadoor aan Piet Schaver.

Aan den lezer.

Jan Stukadoor heeft een antwoord aan Piet Schaver geschreven,1 en ik ben hem gaarne behulpzaam om het onder de oogen van zijn kameraden te brengen.

Dat de man het beter met hen meent dan Schaver uit zijn brief heeft willen opmaken, daarvoor kan ik instaan.

Was zijn hoofddoel, om den werkman allereerst te waarschuwen tegen een onmogelijk communisme, waarmee men, in navolging van elders, ook ten onzent de hoofden op hol zoekt te brengen, hij wenscht niet minder van harte dat er spoedig verbetering zal komen in het lot van zijne standgenooten, indien zij werkelijk reden hebben tot klagen in deze dure tijden.

Jan Stukadoor is een eenvoudig man, die de groote sociale quaestie evenmin zal oplossen als Pieter Schaver, al meenen zij beiden er iets op gevonden te hebben; maar ik meen toch dat èn Stukadoor èn Schaver wenken geven die der overweging wel waardig zijn. De philanthropie kan slechts den arme te hulp komen. De werkman moet door eigen krachten tot een beteren toestand geraken. Doch de standen die boven hem zijn, dienen hem daartoe de hand te reiken en allerminst in den weg te staan. De rijken, zegt Jan in zijn eersten brief, kunnen best betalen. Welzeker! Maar de rijken—en ook allen die zich, ’t zij meer of minder tot den gegoeden stand mogen rekenen, zij willen niet genieten ten koste van den nijveren werkman, wien dikwerf het noodigste voor zijn gezin ontbreekt, en die zijn kinderen moet laten arbeiden in stee van ze te doen onderwijzen. De rijken in ons vrije Nederland willen niet rijk zijn ten koste van den armen werkman, die in ’t zweet van zijn aanschijn of met verkleumde handen hunne kostelijke huizen bouwt of de weelde van hun salons helpt verhoogen.

En de Nederlandsche fabrikanten en werkbazen, ook zij begeeren hun winsten niet ten koste van hen, die voor hen den arbeid verrichten. Hun hart zal hen dringen om steeds vaster de handen ineen te slaan tot het beramen van de middelen, die den werkman zullen opheffen uit zijn veelal beklagenswaardigen staat. Maar ook, Jan Stukadoor heeft het reeds gezegd: van het onredelijk opdrijven der loonen kan de werkman geen duurzame verbetering van zijn lot verwachten. De loonen moeten—naar gelang van den arbeid—in billijke evenredigheid staan tot de prijzen der eerste levensbehoeften.—Mijns inziens heeft Jan zijn beste woord aan het eind van dezen brief gesproken. Men leze en oordeele of zijn denkbeeld voor verwezenlijking vatbaar is.

Dat dan door vereeniging van alle krachten de tijd spoedig moge komen, waarin tevredene werklieden als Jan Stukadoor—indien ’t beweren van Schaver in dit opzicht waar moest wezen—niet langer tot de uitzonderingen zullen behooren, is de oprechte wensch van

J. J. C.

Antwoord aan Piet Schaver.

Timmerman.

Piet Schaver, als ik je niet voor een eerlijk kameraad hiew dan zweeg ik, maar nou wil ik niet zwijgen, en al heb ik er spul mee, ik wil nog een korte brief aan je schrijven zonder dat ik mijn neef er mee inhaal want, daar schijn jij een mier aan te hebben, en mijnheer C. zal hem toch wel nazien wegens de fouten. Maar als jij een mier aan schoolmeesters hebt dan ben je toch glad mis, want van de scholen moeten onze kinders het hebben.

Ik zeg dan dat ik schreef omdat ik geloof dat jij het eerlijk meent, maar anders staat het je alles behalve mooi om mijn goeje gezindheid voor de kammeraden verdacht te maken. Wil ik je zeggen hoe dat komt? Dat komt omdat je mijn brief al heel slecht gelezen hebt, en dat had je gepast als je me voor een zeur en een kind en ik weet niet wat meer scheldt.

Maar pikkeneurig of bekanterig ben ik niet, en daarom zal ik je maar heel kort en goed vertellen dat ik het net zoogoed, en misschien nog wel beter met onzen stand van menschen meen als jij.

Ik begin maar met je te zeggen dat je rekening voor jou misschien heel mooi, maar voor mij geen pijp tabak waard is. Jij zegt dat ik de rekening voor zijn achten maak en dat ik dan nog een kanarie heb. Nu schreef ik duidelijk “acht met de kanarie mee.” Dus dat is zeven Piet, en niet acht; want de kanarie kost zoowat 1–1/2 cent in een heele week aan zaad. Dus zie je, ik heb negen gulden voor z’n zevenen.

Maar aldat ik gelijk heb dan zul je nog zeggen dat het hier in Den Haag te weinig is. Akkoord! ten minste zoo als jij het opneemt. Maar je hebt slecht gelezen zeg ik nog eens. Ik heb in mijn brief mij zelf in ’t geheel niet als zoo’n bovenste willen ophemelen omdat ik rond kom, en ook niet als voorbeeld willen stellen, want ik heb het meer als duidelijk en wel drie of vier keer gezeid: dat mijn vrouw er mee schuld van is dat wij ’t, na venant, goed hebben, Goddank! Heb je dan niet gelezen wat ik van mijn wijf zei? Staat er niet in mijn brief duidelijk en klaar dat er kapitaal in de armen van Jans zit, en dat zij werkt meer as meer, en van een gulden er twee maakt? Jans wou niet dat ik er alles van zeggen zou, maar je hebt toch van de vier wollen sokken gelezen. Dikwijls heeft ze door de mevrouw bij wie ze ’t laatst diende wat grof naai- of breiwerk, en Dinsdags en Vrijdags gaat ze uit schoonmaken omdat moeder toch op de kleintjes past.

Zie Piet, als je mijn brief niet averechts hadt uitgeleid dan zou je me al dit schrijven bespaard hebben, want de vingers staan er niet naar. Maar jij doet me in alles onrecht. Heb ik gezeid dat het schande is dat de vrouw van P. alle jaar een kind krijgt? God beware! Jans had er alle jaar óók wel een kunnen krijgen als het de wil van God was geweest, maar ik zeg, of ik meende ten minste, dat het niet vreemd is als er armoe wordt geleden wanneer de vrouw, die zoo dikwijls in ’t bed leit, een slons van een wijf is. Zie je dát was de riddenaasie.

Heb ik gezeid, Piet, dat alle vrouwen van onzen stand slonsen zijn, en zoodoende jou Neeltje ook beklad? Ik zeg je dat dat een groote leugen is; jou Neeltje kan net zoogoed als mijn Jans zijn, en ik ken er wel drie bij ons op ’t hofje die ik met pleizier gemorgen en g’n avond zeg, maar Teun van Van E. is een slons, en zoo zijn er meer, en—zeg ik: dan is er armoe en averij, al verdienden ze achttien gulden in plaats van negen.

En van den drank gesproken. Je weet hoe ik er over denk, maar, heb ik alweer gezeid dat al onze kammeraden zuiplappen zijn! Van hen die af en toe een borrel drinken, daar spreek ik niet van. Neen Piet, dan zou ik me schamen als ik zóó de kammeraden geschandalizeerd had. Ik weet te goed hoeveel brave kerels er zijn die weten wat hun vrouw en kinders toekomt. Maar omdat de drank een pest is waar toch zoo onmannierlijk veel aan versplendeerd wordt, daarom spreek ik er met zoo’n schuwigheid van, en zeg nog eens: jongens past op dat je je niet door dien duivel strikken laat—want gelijk heb je, de drang is groot en de trek is ook groot, maar: drie borrels maken een roggetje!

Neen man, jij hebt mijn bedoeling heelemaal verkeerd uitgelegd; want wat was dan eigenlijk mijn heele bedoeling? Om jou voor te rekenen dat men van negen gulden leven kan? Neen! Wat zou het beduiden! Jij weet wel dat ze in andere plaatsen van ’t land nog van heel wat minder moeten rondscharrelen.—Ik heb met mijn domme verstand alleen maar willen zeggen, hoe dom ik het ding vind dat ze: de Internationale noemen. En als jij nu zegt dat het onnoodig was, dan zeg ik: dat je nooit met Van Vlot en nog een boel anderen hebt gesproken.—Zou jij denken dat er niet een heele boel zijn die meenen dat het maatjes-egaal best mogelijk is, als ze worden opgeruid? Ik zeg je ja; en omdat ik begrijp dat er zoo zijn—al zijn de meesten wijzer—ik wou toch eens uitleggen hoe dom en hoe gevaarlijk dat ding is. En zie je, dat heb ik gedaan, en ik heb er geen berouw van.

Maar vooral Piet Schaver, ben ik verdrietig dat je mijn hoofdbedoeling zoo scheef heb uitgelegd. Meen jij het misschien beter met de kammeraden dan ik? Zoo doe jij het voorkomen. En ik schreef juist omdat ik wou dat allen het beter kregen, of—zoo goed hadden als ik.

Dat alle werklieden het graag beter willen hebben dat is waar, en dat is ook goed. Maar dat alle werklieden ontevreden zijn dat is niet waar. Ik ben het niet. En nou kun je denken wat je wilt, maar ik weet wat ik ben. Jans kan het getuigen.

En nu zeg ik in ’t geheel niet dat onze stand maar moet blijven zooals die is omdat IK tevreden ben, gezegend met gezondheid en met een vrouw als Jans. Neen waarachtig niet; ook ik wil zelfs graag wat meer verdienen als ’t wezen kan. Kammeraden! heb ik gezegd, zoekt in de redelijkheid dat je wat meer krijgt. Sluit je aan bij de nationale werkmansvereenigingen, die samen naar de beste middelen zoeken om onzen stand te verbeteren, dát heb ik gezegd. Schreef ik niet in mijn brief: Recht moeten we hebben, niet meer en niet minder. Met God in de gerechtigheid vooruit!—Heb ik niet gezegd dat de groote lui best betalen kunnen, en dat ze er anders maar af moeten blijven?

Neen, Piet Schaver, onzen stand te verbeteren door gepaste middelen dát heb ik geen larie genoemd, want als ik alles maar bij ’t oude wou laten dan zou ik niet van klagen spreken. Maar larie is het, als men, zooals jij, van zeuren en kletspraat spreekt wanneer een mensch uit den drang van ’t hart, zijn kammeraden wil zeggen wat de verkeerde weg is, om tot beter te komen.

Maar nou de rechte weg, zul je vragen? Ik heb er alles van gezeid wat ik weet: aansluiten bij een Nationale zei ik, en dan zorgen dat onze kinders toch behoorlijk leeren, want dat is een voorname. Maar zie je, waar jij in ’t eind op neerkomt daar had ikke en Jans wel schik in. Wel zeker als er nog zooveel land is, dan moesten ze dat in de kamers van de Staten ginderaal maar uitmaken om volk aan ’t werk te zetten; of anders zei ik laatst tegen Van Wiel—die familie in Australië heeft en daar zoo ijselijk van ophemelt—dan moesten er maar een boel naar zoo’n land over zee trekken, en als zij het daar goed konden hebben—ik suspeneer dat het zoo is omdat Van Wiel het met een woord van waarheid betuigde—ik zeg als zij het daar goed konden hebben, dan dunde het hier wat op, en zouden de bazen wat minder volk kunnen krijgen en wat beter over de brug moeten komen. Zie je Piet, ik blijf er bij: Ik wil geen klagen in onredelijkheid, geen gemor en gemopper, maar vooruit in de gerechtigheid!

En nou atjuus, ik meen het zeker zoogoed als jij met de kammeraden, en eindig met de pen maar niet met het hart als dat ik mij noem zonder verdere kriewel of nietsigheid uw vriend:

Jan Stukadoor.

Leve de Neerlandsche jongens!


1 De laatste klaagt over een onduidelijk adres, terwijl het zijne in ’t geheel niet te vinden was.

De oorlog een noodzakelijk kwaad?

’t Is al laat in den avond, doch binnen de kleine landbouwerswoning, schuins achter ’t zwarte dennenbosch, daar brandt nog een lichtje.

Moeder slaapt, ja kijk maar. Als vader haar nu, zooals hij gezegd had, nog eens zachtjes g’endag kuste, dan zou kleine Karl de lamp wel uitblazen, en gauw in de bedstee kruipen. Ja zeker, en heel stil zijn; en zorgen dat Lieschen en Else niet wakker werden; ja, en als hij zelf schreien moest, dan zou hij de handjes maar vast voor den mond houden, want Koning Wilhelm zal vader toch wel gauw weerom sturen, nietwaar? Koning Wilhelm was immers zoo heel braaf, en kon ook niet weten dat moeder nu juist zoo ziek was, neen!

Fluistrend heeft het zevenjarige jongske gesproken terwijl hij tot zijn vader opzag, en de vader—die straks nog, tot lang na zonsondergang, de sikkel dreef door het rijpe graan, maar ach! zonder het werk te kunnen volenden—hij drukt de vereelte hand op het hoofdje van zijn kind, en dan.... Maar neen, spreken kan hij niet.

“En als vadertje dan weer thuiskomt, dan zal hij voor Karl ook een mooie klapbus van vlierhout snijen; is ’t niet vader?” vleit het jongske op nog zoeter toon.

God, wat bange stond! Bevend heft de vader het kind omhoog; drukt zijn lippen op dat lief en rond gezichtje, en zegt dan bijna onhoorbaar:

“Zoet wezen Karl, heel zoet! en”.... Maar, verder kan hij niet; dikke tranen breken met geweld naar buiten.

Wees krachtig Walter! Ja, krachtig!—Zóó. Nog een zoen op Karls voorhoofd. Nu tilt hij het kind in de bedstee over de slapende moeder heen. Dáár, op vaders plaats, zou het jongske slapen voortaan.—Karl fluistert nog dat hij aan onzen lieven Heertje zal vragen of vader er Zondag mag weerzijn, want dan blijft hij thuis uit de school, en zal dan een heele boel boschbessen voor ’t zoete vadertje plukken.

“Goed mijn jongen, goed! Maar stil nu dat moeder niet wakker wordt.”

Ach, nu zal hij dan aan die lieve zieke vrouw den zoen ten afscheid moeten geven.... Neen, eerst in de bedstee ginds de beide kleine meisjes zachtjes vaarwel gekust!

Zie, daar liggen ze, de blonde koornbloemen—roode koonen, blauwe oogen.—Maar die oogjes zijn nu gesloten, ze zien hem niet aan.

Weet hij wel wat hij doet nu hij ze zachtjes, beurt voor beurt, op die roode lipjes en malsche armpjes zoent; nu hij Lieschens zacht weerstrevend handje vastklemt en het drukt aan zijn lippen; nu hij Elsje—kleine woelwater, ruiter van vaders knie—de blootgewoelde beentjes nog eens toedekt? Ach neen, hij weet niet wat hij doet nu hij zijn kranke vrouw—om haar een doodend afscheid te besparen, schier onvoelbaar zacht een zoen op de bleeke wang drukt.—Groote God, welk een andere zoen dan dien hij haar gaf.... ha, op dien heerlijken middag, nu zeven jaren geleden ... Voor de bedstee valt hij op de knieën neer. Zijn handen blijven een wijle gevouwen; zijn lippen bewegen zich krampachtig.—Moed, Walter; moed!—Voort nu.—Ja, voort!

Zóó, het licht is al uitgeblazen.—Voort!—

“Nacht vader. Zondag zeker weerkomen vader!” klinkt het nog eens aan moeders zij.

En moeder Bertha.... Wat! wie.... wat is er?

Eensklaps gaan haar matte oogleden open; ze tast met de hand voor zich uit.

“Walter, Walter!” roept ze.—Hoort ze de deur niet zachtjes sluiten?—“Walter!” klinkt het nog eens met angstige kracht terwijl ze overeind vliegt: “Walter! O gerechte God, waar is hij? Walter, Walter!”

“Stil Moeke, niet schreien! Karl zal aan Koning Wilhelm gaan zeggen dat Moeke zoo ziek en bedroefd is, en dan brengt ie vader weer mee, en....”

Maar de zwakke vrouw verstaat hem niet. Ze wil haar steun, haar liefde, haar helper, haar trouwe, navliegen; ze zal hem terugbrengen; ze moet hem hier houden, tot morgen, ach ja! tot morgen althans.

Doch, haar krachten.... haar duizelend hoofd.... en, losbarstende in ’t vreeselijkst geklag:

“Weg, weg! O groote God, mijn Walter! weg!?


Ach arme, ja! Uw Walter ging heen, en, voor altijd.

II.

Frau Remse stond peinzend voor het raam van haar kleinen winkel, en tuurde naar de dikke regenwolken, die over de smalle straat naar het marktplein joegen.

Ja, wat een mensch zich wel eens tot een ongeluk rekent, zoo denkt ze, dat blijkt hem later soms ten zegen te zijn.

Heeft ze niet dikwijls geklaagd dat haar eenige Frits nog zoo jong en zoo wild was: die goeje Frits! te jong en te wild althans om haar in haar kleine winkelzaak met den noodigen ernst van dienst te zijn. Maar nu, Godlof! met dien vreeselijken Erbfeind, terwijl alle Landeskinder gereed moesten staan om ’t leven voor ’t vaderland te wagen, ja nu behoudt zij haar jongen toch, haar ondeugenden besten Frits, ha!—omdat hij gelukkig nog te jong is.

Wel dubbel moet ze deernis hebben met haar arme buurvrouw: Vier kloeke zonen zag die goede moeder gisteren heentrekken om ze misschien—wie kon het zeggen—nooit weder te zien.

“Stil Mirza,” roept Frau Remse, terwijl ze nu naar de winkeldeur ziet, want Mirza, de mooie witte does, krabde met zijn pootje gedurig tegen het onderplint, en joeg onstuimig zijn staart heen en weer, en weder en nogmaals krabbende, maakte hij een jankend geluid.

“Stil Does! Frits zal wel dadelijk komen. De leerink bij dominee zal wel gauw uit zijn. Kom dan maar hier Doeske, hier bij de vrouw!”

Maar Doeske deed alsof ie ’t niet hoorde. ’t Was al over den tijd dat de jonge baas moest thuiskomen, dat wist hij zeker, en—met het neusje schuins ter zij, even jankende, komt het voorpootje weer vooruit, en krabt hij opnieuw uit al zijn macht.

“Foei, Mirza!... Zoek dan den baas!” roept Frau Remse, en legt op dat laatste een bijzondere klem.

’t Zou toch mogelijk kunnen zijn, meent de hond; en ijlings zijn plaats verlatende, vliegt hij den winkel uit, naar achter, de gang ten einde, ritselt met de nagelpootjes langs de trap in weinige sprongen naar boven, en dan, na ’t snufflend zoeken op het kamertje van den jongen baas—onder ’t bed en naast de kleerkast, hier, ginds, overal, maakt hij ijlings denzelfden weg—ritslend langs de trappen terug, en zit al spoedig weder voor de deur in den winkel, en krabt, luid jankende, vier vijf malen achtereen.

Frits kwam wel een half uur over etenstijd; maar, hij kon het niet helpen. Al de jongens van de leerink waren in optocht gegaan naar ouden Heinrich, met z’n verminkt en verhakt karkas—zooals hij ’t zelf noemde—om Heinrich te feliciteeren dat Duitschland nu eindelijk eens met den Erbfeind zou afrekenen, en de kwitantie presenteeren voor de beenen, die Heinrich bij Leipzig verloren had.

“Z’n oogen fonkelden moeder,” zegt Frits bij ’t verhalen: “Ha! riep ie, als ze ’t maar wilden, dan ging ik nog op m’n krukken mee, zoo oud als ik ben.” En dan tot Mirza die den kop onder zijn hand poogt te schuiven: “Stil Doesje, koest! Heb jij honger! Dáár! Ik heb het niet!”

Maar Frits moest toch wat eten.—Zie er was wel veel sombers in dezen tijd, omdat zoovelen van de zij hunner geliefden werden opgeroepen, maar—moeder en Frits, hoe dikwijls ze ook in de laatste twee jaren werden beklaagd om het droevige lot van den armen krankzinnigen vader, nu kon men hen benijden: ze bleven te zamen, ja, Goddank, want Frits haar lieve wildzang was pas zeventien jaar.

Frits keek strak naar den grond. Maar hij was dan toch zeventien jaar! Heeft oude Heinrich niet gezegd: Als ik jou beenen en jou jong bloed in ’t lijf had: Donnerwetter! dan zou ik ze leeren die sakkerbleus!

Frits had geen rust op zijn stoel. Hij moest weer voort. Met een twintigtal Turners had hij afgesproken om Zum weissen Hirsch op de markt bijeen te komen. Daar werden telegrammen en de Köllnische Zeitung gelezen; daar zouden ze een Lebe Hoch wijden aan Koning en Vaderland, daar zingen het:

“Heil dir im Siegerkranz!”

en het

“Fest steht die Wacht am Rhein!”

Neen, nu kan hij niet thuisblijven. Peter Kraus wil als vrijwilliger gaan, en dien moeten ze ook een driewerf Donnerendes Lebe Hoch brengen.... “Och neen Moeder, neen! wie zou er nu om onze galanterie prullen komen! Voor Fransch verguldsel, bah!—Marsch Doeske, marsch! Dag Moe.” En, haastig snelt hij heen, luide zingende:

“Lieb Vaterland magst ruhig sein,

Fest steht und treu die Wacht, die Wacht am Rhein!”

En de moeder staat weer voor het winkelraam. En de donkere wolken jagen nog altijd boven de straat in de richting van het marktplein.

O! waarom bonst haar hart zoo geweldig? Zou het toch mogelijk kunnen zijn dat hij...?

Maar, als zij, zijn eigen moeder, het niet wilde! als zij het verbood....? Verbieden! hem!? Zwakke vrouw, zal ze hem, den sterken, den boven zijn leeftijd krachtigen Frits kunnen weerhouden indien hij wilde....? Wát zou hij willen?—Neen, neen! dát wil hij niet. O God! als zij dat eenig kind, dien eenigen schat moest verliezen!

Zoo peinsde en streed ze totdat ze starende naar boven zelfs de donkere wolken niet meer onderscheiden kon. Ach! ’t Was óók zoo duister in haar beklemd gemoed.

Hoor, wat klinkt daar van verre?—Is het muziek? Ja, de gansche straat tot ginds bij het marktplein—phantastisch verlicht door schier ontelbare papieren ballons bijwijze van fakkels gedragen—weerkaatst de schetterende tonen van het diep in de ziele grijpende:

“Lieb Vaterland—Lieb Vaterland!”

Frau Remse beeft. Een donderend Lebe Hoch breekt er los uit duizenden kelen. Men weet het: de Duitscher heeft Gesiegt!—Victorie soll geschossen werden, heeft Koning Wilhelm geschreven, en, nóg eens juicht het hier donderend: Victorie, victorie! mee.—’t Is een serenade aan den Landraad ter eere van de overwinning:

“Hurrah! Germania Hurrah!”

En de Landraad spreekt tot het Turn-Verein van de grootheid en kracht der Duitsche natie, die ze dankt aan haar degelijken zin; aan de opvoeding der moeders; aan de orde en tucht harer Landeskinder, geroepen om den Erbfeind te straffen wanneer hij hun rust komt verstoren.—En, oorverdoovend trillen nu de kreten ter eere van Koning, Prinsen en Vaderland!

“Hurrah! Hurrah!

Hurrah! Germania!”


Waarom vliegt Mirza gedurig als half waanzinnig door ’t kleine huis, den winkel uit, de gang door, naar boven, ’t kamertje van den jongen baas in; snuffelend en jankend, straks met den mooien staart tusschen de beenen weer naar beneden; de achterkamer binnen, onder den stoel van den goejen baas, óp dien stoel, driemaal ronddraaiende als waande hij dat men zich zoo verschuilen kon? Waarom kermt en kreunt hij zoo geweldig, en krabt hij de verf van deuren en raamkozijnen totdat hij buiten op straat is, om daar al snuffelend te jagen naar ’t marktplein, Zum weissen Hirsch binnen te sluipen doch straks ook terug te keeren, om nóg eens zijn jacht te beginnen door ’t huis van den jongen baas?

Men zegt dat Frau Remse zich goed heeft gehouden, heel goed, zooals dat een kloeke Pruisin betaamt. Maar aan den avond van den dag toen Frits haar verliet met de woorden: “’t Zou Duitschland bestelen zijn moeder, wanneer ik den Koning mijn kokend bloed en mijn krachtigen arm onthield;” aan dien avond vond men haar op het verlaten kamertje van haar Frits in bezwijming neerliggen bij zijn stoel. En, toen ze weer bijkwam.... neen, men zegt niet wat ze toen deed; maar men fluistert.... dat ze toen den koning vervloekte, en..... Doch dat kan niet waar zijn, want vrouw Remse is een Duitsche vrouw, en Duitsche vrouwen zijn kloek, en ook een Duitsche moeder is verstandiger dan een stom en, redeloos dier.—Zie dan, Mirza is niet weg te slaan van het kamertje, waar nog kort geleden zijn jonge meester sliep. Voor zijn bed ligt hij nacht en dag, en ’t eten laat hij onaangeroerd staan. Wie hem nadert of een hand naar de kleeren over dien stoel, of naar die oude schoenen ginds in den hoek durft uitsteken, dien gromt hij tegen.... En—gisteren lag hij roerloos stijf op de peluw van het verlaten bed. Hij heeft het gevoeld, die vroolijke jonge vriend zou hem nooit meer liefkoozen, nooit!


Monsieur Toulemaire heeft zijn kleine nette villa geen vijftig schreden buiten het dorp. ’t Ligt aan de helling van den berg met het uitzicht op het dal, waardoor het blinkende stroompje zich dartel een weg baant.

Monsieur Toulemaire woont daar met zijne vrouw en twee volwassen dochters.

Blanche en Virginie moeten ’t zeker wel weten dat ze “de bloemen van Monsieur Toulemaire” genoemd worden, want Gaspard en Antoine zeggen ’t haar zoo dikwijls en o, ze zeggen haar nog veel meer, heel in vertrouwen, als ze ’s avonds soms paar aan paar in den heerlijken omtrek dwalen. Maar Blanche en Virginie zijn natuurkinderen, in den edelsten reinsten zin van het woord, doch beschaafd, en verstandig ontwikkeld niettemin, en daarom, of ze ’t al weten dat ze de schoonste meisjes van het dorp zijn, toch eigenlijk weten zij ’t niet.

En, in den laatsten tijd hadden ze wel aan wat anders te denken. Haar lieve ouders zullen dit jaar in ’t midden van den zomer hun vijfentwintigjarig huwelijksfeest vieren. Sedert vele weken reeds waren Blanche en hare zuster ’s morgens heel vroeg, en ’s avonds tot ’s nachts zeer laat, in de weer om de prachtige handwerken bijtijds gereed te hebben: roode en witte camelia’s, naar zelve geteekende modellen, op satijn geborduurd in het genre der Gobelins. Twee fauteuils, met die kostbare bloemen versierd en bekleed, zullen op den zilveren trouwdag voor het dierbare bruidspaar gereed staan.

En ha! gisteravond, toen le bon papa met la chère maman op visite bij hun vriend Le Pochon waren—men had het zoo heel stilletjes bedisseld—toen heeft de meubelmaker uit stad de beide prachtstoelen kant en klaar in de villa Toulemaire gebracht, en Gaspard en Antoine hebben de bloemen in verrukking aangestaard. Welke bloemen ’t meest....? Dat zag de kleine achterkamer wel, waar de stoelen verborgen zouden staan tot den dag dat le bon petit pére en l’ange mére, het feest zouden vieren met hun vier kinderen.... Ja vier, bien certes! car: deux et deux font quatre.

Blanche en Virginie ontstelden er van. Had papa woorden gehad met den goeden vriend Le Pochon? Wat was er voorgevallen dat hij zoo onbegrijpelijk rood zag, en een paar malen een leelijk woord tusschen de hagelwitte tanden zocht te smoren.

Monsieur Butel, gewezen wachtmeester, die bij Solferino een arm verloor, en nu brievenbesteller op het dorp is, Monsieur Butel, met zijn groote snorren en blank geschuurde decoratie op de borst, hij zal ’t verklaren misschien.

Men spreekt van een oorlog tegen Pruisen. De Hertog van Pruisen zou te Weenen, zoo verhaalde Monsieur Butel, een brief vol insultes—sacré tonnerre—aan Keizer Napoleon hebben geschreven, niets meer of minder dan: Blancbec! omdat Keizer Napoleon er voor zorgde dat de Hertog van Pruisen aan zijne Heiligheid den Paus la Province du Rhin niet ontweldigen kon. “Ha!” zoo eindigde Monsieur Butel zijn inlichting: “Één Franschman geldt meer dan tien Pruisen-kinkels, die parbleu! te stupide zijn dat ze een woord Fransch verstaan.” En dan met verheffing; “Ik heb er een gekend, Hans Rölich uit Kopenhague! ’En ezel! sacrè tonnerre!”

Monsieur Toulemaire wist er meer van. Doch evenals den ouden onderofficier kookte ’t hem in de borst.

Wat hij gevoelde? Luister:

Tot voor weinige jaren was hij fabrikant te Salins. Sedert den dag dat de marquis De *** de Salins, aan ’t hof der Tuilerieën zijn invloed kon doen gelden, nam de zaak van Toulemaire een groote maar tevens een welverdiende vlucht. “En nu,” zoo sprak hij: “naast God en mijn vlijt, dank ik mijn voorspoed en een gezegenden ouderdom, aan het tweede Keizerrijk. Vive l’Empereur! Vive l’Empereur: Vive la France! A bas les ennemis! Mortdieu!

Dit laatste overluid gesproken woord was een ongewone klank in den mond van dien goedaardigen man.

“’t Zal alles nog ten beste gekeerd worden lieve papa,” zegt Blanche: “Aan couranten-berichten kan men geen onvoorwaardelijk geloof slaan. Kom, we mogen nu niet anders dan vroolijk aan ons heerlijk feest denken, nietwaar?”

“Ja zeker!” vleit Virginie, en drukt haar rozenmond op het heldere voorhoofd van den geliefden man: “Is ’t zoo niet beste vadertje? Zie maar, uw lieve aanstaande bruid knikt u zoo opbeurend toe.”—En zij, die aanstaande zilveren bruid:

“Pierre,” zegt ze: “geen zorg in ’t verschiet. Al moest er oorlog komen, hier toch zal het vrede blijven. Waar is men veiliger en kalmer dan in ons lieve dorp, in onze heerlijke vallei!”

“Veilig! daar spreek ik niet van Eugénie. La France, c’est la force, la gloire! la victoire! Ik zou niet weten hoe men een enkel Fransch burger één haar zou kunnen krenken. De Keizer wenkt en ’t gaat naar Berlin, waarachtig naar Berlin!”

Papa had gelijk, zóó zou het wezen! En hier in het stille heerlijk gelegen dorp, had men toch zeker niets te duchten. De ramp voor het arme Duitschland zou groot zijn, nu ja! men kon ze betreuren, men kon medelijden met dat in vele opzichten nog zoo ruwe volk hebben, maar, onder Gods leiding moeten immers zelfs bloedige oorlogen meewerken tot de opvoeding en beschaving van nog weinig ontwikkelde naties. (!) Ach Blanche en Virginie willen ’t hopen met haar lieve ouders mee, dat God ook nu uit dit schijnbaar kwade, het goede zal doen geboren worden. Als ’t noodig moest zijn, dan zal men haar vooraan vinden in de rijen van hen, die den vijand zullen weldoen; want immers nog dezen morgen had Monsieur le Curé zoo roerend als krachtig gezegd: “Mais moi je vous dis: Aimez vos ennemis; bénissez ceux qui vous maudissent; faites du bien á ceux qui vous haïssent, et priez pour ceux qui vous outragent et persécutent!” En nu, geen somberheid meer; nog veertien dagen maar, en dan is het de heerlijke dag, dat de villa Toulemaire één enkel feestbouquet zal zijn, en dat de armen van ’t vreedzame dorp het zilveren bruidspaar zullen zegenen voor de milde giften, die het voor hen heeft weggelegd.


Veertien dagen later was het een prachtige zomerdag.

Aan den voorgevel der villa Toulemaire stak men de groote vlag uit. Geen wonder, ’t zilveren trouwfeest wordt gevierd.

Maar hoe! is het de grijze bruidegom zelf, die de driekleur ter viering van het feest langs den fraai met sierplanten begroeiden gevel zal doen wapperen?—Ja, maar doodsbleek is zijn gelaat; zijn tanden klemmen soms knarsende opeen.

“Stil! Ik wil het Eugénie, ik wil het! Laat los! weerhoud me niet.”

“Maar Pierre.... ik bid, ik smeek je, goede trouwe man!”

“Vervloekt! zij zullen ’t weten dat ik het een laagheid zou achten. Een verraad! te gehoorzamen aan ’s vijands bevel.—Laat los!—Zoo! Daar waait ze, de vlag!”

“Maar Pierre! In ’s hemelsnaam denk aan onze kinderen. Denk aan Blanche en Virginie. Mijn God. wie zal ze beschermen tegen de woede dier barbaren, indien....?”

“Beschermen!? God zal ze beschermen Eugénie, de God die ons vijf en twintig jaar te zamen spaarde en zegende. God zeg ik, door mijn arm.”

“Pierre, och lieve Pierre! weersta die woestaards niet. Je hebt het gelezen dat alle tegenstand der bevolking vreeselijk zal gestraft worden.—O God, welk een feestdag!”

Pierre antwoordde niet, maar zijn oog sprak het bevel dat de Fransche vlag daar zou blijven, om den vijand te toonen dat Pierre Toulemaire geen lâche en geen traître was.

Ja, dat zal hij toonen. Zie maar: in zijn keurig schrijfvertrek gekomen, neemt hij uit de geheime lade zijner secretaire, een paar kleine revolvers; laadt ze en verbergt ze zorgvuldig in zijn kleeding. Ha, nietwaar, men zal toch vreugdeschoten lossen op een zilveren bruiloftsfeest!

En de zilveren bruid, als zij straks weer beneden komt, dan bekruipt haar opnieuw en sterker de angst dat die breede helderkleurige vlag, dat gedenkstuk van zoovele blijde dagen, haar en haar geliefden ten verderve zal worden. Zij wil....

Maar groote God, wat weerhoudt haar om reeds aanstonds haar plan te volvoeren? Ziet ze goed? Is dat Gaspard, Blanches beminde, zoo bleek, zoo deerlijk gehavend?—Hoe! is het waar ’t geen hij snakkend naar adem met snijdend geluid en slechts ten deele verstaanbaar uitbrengt?

In weerwil van de Duitsche proclamaties tegen ’t verzet der Fransche burgers, en ’t geen nog daarenboven in dien geest door den “flauwhartigen” dorpsmaire was aangeplakt, waren hij—Gaspard en Antoine, Virginie’s aanstaande,—met nog twee vrienden, benevens een schaapherder en nog drie jonge boeren, allen met buksen gewapend, naar den Steenenburg gegaan om van daar—schier aan alle kanten gedekt en met het steil uitgehouwen rotspad in den rug—naar de zij der chaussée te kunnen vuren, indien de vijand het dorp durfde naderen.

Gaspard heeft bijna niet verder kunnen spreken. Het roekelooze maar toch vaderlandslievende waagstuk is den uitvoerders duur, ontzettend duur te staan gekomen.

“Ga niet naar den Steenenburg, nooit nooit meer,” heeft Gaspard in ’t eind half waanzinnig gestameld: “Nauwelijks was er een schot gelost of drie der onzen sloegen reeds neer, en stortten langs de smalle rotstrap naar beneden. En de anderen....? O God, hier ben ik om te zeggen wat hun lot werd of worden zal. Ga nooit meer naar den Steenenburg! De takken zijn er niet hoog, neen, maar toch ... O, ga er nooit meer heen, in Gods naam, nooit!”

Blanche klemt zich aan den roekeloozen dierbare vast, en smeekt hem dat hij haar niet meer verlaten zal.

“En Antoine....?” krijt een andere vrouwenstem.

Uit de verte klinkt trompetgeschetter. Langs de breede chaussée trekt een deel van het zegevierend leger naar het dorp in kwartier. De grond dreunt van ’t steeds naderkomende heir; ’t gerommel van de raderen der kanonnen, de hoefklank der paarden, het kettinggerammel der amunitie-wagens, vermengd met het luid gezang der overwinnaars, ’t weergalmt als een onweer van verre.... en straks in het oor der bleeke dorpers, als het vreugdgeschrei eener helsche macht, of het brullen van wild gedierte ter vernieling gereed. Een kleine voorhoede is reeds van achter het beukenhout in de vallei voor de bewoners der villa zichtbaar geworden.

“O Jésus Marie!” gilt weer de stem, die straks naar den geliefde vroeg, maar geen antwoord bekwam. Nu behoeft ze dat antwoord niet meer. Staart ze in een vuurpoel waarin haar schat ligt? Ziet ze een toekomst van geluk plotseling geheel verdonkerd? Ze weet niet wat ze ziet.... Ja toch: Aan deze zij van de bonte krijgsgroep treedt hij, Antoine, blootshoofds met verwilderde haren naast een te paard gezeten “duivel” voort. Zijn bovenkleeren schijnen hem in een fellen strijd van ’t lijf gescheurd. De beide handen heeft men hem vast op den rug gebonden, en met het paard moet hij gelijken tred houden, want, om den ontblooten hals heeft men, o God van liefde, een touwstrik gelegd!

Virginie Toulemaire kent zich zelve niet meer.

In wanhoop vliegt ze voort naar beneden. Zij zal die wreedaards dreigen, smeeken.... Maar, hoor, nog eer ze beneden kwam, knalde er reeds van achter een klein bosschage bij den landweg een schot, en weder, en nogmaals, tot twaalf malen achtereen.

Was hij krankzinnig geworden, de brave beweldadigde van het tweede Keizerrijk?

Heeft hij zóó met zijn revolvers de overwinning der Pruisen willen verkleinen? Heeft dan de grijze Toulemaire—achter die heestergroep verscholen—niet bespeurd dat het leven van jongeren, die toch niet roekeloozer waren dan hij, reeds aan een zijden draad hangt en besefte hij niet dat door zijn hernieuwd vergrijp, dat leven reddeloos moet verloren zijn!

Een der huzaren is neergestort.

Donnerwetter! Verfluchter Franzoos!” Ha! in ’t open veld, op leven en dood een kamp te wagen, dat wil de eerlijke Duitscher, maar tegen ’t verraad...! Daar klinken twee, drie karabijnschoten. De oude man zinkt bewusteloos neer.

De huzaar, die Antoine bij het moorddadige koord vasthield, heeft zijn plicht gedaan. Daar lag hij “der alte schwartzhosige Turco!”

Maar zie, op ’t oogenblik dat de huzaar den dood van zijn nevenman wreekte, heeft hij het touw, waarmee hij Antoine regeert te luttel vastgehouden, en, met een ruk, die hem schier de oogen uit de kassen wrong, is de ter dood verwezen jonkman in vrijheid!

Terwijl de verraste huzaar, verwoed, ijlings uit den zadel springt, knetteren weer karabijnschoten.

Men had niet slechts den vluchtenden Franzoos, neen, men had ook de vlag van den Erbfeind gezien. Alsof er geen Sieg en Proclamaties bestonden, zag men daar voor het hooge dakvenster een bejaarde dame door anderen geholpen, nog juist de laatste hand slaan aan het tergend werk om met het uitsteken dier verwenschte driekleur den overwinnaar te bespotten.

Men bedroog zich. De vlag, die straks achter het geboomte was verscholen, heeft men niet eerder kunnen zien, en het inhalen er van zag men nu voor een tergend uitsteken aan.

Joseph, de huisknecht, wankelt op den zolder achteruit, en slaakt een kreet van ontzetting. Zijn brave meesteres, die niet rustte aleer zij, ondanks Pierre’s verbod, de vlag zou hebben ingehaald, mevrouw Toulemaire sloeg de hand op de borst, werd zoo wit als het wit der driekleur, en zonk door een kogel getroffen ineen. Blanche staat als verlamd. Gaspard, nog ontdaan van ’t geen hem weervoer, en ’t geen hij zag, vangt nabij het zolderraam gekomen de waardige vrouw in zijn armen op.—Maar, een tweede kogel vliegt het dakvenster binnen.—Buiten wordt een luid Hurrah! vernomen. Ze hadden hem daarboven herkend den “sluipmoordenaar”, dien men losliet om aan ’t dorp te boodschappen wat het lot van “struikroovers” werd.—Hoe! durfde hij nog van boven hen bespotten: Hurrah! die Zündnadelspitze ging hem dwars door de hersenpan heen!

Vorwärts! Marsch! Is die villa hier een rooversnest, een moordenaarshol! Vorwärts! Den brand er in! Al het bandietentuig gestraft ten exempel. Vorwärts! Hurrah!

Intusschen is Antoine Berrier, aan den huzaar en het vreeselijke koord ontkomen, ijlings langs het struikgewas, waarachter de oude man zich straks heeft verschanst, de buitenplaats ingerend. Geen andere drijfveer dan zelfbehoud jaagt hem voort. Doch nu, wat is het dat hem den weg verspert? Een jonge vrouw ligt daar gebogen over het lichaam van.... O God! den edelen Toulemaire!

“Virginie! mijn engel!” roept de vluchteling nu hij mede zijn dierbare herkent.

Het meisje ziet op; doet een poging om te spreken, doch haar tanden klemmen opeen; haar oogen draaien onbestemd; een zachte kreet ontsnapt aan haar doodsbleeke lippen, en nevens het lijk.... zoo meent ze, van haar dierbaren vader zinkt ze machteloos neer.

Een rassche wending op de hem wel bekende slingerpaden bezijden de villa, had Antoine zooeven aan ’t oog van zijn vervolger ontrukt. Vluchtig omziende neemt hij nu zijn dierbare in den trillenden arm, en voelt met de andere hand of inderdaad het hart van dien braven oude niet meer slaat. Maar neen, hij is niet dood, de edele Toulemaire.

“Virginie hij leeft! Moed, moed!” roept Antoine op gedempten toon.

Zij heeft het gehoord, maar ze kan.... neen.... ja, ja toch, ’t is eensklaps alsof er een nevel optrekt, alsof er een zonlicht doorbreekt. Zij opent de oogen; drukt de hand op den boezem, en, nadat een huivering haar trillen deed, komt ze langzaam overeind. De hoop om dien lieven vader te behouden, schenkt haar schier bovenaardsche krachten. Langs een dicht begroeid zijpad, dragen Antoine en Virginie den zieltogenden man naar de villa. Door de achterdeur zullen ze er binnengaan, en, om de arme moeder den eersten schrik te besparen, zullen ze hem brengen in de kleine kamer, die vooral in den laatsten tijd als het heiligdom der “bloemen van Monsieur Toulemaire” werd beschouwd, ja, ja, omdat men wel wist dat ze er iets werkten en bewaarden voor den heerlijken feestdag.

Maar hoor, wat gillend angstgeschrei vervult het vriendelijk lusthuis? Een “waanzinnige furie” vliegt de breede vestibule door en naar buiten:

“Beulen!” gilt ze: “Beulen!” en altijd weder datzelfde, dat tergende: “Beulen!”—’t Is Blanche. O God, ze weet niet wat ze doet; ze weet niet dat zij zich uit de armen van een paar trouwe dienstboden met geweld heeft losgerukt; en dat haar kleeren er door gescheurd, en haar haren zijn losgegaan. Ze weet niet welk ijzeren voorwerp ze greep om er den dood mee te wreken van.... O Heere Jezus! hoe kan ze de namen noemen van een engelachtige moeder; van een innig innig geliefde! “Beulen! Moordenaars!” gilt en grijnst nu de teedere maagd, die nog slechts van het vreeselijk tooneel op den zolder getuige was, en vliegt langs de prachtige bloemperken een viertal huzaren te gemoet die haastig naderen, met den hun opgedragen last om dit nest uit te roeien met al het “schurftgebroed” dat zich er in bevindt.

Nu houden ze stand. Donnerwetter, tegenover zulk een vijand staan ze niet dikwijls. Prachtvolles Mädchen! Ha!

De ruwe scherts van een dier krijgers hoort Blanche niet. Doch nu, nu voelt ze een hand op haar schouder, en op luchtigen toon de vraag: of Mamsell die Herren komt einladen in Paris den Cancan zu tanzen?

Maar zij—ze hoort niet wat ze zeggen:

“Beulen! Beulen!” krijt ze opnieuw, en....

Men had het zoo niet verwacht. Dat schoone Fransche kind is een ware tijgerin! Met een kleine zaag, het eerste voorwerp, ’t welk haar straks op den zolder in ’t oog viel, merkt ze den driesten spreker op vreeselijke wijze het aangezicht.

De scherts maakt plaats voor een hevigen toorn. Ze hebben wel harten die mannen, en Karl Wunder zou zelfs in gewone dagen een schoone vrouw niet zuur kunnen aanzien, laat staan haar leed doen—maar nu, als ze zóó op z’n Turco’s beginnen...!

Een ruwe uitval en een forsche greep naar de teedere hand, die tot een vernieuwden aanval het vreemde wapen verhief, doen Blanche plotseling geheel en al verlammen. Een doodelijk wit vervangt haar hoogroode kleur. Dikke zweetdroppels glijden langs haar blanke blauwgemarmerde slapen en gitzwarte lokken naar beneden. Een hevig zenuwtoeval schokt haar slanke leden.

Men werpt haar naast het bloemperk in ’t gras neer.

Is men hardvochtig! Wie kan het helpen, als God het zoo wil(!) “Vorwärts!

En de Duitscher, het felst gebeten op hen, die na een heeten strijd den overwinnaar nog het zoet van de zege en het genot eener korte ruste benemen durft, kent op hoog bevel geen genade:

“Voort meiden en knechten van dit weerspannig nest. Heraus! Donnerwetter, heraus!!

Ha! dat is een poltron! Wat schreit en klaagt en bidt die gegalonneerde Franzoos, terwijl hij op de knieën gevallen angstig met de hand naar dat kleine vertrek wijst.... Was will er? Nun!? Geen genade!—Maar nochtans, aleer ze onverbiddelijk hun werk gaan beginnen, toeven de Duitsche krijgers een oogenblik.

Daar op den dorpel van dat kleine vertrek staat: “de sluipmoordenaar”, die zooeven ontsnapte aan het koord waarmee men hem—wat nader bij het dorp dan zijne kameraden—ten afschrik van alle “valschaards” heeft willen straffen. Daar staat hij. Vlammen vuurs schieten er uit zijn oogen, maar toch, evenals de livreiknecht, die ginds steeds handenwringend op de knieën ligt, klinkt zijn stem schier schreiend, terwijl hij als in vertwijfeling bidt dat men genadig zal zijn, want: dat ze daar sterven in dat kamertje, die nu vijf en twintig jaren vereenigde echtgenooten, het zilveren bruidspaar!

De Duitschers verstaan hem niet. Doch, wát hij ook smeeken moge, er is geen genade voor de burgers die zich verzetten.

Helaas! het zal Antoine niet meer baten of hij smeekt en klaagt en dreigt en vloekt, en tandenknarsend zich verweert, terwijl hij—nu men hem terdege bindt—tevens gedurig met wanhopigen blik naar zijn engel, zijn dierbare Virginie blijft omzien.

En zij! O God, kan ze hier in deze kamer werkeloos blijven!

De hand van den stervenden vader laat ze ijlings los, en even als Blanche straks daarbuiten, vliegt ze op die wreedaards toe om hun den dierbaren buit te betwisten.

Maar neen, er is geen God meer! de menschen zijn duivels, verscheurende dieren! Durven zelfs die Duitsche klauwen haar tengere leest zoo ruw en schaamteloos omvatten!

Durven!—Gott im Himmel! Krabt die Fransche furie niet met haar spitse nagels het vleesch van Heinrichs aangezicht! Slaat ze die nagels niet in Friedrichs oog!—Ja, laat hij maar vloeken en tieren der verdammte Franzoos. Voort met het Eugénieënbrut! Smijt het razende dier in den kelder, of buiten, bij nummer eins!

Friedrich trilt van woede. Zijn linkeroog brandt in de oogkas.—Nog één ruk, en hij sleurt de teedere jonkvrouw die zulk een furie werd, van zich af; zij smakt met het hoofd tegen den muur der vestibule.

Antoine, ofschoon vastgebonden, kent zich zelven niet meer:

“Satan de l’enfer!” gilt hij wanhopend, op ’t zien van den vreeselijken gruwel aan zijn liefste gepleegd.—Onmachtig om zich los te wringen, ten einde dat dierbare kind—de schoone bloem van het dal—ter hulp te snellen, grijnst hij als in razernij; en, zich vluchtig verheffende, bijt hij den armen Heinrich—die toch zijn plicht deed—zoo hevig in het aangezicht, dat deze een rauwen kreet slaakt, maar ook op hetzelfde tijdstip den kolf van zijn karabijn verheffende, den armen Antoine daarmee een zoo hevigen slag op den schedel toebrengt dat hij zieltogend neerstort, terwijl zijn vergruisde hersens rondspatten in de marmeren vestibule.


Begint zij walging te baren de schets? Wordt zij kwetsend voor het gevoel?

Maar groote hemel zijn we dan niet gestikt in den stroom van menschenbloed, waarin we reeds zoovele maanden, en tegen wil en dank, werden gedompeld!

Doch gewis, indien wij zelf die vreeselijke tooneelen hadden aanschouwd, indien wij zelf een gewaarwording hadden opgedaan als die wanneer de spitse degen of de scherp gewette bajonet, na een krachtigen stoot, zoo week door het lillend ingewand van den ons vreemden evenmensch glijdt; wanneer wij het zelf hadden gezien hoe het bloed, de straks nog gloeiende wang van ons slachtoffer ontvluchtende, uit den opgescheurden strot naar buiten perst, terwijl het ons lauw in het aangezicht spat. Wanneer de brekende oogen onzer verslagenen ons maar levendig voor den geest stonden, de blauwe oogen vooral van dien blonden jonkman met den wijd opgesperden mond, waaraan nog met een pijnlijken zucht den naam eener dierbare ontsnapt; of die van den forschen krijger, akelig puilende uit de kassen, terwijl zijn laatste woord een vervloeking was van zijn moordenaar!

Ja, groote God, indien wij die vreeselijke werkelijkheid hadden getast en aanschouwd....

Ei! sla den blik op het zegevierend leger terwijl het de groote hoofdstad binnentrekt, op die krijgers, overladen met roem en eer. Bloemen en bouquetten worden hun toegeworpen. Jubelend keeren ze in ’t vaderland terug. Wilhelm draagt er roem op dat hij, hij alleen, dertien Franschen voor zijn lood of kolf zag neerzinken; en Dominique, zoo pas uit de gevangenschap ontslagen, brengt toch de glorie mee naar het arme Frankrijk, dat hij met dezen zelfden sabel, een damné colonel Prussien naar de andere wereld zond.

Moesten wij ’t zelf niet vernemen uit den mond van een jong en zeer beschaafd strijder, dat hij—neen! op dit oogenblik, geen zweem van medelijden heeft gevoeld bij ’t neerschieten van een paar roodbroeken, maar dat het hem goeddeed ze te zien bijten in ’t zand.

Een jachtgenot wordt de oorlog, geprikkeld door ’t levensgevaar.

O mijn God, indien de krijg zelfs uw edelste menschenkinderen tot furies en duivelen maakt, wie zal hem dan géén vervloeking noemen?—Dronken zijn ze die juichen bij ’t vergoten bloed van hun naaste, dronken! krankzinnig!

Ha! daar nadert een breede schaar. Twee banieren heft ze omhoog. Die van ’t Roode Kruis en den Vredebond.

’t Licht moet schijnen in de duisternis. Liefde wordt gesteld tegenover Volkenhaat.

Beschaving tegenover Barbarisme.

Vrede op aarde!

Helaas! gij breede schare, er zullen nog eeuwen voorbijgaan eer ge uw taak hebt volbracht.

Eeuwen, eer de hoofden der volken geen opperste krijgslieden, maar de eerste burgers van den Staat zullen zijn.

Eeuwen, eer men het mes in des vleeschhouwers scheede minder verachten zal dan den degen, toch slechts gesmeed met het doel om te vlijmen door eens menschen ingewand.

Doch schep moed, de dag zal komen! Gij legt de grondslagen tot het gebouw eener schoonere toekomst.

Uw leger, saamgevloeid uit de edelste krachten der menschheid, zal steeds grooter worden. Uw wapenen zullen de wapenen der beschaving zijn: Onderwijs! Volksontwikkeling! Verzet tegen de zonden der naties, en tegen het meest algemeene der menschheid onteerende dwaalbegrippen.

Laat uw licht schijnen, en keer u ’t allereerst tegen dien leugen: dat de oorlog een noodzakelijk kwaad.... of zelfs een heilzaam goed is!

Ja, zoo beweert men: Even noodzakelijk als de stormen en onweders in de natuur, even zoo noodzakelijk zijn het de oorlogen in ’t belang der volken.

“Nietwaar, dat is zoo begrijpelijk: Evenals twee wolken, zoo stooten twee volken tegen elkaar. De bliksem is ’t oorlogsvuur, de donder het krijgsgeknal. Daarna, de gezuiverde lucht!—O, ongetwijfeld slaan die vreeselijke wereldstormen diepe wonden, maar er is een God van liefde, die ’t alles bestuurt, en zonder Zijn wil....”

“Neen, natuurlijk, natuurlijk! Ongelukkig de mensch, die dat een oogenblik zou kunnen vergeten.”

Een God van liefde!?

Blanche en Virginie Toulemaire, vergaten het een oogenblik, en zelfs die oude waardige zilveren bruid, ze vergat het in de laatste ure van haar leven!

Vermoorden van Pantin! beklaagt u niet.

Monster Traupmann, leg uw hoofd met gerustheid op het blok. Immers alles wat er op de wereld geschiedt, het geschiedt met den wil van God.

En welzeker, de God van liefde neemt ook het dankoffer genadig aan van de zeer geleerde heeren, die de resultaten hunner hersengymnastiek aan de wereld konden toonen; van de uitvinders dier onsterfelijke mitrailleuses Montigny, Marklerberg en Durand, waarvan de laatsten niet door kruit maar door stoom gedreven, 3600 kogels per minuut werpen, terwijl ze dooden op 400 meters afstand. God neemt het innige dankoffer genadig aan van Zijn rijk begaafd menschenkind, den uitvinder dier granaten, waarvan er één voldoende is om duizend van zijn andere menschenkinderen te gelijk te vernietigen; van den heer Gaudin, die de aarde met zijn uit luchtballons te werpen brandgranaten ten zegen werd.

En dan, mochten zij hun tijdelijke welvaart niet met blijdschap zien toenemen, en leeren zij hun lieve kleinen daarvoor niet innig dankbaar de handjes ten hemel heffen, de papa’s die met hun satans-raketten, grieksch vuur, springmijnen en stinkbommen, de wereld en.... misschien ook wel het Opperwezen zoozeer aan zich verplichtten!


Zal men zich in duistere vraagstukken verdiepen? Neen! maar al zonden ook duizend dierbare oorkonden en tienduizend achtenswaardige leeraars ’t ons vermelden: dat er niets, niets geschiedt zonder Gods heiligen wil, wij achten het een leugen, een verderfelijke leugen: dat zonde en ongerechtigheid en inhumaniteit, ofschoon ze een plaats hebben in het grootsche wereldplan, de uitvloeisels van Gods wil zouden zijn.

Is het Gods wil dat een zoon, zijn trouwe moeder, die hem vermaant, in koelen bloede een mes door het hart jaagt....? Neen, zeg nu maar NEEN. Dát toch wil God niet.

Niet dóór en met het onreine en onedele, neen, door den strijd er tegen klimt het menschelijk geslacht al hooger en hooger.

Die strijd, dát is de strijd die er zijn moet op aarde; de gymnastiek voor den geest ter bereiking van zijn hoogere bestemming, of wilt ge, ter bevordering eener trapswijze ontwikkeling van het menschelijk geslacht.

Oorlog is liefdeloosheid. Liefdeloosheid is zonde. God wil de zonde niet.

Niet? En waarom schiep dan Zijn Almacht geen zondelooze wereld? Van den grooten Schepper ging toch óók het denkbeeld zonde uit Hij gaf er plaats aan op deze aarde!?

Alzoo wil God dat de mensch zal omkomen van kou omdat hij den winter zulke scherpe pijlen gaf; dat hij verbranden zal omdat het vuur hem niet spaart wanneer hij zich aan de woedende vlammen waagt?

Alzoo wil God dat de mensch zal honger lijden omdat Hij den honger schiep!?

Neen, God wil de zonde niet. Hij kan niets willen wat in strijd is met het rein-menschelijke.

Het rein-menschelijke!

En tóch: een onderling vernielen en vermoorden!

En toch: de oorlog een noodzakelijk kwaad!?

Met verblinding zijn ze geslagen de vorsten, die volgens de oude sleur hun volken ter slachtbank voeren, met den roep dat het hun ten zegen zal zijn.

En de oorsprong dier verblinding. Ziet: Ook uit het kwade—heerlijk scheppingsplan!—ontstaat nog het goede.

Naar dat goede, ’t welk de oorlog ondanks zich zelven bewerkt, zoekt en tast men met gretige oogen en handen; en, hoe gering ook, het moet luide verkondigd, breed uitgemeten en grootsch genoemd worden. Zonder die som zou men z’n eigen vonnis vellen. Noodlottig zelfbedrog!

Wat de oorlogen in ’t eind nog goeds bewerken:

Het staat in geen evenredigheid tot de som hunner jammeren.

En tevens:

Zonder oorlogen zullen de volken, met den waarachtigen strijd op aarde, zelfs in ruimere mate, en bovendien veel eerder dat goede verwerven.

Aanschouwt de vruchten van het bloedbad ’t welk nu weder werd aangericht:

Er is een haat geboren, die nog het nageslacht zal prikkelen tot wraak.

Ziet, daar treden ze voorwaarts, jammerende en in rouwgewaad, de weduwen en weezen dier in dolle woede geslachte krijgers.

Daar gaan ze, de eertijds zoo vroolijk blozende maagden, nu verbleekt en met roodgeschreide oogen, de liefhebbende warme zielen voor wie de teedere naam van vrouw of moeder nooit klinken zal.

Daar zijn ze de tienduizenden, ongelukkig verminkte wezens, mannen zonder handen of armen en beenen, mannen die gedoemd zijn om hun leven in een beuzelachtig nietsdoen te slijten, en te pralen met de wreedheden die ze bedreven, of den haat levendig te houden tegen dien “erfvijand van hun volk”.

Arme verminkte mannen! Is het hun schuld dat ze vergeten dat die erfvijand hun naaste, en dat de haat een roest is die ’t hart verteert?”

Zie ze die legioenen krijgers: Eertijds—hoe velen hunner erkennen het nog met trots—eertijds konden ze geen mugje leed doen, eertijds! Maar nu: Valt aan! Houwt en sabelt neer wat uw vijand heet, ’t zij oud of jong, man of vrouw, kind of grijsaard; slaat ze dood die u in den weg staan. Zie ze plassen in ’t menschenbloed, geen dieren- maar MENSCHENbloed!—Eertijds, nu ja, maar thans: de Keizer, de Koning, het Vaderland roept. Nu.... voorwaarts! Een nieuw bloedblad: nieuwe lauweren!

En ginder—zie, zij zoekt zich te verbergen die breede schaar van huichelaars, gekweekt in de school van den oorlog. Met de hel in het hart, hebben zich die ruggen gekromd. Stil! in de harten van sommigen hunner, wekte wraak of zelfbehoud zelfs den sluipmoordenaar op.

En nu, sla den blinddoek weg; zie de waarheid—al zij het ook een naakte waarheid—onverbloemd in het aangezicht:

Daar gaan ze de ongelukkigen, die bezweken in hun zedelijken strijd te midden van dien zelfmoord der menschheid.

Daar gaan ze, de gieren van ’t slagveld, de dieven der gelegenheid. Daar zijn ze, de ontuchtigen en dierlijken door onthouding. En dan, helaas! de arme vrouwen die de ongeborenen verwenschen in haar schoot, omdat de woestaards, die—óf haar trouw als echtgenoot verlamden, óf schaamteloos haar maagden-eer roofden—duivels waren; ze zullen dat kroost verachten en het den ongekenden vader leeren vloeken. Arme moeders!

Schatten van Kunst en Wetenschap vernield! Stilstand van alle werken tot heil der menschheid!

Vernieling van duizenden menschenlevens!

Verkrachting van de wetten der hoogste liefde en waarachtige humaniteit!

Ziedaar dan de vruchten van den oorlog.


Halt! Nu klinkt er een andere stem:

“Kortzichtige, kunt ge niet verder zien dan de spanne tijds van een menschenleven? Wat zijn al die jammeren, vergeleken bij de weldaad aan een volk bewezen, wanneer men het wakker schudt uit zijn vadsigen dommel, en tot zijn zedelijk bewustzijn ontwaken doet!”


Alzoo, al die jammeren, en al die ellenden—heugenis voor honderden jaren—ze dienen om een volk—of de volken—te leeren.... Wat?

Iets ’t geen ze niet weten konden zonder een oorlog? Iets wat nergens elders gevonden werd? Of ’t geen niet langs andere wegen te bereiken was?

De oorlog van 1870 moest aan het Fransche volk dus leeren:

Dat een oneerlijk bewind het volk—vooral in oorlogstijd—noodlottig wordt.

Dat de Fransche natie over ’t algemeen slecht wordt onderwezen, en beter onderwijs alzoo hoog noodig is.

Dat een volk zich vrij moet ontwikkelen, niet geketend door de willekeur van een overmoedig bestuur.

Maar is het ernst!? Om dát te leeren, moesten daarvoor al die gruwelen geschieden; moeten daarvoor die wonden nog zoolang bloeden en inkankeren?

Of ook, moest dat helsche vuur worden ontstoken, om te voorkomen dat het eene volk het andere voortaan nogmaals zou kunnen bedreigen of beleedigen?

Maar als dat andere volk dan nu het ééne heeft geleerd zijn toon wat lager te stemmen, en het geknakt heeft en vernederd, dan kon dat wijzere volk op zijne beurt wel eens den toon wat hoog gaan stellen, en op zijne beurt gaan dreigen en beleedigen.

Mettertijd! Wie weet!

Maar hoort, men zegt weder: dat in oorlogstijden de edele gezindheden insgelijks meer op den voorgrond treden en ontwikkeld worden.

Ziet dien moed; die krachts-ontwikkeling; die warme vaderlandsliefde; die hulp en troost bij al den jammer.

De hulp en troost. Ja Goddank!

De warme vaderlandsliefde. O, dat zij spreke, altijd luid en krachtig, die liefde voor het lieve vaderland. Maar—nooit krankzinnig.

De krachts-ontwikkeling. O dolle kracht! O vernieling!—De beste klachten verkracht!

Den moed!

Wat is moed?

Moed is de vastberadenheid die gevaren trotseert, en zelfs den dood veracht in ’t belang der menschheid of van ’t vaderland.

Gode zij dank. Zoo verstaat ook de edele krijgsman zijn roeping. Zou hij hunkeren om toch spoedig zijn moed te toonen door het vernietigen van menschenlevens, door een triumfantelijk omhoog heffen van het bebloede staal?—Overwinnen dát is zijn leus. Overwinnen of sterven. Maar neen, aan dat slachten en vernielen dááraan dacht hij niet toen hij als knaap den degen koos. Toen dacht hij—en misschien bij den zegen van den vrede nog zooveel te meer—aan verheffing in rang, aan eer en roem, maar ten koste van zooveel bloed en tranen, neen, dat heeft een menschelijk soldaat zich waarachtig nooit klaar voor oogen gespiegeld, noch ooit begeerd.

Vraagt het aan de edelen onder de strijders, of hun hart, in weerwil van alle doodsverachting, niet een oogenblik onrustig klopte bij het naderen van den stond, toen ze voor ’t eerst het bloed van geslachte menschen zouden zien. Ja, maar ze hebben dat aanstonds onderdrukt, want immers de overlevering zegt: wanneer de oorlog is verklaard, dan gelden de gewone aandoeningen niet meer, menschen zijn dan eigenlijk voorwerpen—sabel-, geweer- en kanonspijs, of wilt gij ’t liever, ze zijn de geroepenen op hooger bevel, de dienaars van vorst en Vaderland!—Al die fraaie gevoelens uit den lieven vredestijd komen niet meer in aanmerking. Geen weekheid, zwakheid of lafhartigheid!! A la guerre comme à la guerre!

En, toen het bloed maar stroomde, toen was de zwakheid—de liefde tot den naaste—verdwenen, toen ging het comme à la guerre.


Op een verderfelijken doolweg voert de onzalige stelling: dat oorlog een noodzakelijk kwaad is, al moge hij een noodwendig gevolg van zonde en slaafschheid zijn.

Een gruwel is hij, een den mensch onteerend, verdervend, gansch onnoodig kwaad.

Al het zoogenaamde goede dat een oorlog bewerkt, ’t is oneindig geringer dan het kwade, ’t welk hij sticht voor vele jaren.

Ja, ook uit het kwade komt nog het goede voort. Maar steeds in geringere mate. Wanneer men een prachtigen vruchtboom uitroeit, dan zal het gras weliger tieren dáár waar de boom voorheen zijn schaduw wierp. En, als dan in den herfst de kostbare vruchten niet meer geoogst worden, welzeker, dan moet men wel roemen in dat heerlijke groene gras!

Maar ziet dan, Frankrijk is toch wakker geschud. Zijn banden zijn verbroken. Met de leuze vrijheid en ontwikkeling gaat het een schoonere toekomst tegemoet!

Is het geen verblinding? Zal werkelijk het Fransche volk bij ’t eind van dit schrikkelijk bloedbad, een ander volk worden? Zullen zijn bewindslieden, onder welken titel zij ’t schip van staat ook zullen besturen, zullen ze—misschien minder zelfzuchtig dan hunne voorgangers (?)—nochtans de voetstappen van die voorgangers niet voor een groot deel moeten drukken, omdat zij rekening hebben te houden met het verleden? Kan een natie, die langzaam rijpen moet voor de vrijheid, plotseling worden vrij verklaard?

Als men den leiband, waaraan het kind langzaam vooruitscharrelt, plotseling loslaat, dan valt dat kind.

De band is verbroken!—Zal er geen nieuwe noodig worden?—Maar toch, Frankrijk heeft geleerd!

Ja in waarheid, maar wát het leerde, ’t zal niets meer zijn dan hoe het zijn krachten heeft in te spannen, om na jaren—misschien niet vele jaren—over de nu geledene schande een bloedige wraak te kunnen nemen.

Doch, zal men de vrucht van dezen krijg voor het zegevierende Pruisen vergeten! Ziet men dan, in weerwil van al zijn rouw: zijn heil, zijn Bondgenootschap met de Broeders van het Zuiden niet!

Maar zou dat Bondgenootschap inderdaad een vrucht van dezen oorlog mogen heeten! Neen, ’t is een vrucht van den gemeenschappelijken haat. Dat Bondgenootschap ontstond niet dóór, maar het bestond reeds lang vóór den oorlog.

En als nu de verwenschte vreemdeling door vereenigde krachten in zijn hoek is teruggejaagd, en de broeders straks weer rustig te huis zijn, dan—’t zou niet onmogelijk wezen—dán misschien zal het onderling krakeelen opnieuw een aanvang nemen, en.... Maar de tractaten?—Nu ja de tractaten!

En als de broeders niet gaan krakeelen, wie waarborgt ons dat ze te zamen niet overmoedig zullen worden, steeds hunkerende naar meer, totdat ze ten leste gaan inslapen op hunne lauweren.

En dan, dan komen die vreemden opnieuw, en rukken de lauweren weg onder die slapende hoofden.

’t Is reeds gezegd: Leer om leer!

Helaas! de stem zal zich weder verheffen, die ons van kortzichtigheid beschuldigt, en een glimp van waarheid weet te geven aan de traditie dat de oorlogen noodzakelijk waren, en nóg zijn voor volksontwikkeling en beschaving.

Ja, maar zij zal ’t vergeten dat schier alle groote werken ten nutte der menschheid kinderen des vredes waren.

Getuigt het allen, gij denkers van vroeger en later tijd, die de wereld met de uitkomsten uwer studies op zedelijk en stoffelijk gebied hebt verrast en zoo duur aan u verbonden.

Getuigt het allen, die zint op vooruitgang en volksbeschaving, dat de oorlog steeds uw felste vijand is geweest; getuigt en verbreidt het dat de zegeningen door dien vijand der menschheid aangebracht, ’t allereerst tegen haar gekeerd waren.—Ook uit het kwade kan nog het goede voortkomen. Gode zij dank!—Men zag ze, die inspanning van krachten om het luchtschip te stieren—door den nood gedrongen, doch ook ter vernieling. Misschien ten zegen voor de toekomst? Maar het luchtschip bestond. Een kind van den oorlog is het niet; neen. De mitrailleuses, de satans-raketten en stinkbommen—dàt zijn zijne welpen.

De oorlog is een kwaad, een volstrekt onnoodig kwaad.—Niets wezenlijk goeds kan er door den oorlog tot stand komen ’t geen niet langs den rein menschelijken weg zou zijn te verwerven geweest.

Was het dan in Europa tot heden een verborgenheid dat degelijk onderwijs een volk ten zegen is? Moesten duizenden moorddadige bommen en kogels verkondigen ’t geen één enkel helder hoofd, één enkel waarachtig vaderlandslievend hart ten goede had kunnen bewerken?

Zijn dan de oorlogen nu nog noodzakelijk ter verbroedering van de volken—indien ze het al vroeger moeten geweest zijn—nu, terwijl bergen noch zeeën de naties meer scheiden? Zijn er geen andere middelen inderdaad om de volken wakker te doen blijven, en hun kracht te bewaren of meer te ontwikkelen!

Een gruwel is de oorlog. Een toegeven op reusachtige schaal aan wraak en haat en veroveringszucht, onder het mom van vaderlandsliefde.

Waarachtige vaderlandsliefde is: Het werken met alle krachten aan de beschaving en ontwikkeling van zijn volk; maar ook: Het werken zelfs in den kleinsten kring met lust en noeste vlijt. Vaderlandsliefde is een ijverig voorwaarts streven door gepaste middelen, zonder dwaze verheffing boven zijn stand; een bevorderen en schragen van het te dikwijls verbroken maatschappelijk evenwicht. Vaderlandsliefde is het kweeken van een reinen onziekelijken Godsdienstzin; van humaniteit waaruit de waarachtige vrijheid wordt geboren, waardoor in ’t einde de vrede moet komen op aarde.

Vaderlandsliefde!

Maar als een wreede roover het dierbaar erf bedreigt; wanneer het ruw geweld met ijzeren vuist op deuren en vensters beukt?

Hoe! Zal men den woestaard dan met een ernstig vermaan tot rede kunnen brengen; zal hij het oor leenen aan die woorden van den edelsten onder de menschen, den grooten Jezus van Golgotha: Steekt het zwaard in de scheede. Hebt elkander lief. Bidt voor degenen die u haten!—en nog zoovele andere uitingen der reinste humaniteit, der warmste menschenliefde!?

Helaas! indien het ruw geweld u tot handelen dwingt, zoekt het met krachtige hand te beteugelen, en—wordt gij gedwongen zijn helsche wapens te kiezen.... God wil dat ge uw leven en dat uwer dierbaren zult beschermen. Maar wee wee den mensch door wien de ergernissen in de wereld komen!

Één enkel boosaardig hart behoeft slechts één enkele vuurvonk om een gansche stad te verwoesten. Doch wee, wee dat hart, na zijn ontwaken uit den helschen roes bij ’t aanschouwen van den jammer door hem aangericht.

Vaderlandsliefde!—Preekt het van de daken dat het geen waarborg is voor ’t geluk van een volk, wanneer zijn land al grooter en grooter, al machtiger en machtiger wordt.

Preekt het van de daken dat de kleine naties zoowel recht hebben van bestaan als de groote; dat zij veelal gelukkiger zijn, huiselijker van aard, en meer geadeld door den waren vrijheidszin.

Groot en klein, ’t zijn twee machtige factoren van het scheppingsplan. Ziet ze, de onmetelijke zonnen, en de kleinste planeten; de hemelhooge bergen, en de liefelijke heuvels; ziet ze, de cederen van den Libanon, en het fijngetakte plantje der hei; den olifant en het miscroscopisch insekt.

Vaderlandsliefde!—Verkondig het alomme, gij kleine natie, dierbaar Nederland, dat gij recht hebt van bestaan, gij bovenal!—Laat uw stem klinken, met verstandigen ernst, wijd en zijd, dat gij uw huis zult bewaken, en zonder inwendig krakeel, uw huis aan zee, wel wat vochtig, maar toch zoogoed!

Verkondig het, dat ge de bondgenoot wilt zijn voor alle werken des vredes, maar ook, dat ge bij overheersching de taak zoudt vervullen van het folterende geweten, telkens in opstand, en triumfeerende in ’t eind!

Zal het de stem wezen van een roepende in de woestijn, klein Nederland, indien gij luide verkondigt:

“De vorsten moeten de eerste Staatsburgers zijn.

“Een gewapende vrede is de eeuwigdurende oorlog. Algemeene ontwapening, dat is de waarborg des vredes.”

Wanneer men gereed is ten strijde—of het meent te wezen—dan trekt men het zwaard. Hoort! De gelegenheid maakt den dief, soms ook maakt de dief de gelegenheid. Maar de ontwapende dief? Misschien gaat hij werken en ziet hij af van inbraak en roof.

Klein Nederland, verhef uw stem; misschien kan het baten in ’t eind.

Immers men weet dat gij wel klein zijt, maar ook ’t geen men dapper pleegt te noemen; dat slechts een paniek in staat is om u voor een oogenblik u zelf te doen vergeten.

Vrij, dierbaar Nederland! roept het den volken toe:

“Slecht uw vestingen, uw arsenalen en tuighuizen; vernietigt uw heillooze wapenfabrieken, uw monster-geschutgieterijen. Dat alles knaagt aan uw eigen welvaart en dwingt een volk, ’t welk u de broederhand zou willen reiken, om zich evenals gij in ’t ijzeren pantser te steken: ’t pantser, knellende, drukkende, den vrijen bloedsomloop belemmerende, ’t hoofd verhitten de, drijvende den arm tot vernieling en broedermoord.

Maar vooral, klein Nederland, al wijst gij ook met krachtig en vinger op de misgeboorten van het genie, op stinkbommen en satansraketten, gedraag u verstandig en wijs, terwijl ge de vaan van den Vredebond hoog en met frissche kleuren doet wapperen door uw vrije lucht; wees wijs en verstandig, terwijl ge uw stem verheft opdat men u niet verdenke van lafheid, en u bespotte in ’t eind.

Wees wijs en verstandig; zeg niet dat ge uw heil van de naaste toekomst verwacht. Verkondig het luide: dat ge niet zult wanhopen indien er nog eeuwen moeten voorbijgaan eer de oorlog tot de barbaarschheden van een vroeger tijdvak zal worden gerekend; indien er nog eeuwen—ja zelfs vele eeuwen moeten verloopen, eer uw Vredebond waarachtig een algemeene onverbreekbare Vredebond zal zijn; eer de geschillen der volken alleen zullen beslist worden voor de hooge Internationale vierschaar van ’t kloek verstand en ’t onkreukbaarste recht!

Wees verstandig en wijs, want die tijd zal toch komen. Maar, bij den goeden strijd, dien gij strijden wilt, klein dierbaar Nederland, vergeet het niet om het woord van mond tot mond te doen gaan, dat de NOODZAKELIJKHEID VAN DEN OORLOG EEN DER MENSCHHEID EN GOD ONTEERENDE LEUGEN is.


Aan den avond van den dag dat de villa Toulemaire voor een groot deel in de asch werd gelegd, ontstond er in de dichtst daarbij gelegen woning, terwijl eenige hoofd-officieren van het zegevierend leger er bijeen waren, een hevig rumoer.

Van waar zij gekomen was, dat wist men niet, maar eensklaps was een jonge doodsbleeke vrouw met angstverwekkend gegil, uit een kelderdeur de donkere gang ingevlogen. Men heeft haar niet kunnen vatten aleer zij de deur van het vertrek had losgerukt waar de Duitsche strijders vertoefden, en aan niets dachten....? dan aan den roem, waarmee zij ’t Lieb Vaterland overlaadden.

Was het Blanche Toulemaire, zij, de eenig overgeblevene van het gelukkige zestal, ’t welk heden een zoo schoonen feestdag zou vieren?

Ja. Uit haar bedwelming ontwaakt is ze voortgeijld. Waarheen? Ze weet het niet. Vurige slangen joegen haar voort; slangen die zich om haar leden kronkelden, en den ademtocht belemmerden. Waar zij een ganschen dag heeft getoefd dat weet ze evenmin. Ze wist niet dat pachter Micauld, de naaste buurman van Toulemaire, haar heeft bemerkt en in zijn woning gebracht. Ze weet het niet hoe ze telkens knarsetandend is opgevlogen, terwijl ze gedurig, maar ook al doffer en doffer, haar woord van dien morgen herhaalde: “Beulen, moordenaars!”

In ’t eind, of ze geslapen heeft of wel dat nogmaals een zenuwtoeval haar neerwierp, ’t was donker om haar heen, zeer donker toen ze zich oprichtte, en rondstarende, zachtkens vroeg: Waar men haar lijk had neergelegd; want, dat ze een lijk was dat voelde ze wel.

Micauld de welgestelde pachter zat met zijn jonge vrouw aan ’t einde van den ruimen kelder. Jeanne was juist van boven gekomen; zij had de Herrschaften bediend. Micauld zou ’t besterven als hij het moest doen.

Goddank, men zag nu bij ’t schijnsel der kleine lamp, die de jonge boerin ontstak, dat de arme juffrouw Blanche wat kalmer ontwaakte.

Neen, lieve God, neen, zeker, een lijk was zij niet. Och zij moest maar kalm en niet al te neerslachtig wezen. ’t Heele dorp is immers ook wel in rouw en angst. Overal is ’t vol met arme verwonde soldaten.—Neen, hier boven den kelder in de groote voorkamer dáár zijn geen gewonden; eenige voorname officieren, die hier in kwartier liggen zijn er bijeen. Och, zoo kwaad zijn ze niet als men maar doet wat ze zeggen. Ze weten zich ook nog al te behelpen, want behalve een paar makkelijke stoelen, die de soldaten uit den brand wisten te redden, moeten zij ’t boerengerei maar voorlief nemen. Komaan, juffrouw Blanche moest nu maar weer wat zien te slapen. Ja ’t was wel verschrikkelijk.... en allerverschrikkelijkst, zeker; maar och, die goede oudeluidjes zou ze toch ééns hebben moeten verliezen nietwaar? en haar zuster, als ze misschien getrouwd de ouderlijke woning verlaten had, wie weet hoe weinig juffrouw Blanche haar dan had weergezien; en, wat haar vrijer betrof: Och ja, heeft madam Micauld al verder getroost, dat hij zich zoo bij den Steenenburg durfde wagen, dat was ook eigenlijk geen liefde; en dan, zij heeft het met Pierre Legros ondervonden, een half jaar na zijn dood—’t was anders zoo’n brave jongen—toen had ze Micauld haar woord al gegeven, en, wie is er beter dan hij!

Eensklaps met een vreeselijken gil is Blanche toen overeind gevlogen. Uit de armen van Micauld en Jeanne, die haar wilden terughouden, heeft ze zich losgerukt. De keldertrappen op, en de gang der hoeve is zij ingevlogen.

De wacht aan de deur schiet ijlings toe; doch de witte gedaante, die men in ’t donker zag, heeft de deur der groote hoeve-kamer reeds geopend.

Het licht der hanglampen en der bougies op flesschen verblindt haar de oogen.

Men heeft haar vastgegrepen. Zijn dat de slangen weer, die zich kronkelen om haar trillende leden?

“Wat wil die vrouw!” roept een der officieren. En dan, na een oogenblik stilte: “Laat haar los! Tegen weerlooze vrouwen vechten we niet.” Daarna op Blanche toetredende, herneemt hij in vloeiend Fransch, terwijl zijn krijgsmakkers het schoone maar doodsbleeke meisje met belangstelling gadeslaan:

“Ik geloof, juffrouw, dat een vergissing u in deze kamer bracht, ten minste....”

Maar de Huzaren-ritmeester gaat niet verder. Hij heeft een arme krankzinnige voor zich, dat bespeurt hij nu wel.

Bij het plotseling zien van zoovele vreemde officieren is Blanche onthutst een paar schreden teruggegaan, doch nu, terwijl ze weer stand houdt, staart ze hem aan met zulk een vreeselijke uitdrukking in haar tintelende blauwe oogen, dat hij onwillekeurig een oogenblik zwijgt zonder te weten hoe met het arme schepsel te handelen.

En Blanche. Hoor! ze fluistert op diep doordringenden toon:

“Wees niet bang; een lijk kan u geen kwaad doen. Kom mee als ge niet bang zijt, kom mee naar den Steenenburg; daar zullen ze mij met al de lijken begraven. Wacht maar, wacht! Allen wordt ge dan ook begraven, allen! nu of morgen. Maar bidt eerst voor de rust uwer zielen, want morgen zal het zijn, morgen zeker!”

Een doodelijke stilte heerschte er in het vertrek. ’t Was een treurige verschijning, die schoone waanzinnige met haar droeve profetie.

Aan slagvelden raakt men gewoon, maar zulke woorden, uit zulk een mond!

Een waardig Duitsch krijgsman met zilveren haren is nu mede opgestaan, en nadert het meisje om zoo spoedig mogelijk in haar eigen belang een eind aan dit tooneel te maken. Doch, op datzelfde oogenblik valt Blanches oog op den sierlijken voltaire dien hij verliet. Een rauwe kreet ontsnapt er aan haar hijgende borst. Zij snelt op den prachtigen zetel toe; zinkt op haar knieën er bij neer, en dan, terwijl haar hoofd machteloos neervalt op haar eigen kunstig borduurwerk voor het zilveren bruidsfeest vervaardigd, klinkt nogmaals hijgend en dof die snijdende aanklacht van haar trillende lippen:

Beulen! Moordenaars!


’t Is drie maanden later. De gure nachtwind jaagt een sneeuwkleed over het vreeselijk slagveld, ’t welk de grauwe dag zag aanrichten.

Er heerscht een volkomen duisternis. De angst- en smartkreten hier en ginder worden door den steeds feller opstekenden wind verstrooid en versmoord.

Rillend in zijn laatste worsteling met den dood, treft een paard met zijn killen hoef den fel gekorven schedel van een grijzen krijger, die op gruwelijke wijze door een woedenden Franschman werd neergeveld en verminkt, maar toch den laatsten strijd nog te strijden had.

O! waarom moest hij nog weder ontwaken in die ontzettende duisternis, met dien vreeselijk brandenden dorst, met die ontzettende pijnen, hier, aan het hoofd, en overal; onmachtig om zich te kunnen wenden, onmachtig om het verminkte been weg te rukken onder het lijk van een neergestorten vijand.—Waarom? Zal de sneeuw die hij opvangt in den wijdgeopenden mond hem nog verkwikken kunnen....! Zal hij nog kunnen denken aan zijne dierbaren....!

O God! zijn dit de smarten der hel!

“Help! Erbarming! Help!”

De nachtwind feller loeiende, spot met dien kreet.

“O Heere God!” kermt nog eens de grijze Duitscher, nadat hij een vergeefsche poging deed om zich op te richten van dat vreeselijke doodsleger.

Vruchteloos is elke poging; tevergeefs is alle uitzicht op hulp.—O Heere God, welk een eeuwigheid!

Maar straks is ook die laatste strijd gestreden, en de sneeuw ontdooit niet meer van de verstijfde lippen, met wier laatste smartkreten zich telkens de aanklacht eener schoone waanzinnige vermengde, het nooit vergeten:

Beulen, moordenaars!


In dien zelfden nacht gleed er in de hoogte over dat slagveld met al zijn jammer de tijding:

“Hevige strijd *** duizend man gesneuveld. Roemvolle overwinning. God zij dank!”

En de Leugen wierp zijn stem in den loeienden nachtstorm; en verbreidde dien dank, met grijnzenden schaterlach.

Maar als de storm in den uchtend bedaarde, en de zon koud en vuurrood opging over dat grillig golvende sneeuwkleed, met purper doorsijpeld, dan verborg zij haar gelaat, want ontzettend was de aanblik van dat met bloed bezoedelde lijkkleed, ’t welk den broedermoord bedekte, den moord van kinderen.... van eenzelfden Vader!