WeRead Powered by ReaderPub
De omwenteling van 1830 cover

De omwenteling van 1830

Chapter 4: III
Open in WeRead

About This Book

A combined memoir and historical narrative recounts the causes, unfolding, and consequences of the 1830 revolution, blending eyewitness detail, family and childhood memories, and broader political analysis. It traces popular discontent and mobilization, key urban events and civic responses, and the social currents that shaped demands for change. The text alternates personal recollection with situational description and reflective commentary, examining themes of national identity, collective action, and the interplay between private experience and public upheaval.

II


Wij bleven eenige dagen te Oostmalle, op vijf uren gaans van Antwerpen. Hier kwam mijn vader mij bezoeken, met het inzicht om de bescherming mijner officiers voor mij in te roepen. Hij bleef lang in gezelschap met den overste onzer compagnie, die een Franschman was, en sprak waarschijnlijk met hem over Napoleons tijd, over de roemrijke wapenfeiten der Fransche legers en over de rampen der keizerlijke vloten; want toen ik mijnen vader uitgeleide had gedaan en te Oostmalle wederkeerde, sloeg de overste mij vriendelijk op den schouder, terwijl hij mij zeide:

"Uw vader heeft den grooten man gediend; hij is een oude zeewolf, die zijn bloed voor het vaderland heeft gestort. Dit is mij voldoende om zijnen zoon voor te staan waar ik kan; de brave man hoefde het mij zoo dringend niet te verzoeken. Ik maak u korporaal; later zullen wij zien wat ik voor u nog kan doen. Zorg intusschen, dat gij wat soldaat wordet; maar geef den moed niet op: ik zal mij uws vaders woorden herinneren en u helpen."

Drie weken later (den 31sten November 1830) te Turnhout werd ik fourier gemaakt. De titel van onderofficier, welken ik nu bekwam, klonk mij in de ooren als de aankondiging eener schitterende loopbaan, en ik schreef naar huis, dat ik God dankte, omdat Hij mij niet alleen het voornemen had doen opvatten van soldaat te worden, maar nog daarenboven mij de noodige stoutheid had vergund om het uit te voeren.

Dat ik te midden der woeste vrijwilligers zoo goed in mijnen schik was en geene merkelijke vernedering meer onderging, dit had ik te danken aan den officier, die het bevel over mijne compagnie voerde. Hij heette Schmit, en had, zeide men, van zijne zestien jaar in de jonge garde van Napoleon gediend. Hoog van gestalte en schoon van lichaamsbouw was hij; uiterst behendig in de schermkunst met sabel en degen, krikkel op het punt van eer, moedig tot overdrevenheid, vroolijk van inborst en geestig in al zijne gezegden; daarbij goed van harte en onbekwaam om iemand leed te doen of met inzicht te bedroeven; in één woord, het ware beeld van den Franschen soldaat, zooals hij ons in poëzie wordt voorgeschetst.

Deze had mij zichtbaar onder zijne bescherming genomen en waakte met vaderlijke bezorgdheid en met waren edelmoed over son petit fourrier, zooals hij mij altijd noemde. Aan hem was ik mijne spoedige verheffing tot fourier verschuldigd.

De onderofficiers, mijne gezellen in de 3de compagnie van het 3de bataljon der Jagers-Niellon, waren insgelijks goede jongens, en hun gedrag ten mijnen opzichte was even alsof zij samengespannen hadden, om hun fourierken tegen alle ongeval te verdedigen. Met hen ook had mijn vader te Oostmalle gesproken. Onder dezen, mijne beschermers en ambtgenooten, was de sergeant-majoor Collette, van Brussel, en een sergeant van Luik, met name Deguée, die mij lachende zijnen zoon noemde, en waarlijk uit rechtzinnige goedheid met de sabel het minste ongelijk zou hebben gewroken, dat men mij hadde durven aandoen.

Aldus omringd van goede vrienden, gevoelde ik den overgang van den burgerstand tot het soldatenleven niet anders, dan door de onbeperkte onafhankelijkheid, welke wij genoten. De vrijwilligers zonder verbintenis, die de overgroote meerderheid van ons regiment uitmaakten, toonden zich wars van alle onderschikking en verdedigden hunne persoonlijke vrijheid tegen den minsten schijn van tucht. Zij gingen naar huis voor zoovele dagen als het hun beliefde, en keerden weder in de rangen, zonder dat men hen durfde bestraffen. De officiers hadden nog geene regelmatige benoeming; het behoud van hun ambt hing af van de willekeur der mannen, waarover zij moesten bevelen. Hieruit volgde, dat ieder deed wat hij wilde, en het gansche regiment nog bestond uit vrije burgers, die geenen krijgsdwang erkenden. Wij hadden geene soldatenkleeding en oefenden ons niet in den wapen-handel. Wie tweemaal elken dag op het appel verscheen, was een vlijtig man en mocht zeggen, dat hij aan al zijne plichten had voldaan. Het overige van den tijd sleten velen in de herbergen; de anderen bleven ten huize der burgers of boeren, bij wie zij ingekwartierd lagen; en, dewijl de vaderlandsliefde der Kempenaars hun de Belgen zeer deed beminnen, werden dezen aanschouwd en behandeld als waren het leden van het huisgezin.

De vrijwilligers, die men naar hunnen generaal Chasseurs-Niellon noemde, bleven werkeloos in Turnhout of op de naaste dorpen liggen, tot het einde der maand December. Alsdan vertrokken wij met een sneeuwig weder naar den kant van Limburg, om, zoo men ons zeide, den vijand in te wachten, die uit de vesting Maastricht eene krijgsmacht over de heide naar Holland wilde zenden.

Wat hiervan zij, men hield ons tegen den avond staan op eene onmeetbare heide, die wel tot eenen voet hoogte met sneeuw was overdekt.

De wind was in het Oosten gekeerd en zoo koud, dat wij ons de handen voor de ooren hielden, om ze niet te laten bevriezen.

Bevel werd er gegeven, dat wij te dezer plaatse den nacht op bivak zouden doorbrengen, dit wil zeggen, dat wij op de sneeuw konden slapen, indien wij niet liever tot den morgen met stampen en armenslaan ons wilden verwarmen. Onze verwondering was groot; de mijne bovenal.

Ik zag niets voor mijne oogen dan eene onafzienbare vlakte, waarvan de eentonige witheid het gezicht verbijsterde. Slechts langs één zjjde, op een vierendeel uurs afstand, begrensde een hoog mastbosch de kimme, en daarachter wel een uur verre, schoot de klokketoren van een dorp in de hoogte: het was de gemeente Baelen, op de grenzen der provincie Limburg.

Wij hadden sedert ons vertrek uit Turnhout nog geen voedsel genuttigd. Dewijl de Belgen sedert de omwenteling immer bij burgers en boeren waren ingekwartierd geweest, bestond er nog geen voorraaddienst in het leger; wij hadden diensvolgens het vooruitzicht, dat wij hier zonder eten zouden blijven.

Zoohaast de moedigsten dezen toestand hadden begrepen, begonnen zij naar middelen uit te zien om vuur en voedsel te bekomen. Er werden ploegen of corvées ingericht, om hout uit het mastbosch te halen Nog geen half uur was het geleden, of honderden mannen kwamen ieder met eenen sparreboom naar het bivak gesleurd. Voor elke compagnie werd een vuur ontstoken, dat allengs grooter en grooter wordende, eer het op de heide donker was, zijne slingerende vlammen tot dertig voet hoog deed stijgen.

Deze eerste nacht van het bivak liet op mijn gemoed eenen diepen indruk na;-de nijpende koude vergetend stond ik, uren lang, in stomme verbazing op het ontzettend schouwspel te staren, dat zich daar voor mijn oog ontrolde.

Achttien vuren, uit stapels mastboomen in de hoogte golvend, verlengden hunne rij over de vlakte. De hemel blaakte boven onze hoofden; de sneeuw zelve scheen te branden; en dewijl, bij het dansen der vlammen, de vurige tonen van het bloedroode licht dan eens met de helderheid des bliksems, dan weder met vale rosheid over de heide golfden, was het voor de oogen en voor den geest, alsof eene onstuimige zee van onzichtbaar vuur over de sneeuw hadde gevlot...

Bij elken gloed, als een zwerm duivels rond het vuur krielend, zag men de donkere schimmen der vrijwilligers tegen de vlammen zich uitlossen, in menigte gaan en komen, boomen op het vuur werpen, of den brandstapel met geweld omrukken, ten einde zijne woede nog aan te hitsen. Op zulk oogenblik gingen gansche wolken gensters en brandende vonken ten hemel en dreven als een groot vuurwerk over het leger.

Door de eentonige nachtstilte der vlakte klonk het even eentonig, doch ontzaglijk gekraak der duizende boomstammen, die eenige oogenblikken vroeger nog groen in het woud stonden te groeien en nu, in den schoot der vlammen, als dunne twijgen werden verslonden. Tusschen dit overheerschend gerucht galmde de stem der vrijwilligers, die elkander bij hunne namen riepen; soms ook wel ontstond in de verte het lied en avant, marchons! of men hoorde het noodgehuil van een varken, dat men bezig was met kelen, of het gebrul eener koe, die door onze maraudeurs of voedselzoekers uit een naburig gehucht was weggehaald.

Omtrent mij werd een kalf met sabelhouwen neergeveld en oogenblikkelijk, zooals het was gevallen, in stukken gehakt.

Een sergeant duwde mij eenen lap vleesch in de hand; en, de anderen navolgend, begon ik het aan het reusachtig vuur te braden.

Vermits wij niet dicht bij den gloed konden naderen, staken wij het vleesch op de punt van den laadstok onzes geweers en hielden het aldus op eenen afstand in de vlam. Wanneer het dan eenigszins was verbrand, aten wij het gebraden gedeelte er af, en herhaalden deze handeling totdat er ons niets meer van het vleesch overschoot.

Bijna den ganschen nacht bleven wij te been; doch tegen den morgen overviel ons eene onoverwinnelijke slaapzucht. Velen legden zich neder, op vier of vijf stappen van het vuur, en sluimerden op den grond even goed als in een donzen bed.

Niets aan het lijf hebbend dan eenen lijnwaden kiel over mijn zwart schoolkleed, zat ik als gevoelloos rond te staren. Mijn aangezicht en mijne borst waren brandend van den blaak des vuurs, terwijl mijn rug, door den scherpen oostenwind aangedaan, schier bevroor van koude.

Allengs verzwaarde mijn hoofd; ik legde mij neder, blikte nog eene wijl in de vlammen, en viel dan in slaap.

Toen ik twee uren later ontwaakte en meende op te staan, was het mij onmogelijk. Men had het vuur laten verzwakken, en het water van de gesmolten sneeuw was onder mij vastgevrozen. Men moest letterlijk met sabelhouwen mijnen kiel van den grond loshakken, vooraleer ik mij oprichten kon. Ik bibberde van koude; mijne ledematen waren verstijfd; ik was bleek en gansch moedeloos.

Zoo bleven wij drie dagen en drie nachten, zonder ander voedsel dan wat er werd geroofd, op de sneeuw rond de groote vuren gelegerd. Reeds den tweeden dag had het zonderling schouwspel zijne aantrekkelijkheid voor mij verloren; ik bewoog mij langzaam en voelde iets in mij, alsof ik ziek worden ging. Mijne vrienden der compagnie bemerkten het wel; zij omringden den petit fourrier met de liefderijkste zorgen en hadden zelfs eenen bussel hooi gebracht om hem er op te laten slapen.

Den derden dag was het mij nog erger; ik zat ineengekropen onder eenige boomstammen, die men als beschutting tegen den wind had opgericht; ik dacht aan mijnen vader, aan mijn leven in de kluis, aan mijnen broeder en aan alles, wat ik op aarde meest beminde....

De sergeant Deguée, mijn goede beschermer, wilde mij naar den regimentsdokter leiden om een briefje tot inkwartiering te Baelen te bekomen; doch het kwetste mijne fierheid zoo diep, te moeten zwichten voor iets, waaraan mijne meeste gezellen wederstonden, dat de schaamte mij nog meer deed lijden dan mijne onpasselijkheid. Ik had mij man gewaand, en ik bezweek als een kind onder koude en derving van gewoon voedsel! In mijne spijt antwoordde ik mijne vrienden, dat men om mij niet moest bezorgd zijn, dat het wel zou overgaan, en meer andere machtspreuken, die slechts de laatste teekenen waren mijner worsteling tegen het noodlot, dat mij vernederen zou.

In den namiddag waren er eindelijk karren met voorraad in het bivak verschenen, en ik werd geroepen, om als fourier de mannen van corvée naar de karren te vergezellen. Ofschoon de koorts mij schrikkelijk deed beven en mij nauwelijks toeliet op mijne beenen te staan; alhoewel de pijn in het hoofd mij verbijsterde, begaf ik mij vooruit en toonde mij bereid tot het volvoeren van mijnen dienst; doch de officier Schmit wilde het niet toelaten, en liep zelf om den bataljonsdokter te halen. Deze gaf mij een briefje, waarmede ik naar Baelen zou gaan; en de burgemeester zou mij, bij het vertoonen van het schrift, in een huis van het dorp doen herbergen.

De tranen schoten mij in de oogen, toen ik op het gelaat mijner vrienden zulk diep medelijden met mijnen ellendigen toestand bespeurde. De sergeantmajoor Collette en de sergeant Deguée dwongen mij tot het aanvaarden van geld; een korporaal van Verviers, met name Fabry, stak eene halve zijde gerookt spek in mijnen ransel; want, zeide hij, er was op een uur in het ronde niets meer te vinden, en het vleesch kon mij van dienst zijn.

[Ik klopte en bleef kloppen: men opende niet.]

Dus beladen met wenschen tot herstelling en met allerlei bewijzen van vriendschap, begaf ik mij op weg naar het dorp Baelen. Ik stapte langzaam en rustte dikwijls. De vermoeidheid zich bij de ijzing der koorts voegende, werd ik eindelijk zoo moedeloos, dat ik mijne handen schier op mijn geweer liet bevriezen, zonder nog de kracht te hebben om het zware wapen van schouder te veranderen.

Toen ik, dus voortsukkelend, het dorp bereikte, was het donker geworden. De huizen waren gesloten en ik zag er geene boeren op de straat; slechts vrijwilligers, die het bivak waren ontloopen, zwermden er rond en sloegen, onder ruw geschreeuw, met de kolf des geweers tegen de deuren, om te worden binnengelaten.

Men wees mij het huis des burgemeesters; ik klopte en bleef kloppen: men opende niet. Dan, eindelijk antwoordde men mij van boven uit een venster, dat er geen logement in het dorp meer was, en dat de generaal zelf verboden had nog eenen enkelen Belg te herbergen.

Ik bleef eene wijl verpletterd staan, en zou wellicht voor de deur des burgemeesters mij neergelegd hebben; doch mijne koorts en mijne hoofdpijn waren verminderd. Het gevoel des hongers verkrampte mijn ingewand.

Door den nood voortgezweept, klopte ik op de deuren der huizen, waarbinnen ik nog licht zag; aan de meeste kreeg ik geen antwoord; de overige waren opgevuld met vrijwilligers, die vloekten en tierden, dat zij geene levende ziel meer zouden binnenlaten.

De wanhoop vervulde mij het hart. Krachteloos, uitgeput van vermoeidheid en schier bezwijkend van honger, geraakte ik tot bij de laatste huizen des dorps: overal vergeefsche moeite om toegelaten te worden ... en sterkmoedigheid, om de deuren aan stukken te slaan of de lieden te dwingen, ontbrak mij gansch!

Dáár zag ik eensklaps in de verre velden een lichtje! Men moge er om lachen; maar dat lichtje, evenals in het vertelsel van Duimken en in vele andere volksvertellingen, blonk mij in de oogen als eene star der hoop. Ik stapte er op aan en bleef, om het te bereiken, wel vijfmaal verder gaan dan ik had verwacht.

Het was een klein, leemen huisje, tegen de baan naar Roslaer. Ik klopte, en men opende oogenblikkelijk.

Een schreeuw van schrik ontvloog den inwoners, als zij mij met het geweer in de hand zagen binnentreden, en zij begonnen smeekend mij te zeggen, dat zij niets meer bezaten. Men had hunne kiekens en hunne eenige geit beroofd; zelfs hun laatste brood hadden de Belgen weggehaald.

Ik zeide hun, dat ik ziek was, vertelde in weinige woorden, hoe ik in het dorp vruchteloos had gebeden en gesmeekt om een nachtverblijf, en eindigde met hun om een plaatsken in hunne hut te verzoeken, totdat de morgen kwame.

Mijne jonkheid en de klagende toon mijner stem troffen de goede lieden; zij wezen mij eenen stoel bij het smeulend vuur, hielpen allen te gelijk om den ransel van mijne schouders te krijgen, en zeiden mij onder betuigingen van vriendschap en medelijden, dat hun huisje gansch tot mijnen dienst stond. Een bed konden zij mij niet geven; maar op de schelf, boven het geitenstalleken, lag hooi: daarin kon ik slapen, en de baas zou wel zorgen, dat ik er geene koude leed. Geen ander eten was er in huis dan een zwart roggebrood, dat ergens voor de rondzoekende vrijwilligers was verborgen geweest; van dit brood mocht ik nemen wat mij beliefde.

De hut was bewoond door eenen man en zijne vrouw en door hunne dochter, een meisje van omtrent de zeventien jaar. Deze laatste beklaagde den armen Belg met luider stemme, en aanschouwde hem met zulk liefderijk medelijden, dat haar zoete blik alleen mij troost in den boezem goot en mij als het ware uit de moedeloosheid opriep.

Ik wilde den lieden geld geven: doch man en vrouw stonden met verontwaardiging tegen mijn aanbod op. Konden zij iets ten mijnen dienste er voor bekomen, dan zouden zij het wel aanvaarden; maar er was nergens in de gansche gemeente iets voor geld te bekomen.

Dan slechts schoot mij te binnen, dat korporaal Fabry eenige ponden spek in mijnen ransel had gestoken. In allerhaast sneed ik er van aan stukken; de pan werd over het vuur gehangen ... en weinige oogenblikken later zat ik met mijne nieuwe huisgenooten aan den disch.

Ik vertelde van mijne ouders, van mijn vorig leven en van mijn wedervaren op het bivak. Eer ik mij tot de rust begeven zou, waren wij alle vier zulke goede vrienden en bekenden, alsof ik sedert mijne kindsheid van het huisgezin hadde deelgemaakt.

De man bracht mij boven het stalleken, maakte eene diepte in het hooi, deed mij er in nederliggen, schikte dan nog meer hooi boven mijn lichaam en op mijne voeten, en wenschte mij dan den goeden nacht.

Welhaast doordrong eene milde warmte mijne leden, en met haar stroomde er nieuw leven mij door het hart. Mij dacht, een koning, op het fijnste zwanendons rustend, kon niet zoo zacht en zoo verkwikkend liggen als ik nu, tusschen het gastvrije hooi boven den geitenstal lag uitgestrekt. Ik dankte God met innig gevoelde erkentenis om Zijne goedheid,-en, zwemmend op den zoelen stroom van allerlei blijde gedachten, viel ik in eenen wellustigen sluimer.

Des morgens wekte men mij niet; het was reeds lang dag, eer ik van zelf ontwaakte.

Toen ik beneden kwam, vond ik de koffie op de tafel staan en de goede lieden die op mij hadden gewacht om te ontbijten. Mijn blik viel op het meisje; zij lachte mij eenvoudig, doch zoo minnelijk toe, dat ik het hoofd boog, en schaamrood op mijn voorhoofd voelde klimmen.

Omtrent den middag kwam er een officier, vergezeld van eene talrijke wacht, wien gelast was al de huizen te doorzoeken en de vrijwilligers naar het bivak te doen terugkeeren. Het briefje van den dokter beschermde mij tegen de uitdrijving.

De koorts greep mij in den vooravond weder aan, evenwel met minder hevigheid; en na drie telkens verminderde aanvallen, was ik gansch genezen.

Zoo bleef ik omtrent tien dagen in de hut, meesttijds bij het vuur onder den schouwmantel gezeten en in stille, diepe mijmering mijn oog op de jonge maagd houdend, die niet verre van mij zat te spinnen. Wanneer ik aan de minste beweging van haar hoofd kon raden, dat zij den blik tot mij ging richten, keerde ik met schuchterheid mijn gezicht ter zijde.

Zij scheen mij schoon, de tengere, zoete maagd, met hare frissche wangen en helderblauwe oogen! Zoo schoon en zoo zuiver, dat zij mij voorkwam als een engellijk beeld, omhuld met eenen wasemkring van kuischheid en van betooverende onnoozelheid. In mijn eenvoudig gemoed wenschte ik, dat God mij hadde toegelaten haar broeder te zijn. Hoe gelukkig en hoe blijde hadde ik mijn leven aan hare zijde gesleten!

Des avonds, wanneer moeder en vader ook rondom het vuur gezeten waren, dan moest ik vertellen. Omdat ik wist, dat het Bethken vermaak deed, spande ik al de krachten mijner verbeelding in, en ik schiep en schilderde de zonderlingste voorvallen, die mijne toehoorders zoozeer boeiden, dat zij uren lang, met gapende monden, op mijne verhalen luisterden. De ziel der maagd, terwijl zij dus met hare groote oogen mij aanschouwde, scheen op haar gelaat te zweven: onder den indruk van haren hemelreinen blik voelde ik de macht mijns geestes verdubbelen: ik werd dichter door de opwelling van een voor mij nog onbewust gevoel....

Bethken was ten uiterste in haren schik met onzen Belg, zooals zij mij noemde; zij roemde zijn verstand als eene wonderheid; zij was hem vriendelijk en nam hem bij de hand, wanneer zij hem ter tafel wilde roepen; maar haar voorhoofd bleef leliewit, en als het schaamrood mijne wangen kleurde, glimlachte zij met schuldelooze vrijheid.

Op eenen namiddag kwam een korporaal mijner compagnie mij verwittigen, dat het regiment des anderen daags 's morgens, te negen uren, het bivak zou verlaten, om naar de kanten van Gheel of van Moll te vertrekken, en dat ik mij gereed moest houden om de compagnie te volgen, hetzij te voet of op een der vrachtkarren.

Dien avond vertelde ik geene vertelsels, wij waren allen in stilte rondom het vuur gezeten en treurden over het noodlottig afscheid. Bethken jammerde over haren armen Belg, die zeker in het woeste en harde soldatenleven weder ziek zou worden, ik betuigde den goeden lieden mijnen dank en deed geweld om bij de herhaalde bewijzen van zoete, zusterlijke genegenheid, mij door Bethken gegeven, niet in tranen los te barsten.

Des anderen daags 's morgens, toen wij in de verte de marschtrommen hoorden, gaf Bethken mij twee boterhammen en twee hardgekookte eieren, welke zij van de meid des pastoors had gekregen: die moest ik, of ik wilde of niet, in mijnen ransel steken. Dan volgde het treurig afscheid; wij drukten elkaar met vochtige oogen de hand, en de goede lieden beloofden, dat zij God voor mij zouden bidden.

Bethken volgde haren Belg van verre, tot in het dorp, waar mijn regiment juist op de groote baan verscheen. Ik voegde mij in den rang der onderofficieren mijner compagnie, die over mijne wederkomst jubelden, terwijl zij met blijdschap riepen: "Ah, daar is ons fourierken!"

In het voorbijtrekken zag ik Bethken nog; ik boog het hoofd, want er sprongen tranen in mijne oogen; en nog dieper werd ik ontroerd, als ik verder mij omkeerende, het droeve Bethken tegen een huis met het voorschoot voor het aangezicht zag staan....

De eieren, welke zij mij had geschonken, nuttigde ik dien dag met kloppend hart; ook eene der beide boterhammen; maar de tweede liet ik tot aandenken in mijnen ransel. Maanden lang werd zij bewaard; ja, zoolang, dat zij gansch in morzelen was gevallen. Langer nog bleef het beeld van het zoete Bethken mij volgen; doch het verzwakte mettertijd, en er bleef mij niets van over dan de dankbare herinnering aan de zorg en de vriendschap, door eenvoudige hutbewoners mij bewezen.

Slechts zestien jaren later heb ik het dorp Baelen voor de tweede maal gezien, en ik heb mij ter plaatse begeven, waar de zieke Belg eens zulke liefderijke verpleging vond. De hut was verdwenen; niemand wist mij met eenige juistheid te zeggen, waarheen de ouders van Bethken of zij zelve waren vertrokken of versukkeld. Men scheen slechts door eene twijfelachtige herinnering nog te weten, dat daar ooit het leemen hutteken van eenen armen werkman had gestaan. Een tweede bezoek te Baelen leverde mij geenen beteren uitslag op.


III


Van het bivak bij Baelen trokken wij naar het kleine stedeken Gheel en zijne omliggende dorpen; dan naar Moll, en eindelijk weder naar Turnhout.

Hier kwam mijn vader mij bezoeken en bleef twee dagen met mij; ik vernam van hem, dat mijn broeder Jan Balthazar, evenals ik, dienst had genomen in het Belgische leger, en dat hij vrijwilliger was in een regiment, dat omtrent Westwezel op de grenzen lag.

Mijn vader moest den eersten dag zijner aankomst reeds met mijne oversten gesproken hebben; want tusschen woorden van vaderlijke genegenheid en van aanmoediging, mengde hij voortdurend vermaningen, om mij te doen begrijpen, dat ik wat meer mensch en wat meer man moest zijn, en, zooals hij zeide, het voorkomen van een wittebroodskind moest pogen af te schudden. Ik begreep hem wel en was hem dankbaar voor zijnen raad; doch ik meende, dat mijne inborst beter was dan het ruw en schijnbaar gevoelloos karakter, dat men van een echt soldaat scheen te eischen. Mijn vader keerde te voet naar huis en zou, van den vroegen morgen tot den avond, niet veel minder dan tien uren wegs afleggen. Ik vergezelde hem twee uren verre, omhelsde hem en keerde dan weder naar Turnhout.

De vrijwilligers, sedert eenige maanden reeds op de grenzen werkeloos gehouden, begonnen te morren, omdat men hen niet tegen den vijand leidde; doch men deed hun verstaan, dat de groote mogendheden van Europa te Londen bezig waren met over het lot van België te beramen; en, dewijl Holland weigeren zou zich aan hunne beslissing te onderwerpen, moest men slechts wat geduld hebben: het spel zou wel voor goed aan den gang geraken.

Ondertusschen zwierven wij, tot de maand Juli 1831, gedurig in de Antwerpsche Kempen rond, overal op de dorpen en gehuchten bij de boeren herbergende.

Nu was het Lente geworden; ik beleefde voor de eerste maal het ontwaken der natuur in het nog oorspronkelijk Kempenland. Jong als de hernieuwde schepping was mijn hart, frisch en zuiver als de heide mijne droomachtige ziel.

Niet mijne latere reizen door de Kempen hebben mij het gevoel van de schoonheid der heide gegeven; alsdan, toen ik eerst de kindsheid ontgroeide, heb ik hare indrukken in mij vergaderd, hare kruiden geteld, hare geruchten afgeluisterd, ben ik in hare geheimen gedrongen en heb ik ze geliefd en bemind, als hadde mijne wiege op hare maagdelijke vlakte gestaan.

De frissche herinnering aan dit gelukkig tijdvak mijns levens heeft mij twintig jaren later nog doen uitroepen:

"Wat moet in de jonkheid onze ziel toch beminnend en machtig zijn, dat zij alles, wat haar omringt, in zich zelve opsluit en met eene onvergankelijke liefdewolk omhult. Menschen, boomen, huizen, woorden, alles,-levend of levenloos,-wordt een gedeelte van ons eigen wezen; aan elk voorwerp hechten wij eene herinnering, zoo schoon en zoo zoet als onze jeugd zelve. Onze ziel loopt over van kracht; zij spat vonken en sprankels van haar leven over al het geschapene; en, terwijl wij onophoudelijk het geluk tegenjuichen, dat ons, kinderen of jongelingen, te wachten staat, juicht en zingt alles in de natuur, eenstemmig met ons."

"Ach, hoe bemin ik de weide, den lindeboom, de pachthoeve, het kerksken en alle andere dingen, die mij zagen, toen de rozen der jeugd en de leliën der zuivere levenspoëzie mij den schedel sierden! Zij hebben genoten wat ik genoot; ik zag ze weelderig groeien en lachend in het zonnelicht glanzen, toen ik vroolijk was en dartelend vooruitstroomde in de onbekende baan der menschelijke bestemming. Zij zijn mijne oude speelgenooten, mijne gezellen; elk van haar roept iets aangenaams, iets verrukkends tot mij; zij spreken de taal mijns harten; al de fijnste snaren mijner ziel trillen weder met jeugdige kracht bij dien roep ... en in stille, godsdienstige aandoeningen dank ik den Heer, dat Hij, zelfs in het bevrozen hart van den afgesloofden mensch, nog de zoete bron der herinnering vlieten laat!"

Het was insgelijks gedurende den eersten tijd van mijn soldatenleven, dat ik de bewoners der Kempen, hunne gewoonten en hunne eenvoudige, doch uiterst schoone inborst leerde kennen en doorgronden. Het Belgisch fourierken, waar hij met een logement-biljet verscheen, deed zich spoedig beminnen door menschen, wier karakter zoozeer met het zijne overeenkwam in zachtheid, in levenslust en in eene onuitlegbare zucht tot mildheid en tot liefde. Hij zat met de lieden bij het vuur rondom den koeketel en vertelde wondere dingen; hij voegde de handen te zamen en bad met hen aan den disch; hij volgde hen ter kerke en knielde nevens hen; hij liep met de jongelieden naar het veld en hielp aan den arbeid; maar bovenal was hij de lieveling der kinderen, die met hoogmoed aan beide zijne handen wandelden en niet zelden tranen stortten, als de Belg, hun goede vriend, naar een ander dorp vertrekken moest.


IV


Nadat de Chasseurs-Niellon acht maanden in volle rust op de dorpen gelegen hadden, werden zij op eenen regelmatigen voet ingericht, onder de benaming van 2de regiment jagers te voet, en kregen nu eerst soldatenkleederen van groen laken met roode boordsels.

Er liepen geruchten, dat de Hollanders bezig waren met het vergaderen eener groote krijgsmacht, en dat zij eenen inval in België wilden wagen. Deze geruchten ontstonden en vergingen menigmaal.

Ondertusschen werden wij, op het einde der maand Juli 1831, al te zamen op eene heide omtrent Turnhout vergaderd. Daar werd, onder het aanheffen van een ontzaglijk gejubel, uitgeroepen, dat vorst Leopold, als eerste koning der Belgen, zijne intrede in Brussel had gedaan en volgens voorvaderlijk gebruik 's lands grondwet had bezworen.

Twaalf dagen later, in den nacht van den 1sten tot den 2den Augustus, terwijl wij gerust in onze logementen te Oud-Turnhout sliepen, werden wij eensklaps door de alarmtrom gewekt en liepen op de gewone vergaderplaats der compagnie te zamen.

Men leide ons door de duisternis en langs afgelegen banen naar eene onmeetbare heide tusschen Ravels, Baerle-Hertog en Weelde. Hier vonden wij het overige van ons regiment, alsook een ander bataljon vrijwilligers, reeds gelegerd.

Men deed ons de wapens en patroontasschen onderzoeken, ten einde met den morgen strijdvaardig te zijn; want de vijand was met groote macht over de grenzen gekomen en bevond zich niet verre van ons. Wij hoorden inderdaad, in de richting van het dorp Weelde, gebriesch van paarden en bijwijlen een zeker onuitlegbaar dof gerucht, dat ons de nabijheid van eene groote menigte menschen aankondigde.

In de duisternis drukten wij elkaar met geestdrift de handen; wij waren blijde, dat het ons eindelijk werd vergund, ons bloed voor het vaderland te vergieten. Niemand onder ons twijfelde aan de overwinning; onze moed was groot, en ons vertrouwen zonder palen.

Op mij deed echter het naderen van eenen grooten veldslag eenen diepen indruk; na in de eerste machtspreuken en wederzijdsche aanhitsingen te hebben deelgenomen, liet ik het hoofd op de borst zinken, en ik dacht aan mijnen vader en aan al wie mij te huis dierbaar waren. Deze zucht, naar de beminde dingen is als het testament der ziel: wie jong is en verre van zijne geboorteplaats in een groot gevaar verkeert, zal altijd gevoelen, hoe zijn geest een droevig en teeder vaarwel toewerpt aan al wat zijn hart betreurt en vreest te zullen verliezen.

Om den lezer eenigszins de voorvallen te doen begrijpen, welke gaan volgen, is het noodig eenige inlichtigen over dezen inval der Hollanders te geven.

Het Belgische leger was in eenen beklaaglijken toestand; te Brussel had men den tijd besteed aan de gewichtige beraadslagingen over onze onvergelijkelijk schoone Grondwet en over de keus eens Konings. Op het papier had men eene eerbiedwekkende krijgsmacht ingericht, doch deze bestond niet werkelijk. Geen voorraaddienst voor oorlogstijd was er ingericht; niets was voorzien: de regimenten vóór den vijand hadden zelfs niet meer buskruid onder hun bereik, dan men op eenen enkelen dag verbruiken kon. Vele generaals en de meeste officieren hadden nooit eenen regelmatigen krijg gevoerd: moed en onversaagdheid was er genoeg; maar ondervinding en beleid ontbrak er gansch.

De Belgische krijgsmacht,-buiten de burgerwachten, die meer hinder dan hulp bijbrachten,-kon beloopen tot de 30,000 man en was in twee groote afdeelingen gescheiden. De eerste, het Scheldeleger, lag rondom Antwerpen, onder bevel van generaal De Tieken de Terhove, die zijn hoofdkwartier op het dorp Schilde hield; de tweede, het Maasleger, lag rondom Hasselt, onder bevel van generaal Daine.-Tusschen deze beide legers bleef een afstand van dertien uren gaans!

De Hollanders hadden integendeel hun leger tot den inval met eene uiterste doelmatigheid vergaderd en ingericht; hunne krijgsmacht, onder bevel van den Prins van Oranje en den Prins van Saksen-Weimar, telde 40,000 man geregelde troepen en 30,000 man der schutterij; daarenboven 4,000 ruiters en 72 stukken geschut.

De eene helft der Hollandsche troepen rukte langs Limburg tegen het Maasleger in; de andere helft zakte naar Turnhout af, om op Antwerpen in te dringen.

Ons regiment jagers te voet, dat met eenige onregelmatige bataljons op de Ravelsche heide lag, vormde de zoogenaamde brigade d'avant-garde of voorwacht. Wij waren al te zamen 800 man en hadden twee veldkanonnen; een twintigtal jagers te paard waren ons toegevoegd om den postdienst te verrichten.

De afdeeling der Hollanders, die te Weelde op den Belgischen bodem had stand gevat, was eene voorwacht van 1,000 man.

Van al deze bijzonderheden wisten wij niets; slechts één ding was ons bewust, namelijk dat de Hollanders dáár waren en dat wij gingen strijden.

Zoohaast de morgenschemer de nachtelijke duisternis had vervangen, werden de twee vleugelcompagniën van elk bataljon als scherpschutters tegen den vijand gezonden; de middelcompagniën, waartoe ik behoorde, bleven langen tijd als réserve, werkeloos bijeengeschaard.

Een hevig geweervuur bleef den ganschen dag aanhouden; maar dewijl men uit gebosschen en van achter boomen schoot, hadden wij weinig gekwetsten. Eenige Hollandsche jagers werden krijgsgevangen gemaakt, of, beter gezegd, zij liepen tot ons over. Geen enkele kende Hollandsch of Fransch: allen waren Pruisen of Zwitsers.

Naarmate het geweervuur duurde, begon men het gebrek aan voorraad te gevoelen: op den middag reeds kwamen de jagers te paard de pakken kardoezen uit de patroontasschen der middelcompagniën halen, om ze naar de scherpschutters te dragen.

De gedachte, dat wij eerlang zonder buskruid vóór den vijand zouden staan, verontrustte onze officieren. In mijne tegenwoordigheid deed onze dappere generaal Niellon onzen eenigen, doch ledigen voorraadwagen bijbrengen, en riep eenen sergeant uit onze compagnie, met name Nagels, eenen stoutmoedigen jongeling uit Fontaine-l'Évêque. De generaal schreef met potlood, en den kop van zijnen zadel tot lessenaar nemende, een bevel om buskruid te halen.... naar Antwerpen! De sergeant zou met den fourgon over den steenweg vliegen; en, verongelukten er paarden, hij moest maar andere bij de boeren nemen, al ware het met geweld der wapenen.

Ondertusschen vuurden wij zonder verpoozing op de Hollandsche voorposten; zij deden eveneens op onze uitgezette schutters.

Zóó kwam de nacht zonder ander voorval; in mijne compagnie had elk man nog tien kardoezen, en er moesten dagen verloopen, eer wij er andere zouden bekomen.

Wij konden niet begrijpen, waarom men ons niet had laten vooruitgaan, om den vijand in zijne legerplaats aan te vallen; voorwaar, zoo meenden wij, hij zou bij onze verschijning de wijk genomen hebben, vermits hij, ondanks zijne groote macht, ons niet durfde aangrijpen. Het gebrek aan buskruid had velen verbitterd, en in stilte werd er onder de soldaten reeds gemord van verraad en verkooperij.

Den volgenden morgen, toen de nachtelijke dampen in de hoogte stegen, zagen wij eerst op de verre kimmen eene grijze streep, die scheen te bewegen; zij verlengde zich over de gansene heide.

Allengskens werd het ons duidelijk, dat het een drom ruiters was, waarschijnlijk kurassiers, want van hunnen hals tot achter hunne paarden daalde een wijde mantel, die hun in ons oog de gestalte en de vormen van reuzen gaf. Op de ruiters volgde eene dikke wolk voetgangers, wier duizenden en duizenden geweren met bliksemend gefonkel in de eerste zonnestalen schitterden. Het hield niet af; welhaast scheen in het verschiet de gansche heide, zoo wijd het gezicht reiken kon, met vijandelijke scharen overdekt.

Gedurende den nacht was het gansche leger der Hollanders zijne voorposten genaderd; en, terwijl de kurassiers eenen omweg deden, om de baan naar Antwerpen te gaan bezetten, ontplooide het zijne drommen over de vlakte, als om ons den strijd aan te bieden.

Met verbaasdheid, doch zonder vrees schouwden wij op de onmeetbare reeks vijanden, die langzaam en met uitgespreide vleugelen naar ons kwam afgezakt. De krijgsmacht, die wij zagen, mocht tot de 20,000 man beloopen; zij voerde 40 stukken geschut en had eene talrijke ruiterij;-wij waren 800 man, hadden geene ruiterij en slechts twee veldkanonnen.

Wij stonden met den rug tegen een jong mastboschken; vóór ons, op eenigen afstand, lag een veen of waterplas. Onze twee veldkanonnen waren wel honderd stappen vooruit, achter den hoek van een ander dennenbosch verborgen en met schroot geladen.

Ik vergat den krijg en het gevaar, zoozeer greep het ontzaglijk schouwspel mijne inbeelding aan; de zon was in eene helderblauwe lucht opgerezen, en zij fonkelde zoo tooverend in het glinsterend ijzer der wapenen, dat de reeks der Hollandsche troepen mij voorkwam als een stroom van tintelend vuur.

De losbarsting van een tiental zware kanonnen riep mij op uit mijne vergetelheid: ik beefde en was vervaard ... maar bij de tweede ontploffing was die ontsteltenis of liever die siddering des harten reeds verdwenen: er bleef mij niets over dan de overtuiging des gevaars en eene koortsige zucht om te strijden, als moest de dadigheid van den kamp mij verlossen van een gevoel, dat mij lastig en pijnlijk was.

De kanonskogels der Hollanders vielen meest in het veen en deden het water wonderhoog ten hemel springen; slechts één onzer gezellen werd gedood door eenen kanonsbal, die hem vóór den mond was heengevlogen, doch hem niet anders had geraakt.

Wij morden hevig en wilden vooruit; maar onze officieren smeekten ons, dat wij toch niets zonder bevel des generaals zouden bestaan,-en, dewijl de officiers in ons regiment zoo niet ontzien, echter meestal bemind werden, bleven wij, tandenknarsend van ongeduld, in onze rangen staan.

Nog eenige oogenblikken, en het Hollandsche leger zou tot onder bereik van geweervuur ons genaderd zijn; wij zagen dien gewenschten stond met blijdschap te gemoet.

De vijand hield zijne slagorde staan; hij zond door eene opening een zestiental lanciers te paard op ons af; wij hielden ons gereed om er duchtig onder te schieten. Deze ruiters zouden slechts eene verkenning doen en bespieden, welke macht de Belgen tegen hunne vijanden konden stellen.

Alzoo de lanciers met hunne oranjekleurige vaantjes een eind vooruit kwamen gereden, begaven zij zich, tot hun ongeluk, onder het bereik onzer twee verborgene kanonnen. Eene dubbele losbarsting galmde over de heide: tien of twaalf ruiters en zoovele paarden vielen dood of gewond ter aarde; de overigen vluchtten in allerijl terug naar de slagorde huns legers.

Op dit gezicht van dit eerste voordeel, hoe gering het ook ware, ontstond er een onbeschrijfelijk gejubel onder de Belgen, en allen sprongen vooruit onder het donderend geroep van: "Leve de Vrijheid! Leve Leopold!"

Geen twijfel of deze 800 man zouden zich zonder aarzelen tegen den ontelbaren drom des vijands geworpen hebben; en wie weet wat er ware geschied? Een zekere dood was hun, wel is waar, beschoren; doch hoe duur zouden zij in die eerste drift hun leven niet verkocht hebben? Misschien had de indruk van zulk heldhaftig bezwijken zwaar gewogen in de weegschaal der latere gebeurtenissen.... Maar de meesten dezer opgewondene strijders moesten, uithoofde van het veen, eenen omweg doen, en dit gaf den officieren den tijd hen te wederhouden.

Terwijl de oversten met open armen aan het vermetel vooruitloopen tegenstand boden, donderde het geschut der Hollanders met vernieuwde kracht; hunne gansche slagorde zakte vooruit, als om wraak te nemen over het gebeurde, en wij hijgden van blijde ontsteltenis bij de nadering van den slag.

Op dit oogenblik kwam een onzer jagers te paard onzen generaal eene haastige boodschap brengen. De Hollandsche kurassiers hadden de baan naar Antwerpen afgesneden; de Belgen waren langs alle zijden omsingeld!

Hoezeer de vrijwilligers huilden van woede en zich de vuisten ten bloede beten, er was niets aan te doen; wij moesten de heide verlaten, terugwijken naar Turnhout, en verder eenen doorgang naar het binnenland zoeken, om, ware het mogelijk, aan eene zekere nederlaag of gevangenneming te ontsnappen.

In goede orde, en nog gereed tot eenen hevigen tegenstand, trokken wij af naar Turnhout. De stad had het voorkomen van een graf: geen levend wezen was er op de straten te zien; deuren en vensters waren gesloten gelijk in het midden des nachts. Dit vertoog deed eenen ongunstigen indruk op onzen geest, en het was inderdaad niet aanmoedigend, al de inwoners dus gevlucht of verkropen te zien, alsof zij, reeds vroeger dan dien dag, ons onbekwaam hadden geacht om hunne haardsteden te verdedigen.

In Turnhout bleef ons regiment niet stil; wij trokken de Herenthalsche baan in en slingerden door bosschen, voetpaden en veldwegen immer met versnelden marsch voort.

Het was uitermate heet; de oogstzon brandde onverdraaglijk boven onze hoofden; wij hadden eten noch drinken.

Reeds te Casterlee deed de felle dorst het bevel der officieren voor eene wijl miskennen. Er stond in dit dorp, in den hof des pastoors, een groote appelboom, overladen met vruchten, die slechts twee maanden later eetbaar zouden zijn. De boom werd door honderden mannen bestormd, beklommen, gebroken en ontbladerd. Men smeekte, men vocht om eene beet der wrange vruchten.... De zure smaak, meende men, zou het branden van den dorst koelen.

Zoo bleven wij acht dagen tusschen Lier en Leuven in de grootste hitte dwalen, elken dag tien of twaalf uren gaande, zonder voedsel en drank, en letterlijk verzengd door de hitte. Wij aten de schors der mastboomen en droegen voor den dorst eenen geweerkogel in den mond; des nachts lagen wij op den grond en verstijfden van den overvloedigen morgendauw.

Men zeide onder ons, dat wij nog altijd door de Hollanders ingesloten waren, en dat ons gaan en komen voor doel had aan de vervolging des vijands te ontsnappen, om ons omtrent Leuven met het groote Belgische leger te vervoegen.

Wat hiervan zij, wij kwamen dikwijls op banen en in dorpen, waar het Hollandsche leger ons inderdaad was voorafgegaan; want wij vonden onderweg pompons en andere kleine dingen, die onze vijanden al gaande hadden verloren.

Op eenen middag hield men ons staan in de nabijheid van een dorp,-ik meen dat het Boisschot heet,-waar nog het stroo lag, dat den Hollanders tot nachtleger had gediend.

Uitgeput van vermoeidheid en van honger, lieten wij ons op een veld nedervallen om te rusten; wij hadden daags te voren weinig voedsel gevonden, en van dezen dag hadden wij nog niets gegeten.

Mij werd bevolen, dat ik met een tiental mannen van goeden wil naar het dorp zou gaan, om nooddruft voor onze compagnie te zoeken en met dank of met geweld, te nemen wat er te vinden was.

De stoutste en ruwste vrijwilligers boden zich aan. Toen wij in het dorp kwamen, waren de inwoners gevlucht; wij braken de deuren met kolfslagen open, doch ontdekten niets dat eetbaar was.

In het midden van het dorp vonden wij eenen man en eene vrouw, die hun huis niet hadden verlaten. Op onzen eisch om brood of ander voedsel te hebben, antwoordden zij ons klagend, dat de Hollanders daags te voren alles hadden weggenomen. Mijne vrijwilligers, door de wanhoop des hongers gedreven, begonnen den man met het plat van de sabel te slaan en hem met nog ergere behandeling te dreigen.

Na langen tegenstand leidde de verschrikte man ons achter in den hof, en groef daar uit den grond drie zeer groote roggebrooden, die in eenen zak gewikkeld waren. Wij namen de brooden mede en ook den zak.

Na vruchteloos nog vele ontruimde huizen te hebben doorzocht, kwamen wij buiten het dorp in eene leemen hut, waar eene jonge vrouw met een kind van drie of vier jaar zich bevond. Op onze dreigende vragen haalde zij eene roggeboterham uit de wiege van haar kind; en ons die toereikende, zeide zij met tranen in de oogen:

"Ziet, vrienden, dit is al wat mij overblijft: ik had het bewaard voor mijn arm schaapken."

Reeds had een mijner makkers de boterham aanvaard, en meende er een stuk af te bijten; maar de anderen hielden hem met geweld terug en deden hem het geringe stuk brood in den zak werpen.

Door een diep medelijden met de ongelukkige moeder aangedaan, wilde ik haar de boterham doen terug geven. Te vergeefs; het spreekwoord is waar: hongerige magen hebben geene ooren.

Dan vatte ik de hand der vrouw en vroeg haar of zij in een naburig dorp voor geld geen brood zou krijgen.

Op haar bevestigend antwoord staken al mijne makkers de hand in den zak; de meesten gaven elk een stuk van vijf en twintig centen; eenigen gaven iets minder, ik gaf iets meer, en zoo kreeg de arme vrouw omtrent vijf franken.... Tranen ontliepen haar nu nog overvloediger; het was van dankbaarheid: hare stem klonk de weldadige stroopers zegenend achterna.

Onderweg maakten mijne gezellen een komplot aangaande de boterham; zij werd gedeeld: wij kregen ieder een stuk zoo groot als een vinger.

Op het bivak werden de drie roggebrooden eerst met sabelhouwen in groote brokken gehakt en dan verder met messen gesneden. Van den kapitein tot den laatsten soldaat, elk bekwam er iets van.

Den 10den Augustus, in den namiddag, gingen wij voorbij de wijnheuvels van het dorp Wesemael, op ongeveer anderhalve mijl van Aerschot. Hier vonden wij vele karren met brood en vleesch, die ons tot voorraad waren bestemd.

Men hield het regiment staan, en brandwachten werden op groote afstanden uitgezet, alsof wij ter dezer plaatse op bivak zouden blijven; de weinige jagers te paard, die ons van Turnhout af hadden vergezeld, werden op hoogten en op verre banen gezonden, om alle nadering van gevaar intijds te kunnen vernemen.

Uit elke compagnie riep men eenige stoute mannen te zamen; dezen zouden naar Wesemael gaan en halen wat er noodig is tot het koken van vleeschsoep.

Na een half uur tijds stond voor iedere compagnie eene groote koeketel, op steenen verheven en met water gevuld. Men hakte het vleesch met sabels aan stukken en legde het in de ketels; vele mannen kwamen toegeloopen met koolen van alle kleuren, met selder, met ajuin, met salade: al wat maar groen en eetbaar was, wierp men boven de zwemmende bonken vleesch. De vuren kraakten, de aangehitste vlammen kronkelden rondom de ketels, en al de mannen der compagnie stonden met begeerigen blik en vochtigen mond de veel belovende bobbels na te zien, die in menigte uit den grond van het ziedende water opklommen.

Men zou meenen, dewijl wij brood in overvloed hadden, dat de honger ons nu niet aandreef. Inderdaad, zóó was het; doch het raadselwoord van ons innig verlangen naar de vleeschsoep ligt in warm eten. Het was nu reeds eenige dagen geleden, dat wij niets anders dan koud eten genuttigd hadden, en dan nog in ontoereikende hoeveelheid. Nu gingen wij warm vleesch eten! In onze meening,-in de meening onzer verhongerde magen,-was niets zoo lekker en zoo onbegrijpelijk versterkend als warm eten.

Reeds toen het water slechts eenigen tijd gezoden had, waren er mannen, die met de punt hunner bajonet, zooals zij op het geweer stak, een koolsblad of eenen struik selder poogden op te visschen. De anderen stelden zich tegen de rooverij: men stiet elkander weg; er werd gevochten en geworsteld tot zooverre, dat de oversten zich verplicht zagen bij elken ketel twee schildwachten te zetten.

Eindelijk toen de soep eenigen tijd gezoden had en de oogen vet zich boven het water begonnen te vertoonen, riep men algemeenlijk, dat het vleesch genoeg gekookt had. Waarschijnlijk zou het nog niet half gaar zijn; maar van den nood eene deugd gemaakt: indien het slechts van de warmte was doordrongen, zou het wel goed smaken.

De oversten toonden zich bereid om den algemeenen wensch te voldoen; nog eenige minuten, en het regiment zou eten.

Wie eene gamelle had, hield ze in de hand gereed; iedereen had zijn knipmes geopend: de lippen verroerden met die eigendommelijke uitdrukking van iemand, die zich aan het smaken van lekkere spijzen verwacht.

Op dit uiterst oogenblik komt een jager te paard in vollen draf aangerend en zegt eenige haastige woorden tot den generaal. Onmiddellijk ontstaat het geroffel der trom, die elkeen te wapen en in zijn gelid roept. Het Hollandsche leger is in onze nabijheid; wij zijn achthonderd, zij waarschijnlijk tienduizend of meer. Daarenboven, wij mogen niet strijden; onze bevelen luiden, dat wij den vijand moeten pogen te ontkomen, om ons te Leuven met het leger onder bevel des Konings te vereenigen.... Er is geen tijd tot beraadslagen: de ketels worden omgeworpen; sommige mannen steken een brok vleesch of een kool op hunne bajonet; doch het ziedend water, dat hun in den hals of op hunne kameraden druipt, doet hun het geredde voedsel wegsmijten; de oversten dwingen de compagniën tot een spoedig vertrek.... en eenige minuten later zijn wij verre van daar, op de baan naar Aerschot, nog immer mijmerend van het warm eten en de lekkere vleeschsoep, die onder ons gezicht over den grond is weggestroomd....

Wij brachten den nacht buiten de stad Aerschot door, op eene hoogte tegen de baan naar Hauwaert, waar wij nog een gedeelte van het 9de linie-regiment aantroffen. Hier kookten wij ons vleesch op het bivak, zonder gestoord te worden, en kregen buskruid.

In den morgen werden wij onvoorziens te wapen getrommeld; onze brandwachten beweerden, dat eene talrijke afdeeling Hollandsche lanciers op den steenweg naar Diest zich vertoonde. Dewijl de hoogte, waarop wij ons bevonden, nevens voormelden weg voortloopt en hem diensvolgens beheerscht, zouden wij de vijandelijke ruiterij pogen te bereiken en ze van boven de heuvelen met voordeel aanvallen. Dit ten minste werd er onder ons verteld, toen wij reeds het bivak hadden verlaten.

Uren lang gingen wij met verhaaste stappen, zonder iets te vernemen. De zon stond te branden aan den diep blauwen hemel; het was onbeschrijfelijk heet; en dewijl wij, zonder eene baan te volgen, dwars door havervelden en aardappelloof onzen marsch rusteloos voortzetten, waren wij eindelijk door hitte en dorst tot zooverre uitgeput, dat sommige mannen zich ten gronde lieten vallen en weigerden op te staan. Wanneer het geviel, dat wij in eenen hollen weg traden, zooals er in die landstreek vele zijn, legden gansche gelederen, ondanks den wil der officieren, zich met den mond tegen de vochtige wanden der baan, waaruit een ijzerachtig water sijperde, en zoo zogen wij uit de aarde eenig vocht op, om onzen verterenden dorst te koelen. Velen onzer zaaiden hunne kleedingstukken langs de baan, bovenal de kapotten, om het gewicht van hunnen ransel te verminderen.

Omtrent den middag, toen wij buiten adem en schier versmacht van dorst, gevoelloos en met hangend hoofd voortstapten, beklommen wij eenen heuvel, waarboven een molen en een huis stonden. Zoohaast hadden wij den top des heuvels niet bereikt, of een bataljon van het 9de regiment, dat ons vergezelde, liep in wanorde uiteen naar een bornput, welke met zijne hooge wip nevens het huis zich vertoonde. Een aantal onzer jagers, dit ziende, stormden insgelijks uit hunne rangen om, ware het mogelijk, eene teug water te bekomen.

Rondom den bornput werd er een waar gevecht geleverd: men sleurde, men stiet, men stompte, men wondde elkander, om omtrent den emmer te geraken. Velen, die geen ander middel zagen om hunnen dorst te lesschen, staken hun brandend hoofd in den emmer en dronken zóó het ijskoude water, totdat men ze er van wegrukte. De dokters en vele oversten baden en smeekten de mannen, dat zij zich toch niet aldus aan eenen zekeren dood zouden blootstellen; zij dreigden en sloegen met hunne degens, het hielp niets: wij waren als razend van dorst.

Onderwijl was er een wolk andere mannen op den grooten wijngaard gevallen, die zijne groene ranken over den gevel van des molenaars huis uitspreidde: druiven, bladeren, twijgen, ja, het hout zelf, tot in den wortel toe, werd verslonden en tot lafenis genuttigd en verknabbeld. Voor vijftig cents kreeg ik twee druivekorrels van eenen soldaat onzer compagnie; ik was gelukkig: de zure smaak bracht mij vocht in den mond....

Na eenigen tijd bemerkten onze oversten wel, dat hunne poging om de mannen van den bornput te houden, vruchteloos zouden blijven. De trommen hieven den marsch aan, en wij vertrokken. Ten halve den heuvel zag ik eenige mannen met paarse wangen en koolzwarte lippen op den rug uitgestrekt liggen: zij waren levenloos, het koude water had hen gedood.

Na een uiterst moeilijken marsch en veel gaan en keeren, zonder een voor ons merkbaar doel, kwamen wij des avonds, toen het reeds donker was, boven eene hoogte bij het dorp Lubbeck, op twee mijlen van Leuven.

Hier sloegen wij ons bivak neder en kookten aardappelen in koeketels, welke wij uit het dorp hadden gehaald.

Onze oversten zeiden ons, dat er des anderen daags een beslissende veldslag zou geleverd worden; zij vuurden onzen moed aan, herinnerden ons de dagen der omwenteling en bezwoeren ons om als ware Belgen voor land en Koning te strijden.

In de vlakte, beneden de heuvelen, was de Hollandsche krijgsmacht gelegerd; zij had haren staf bij het dorp Winghe; doch hare voorposten strekten zich tot in onze nabijheid uit.

Onze uitgezette brandwachten hadden de gewoonte, elkander van verre onverpoosd de volgende woorden toe te roepen: "Sentinelles, prenez garde à vous!" waarop de Duitsche of Zwitsersche soldaten, die rondom het bivak der Hollanders waakten, den onzen spottend toeriepen:

"Was der Hund sch..... fresst du !"

Het meerendeel van het Belgische leger bevond zich te Leuven, onder bevel van Koning Leopold; ons regiment, met twee bataljons van het 9de, was een der voorwachten. Diensvolgens mochten wij ons overtuigd houden, dat wij bij het krieken van den komenden dag den eersten aanstoot des vijands zouden doorstaan hebben.

Alhoewel deze zekerheid wel van aard was om ons den slaap moeilijk te maken, waren de gekookte aardappelen niet zoohaast genuttigd, of allen legden zich ter aarde, en vielen, onder de vermoeidheid bezwijkend, in eenen zwaren sluimer. Ik luisterde nog eene wijl op den roep der schildwachten, die akelig door de nachtstilte rondom ons bivak herklonk en voortliep; ik dacht aan onzen zonderlingen toestand, droomde van Borgerhout en mijnen vader, en sloot dan insgelijks de verzwaarde oogleden ... om, evenals mijne makkers, ze niet meer te openen dan onder den knal van geweren en kanonnen....