The Project Gutenberg eBook of De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945
Title: De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945
Author: Johan M. Snoek
Release date: November 20, 2005 [eBook #17139]
Most recently updated: September 22, 2025
Language: Dutch
DE NEDERLANDSE KERKEN EN DE JODEN
1940-1945
De protesten bij Seyss-Inquart
Hulp aan Joodse onderduikers
De motieven voor hulpverlening
door Ds. J.M. Snoek
UITGEVERSMAATSCHAPPIJ, J.H. KOK - KAMPEN
"Hoe groter de duisternis
des te helderder het licht,
ook al is het niet meer
dan dat van een kleine kaars"
Heinz Leuner
bewerkt door Gé J. Snoek (g.snoek3@chello.nl) oorspronkelijke pagina nrs staan tussen <xxx> foutnoten per hoofdstuk tussen [x.nn] zie eind zie ook het Engelse The Grey Book onder nr E14764
Inhoud
INLEIDING 11
DEEL I: DE PROTESTEN 17
1. DE NEDERLANDSE KERKEN TIJDENS DE JAREN DERTIG a. Sfeer en situatie 19 b. De zending onder de Joden 22 c. Over synodes en deputaatschappen 24 d. Het lidmaatschap van de NSB. 26 e. Reacties op het antisemitisme in Duitsland 29
2. HET BEGIN a. De situatie (mei - oktober 1940) 34 b. Het Convent van Kerken 35 c. De Lunterse Ring 38 d. Tweemaal concentratiekamp Buchenwald 40 e. Het eerste protest 43
3. VERSCHERPING a. De situatie (november 1940 - maart 1941) 50 b. Bijna te laat 51 c, Een brief en twee arrestaties: 54 d. Een synode in vergadering bijeen 57 e. Afkondiging in een kerkdienst 60
4. MATHEID a. De situatie (30 maart tot einddecember 1941) 63 b. Hervormde stemmen 65 c. Hervormd herderlijk schrijven 67 d. De Gereformeerde synode 68 e. Weinig activiteit 71
5. DE KATHOLIEKE KERK GAAT MEEDOEN - AUDIENTIE BIJ SEYSS-INQUART a. De situatie (eerste helft 1942) 73 b. De houding van de Katholieke Kerk 74 c. De RK in het Interkerkelijk Overleg (I.K.O.) 76 d. De audiëntie 78 e. De gevolgen 82 f. De bordjes "verboden voor Joden" 84
6. MASSA-DEPORTATIES; HET TELEGRAM a. De situatie (tweede halfjaar 1942) 88 b. Nog een synode-vergadering 89 c. Het telegram 90 d. Duitse reactie 91 e. Gebed, afkondiging van het protest 93 f. De kosten 96 g. Vergeefse pogingen 97
7. DE SCHERPSTE OPROEP, OOIT GEDAAN a. De situatie (januari tot begin mei 1943) 101 b. "Wie meewerkt is medeschuldig" 103 c. Niet in de Gereformeerde Kerken afgelezen 105 d. Nog een schep er bovenop 107 e. Resultaat? 109
8. STERILISATIE; DE, "Joden-GOD"; DE "GEMENGD GEHUWDEN" a. De situatie (begin mei - november 1943) 112 b. Mooi Nederlands, geschreven in het Duits 113 c. De Joden-God" en de "Joden-bijbel" 116 d. "Gemengd-gehuwde"Joden 118
9. DE Joden-CHRISTENEN a. Duitse beloften 121 b. Geen Gereformeerde "haastdoop" 122 c. Andere opvattingen 125 d. Schmidt en Rauter 128 e. Westerbork en daarna 130 f. Bep Blok 132
10. EEN VERBLUFFENDE CONCLUSIE 136
DEEL II: HULP AAN JOODSE ONDERDUIKERS
11. DE LO (LANDELIJKE ORGANISATIE VOOR HULP AAN ONDERDUIKERS) 143
12. DE NV EN HAAR KINDEREN 149
13. DRIE ERVARINGEN a. Ader 156 b. Dobschiner 157 c. Houwaart 159
14 WAAROM HIELP MEN Joden? a. Dominee, boer, dominee 161 b. Angst 166 c. Om zielen te redden? 167
DEEL III: NA DE OORLOG
15. VOETANGELS EN KLEMMEN 177
16. DE BEVRIJDING; EEN ENQUETE 182
17. GESCHIEDSCHRIJVERS ONDER VUUR 185
18. BEOORDELINGEN a. Over het redden van de Joden-christenen 193 b. Commentaar op de houding van de kerken in het algemeen 196
19. EEN KLEINE KAARS 200
INLEIDING
Dit boek heeft een voorgeschiedenis. Indertijd was ik (van 1958-1969) predikant van de Schotse kerk te Tiberias, Israël. Met inspanning had ik me de taal van het land, modern Hebreeuws (ook wel Ivriet genoemd), eigen gemaakt. Vaak werd ik door een kiboets uitgenodigd om op vrijdagavond (het begin van de sabbat) een lezing te houden. Op mijn inleiding placht er immer een levendige discussie te komen. In die tijd trok het toneelstuk van Rolf Hochhuth, der Stellvertreter ("de plaatsbekleder") sterk de aandacht: het stelde de houding van paus Pius XII ten opzichte van de Jodenvervolgingen tijdens de tweede wereldoorlog aan de orde. Hochhuth maakte de tongen los. Een Zwitserse predikant die toen in Israël woonde schreef: "Er was (ten tijde van de tweede wereldoorlog) een volledige en vreselijke stilte van de kant van de Kerk" (Jerusalem Post, 17 sept. 1963). Ook de toenmalige voorzitter van het Israëlische parlement, Kadish Luz, deed een soortgelijke uitspraak (zitting van het parlement, 21 april 1963). Nu kan men dergelijke uitspraken wel begrijpen, want in de loop der eeuwen hebben christenen niet zelden actief deelgenomen aan Jodenvervolgingen. Van daaruit bezien is het te begrijpen dat men meende: "Van de Kerken hadden we niets goeds te verwachten en kwam ook niets goeds tijdens Hitlers vervolgingen". Zo werd het ook telkens gesteld in de discussie na mijn lezing (over een heel ander onderwerp, toen nog) in een kiboets. Nu stond me helder voor de geest dat protesten tegen de Jodenvervolging wel degelijk geklonken hadden vanaf de kansel van de kerk in het dorp waar ik tijdens de tweede wereldoorlog woonde. Ze hadden toen grote indruk op me gemaakt. Die protesten ging ik opzoeken; dat was niet moeilijk, want het onvolprezen instituut Yad Vashem in Jeruzalem beschikt over de standaardwerken geschreven door Touw en Delleman.[0.1] Ook van de Lutherse Kerk in Denemarken vond ik een krachtig protest. Dit - samen met de belangrijkste Nederlandse protesten - heb ik toen gepubliceerd in een brochure "Hebben de Kerken gezwegen?", die verscheen in het Nederlands (1964) en in het Ivriet. De laatste ben ik gaan aanbieden aan de heer Kadish Luz die in een kiboets dichtbij Tiberias woonde.
<11>
Deze ontving me vriendelijk en beloofde de brochure te zullen lezen. Niet zo lang daarna is hij overleden. Ik heb geen reactie op mijn brochure meer van hem ontvangen, had daar ook niet uitdrukkelijk om gevraagd. Intussen was mijn belangstelling gewekt en bleef ik regelmatig naar Jeruzalem gaan om meer materiaal te zoeken. Wat ik daar en elders vond, was veel meer dan verwacht. Op Yad Vashem volgde men mijn project met belangstelling en niet zelden kreeg ik krachtige hulp. Zo bestonden er belangrijke protesten van de Bulgaarse (Oosters-Orthodoxe) metropoliet; ik ken geen Bulgaars, maar een bevriende relatie bij Yad Vashem vertaalde de documenten voor me in het Ivriet, waarna ik ze vertaalde in het Engels, want in die taal wilde ik publiceren. In die tijd werden we eens geconfronteerd met een wel zeer optimistische kijk op de houding van de Nederlanders: een gefortuneerde Amerikaan wilde in Israël een bos planten ter ere van het Nederlandse volk en deszelfs heldhaftige daden, verricht ten behoeve van de Joden. Bij Yad Vashem vroeg men mijn mening en dit heeft ertoe bijgedragen dat het plan niet doorging; het zou meer eer zijn geweest dan ons volk toekwam. Eind 1969 werd het resultaat van mijn onderzoek gepubliceerd: The Grey Book.[0.2] Het is niet meer verkrijgbaar, (zie Gutenberg eText nr 14764) maar een artikel van mijn hand over hetzelfde onderwerp is opgenomen in de Encyclopaedia Judaica. [0.3] Die is te vinden in bijna iedere grotere bibliotheek.
Nu, bijna twintig jaar later, ben ik ertoe gekomen om speciaal de houding van de Nederlandse Kerken nader te onderzoeken. Ook de Rooms-Katholieke Kerk is in dit onderzoek betrokken; toch ligt er een extra accent op de Gereformeerde Kerken in Nederland. Ten eerste omdat ik van die kerken lid ben en hun houding dus van binnenuit kan beoordelen; ten tweede omdat men zich dient te beperken. Zo heb ik bijvoorbeeld de besluitvorming zoals die in de Gereformeerde Kerken plaatsvond, nauwkeuriger nagegaan dan bij de Hervormde en de Rooms-Katholieke Kerk. En dan zijn de kleinere kerken nog niet eens genoemd. Er blijft nog heel wat te onderzoeken. De naam Seyss-Inquart - in de ondertitel - staat voor alles wat er van Duitse kant aan geweld en onderdrukking is bedreven tijdens de tweede wereldoorlog, met name jegens de Joden.
<12>
Terecht hebben de kerken, toen Seyss-Inquart de verantwoordelijkheid op een ondergeschikte wilde afschuiven, verklaard dat zij "Uwe Excellentie beschouwen als de verantwoordelijke voor alles wat in ons land gedurende de bezettingsjaren geschied is en nog geschiedt".
Het eerste gedeelte bevat de protesten, en de inhoud van herderlijke brieven, die betrekking hadden op de Jodenvervolging. Alleen en passant is genoemd het (blijven) toelaten van Joodse kinderen op christelijke scholen: soms ging het verzet tegen de Duitse maatregelen hier direct van kerken uit, soms liep het via de schoolbesturen. De hoofdstukken 2 tot en met 9 geven allereerst een beschrijving van de situatie in de periode die aan de orde is. Drie aspecten worden weergegeven. Allereerst het verloop van oorlog en bezetting. Voor of na de Duitse nederlaag bij Stalingrad, dat betekende nogal wat! Daarop volgt een aantal fragmenten uit een dagboek - van mijn zuster, Maria Snoek -, die bedoelen een indruk te geven van het dagelijks leven in die tijd. Er waren immers zoveel andere dingen die een mens in beslag namen. Deze fragmenten zijn steeds in inspringende, cursieve tekst weergegeven. Ten derde wordt, uiterst summier, een overzicht van de anti-Joodse maatregelen in de betreffende periode gegeven. Kennisname van de werken van Herzberg, Presser en L. de Jong [0.4] wordt verondersteld. Hier gaat het alleen om de herinnering: "toen gebeurde er dat". In het tweede gedeelte van dit boek gaat het niet meer om het woord van het protest, maar om de daad van de hulp aan onderduikers. In het derde gedeelte komen enkele punten aan de orde ten aanzien van de houding van de kerken - en de christenen - tijdens de tweede wereldoorlog, die nu volop in discussie zijn. Geschiedenis is immers (men durft de veelgehoorde uitspraak bijna niet meer te gebruiken) een discussie zonder einde.
Nu ben ik geen vakhistoricus en dat besef ik - al heb ik er uiteraard naar gestreefd het noodzakelijke "huiswerk" nauwgezet te verrichten. In zekere zin van de nood een deugd makend, waag ik het te doen wat een "professional" niet zou doen (maar juist "professionals" hebben me dit wel aangeraden): af en toe zal ik een persoonlijke ervaring uit die tijd vermelden. Allereerst in de hoop dat dit het geheel des te leesbaarder zal maken. Maar ook is het de bedoeling, de eigen betrokkenheid aan te geven, me in zekere zin in de kaart te laten kijken".
<13>
Geen mens kan volledig afstand nemen van het door hem te behandelen onderwerp; dat lijkt me ook niet nodig, zelfs niet gewenst. Maar wel is het nuttig om te proberen, de aard van de eigen betrokkenheid te onderkennen. Zonder enige zelfkennis in dit opzicht loopt men des te meer gevaar zich een karikatuurbeeld - in positieve dan wel negatieve zin - te vormen en dat door te geven. Terwijl het streven gericht dient te zijn op verheldering en een zo zuiver mogelijk weergeven van de feiten. Voor mij leidde de eigen betrokkenheid tot het inzicht: er was - in de houding van de kerken - misère, maar er was ook grandeur; er was grandeur, maar er was ook misère. Je mag het een niet wegstrepen tegen het ander. Omdat schrijver dezes in de oorlogsjaren pas goed de misère van de kerk ontdekte, heeft hij op het punt gestaan kerk en geloof vaarwel te zeggen. Maar het tijdens de kerkdienst voorlezen van de protesten tegen de Jodenvervolging was een factor die hem geholpen heeft, toch nog heil in de kerk te blijven zien, en te vinden.
Nog een paar praktische gegevens. De spelling van de documenten heb ik aangepast aan de tegenwoordige. Het noten-apparaat is met opzet beperkt gehouden: het dient bijna uitsluitend om aan te geven waar bepaalde gegevens vandaan kwamen. Wie daar niet in geïnteresseerd is, kan de noten ongelezen laten. De teksten van alle door de kerken gemeenschappelijk uitgevaardigde protesten zijn te vinden zowel bij Touw als bij Delleman, terwijl men de herderlijke brieven van de bisschoppen bij Stokman [0.5?] aantreft. Ik vond het daarom overbodig, de vindplaatsen nog eens via noten te vermelden. Bij auteurs van wie slechts uit één werk geciteerd wordt volsta ik - na de eerste maal in de noot zowel auteur als titel genoemd te hebben - met vermelding van auteursnaam en pagina. Van de Jong en Buskes is een enkele maal uit een tweede werk geciteerd en dit wordt dan in een noot vermeld; maar voor het overige betekent de Jong: L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (Populaire editie); Buskes betekent (tenzij anders vermeld): J.J. Buskes, Waar stond de Kerk?
<14>
Het was een voorrecht om bij het schrijven van dit boek hulp te ontvangen. Mijn waardering en dank gaan allereerst - in chronologische volgorde - uit naar prof. dr. J. van den Berg, kerkhistoricus te Leiden, en prof. dr. J.C.J. Blom, historicus te Amsterdam, die me met name bij de start waardevol advies gegeven hebben. Drs. J. Ridderbos Nic. zn. te Zwolle was zo vriendelijk het hele manuscript te willen lezen; drs. G.C. Hovingh te Biddinghuizen en drs. M.J.H.M. van Rooij te Utrecht lazen gedeelten. Hun suggesties heb ik bijna steeds ter harte genomen. Aan hen allen, maar in het bijzonder aan collega Ridderbos, ben ik veel dank verschuldigd. Het spreekt vanzelf dat de verantwoordelijkheid voor het eindresultaat op mij blijft rusten. Bovendien stel ik er prijs op, mijn dank en waardering te uiten jegens de instanties, die toestemming gaven tot raadpleging van de archieven (zie de lijst achterin). Sommige hebben daarenboven belangrijke hulp verleend door foto's te verstrekken. Met name wil ik hier noemen: de Commissie voor de Archieven van de Nederlandse Hervormde Kerk te Leidschendam, de Archiefdienst van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Leusden; het archief van het Aartsbisdom Utrecht; het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) te Amsterdam.
DEEL I: DE PROTESTEN
1. DE NEDERLANDSE KERKEN TIJDENS DE JAREN DERTIG
a. Sfeer en situatie
We hadden thuis een manufacturenzaak, in Renkum. "We", dat was mijn moeder - vader was al jaren geleden overleden - met haar drie kinderen: een dochter en twee zoons. Ik was de middelste. Het eerste uit die tijd om te memoreren waren de economische crisis en de werkeloosheid. In ons dorp hadden velen werk gevonden op de papierfabriek van Van Gelder. Honderden kregen ontslag en moesten gaan stempelen. De uitkering was gering, dus ook het aan kleding te besteden bedrag daalde. De omzet in onze zaak ging met sprongen achteruit. Menig winkelier ging failliet. Dat overkwam ons niet, maar zomer 1935 (ik was toen 15 en zojuist overgegaan naar de vierde klas van het Chr. Lyceum in Arnhem) werd besloten dat er niets anders op zat: ik moest van school af om thuis in de zaak te gaan meehelpen. We waren Gereformeerd: mijn moeder belijdend lid en de kinderen dooplid. Dus ging je 's zondags naar de kerk; de kinderen eerst alleen naar de ochtenddienst, maar vanaf hun twaalfde jaar ook 's middags. In de middagdienst werd er meestal gepreekt over de Heidelbergse Catechismus (HC), een uitleg van het Christelijk geloof, geformuleerd in de vorm van vraag en antwoord en verdeeld in 52 "zondagen". Ook op de catechisatie, waar men vanaf het twaalfde jaar heen ging, werd de HC besproken en de kinderen leerden wekelijks een "zondag" uit het hoofd. Sommige vragen ("Wat is Uw enige troost, beide in leven en sterven?"; "Wat is een waar geloof?") en hun antwoorden bleven je je levenlang bij. Aan tafel werd er door het gezinshoofd (bij ons thuis dus: mijn moeder) voor en na de maaltijd hardop gebeden; zesmaal daags. Ten minste tweemaal per dag werd er aan de etenstafel een bijbelgedeelte gelezen. De jongens waren lid van de Gereformeerde knapenvereniging. Als je 16 werd, mocht je naar de jongelingsvereniging (JV). Daar werd men voorbereid op de taak in "kerk, staat en maatschappij". Ook de meisjes hadden hun verenigingen.
<19>
foto 1. Vooroorlogs zendingsbusje met een "dankbare Javaan"
Als kind ging je naar een "school met de Bijbel". Op maandagmorgen nam je een gift mee voor de zending. Die ging in een spaarbus, versierd met het borstbeeld van een Javaan. Als de stuiver of cent in de gleuf viel, knikte hij vriendelijk. We waren ervan overtuigd dat alle Javanen niet alleen hoffelijk waren, maar ook uiterst dankbaar voor het feit dat hun het evangelie gebracht werd. Zendelingen met verlof vertelden over snel groeiende kerken in Nederlands-Indië. Thuis hing in de huiskamer een rood, blikken busje aan de muur, met het opschrift: "Voor Joden, heidenen en mohammedanen". Als wij kinderen kattenkwaad hadden uitgehaald, legde mijn moeder ons soms de straf op om van ons zakgeld een gift in het zendingsbusje te doen. Waarop mijn broer protesteerde: "Dan worden de heidenen bekeerd door onze zonden". Toen zag moeder verder van de methode af.
<20>
Als je middelbaar onderwijs mocht volgen, diende dat het liefst Christelijk onderwijs te zijn. Ik ging dus naar Arnhem, ook al was de "neutrale" HBS in Wageningen dichterbij. Je las een Christelijk dagblad - bij ons thuis: de Standaard. Men stemde op een Christelijke politieke partij; Gereformeerden werden geacht op de Anti-Revolutionaire partij van Colijn te stemmen.
Tegenwoordig noemt men deze eenvormigheid "de verzuiling" [1.11] en nu hebben we oog voor de negatieve kanten van het verschijnsel. Weinige zagen die toen. Sommige aspecten ervan werden als positief ervaren en ze zouden tijdens de oorlog van waarde blijken. De sterke verbondenheid met de eigen groep gaf een zeker zelfvertrouwen; de eigen organisaties leverden het raamwerk voor de opbouw van een verzetsbeweging; de eigen "nestgeur" zou een belangrijk hulpmiddel blijken te zijn bij het vaststellen wie er te vertrouwen was en wie niet. Zo belde tijdens de oorlog de K.P. (knokploeg)-leider Johannes Post eens aan bij een politie-agent in Groningen en vroeg diens medewerking voor een verzetsdaad. Post kon zich niet legitimeren en de ander wantrouwde hem: de onbekende kon immers een provocateur zijn. Het was etenstijd, en Post werd aan tafel genodigd. Hij schikte aan en zag, hoe de vrouw des huizes een bijbel klaarlegde. "Zijn jullie Gereformeerd?", vroeg Post. "Ja", was het antwoord. Waarop Johannes zei: Ik ook; ik ben ouderling in een dorp in Drenthe". De gastheer reageerde met de woorden: "Wilt U ons dan voorgaan in gebed?" Johannes bad. En de gastheer wist nu heel zeker: "deze man is een broeder (geloofsgenoot)". Na het eten werden er zaken gedaan.[1.12] Maar Duitsland was in de jaren dertig onze vijand nog niet; integendeel. Ons gezin, maar ook de familie (ooms en tantes die in de buurt woonden; mijn moeder had tien broers en zusters) was pro-Duits. Ten eerste omdat we vonden dat de Duitsers bij de vrede van Versailles, in 1919, onbillijk behandeld waren, ten tweede omdat we een hekel aan de Engelsen hadden. Die hadden immers de Boeren in Transvaal en de Oranje-Vrijstaat geknecht. De boeken van L. Penning over de heldhaftige strijd van de Boeren tegen de trouweloze Britten werden vlijtig gelezen en hadden grote invloed. Onze sympathieën en die van de overgrote meerderheid in de Gereformeerde Kerken veranderden snel en grondig na de machtsovername in Duitsland door Hitler.
<21>
Hervormde predikanten hadden, veel meer dan bij de Gereformeerden het geval was, intensieve contacten met de "Bekennende Kirche", dat deel van de Duitse kerk dat zich niet door Hitler liet gelijkschakelen. Ger van Roon heeft het belang van deze contacten voor de bewustwording in Nederland uitvoerig gedocumenteerd en overtuigend aangetoond. [1.3] Maar dat gold vooral Hervormde en in veel mindere mate Gereformeerde predikanten. Bij de Gereformeerden wogen de bezwaren tegen de theoloog Karl Barth zwaar, en juist hij speelde in de Duitse kerkstrijd een grote rol. Maar krant en radio brachten de berichten over ds. Niemöller die, omdat hij het Nationaal-Socialisme openlijk bestreed, in een concentratiekamp opgesloten werd; en er kwamen berichten over de Jodenvervolgingen. Daar kon niemand omheen.
Er woonden drie Joodse gezinnen in ons dorp, alle drie met een zaak: Manasse de drogist, zijn broer de huisschilder, en de dames Cohen die een zaak in boter, kaas en eieren hadden. Zij waren geen klant bij ons en wij niet bij hen, dus was er zelden contact. Wel was er een aantal Joodse "reizigers", vertegenwoordigers van een textiel-fabriek of -groothandel, die ons regelmatig bezochten. Met sommigen hunner werd de relatie vriendschappelijk. Of er in onze kerk ooit gepreekt werd op een manier die het antisemitisme bevorderde? Ik kan het me niet herinneren. Wel weet ik, dat bij ons thuis de Joodse zakenrelaties niet als onbetrouwbaar werden beschouwd; al waarschuwde mijn moeder ons nadrukkelijk voor de onbetrouwbaarheid van een groothandelaar in textiel die Gereformeerd was.
b. De zending onder de Joden
Er waren twee Hervormde verenigingen voor zending onder de Joden (Elim en de Nederlandse Vereniging voor Israël), maar hier ging het om particulier initiatief. De Gereformeerde zending onder de Joden evenwel was een direct-kerkelijke zaak en stond onder de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de generale (landelijke) synode. Er waren commissies (deputaatschappen) ingesteld, die verantwoordelijk waren voor een bepaalde activiteit en aan de volgende synode verantwoording moesten afleggen. Er was ook een deputaatschap voor de zending onder de Joden. Om te weten hoe men in het algemeen als Gereformeerden de Joden beschouwde, is het van belang om stil te staan bij de Gereformeerde zending onder de Joden. Dank zij Peter Treep's onderzoek hebben we daar een duidelijk overzicht van. [1.4] Het deputaatschap voor de zending onder de Joden had de supervisie over drie predikanten: Jac. van Nes te Den Haag (vanaf 1916), C. Kapteyn te Amsterdam (vanaf 1929) en R. Bakker te Rotterdam (vanaf 1935). Deze predikanten leverden elk kwartaal een schriftelijk rapport van hun werkzaamheden in bij hun deputaten. De manier waarop men werkte, riep van Joodse zijde veel weerstand op en dat zal ons nu nauwelijks verwonderen. In Den Haag waren clubs voor Joodse kinderen. In een oplaag van 30.000 (1940) werd maandelijks "De Messias-bode" gratis en ongevraagd aan Joodse adressen gezonden. Jaren later, toen we in Israël woonden, vertelde ons een vriend van Nederlandse afkomst hoe hij indertijd in Nederland enkele malen verzocht had, de Messias-bode niet meer te sturen. Dat hielp niet, totdat hij opnieuw een brief naar de redactie schreef met het verzoek voortaan twee exemplaren te sturen want, zo schreef hij, "het papier van dit geschrift is uitermate geschikt om op de w.c. gebruikt te worden". Pas toen zag men van verdere toezending af, aldus mijn vriend.
<23>
Veel huisbezoeken werden door de drie predikanten afgelegd. Slechts weinigen uit de Joodse gemeenschap lieten zich dopen. Ds. Van Nes waarschuwde de kerkeraden overigens tegen het te spoedig bedienen van de doop. Hij vond dat er in het algemeen drie tot vier jaar catechetisch onderwijs nodig was voor men tot dopen kon overgaan. [1.5] In 1929 bezocht ds. Van Nes een Joden-zendingsconferentie te Neurenberg. Hier werd hij geconfronteerd met de groei van het antisemitisme in Duitsland. Sindsdien kozen hij en zijn twee collega's ondubbelzinnig partij ertegen. Op de eerste conferentie van plaatselijke commissies voor zending onder de Joden, in 1932, nam men met algemene stemmen een aantal resoluties aan waarvan de eerste luidde:
"De conferentie brandmerkt het antisemitisme als grove zonde en zij roept alle
Christenen op tot betoon van hartelijke liefde tot de Joden om Christus' wil". [1.6]
Ook de Messias-bode keerde zich fel tegen het antisemitisme, de eerste keer in een artikel van de hand van ds. Kapteyn, november 1930. Als ds. Van Nes over dit onderwerp een lezing hield, kwam men nu ook van Joodse kant luisteren. Toen hij in Aalten over het antisemitisme sprak, werd zelfs de synagogedienst een kwartiertje vervroegd, opdat men nog naar deze bijeenkomst zou kunnen gaan. [1.7] Maar toen deputaten op de synode van 1933 verslag uitbrachten, deelden zij mee: "Thans volgen de rapporten, zoals die bij deputaten ingebracht werden door de drie missionarissen, met weglating van de algemene opmerkingen waarin de missionarissen over het lijden van het Jodendom en de reactie daarop in Joodse en Christelijke kring praten." [1.8]
c. Over synodes en deputaatschappen
De Hervormde geschiedschrijver H.C. Touw schrijft Synode, met een hoofdletter; de Gereformeerde Th. Delleman daarentegen schrijft synode zonder hoofdletter. Dat is niet toevallig. De inrichting van de diverse kerkgenootschappen vertoont op bepaalde punten onderling verschillen, bij voorbeeld wat betreft de taak van de synode. De besluitvorming komt op verschillende wijzen tot stand.
<24>
In het volgende vertellen we iets over de structuur van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Het meervoud (kerken!) is veelbetekenend: men hecht veel waarde aan de zelfstandigheid van iedere plaatselijke kerk (of: gemeente). Op 1 januari 1940 waren er, volgens het jaarboek van 1940, 788 (plaatselijke) kerken met 811 dienstdoende predikanten en 652.826 leden, waarvan 331.615 belijdende leden. Er waren dus 321.211 doopleden, toen voornamelijk kinderen. De toename over 1939 bedroeg 7.687 leden.
Vooral in de grotere plaatsen beschikte een gemeente vaak over meer dan een kerkgebouw, en meer dan een predikant. Iedere gemeente werd bestuurd door de kerkenraad: ouderlingen, diakenen en de predikant(en), allen gekozen door (toen nog alleen de mannelijke) belijdende leden. De kerkenraad stuurde afgevaardigden (een predikant en een ouderling) naar de classis: een regionaal verband van kerken dat eens in de drie maanden vergaderde. Deze classis vaardigde vertegenwoordigers af naar de particuliere (of: provinciale) synode die eens per jaar een dag vergaderde en dan afgevaardigden naar de generale (of: nationale) synode koos. Deze vergaderde eens in de drie jaar (tenzij er "enige dringende nood was om de tijd korter te nemen") enkele dagen en werd dan ontbonden. Zo was er een synode in 1933 en daarna weer een in 1936. Er waren 12 provinciale synodes: Limburg en Noord Brabant deden samen, maar Zuid-Holland en Friesland hadden elk twee particuliere synodes. Iedere provinciale synode mocht 4 leden afvaardigen naar de generale synode: 2 predikanten en 2 ouderlingen. De generale synode bestond dus uit 24 predikanten en 24 ouderlingen, plus, als prae-adviseurs, de theologische hoogleraren. Synode-leden waren meestal van rijpere leeftijd. Er waren geen vrouwen bij: zij hadden toen noch het actieve, noch het passieve kiesrecht, d.w.z. ze mochten niet kiezen en niet gekozen worden. Voor iedere synode koos men een vergaderplaats in weer een andere provincie. Als een synode bijeenkwam, begon men met een moderamen (bestuur) te kiezen, bestaande uit vier personen. Men vergaderde een aantal dagen, tijdens welke de nodige besluiten werden genomen. Dan werd de synode gesloten en ging iedereen naar huis. De synode was dus allerminst een permanent instituut.
<25>
De synode die in 1936 te Amsterdam bijeenkwam, vergaderde in totaal 16 dagen, werd toen voorlopig gesloten en kwam in 1938 nog twee dagen bijeen. In die tijd was er binnen de Gereformeerde Kerken een strijd ontbrand over bepaalde punten van de geloofsleer. Om die reden werd de volgende synode, die van Sneek, in 1939 niet definitief gesloten, maar waren er voortgezette synodevergaderingen: 6 dagen in 1940, 12 dagen in 1941 en 19 dagen in 1942. In 1944 zouden de leergeschillen tot een scheuring in de kerken leiden. Maar in ieder geval kon men van de nood (de leergeschillen) een deugd maken: door oorlog en bezetting dienden zich onverwachte maar dringende problemen aan en men had nu de gelegenheid om deze te behandelen. Het moderamen van de synode was gemachtigd om, na de sluiting van de synode, toe te zien op de uitvoering van de genomen beslissingen. Het werd daarin bijgestaan door deputaatschappen. Hierboven kwamen we het deputaatschap voor de zending onder de Joden al tegen. Een ander deputaatschap was dat voor "correspondentie met de Hoge overheid". De taak van deze commissie was voor de tweede wereldoorlog nauwelijks meer dan een ceremoniële: men stuurde namens de kerken bij voorkomende gelegenheden een condoleantie- of felicitatie-telegram aan leden van het koninklijke huis. Voorzitter van dit deputaatschap was de hoogleraar dr. H.H. Kuyper. Zijn "secundus" (vervanger) was mr. dr. J. Donner, oud-minister van justitie en lid van de Hoge Raad. Ook was hij de vader van de latere schaakmeester J.H. Donner.
d. Het lidmaatschap van de NSB.
Van belang voor de inperking van invloed en aanhang van de NSB. is geweest, dat drie Nederlandse kerkgenootschappen zich uitgesproken hebben over de nationaal-socialistische beginselen, deze veroordeelden en daaruit de consequenties trokken voor de leden van hun kerk die toegetreden waren tot de NSB.
<26>
Allereerst de Rooms-katholieke Kerk. De bisschoppen waarschuwden in een herderlijk schrijven van 2 februari 1934 alle Katholieken om, "in het belang van de Kerk en in het belang van ons gehele volk, niet mee te doen aan de fascistische en nationaal-socialistische stromingen".
"Wie ondanks dit Ons waarschuwend woord menen hun eigen inzichten te moeten doordrijven, mogen weten, dat zij een zware verantwoordelijkheid op zich laden en dat zij zich tegenover God en hun geweten hebben te verantwoorden over hun kortzichtige roekeloosheid." [1.9]
Een uitdrukkelijke veroordeling volgde op 6 mei 1936. De bisschoppen verklaarden dat "allen die aan deze partij (de NSB.) belangrijke steun verlenen, niet tot de H.H. Sacramenten kunnen worden toegelaten." [1.10]
Wanneer de synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland vergaderde, kwamen de vragen op de agenda die door de "mindere" vergaderingen gesteld waren. Al in 1933 had de classis Amersfoort aan de synode gevraagd, "hoe te handelen met de leden der gemeente, die zich aansluiten bij, en propaganda voeren voor de nationaal-socialistische beweging." [1.11] Men is er toen niet diep op ingegaan, maar in 1936 kwamen diverse provinciale synodes en klassikale (regionale) kerkvergaderingen met dezelfde vraag. Het was een jaar na de verkiezingsoverwinning van de NSB. Enkele kerkleden waren al door hun kerkenraad vermaand, en soms zelfs onder censuur gesteld (de censuur is de kerkelijke tucht waarbij de betrokkene van het Avondmaal afgehouden kan worden en leidde, na lang vermaan en met uitdrukkelijke toestemming van de classis, uiteindelijk tot een geschrapt worden als kerklid). Zo werd de bekende NSB.-er E.J. Roskam door de kerkenraad van Amsterdam-Zuid vermaand vanwege zijn artikel in "Volk en Vaderland", waarin hij de Gereformeerde Kerken aanviel. Hij' verklaarde daarop, dat hij zijn artikel, "alhoewel daar vele waarheden in voorkomen die ik moet handhaven, niet had mogen schrijven en daarom ook terugneem, omdat daar een oordeel gegeven wordt over onze Gereformeerde Kerken, dat mij' niet toekomt te vellen en op die plaats te publiceren." [1.12]
<27>
foto 3. Prof dr. K Schilder (1890-1952
Ook de vooraanstaande NSB.-er C. van Geelkerken werd door de raad van de Gereformeerde kerk te Utrecht vermaand. Hij, Roskam en ook Mussert zelf schreven daarop protestbrieven naar de synode. Delleman drukte Musserts brief volledig af. [1.13] De synode benoemde uit haar leden een commissie met als adviseurs de hoogleraren H.H. Kuyper en K. Schilder. Kuyper stelde voor dat de commissie zich incompetent zou verklaren en geen uitspraak zou doen. Dat voorstel werd verworpen. Het rapport, dat eerst door de commissie en daarna door de synode aanvaard werd, was gebaseerd op een concept van Schilder. [1.1414] Deze schreef kort daarop ter toelichting een brochure: Geen duimbreed! Na een paar dagen was er al een herdruk nodig. In het rapport worden vijf bezwaren tegen de NSB. ingebracht waaronder "het streven naar de machtsstaat" en "het exclusief nationalistisch karakter": En al moge ze (de NSB.) de "rassenvergoding" verwerpen, de manier, waarop zij zelfs tot in haar program toe (artikel 2) de eenheid van de "Dietse stam" op de voorgrond zet, toont, dat ze zich ook in dit opzicht niet onbesmet heeft gehouden; aldus het rapport."[1.15]
<28>
Op 2 oktober 1936 betuigde de synode haar instemming met het rapport. Alle plaatselijke kerkenraden zouden bij de NSB. aangesloten leden dienen te "vermanen om dit lidmaatschap te beëindigen, en zo nodig de betrokkenen af te houden van het avondmaal". Aan een na de oorlog gehouden enquête deden 521 van de 782 kerkenraden mee. Slechts twee daarvan bleken de maatregel niet te hebben uitgevoerd; 519 wel, ook na 14 mei 1940. Het ging, wat deze 521 gemeenten betreft, om een totaal van 272 Gereformeerde NSB.-ers. Sommigen hunner hebben door het vermaan der kerk hun dwalingen nog tijdens de bezetting ingezien en braken met de NSB., aldus Delleman. Een klein aantal Gereformeerde NSB.-ers werd na vermaan ten slotte afgesneden (van het kerklidmaatschap vervallen verklaard), terwijl 37 zich als lid onttrokken."[1.16]
Wie, na dit alles gelezen te hebben, nu vervuld is van bewondering voor de Gereformeerde karaktervastheid, dient ook te weten dat, tegelijk met de NSB., de socialistisch-pacifistisch georiënteerde Christen-Democratische Unie (CDU.) evenzeer door de synode op de korrel genomen werd. Dat komt ons nu onbegrijpelijk voor, maar ik herinner me, uit 1936, een inleiding op de jongelingsvereniging over de CDU. waarin de spreker betoogde: "De CDU. is geen unie, is niet democratisch en evenmin christelijk". Het is een schrale troost dat de (veel kleinere) Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland (40.000 leden) in 1937 uitdrukkelijk afzagen van een veroordeling van de CDU., maar wel besloten tot het uitoefenen van de tucht over kerkleden die lid waren van de NSB." [1.17]
e. Reacties op het antisemitisme in Duitsland
Hitler werd rijkskanselier op 30 januari 1933 en na Hindenburgs overlijden (2 augustus 1934) president, en opperbevelhebber van het leger. Onmiddellijk na de machtsovername in Duitsland begonnen de antisemitische maatregelen. Joodse winkels werden geboycot, Joden in overheidsdienst ontslagen.
<29>
De toelating van Joodse kinderen en studenten tot scholen en universiteiten werd beperkt. Op 15 september 1935 werden de beruchte Neurenberger wetten uitgevaardigd. "Gemengde" huwelijken waren voortaan verboden; vrouwen onder de 45 jaar mochten niet in dienst van Joden staan. Het Duitse staatsburgerschap zou voortaan mee door de "zuiverheid" van het bloed bepaald worden. Zomer 1938 werden ongeveer 1500 Joden gevangen genomen en opgesloten in concentratiekampen. In oktober van dat jaar werden 15.000-17.000 Joden van Poolse afkomst gedeporteerd. Toen op 7 november 1938 in Parijs een aanslag werd gepleegd op de Duitse ambassadefunctionaris Ernst vom Rath, die op 9 november aan zijn verwondingen bezweek, was deze aanslag het voorwendsel voor het ontketenen van pogroms door heel Duitsland; in de zogenaamde Kristalnacht werden duizenden winkels van Joden geplunderd en synagoges verbrand. Meer dan 26.000 Joden werden gevangen genomen, velen hunner naar een concentratiekamp gevoerd; tenminste 91 vermoord. Als reactie op deze van hogerhand gesanctioneerde terreur probeerden velen Duitsland te verlaten. Dit gelukte in 1933 naar schatting aan 37.000 Joden. In 1934 was hun aantal 23.000 en in 1935 vluchtten er 21.000. Voor 1936 en 1937 bedroegen de geschatte cijfers respectievelijk 25.000 en 23.000. Vanaf begin 1938 tot 1 oktober 1941 - toen alle emigratie verboden werd - verlieten naar schatting 170.000 Joden het Duitse "Reich". [1.18]
Hoe waren nu de reacties op dit alles in Nederland? Er waren augustus 1933 naar schatting ongeveer 6.000 - politieke en Joodse - vluchtelingen in ons land. Mei 1934 besliste de regering dat niet-officieel toegelaten vluchtelingen aan de grens moesten worden tegengehouden, tenzij "aannemelijk wordt gemaakt dat terugkeer naar Duitsland onmiddellijk lijfsgevaar voor de betrokkenen zal meebrengen". [1.19] Statenloze vluchtelingen moesten naar Duitsland teruggeleid worden, maar met gematigdheid en zonder "aan overijling gepaard gaande hardheden". In totaal werden door Nederland ruim 30.000 vluchtelingen opgenomen, in verhouding meer dan door andere landen, aldus L. de Jong. [1.20] Maar Joodse vluchtelingen zijn in die jaren door de Nederlandse marechaussee in opdracht van de regering Colijn wel "teruggeleid" naar Duitsland. Na de Anschluss (waarbij Duitsland Oostenrijk inlijfde; maart 1938) verscherpte de Nederlandse regering haar restrictief beleid.
<30>
Vele predikanten ondertekenden een manifest (in 1933) waarin het antisemitisme werd afgewezen. [1.21] J.J. Buskes en W. Banning behoorden tot de sprekers op een grote protestvergadering. [1.22] Op 19 sept. 1935 was opnieuw Buskes een van de sprekers op een protestvergadering in de Apollo-hal, waar 6000 mensen aanwezig waren. De toespraken werden gepubliceerd in de brochure "Vrede over Israël". Er werd een Protestants hulpcomité, opgericht, het "Comité voor zogenaamde niet-arische Christenen". In 1938 werd de naam veranderd in "Protestants Hulp-Comité, voor uitgewekenen om ras of geloof'. We noemen deze verschillende reacties slechts terloops: het ging hier immers niet om officiële kerkelijke protesten. Van Roon verschaft uitvoerige gegevens in zijn Protestants Nederland en Duitsland 1933-1941.
Voor de tweede wereldoorlog heeft bijna geen enkel kerkgenootschap in Nederland officieel en publiekelijk geprotesteerd tegen de Jodenvervolgingen. Kerken in Duitsland, Groot-Brittannië, Zweden, Frankrijk en de Verenigde Staten hebben dat wel gedaan.[1.23] Vanwaar die zwijgzaamheid in Nederland? De volgende punten dienen hier genoemd te worden. Vrij algemeen was men binnen de kerken van oordeel, dat het doen van "politieke" uitspraken niet op de weg der kerken lag. Men had immers Christelijke politieke partijen? Toentertijd werd dan ook - in tegenstelling tot nu - geen enkele publieke uitspraak over welk politiek onderwerp dan ook door de kerken gedaan. Bovendien bestond er - in tegenstelling tot nu - weinig contact tussen de kerken; er was geen gezamenlijk optreden. Vooral de RK Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland zagen geen heil in interkerkelijke samenwerking. Daar komt dan nog bij, dat men algemeen bevreesd was voor het in gevaar brengen van Nederlands neutraliteit en van onze economische belangen: de handel met Duitsland. Ook beschouwde men, ofschoon het nationaal-socialisme afwijzend, Duitsland desondanks als een bolwerk tegen het veel groter geachte gevaar: dat van het communistische Rusland. Wat de Hervormde Kerk betreft, "de kerkorde maakte het nu eenmaal de Kerk onmogelijk, te komen tot een gemeenschappelijk en openlijk getuigenis", aldus Touw. "De Synode had geen bevoegdheid kerkelijke beslissingen te nemen, maar had alleen een administratieve en financiële opdracht. De grote roeping van het belijden, getuigen en handelen der Kerk werd in de kerkelijke vergaderingen niet aan de orde gesteld, en in elk geval kon daarover geen bindende beslissing genomen worden".[1.24]
<31>
Twee uitzonderingen op deze regel van officieel-kerkelijke stilzwijgendheid zijn te melden. Allereerst kreeg de Commissie tot de Zaken (het dagelijks bestuur) van de Remonstrantse Broederschap een brief van de gemeente te Amersfoort waarin verzocht werd om de Jodenvervolging in Duitsland op de agenda van de komende Algemene Vergadering te plaatsen. De hoogleraar G.J. Heering stelde daarop een resolutie op:
(…) Zonder voorbij te zien aan de schuld der wereld en onze eigen schuld in deze loop van zaken, en open latende de vraag in hoever aan de houding der getroffenen of aan die van hun geestverwanten of rasgenoten een en ander verweten kan worden, op dit ogenblik kunnen wij slechts denken aan het onrecht, dat geschiedt. Onrecht tegenover de pacifisten, tegenover de socialisten en tegenover de Joden. (…) Het ergste is misschien, dat de Christelijke Kerk voor het grootste deel zozeer de dienaresse is geworden van het nationalisme, dat zij op enkele uitzonderingen na zwijgt, of instemming betuigt. [1.25]
De overgrote meerderheid van de Vergadering stemde met Heering in. "Het was een uitspraak voor intern gebruik, maar het bleef een uitspraak", aldus Van Roon.
Ten tweede werd er een motie aangenomen door de Nederlandse afdeling van de
World Alliance for International Friendship through the Churches:
"De Nederlandse Afdeling van de Wereldbond tot het bevorderen van een goede verstandhouding tussen de volken door de kerken, bewust van zijn doel om de vriendschappelijke verhouding tussen de volken te bevorderen en overtuigd, dat deze ernstig geschaad wordt door de maatregelen in Duitsland genomen en uitgevoerd tegen de Joden, die mede verklaard kunnen worden als uiting van rassenhaat, verzoekt het dagelijks bestuur om zich over deze maatregelen uit te spreken en verder alles te doen wat in zijn vermogen is om in overeenstemming met de beginselen van de Wereldbond en zijn doel de spanning en de ergernis weg te nemen, die door die maatregelen in Nederland en in de gehele beschaafde wereld zijn gewekt, en om mede te werken tot het doen ontstaan van die verhouding die volgens het Christelijk geweten tussen de rassen moet bestaan." [1.26]
Men deed ook mededeling van inhoud en verzending van deze brief aan de permanente commissie van het Ned. Israëlitisch Kerkgenootschap. Het verzoek aan het bestuur van de Wereldbond had een positief resultaat.
<32>
2. HET BEGIN
a. De situatie (mei - oktober 1940)
Nederland werd door de Duitse legers onder de voet gelopen en capituleerde. Koningin Wilhelmina was met haar gezin gevlucht. De ministers waren in Londen: een Regering in ballingschap. De Oostenrijker Arthur Seyss-Inquart werd benoemd tot Rijkscommissaris over het bezette Nederland. Op 29 mei nam hij het burgerlijke bestuur over en hield ter gelegenheid daarvan een rede in de Ridderzaal, de plaats waar de Koningin op Prinsjesdag de Troonrede placht voor te lezen. De nieuwe gezagsdrager beloofde "het tot nu toe geldende Nederlandse recht in kracht te laten en het Nederlandse volk geen vreemde ideologie op te dringen". Een andere uitspraak in zijn rede:
"Wij Duitsers echter, die door dit land gaan met een blik die gescherpt is door het begrip voor de waarden van de banden des bloeds en de ontbindingen des bloeds in een volk, verheugen ons over de Nederlandse mensen. Wij verheugen ons over de kinderen, wensen dat de jongens hier moedige, krachtige, energieke mannen en de meisjes gelukkige moeders van grote gezinnen zullen worden. Wij gevoelen ons heden, en in alle omstandigheden verantwoordelijk voor het goede bloed, want bloed verplicht ook over uiterlijke feiten en ontbrekend begrip heen."
In de maand juni werden de overgebleven Engelse troepen geëvacueerd uit Duinkerken. De val van Parijs werd gevolgd door de capitulatie van heel Frankrijk. Vanaf 4 juli was alleen luisteren naar de Nederlandse of Duitse radio toegestaan; in diezelfde maand sprak de Koningin voor de eerste keer over radio Oranje. Op 7 september vond de eerste grote Duitse luchtaanval op Londen plaats: de "slag om Engeland" was begonnen. Eind september werd het drie-mogendheden verdrag (Duitsland, Italië en Japan) bekendgemaakt. Vanaf 1 oktober moesten de Nederlanders zich kunnen identificeren. Eind oktober begon de aanval van Italië op Griekenland.
<34>
22 mei: morgen komen de schoenen op de bon, en binnenkort de textiel, zegt men,
de suiker was al op de bon.
18 juni: ook het brood wordt nu gedistribueerd, we eten er nu een prakje bij.
14 juli: morgen worden vel en andere levensmiddelen gedistribueerd.
4 aug.: Het puntenstelsel voor de textiel zal nu in werking treden; 100 punten
per half jaar. Het eerste kwartaal mogen de mensen 40 punten besteden.
Lakenkatoen kost 10 punten per m2, een knot wol vijf punten.
15 juli: een half pond boter, vet of margarine in de week. Veel te weinig, maar
nu krijgen we allemaal een eiken botervlootje; dan kan ieder zo dik of
zo dun smeren als hij zelf wil.
16 aug.: Er zijn al lakens, overalls en molton van kunstvezel. De verkoop van
wollen stoffen en van bovenkleding is tot nader order verboden.
30 aug.: Morgen is de Koningin jarig. We mogen geen enkel teken van vreugde of
van rouw betonen. Ook geen rouwbanden dragen of in de etalage leggen,
(Politieagent) Driessen kwam dat speciaal zeggen. De boeren mogen zelf
niet meer karnen; de karnen zijn verzegeld. Nu gebruiken ze de wasmachine.
2 sept.: Gisteren hadden we een dominee die bad "voor degenen die thans over ons
heersen, of ze uit de greep van de leugengeest verlost mogen worden".
25 sept.: De zeep kwam kortgeleden op de bon, en nu ook het vlees.
2 okt.: De foto's van het Koninklijk huis zijn bij de boekhandelaars en het
postkantoor in beslag genomen.
6 okt.: We zijn in afwachting wat er boven ons hoofd hangt: Mussert of
zelfbeschikking.
De eerste anti-joodse maatregel was de uitsluiting van Joden uit de luchtbescher- mingsdiensten. Kort daarop (eind juli) volgde het verbod op ritueel slachten. In Zandvoort werd, begin augustus, de synagoge opgeblazen. Op 30 september werd het verbod uitgevaardigd om hen die "geheel of gedeeltelijk van Joodse bloede" waren, in overheidsdienst te benoemen of, indien reeds in dienst, te bevorderen.
b. Het Convent van Kerken
Al gauw na de Nederlandse nederlaag in de meidagen en de daarop volgende bezetting door de Duitsers, vonden er op kerkelijk terrein twee ontwikkelingen plaats die van groot belang zouden blijken te zijn, allereerst voor de periode van de bezetting, maar ook voor de tijd daarna, tot op de dag van vandaag.
<35>
Allereerst vonden de kerken elkaar in een permanent verband -het Convent van Kerken, vanaf 1942 I.K.0. (Interkerkelijk Overleg) genoemd. De problemen die uit de bezetting voortvloeiden noodzaakten tot overleg en het waar mogelijk vormen van een gemeenschappelijk front.
In een brief, gedateerd 20 juni 1940, nodigde de Algemene Synodale Commissie der Nederlandse Hervormde Kerk afgevaardigden van zeven andere kerken uit tot een samenspreking: "voor elk van die (Kerkgenootschappen) één afgevaardigde en wel iemand die bevoegd zou zijn namens het Kerkgenootschap zich casu quo te wenden tot de hoge overheid." De eerste vergadering vond plaats op 25 juni. Vertegenwoordigd waren: de Nederlandse Hervormde Kerk; de Gereformeerde Kerken in Nederland, de Christelijke Gereformeerde Kerk; de Gereformeerde Kerken in Nederland in Hersteld Verband; de Remonstrantse Broederschap; de Algemene Doopsgezinde Sociëteit; de Evangelisch Lutherse Kerk; en het Hersteld Evangelisch Luthers Kerkgenootschap
Zoals blijkt uit de volkstelling van 1930 waren er in dat jaar in Nederland 2,7 miljoen Hervormden, 640.000 Gereformeerden en 270.000 leden van de andere bovengenoemde Kerkgenootschappen. [2.1] De Rooms-katholieke Kerk deed dus (nog) niet mee; ze was niet uitgenodigd. Als voorzitter trad op prof. J.R. Slotemaker de Bruïne. Al vrij spoedig daarna zou hij moeten terugtreden wegens een ziekte, waaraan hij overleden is. Daarna zijn onder anderen prof. P. Scholten, mr. J. Donner en dr. J.J.C. van Dijk voorzitter geweest; de bezettende macht zorgde voor de roulatie: telkens werd de voorzitter gevangen genomen. Als secretaris van het Convent trad ds. K.H.E. Gravemeyer (geb. 1888) op, een krachtige figuur, die op 1 april 1940 met de kleinst mogelijke meerderheid was gekozen als secretaris van de Synode van de Ned. Hervormde Kerk. Eens zei hij tegen een bezoeker: "We zijn er niet om de strijd (tussen Kerken en bezetters) te voorkomen, maar om die goed te strijden". [2.2]
<36>
foto 4. Ds K.H.E. Gravemeyer
Ds. Gravemeyer zou tot aan het einde van de bezetting (met een onderbreking van enkele maanden in 1942 wegens gijzeling door de Duitsers) secretaris van het Convent - later Interkerkelijk Overleg genoemd - blijven. Hij heeft het verzet van de kerken ten zeerste gestimuleerd. Op de eerste bijeenkomst typeerde de voorzitter die als "officieus, informatorisch en vertrouwelijk". Men zou elkaar kunnen voorlichten en inlichten en bij belangrijke zaken in eenparigheid jegens de overheid handelen, teneinde aan het optreden der Protestantse kerken in Nederland aldus meer kracht bij te zetten. De meeste bleken echter aanwezig zonder uitdrukkelijke machtiging van hun kerk. Zo was de Gereformeerde vertegenwoordiger, prof. H.H. Kuyper, wel voorzitter van "Deputaten voor de correspondentie met de hoge overheid", maar - zoals al eerder opgemerkt - dit Deputaatschap had tot nu toe weinig betekend; zo mocht men slechts antwoord geven, "als de overheid naar de mening van de kerk vroeg in een bepaalde zaak, indien de synode zich althans over die zaak had uitgesproken." Maar die zomer vergaderde de synode en verleende aan prof. Kuyper een meer uitgebreid, aan de veranderde tijdsomstandigheden aangepast mandaat: "Eindelijk wordt het moderamen (bestuur van de synode) gemachtigd om met de deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid beslissingen te nemen, wanneer er geen synode kan samenkomen." [2.3]
<37>
In het begin besprak men in het Convent onderwerpen als: vergoeding van oorlogsschade aan de kerken, zondagsarbeid, avondmaalsbrood (in verband met de distributie- moeilijkheden), enz. Maar de notulen van 30 juli vermelden: In de volgende vergadering zal over het karakter van het Convent nader gesproken worden. Verzocht wordt, dan tevens de vraag aan de orde te stellen, of er voor de Kerken aanleiding en zelfs plicht kan zijn, zich thans omtrent het antisemitisme uit te spreken." [2.4] In augustus is er geen vergadering geweest en in september is men niet aan het onderwerp antisemitisme toegekomen. De notulen zijn uiterst summier en het is niet duidelijk of men er echt niet aan toe kwam, dan wel als een poes om de hete brei heendraaide. Ds. J.J. Buskes, die de vergaderingen bijwoonde als afgevaardigde van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, zou later schrijven: "het heeft heel wat strijd en moeite gekost, om ten opzichte van de Jodenkwestie ten slotte een waarlijk principieel geluid te laten horen." [2.5] Abel Herzberg merkte op: "Ook de protestantse kerk ving aan zich te roeren. Dit laatste is niet ineens gegaan, niet overal van ganser harte, maar veelal schoorvoetend en, naar Nederlandse trant, bedachtzaam." [2.6]
c. De Lunterse Ring
Toch waren de zomermaanden geen verloren tijd. Eind augustus werd te Lunteren een driedaagse "clandestiene" vergadering gehouden van een dertigtal predikanten en gemeenteleden, voornamelijk uit de Hervormde Kerk en het al eerder genoemde "Hersteld Verband" (een afsplitsing, sinds 1926, van de Gereformeerde Kerken in Nederland). De deelnemers hadden, vooral door het volgen van de strijd van de "belijdende Kerk" in Duitsland, al voor mei 1940 de gevaren van het nationaal- socialisme beseft. J.J. Buskes was in Lunteren aanwezig, evenals J. Eykman, J. Koopmans, K.H. Kroon, K.H. Miskotte en G. Oorthuys. Zij allen zouden een rol in het verzet spelen. Men besloot een brief tot de door de Hervormde Synode ingestelde, uit 19 leden bestaande commissie Kerkelijk overleg te zenden; ook ging er een afschrift naar het moderamen van de Gereformeerde synode. In deze brief drong men erop aan, dat de officiële kerkelijke instanties zich "zo beslist, zo helder en zo snel mogelijk ter voorlichting van de gemeente en, hetzij' direct of indirect, ook van ons volk in zijn geheel, zouden uitspreken over "de moeiten, zorgen en verzoekingen waarin wij en onze landgenoten verkeren." Met name genoemd werden "de beginnende antisemitische propaganda, de geestelijke vrijheid, opvoeding en school, en de willekeur van de bezettende macht". Over het eerstgenoemde punt schreef men:
<38>
"Wij kwamen diep onder de indruk van het feit, dat de antisemitische propaganda al veel verder in ons volk is doorgedrongen dan velen vermoeden en dat de overeenkomstige maatregelen van hoger hand (slachtverbod, verklaring van de luchtbeschermingsdienst enz.), bovendien de daden van belediging en overlast de Joden aangedaan (de verkoop van "Sturmer" en "Misthoorn" op de openbare weg, het opblazen van de synagoge te Zandvoort enz.) voor het geweten van tallozen een ondraaglijke last zijn geworden."
Buskes was een van de ondertekenaars. Hij was het geweest, die In het Convent der Kerken verzocht had het onderwerp antisemitisme op de agenda te plaatsen. Hij wist zich nu gesteund door zijn vrienden. Ook de leden van Kerkelijk Overleg, waaronder ds. Gravemeyer, die bovendien secretaris van het Convent was, werden aangemoedigd. Niet dat de brief van de kant van Kerkelijk Overleg een positieve reactie kreeg: men nam de brief niet in behandeling, maar gaf deze door aan het moderamen (bestuur) van de Hervormde Synode. Dit liet een antwoord opstellen door een commissie onder voorzitterschap van prof. W.J. Aalders. We komen op dat antwoord nog nader terug. Toch zou de "naar boven" uitgeoefende druk niet vergeefs blijken te zijn geweest. De brief zou de Gereformeerde synode inspireren tot het herderlijke schrijven dat in maart 1941 publiekelijk 11 dwz. in de kerkdiensten - voorgelezen werd. Het was een wisselwerking: vanuit de kerken kwamen stemmen die hun leiding om een duidelijk woord vroegen, en als dat woord dan ook kwam, en vooral als het hoorbaar (vanaf de preekstoel) in de zondagse kerkdienst weerklonk, werden de gelovigen aangespoord tot een houding en daden van verzet.
Zomer 1940 begint zich dus de tweede belangrijke ontwikkeling af te tekenen. De eerste was, dat de kerken elkaar vonden in een gemeenschappelijk en permanent beraad: het Convent van Kerken. De tweede was, dat men nu ook gezamenlijk en publiek ging spreken.
<39>
In onze tijd wordt het als een gewone zaak beschouwd dat een kerk, of de Raad van Kerken in Nederland, een publieke uitspraak doet over een of andere belangrijke zaak. Bij menigeen roept het publieke spreken van de kerken zelfs een gevoel van geïrriteerdheid op, indien naar eigen smaak de uitspraak te ver dan wel niet ver genoeg gaat. In 1940 was het doen van een publieke uitspraak iets geheel nieuws. De kerken hadden op dit punt geen enkele ervaring en de Hervormde Kerk - de grootste - had een kerkorde die, zoals al in het vorige hoofdstuk vermeld, publiek getuigen formeel onmogelijk maakte. Toch is dat getuigenis er gekomen, vele malen en over in die tijd brandende kwesties. Men richtte zich daarbij tegen een hardvochtige bezetter, die meermalen zou reageren met gevangenneming van sommige bij' de opstelling van een protest betrokkenen. Het eerste publieke woord van de kerken was gericht tegen de vervolging van de Joden en het antisemitisme. Dat was ook het eerste punt op het verlanglijstje van de "Lunterse kring".
d. Tweemaal concentratiekamp Buchenwald
De door de Lunterse kring gesignaleerde "maatregelen van hogerhand" tegen de Joden kwamen voor menigeen onverwacht. Men had kennis genomen van Seyss-lnquarts toespraak bij zijn ambtsaanvaarding en geloofd in de fraaie beloften ("Het tot nu toe geldende Nederlandse recht blijft van kracht"), maar niet goed geluisterd naar de daarop volgende beperking: "voor zover het verenigbaar is met de bezetting". Toen eind augustus 1940 de instructie afkwam dat Joden niet meer mochten worden aangesteld in overheidsdienst noch, indien al in dienst, bevorderd, gingen de hoogste nog aanwezige Nederlandse gezagsdragers - de secretarissen-generaal - hiermee akkoord (6 september), zij het na enig protest. Daarop werd aan de betreffende ambtenaren doorgegeven dat voortaan bij sollicitatiegesprekken de vraag naar het al of niet Jood-zijn gesteld moest worden. Een week later kreeg het hoofd van de sociale jeugddienst van het departement van sociale zaken, de 48-jarige N.H. de Graaf, deze opdracht van zijn secretaris- generaal. Hij weigerde, nam ontslag en las de volgende verklaring op maandag 16 september aan zijn medewerkers voor:
<40>
Foto 5. N.H. de Graaf
Het is mij een behoefte u, als mijn medewerkers, met een kort woord duidelijk te maken, wat het motief is geweest, waarom ik op 12 sept. jl. bij de waarnemende Secretaris-Generaal mijn ontslag heb ingediend. Het is mij n.l. op die dag duidelijk geworden, dat ook in ons land de z.g. ariër-paragraaf binnenkort zal worden ingevoerd. Hierdoor zal het dus noodzakelijk worden, bij aanstelling van personeel na te gaan, of de persoon in kwestie niet van Joodse afkomst is. Het is daarom dat ik mij genoodzaakt heb gezien, hoe lief mij mijn werkkring ook is, mijn ontslag in te dienen, daar ik voor mijn geweten als belijdend Christen en als Nederlander deze vraag aan wie dan ook nooit zal willen stellen. Iedere voorkeur van één mens boven een ander uit hoofde van zijn behoren tot een bepaald ras of volk, is in strijd met de diepste gronden van het geloof in Jezus Christus, in wie God, de almachtige Schepper van hemel en aarde, zich aan alle mensen op deze wereld wil openbaren, en voor wie ieder mens volkomen gelijk staat. Maar bovendien is een achterstelling van het Joodse volk in het bijzonder in strijd met de inhoud van Gods Woord en Zijn Evangelie, omdat het Gods wonderbare en ondoorgrondelijke wijsheid behaagd heeft, uit het volk der Joden de verlossing aan alle volkeren en rassen te schenken door Jezus Christus, naar het vlees een zoon van dit volk. Iedere verwerping van dit volk is daarmede een verwerping van Hem.
<41>
Het zal u duidelijk zijn dat, waar dit mijn diepste overtuiging uitmaakt, ik voor God en mijn geweten nooit kan medewerken aan de toepassing van bovengenoemde maatregel. Dat ik ook als Nederlander meen zo te moeten handelen, vindt zijn oorzaak in mijn overtuiging, dat het Evangelie, zeker sedert onze vrijheidsstrijd onder Willem de Zwijger, onlosmakelijk met ons volk verweven is, zodat deze houding t.o.v. het Joodse volk ook bij anders georiënteerde Nederlanders gemeengoed is geworden. Ten slotte mag ik er nog op wijzen, dat ik in geloof er mij van bewust ben, dat boven strijd en oorlog uit ieder mens persoonlijk en alle volkeren en rassen gelijkelijk door dit Evangelie van Christus worden aangesproken en dat ik daarin dus geen vriend of vijand onderscheid, of het Nederlander, Duitser, jood of wie ook is. Want allen hebben als waarlijk enig levensbrood Gods erbarmen en vergeving in Jezus Christus evenzeer nodig; ieder mens wie hij ook is; evenals ikzelf slechts uit die genade waarlijk leven en sterven kan. Boven alle stormen in deze wereld en in onze mensenharten uit, verwacht ik daarom de verlossing alleen van Hem die gezegd heeft: "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde, en zie, Ik ben met ulieden alle dagen tot de voleinding der wereld". Wat mijn toekomst zal zijn weet ik evenmin als één uwer dit voor zich kan weten, doch bezorgd behoeft niemand daarover te zijn, omdat, terwijl ik weet, dat er in mij geen kracht is, ik alle kracht verwachten mag van Hem die een mens, ook in de grootste nood, nooit verlaat. Ik wil daarom eindigen met u voor te lezen Psalm 23, waarin nu reeds zoveel eeuwen geleden door de Joodse ziener dit onverwoestbare Godsvertrouwen wordt uitgesproken. "De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden: Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijn ziel, Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om zijns naams wil. Al ging ik ook in een dal der schaduwen des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij: Uw stok en Uw staf die vertroosten mij. Gij richt een tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegen-partijders. Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen alle de dagen mijns levens, en ik zal in het huis des Heren blijven in lengte van dagen." [2.7]
Zijn vrouw vertelde later: "Het was natuurlijk wel een probleem, zo opeens zonder betrekking, maar we dachten: er zal wel een oplossing komen. Je doet die dingen vanuit je geloof." De Graafs toespraak werd op grote schaal verspreid. Hijzelf werd kort daarop gevangen genomen en als gijzelaar opgesloten in het concentratiekamp Buchenwald, waar hij tot maart 1943 zou verblijven.
<42>
Omstreeks diezelfde tijd publiceerde dr. J. Eykman, een lid van de Lunterse kring, een tot brochure omgewerkte preek, ook al had hij die preek gemaakt in angst en beven. De brochure werd uitgegeven onder de titel Wij bouwen verder, maar op welken grondslag? (Verg. 1 Corinthiërs 3: l1). De "afgoderij van bloed en ras" werd scherp afgewezen: "Voor iedereen die ooit één woord in de bijbel gelezen heeft, is het duidelijk dat God het Joodse volk en het Joodse ras als een zegen in de wereld gewild heeft." De verkoop van deze brochure werd begin september verboden, maar toen waren er al 13.000 van verspreid. Ook dr. Eykman werd als gijzelaar naar Buchenwald gevoerd.
e. Het eerste protest
Terug naar het Convent van Kerken. De notulen van 30 september 1940 vermelden: "Onderwerp antisemitisme zal voorbereid worden door een nota van ds. Buskes, waarbij gevoegd zal worden afschrift van een advies door prof. Aalders uitgebracht aan de Synode der Herv. Kerk". Inderdaad is het onderwerp op de volgende vergadering besproken. Het advies-Aalders, opgesteld naar aanleiding van de bovengenoemde brief van de Lunterse kring aan de Synode, begon als volgt:
"De kerk heeft in eerste aanleg niet te doen met het antisemitisme, d.w.z. met het Semitische ras in het algemeen, maar met de aantasting van personen of groepen, die, als Joden, tot dit ras behoren. En ook hier moet de kerk, krachtens haar theologische visie, in de eerste plaats niet het oog hebben op de Joden in het algemeen, maar op de Joden, welke tot de kerk behoren, de christenen onder de Joden dus." [2.8]
Het memorandum van ds. Buskes had de volgende inhoud:
"De kwestie van het antisemitisme werd door mij aan de orde gesteld, omdat zij naar mijn overtuiging de verhouding van kerk en overheid raakt. De Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken heeft in opdracht van de Commissaris-generaal voor Bestuur en justitie aan de colleges van Gedeputeerde Staten der verschillende provincies brieven gestuurd inzake de benoeming of bevordering van Joden in openbare dienst (30 september en 3 oktober 1940). Uit deze brieven blijkt, dat voortaan onderscheid zal worden gemaakt tussen de Joodse en niet-Joodse Nederlandse burgers.
<43>
De Rijkscommissaris heeft toegezegd, in overeenstemming met het Landoorlog- regelement (1907) de in ons land geldende wetten te zullen eerbiedigen, behoudens volstrekte verhindering. De nieuwe verordeningen hebben met militaire belangen niet te maken. Zij zijn een uiting van het antisemitisme, dat behoort tot de wezenlijke bestanddelen van het Nationaal-Socialisme. Als zodanig betekenen deze verordeningen een principiële inbreuk op de vigerende wetgeving welke de onderscheiding van Joodse en niet-Joodse Nederlandse burgers niet kent.
Foto 6. Dr J.J. Buskes (na oorlogse foto)
Het antisemitisme is in strijd met het Evangelie van Jezus Christus, dat de kerken hebben te prediken. De kerken moeten, krachtens hun prediking van dit Evangelie, er op staan, dat aan de Joden hier te lande en in de gegeven situatie een behandeling op gelijke voet met alle andere burgers wordt verzekerd. Het antisemitisme zet de jood op zijn jood-zijn vast. Het werkt bij de jood de verharding en bij de niet-jood de verhovaardiging in de hand en staat de Evangelieprediking in de weg. Daarom staan de kerken met hun prediking van het Evangelie in dit opzicht achter de vigerende wetgeving. In het bijzonder moge ik er op wijzen, dat de verordeningen ook gelden voor het bijzonder onderwijs, dus o.m. ook voor de scholen met de bijbel, terwijl zij naar hun inhoud met het wezen van de scholen met de bijbel volstrekt in strijd zijn. Mijn voorstel is: Het Convent wende zich tot de Rijkscommissaris en make hem uit naam van de kerken hun principiële bezwaren tegen deze verordeningen bekend." [2.9]
<44>
Ook al kan men mijns inziens terecht tegen een zinsnede van deze nota bezwaar
maken ("Het antisemitisme werkt bij de jood de verharding in de hand"), toch
dwingt het geheel respect af.
Blijkbaar is er naar aanleiding van de nota een felle discussie geweest.
Ds. Buskes zou later vermelden:
Het heeft veel strijd en moeite gekost, om ten opzichte van de Joden kwestie tenslotte een waarlijk principieel geluid te laten horen. Bij velen ontbrak elk bijbels inzicht in wat de Jodenvervolging betekende. Met verontwaardiging denken wij terug aan wat een man als prof. Kuyper zowel in het IKO als in de Heraut over de Jodenkwestie ten beste gaf (De Joodse kwestie raakte de kerken niet rechtstreeks; reeds Groen van Prinsterer en Kuyper maakten onderscheid tussen Joodse en niet-Joodse burgers), met teleurstelling aan wat enkele anderen over de roeping der kerk tegenover de vervolgde Joden zeiden. Er waren ogenblikken, dat wij in dit opzicht niets, maar dan ook niets konden verwachten. [2.10]
Ten slotte besloot men tot het indienen van een request bij de Rijkscommissaris. Ook prof. Kuyper zette zijn handtekening, maar de twee Lutherse Kerken deden niet mee. In een brief gedateerd 17 oktober 1940 wordt de afwijzing als volgt gemotiveerd:
De Algemene Kerkelijke Commissie van het Hersteld Evangelisch Kerkgenootschap, op 16 juli 1940 in vergadering bijeen, kennis genomen hebbende van het voorstel ingediend bij het Convent van Kerken om namens voornoemd Convent een adres te zenden naar de Rijkscommissaris in verband met de z.g. Jodenverordening, heeft mij opgedragen U beleefd te berichten dat Zij Haar medewerking niet kan geven, omdat Zij van oordeel is dat Zij dan zou treden op het terrein van de Staat en het absoluut tegen het Lutherse principe is zich te bemoeien met Staatsaan- gelegenheden. Deze verordening toch betreft uitsluitend Rijks- en Gemeente ambtenaren en heeft niets te maken met de kerkelijke aangelegenheden. Zij is ervan overtuigd dat art. 5 van de Grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden een uitvloeisel is van de gedachten der Franse Revolutie, en dat een opkomen voor de rechten daarin vervat niet een strijden is voor de Zaak van Jezus Christus. Wanneer het om het laatste gaat zal Zij niet aarzelen om stelling te nemen en zo nodig het martelaarschap ondergaan, maar zulks is nu niet het geval." [2.11]
Men had in de betreffende commissie van deze - ongeveer 10.000 leden tellende - Kerk blijkbaar de kwestie van het al of niet meedoen met het protest besproken, onmiddellijk nadat ds. Buskes een en ander in het Convent aan de orde gesteld had. Zoals nog blijken zal, heeft deze Kerk met latere protesten tegen de Jodenvervolging wel meegedaan.
<45>
Het request - eigenlijk een protest - was gedateerd: 24 oktober 1940. Het l uidde als volgt:
Excellentie
De ondergetekenden, vertegenwoordigende de navolgende Protestantse Kerken in Nederland in zaken betreffende de verhouding dezer kerkgenootschappen tot de Hoge Overheid, te weten: 1. De Nederlandse Hervormde Kerk; 2. De Gereformeerde Kerken; 3. De Christelijke Gereformeerde Kerk; 4. De Gereformeerde Kerken in Nederland in Hersteld Verband; 5. De Remonstrantse Broederschap; 6. De Algemene Doopsgezinde Sociëteit, gevoelen zich gedrongen, naar aanleiding van de onlangs uitgevaardigde voorschriften, waarbij de benoeming en bevordering van ambtenaren en andere personen van Joodse bloede in Nederland wordt verboden, zich tot Uwe Excellentie te wenden. De strekking van de genomen maatregelen, waarbij gewichtige geestelijke belangen ten nauwste zijn betrokken, achten zij in strijd met de Christelijke barmhartigheid. Voorts treffen deze maatregelen de leden der Kerk zelve voorzover zij in de laatste geslachten tot het christendom zijn overgegaan en in volkomen gelijk- gerechtigheid, zoals de Heilige Schrift uitdrukkelijk verlangt (Romeinen 11: 12, Galaten 3:28), in de Kerken zijn opgenomen. Eindelijk worden de Kerken op het diepst ontroerd, omdat het hier betreft het volk, waaruit de Zaligmaker der wereld is geboren en dat het voorwerp is van de voorbede der Christenheid, opdat het zijn Heer en Koning lere erkennen. Het is om deze redenen, dat zij zich wenden tot Uwe Excellentie met het dringende verzoek te willen medewerken tot de intrekking van de bedoelde voorschriften. Zij doen daarbij een beroep op de belofte, door Uwe Excellentie in een plechtig uur geschonken, dat zij ons volkskarakter wil eerbiedigen en aan ons land geen ideologie wenst op te dringen, die ons vreemd is.
(10 handtekeningen)
<46>
H.C. Touw zou later schrijven: "De betekenis van dit eerste, gemeenschappelijke protest tegen de Jodenverdrukking, in een tijd toen een groot deel van ons volk de strekking nog niet doorzag, kan niet licht overschat worden. Voor het eerst getuigden de kerken tezamen, getuigden zij tegen het antisemitisme, getuigden zij op bijbelse gronden, en getuigden zij tijdig." Misschien was het belangrijkste van de indiening van dit request, dat men besloot om in alle kerkgebouwen mededeling aan de gemeente te doen van de indiening, met een korte samenvatting van de inhoud. Later zou de Hervormde predikant dr. H.M.J. Wagenaar, op wiens bureau (voor predikantssalarissen) de meeste stukken gestencild werden, aan L. de Jong vertellen hoe een besluit om een protest in alle plaatselijke kerken voor te lezen, uitgevoerd werd:
"Moest op zondag in alle hervormde kerken een bepaald schrijven voorgelezen worden, dan werden de gestencilde stukken als regel op woensdag gereedgemaakt en op donderdag door vertrouwde koeriers of koeriersters naar verschillende adressen in den lande gebracht. Van daaruit waarschuwde men de gedelegeerden van de classes; die lieten dan op vrijdag de stukken ophalen en droegen er zaterdag zorg voor, dat elke predikant het voor hem bestemde exemplaar ontving. Het was een distributiesysteem, buiten de post om, dat steeds feilloos functioneerde. Het element van risico dat er in stak (de stukken kwamen ook in handen van 'foute' predikanten) werd aanvaard." [2.12]
Zondag 27 oktober, aldus Touw, werd een keerpunt in de geschiedenis der kerk: "de stilte, waarin kerk en volk zovele maanden verkeerden, werd verbroken". Er waren gemeenteleden die alleen maar naar de ochtenddienst plachten te gaan, maar op die zondag ook naar de middagdienst kwamen om de afkondiging nog eens te horen.
Maar de Gereformeerde prof. H.H. Kuyper oordeelde, dat "het niet oorbaar moest worden geacht aan een verzoek publiciteit t. geven voordat het antwoord was binnengekomen" (Seyss-Inquart heeft niet geantwoord). Wel werd de tekst aan de plaatselijke kerkenraden gezonden, maar ook dat geschiedde met vertraging. Zo werd op 29 oktober in alle Hervormde kerkdiensten mededeling gedaan van het protest, maar de Gereformeerden hoorden er die zondag in hun kerkdiensten niets over, al was het protest ook namens hen ingediend.