Uit jouw gebaarden vent, en uit jou zotte praat.
Weg gek, loop aan de galg.
Zy doen my woorden van een vaam ten halze uitbraaken;
Ja woorden hier van daan tot aan het Hof. Voor my
’k Versta my niet, op al die zotte opsnydery.
’k Zou in de Metem, en Phycosis wel verdoolen.
De zaak is klaar: Jou Hond heeft een Kapoen gestoolen,
En dat gevreten, en vraagt gy me waar van daan
’t Kapoen was, wel ’t Kapoen, myn Heer, dat is van Kaan;
Daar by wil ik zo ik hem weêr daar vind, hem zweeren,
Dat zyn Proces daar leit, ik zal hem voort sommeeren.
De klauwen zyn noch vuil van in het zand te wroeten;
Bezie, en oordeel nu.
Al ’t geen het meeste hier op aarde is om te vrezen,
Schynt tegen ons geheel in wapenen te wezen;
’k Wil zeggen Heer, de gunst, de macht, welsprekentheid.
Want ’k vrees aan d’eene zy de macht, van hem, daar ’t feit
Is aangedaan, dan weêr verblinden my de reden
Van Meester Oratyn, en zyn welsprekentheden.
Spreek harder Advokaat.
De voorgenoemde macht aan ons ook mogen geven,
Verzekert echter ons aan d’andre kant, geheel
Messieurs, uw goedheid, die wy zien voor ’t minste deel
Ons nadren; ’k werp daar op myn anker in de stroomen.
d’Onnoozelheid heeft voor Dandyn ook niet te schroomen,
Ja voor dien Cato van heel Frankryk, wiens verstand
Nooit wierd verduistert door een gek uit Switzerland.
Victrix causa Diis placuit, sed victa Catoni.
De groote Baldus zeit primo Politicoen
Zeer wel...
Zou toonen, dat het goed en ’t kwaad...
Maar lustig tot de daad.
| Zie daar de daad. | * Een Hond, Messieurs, komt in de keuken, |
| * zeer ras. |
Bedroopen, en daar na met boter was besmeert.
Want hy daar ik voor spreek, had in geen week gegeeten;
En daar ik tegen spreek, had pluimen moet je weeten;
En hy voor wien ik ben, nam heimelyk; en hy
Daar ik nouw tegen spreek, nam openbaar. Daar by
Men vangt hem, men stelt dag, men doet de zaak beweeren
Door Advokaten, pro en contra voor de Heeren.
’k Moet spreeken, ’k spreek, ik heb gesprooken.
Hy teemt in ’t zeggen, dat zyn zaak niet kan verweeren,
En tot de daad doet niet de vent als galloppeeren.
Wie zag ooit pleiten, wie, ja wie op die metode?
Wat zeit, myn Heer, daar van?
Vervolgt myn Suppliant. Men breekt een huis op. En
Wat voor een huis? het huis, het huis van onze Rechter.
Men opend met geweld de zaal, die aan ons echter
Voor toevlugt dienden, in zo groot een tieranny.
Men maakt ons schuldig daar aan dieve- en rovery.
Men sleept, men levert ons aan onze moordenaaren,
Aan Meester Oratyn. Messieurs, ik durf verklaaren,
Dat hy de wet niet weet de Si quis Canis, dat
De Paragrapho heel het tegendeel bevat
De vi Caponibus, en dat ze in alle deelen,
Veel met die misdaad, en zyn stellingen verscheelen.
En schoon ’t al waar was, dat myn Suppliant Citroen
Gegeten had, Messieurs, van ’t voorgenoemt Kapoen,
De borst, de stuit, of heel. Men ga alleen daar tegen
Het geen hy voor dit feit gedaan heeft, overwegen.
Wanneer is myn party beklad geweest? het beest
Was wel. Door wien is doch uw huis bewaart geweest?
Wanneer mankeerden wy de dieven te versteuren?
Gelooft gy ’t niet? men vraagt de zaak drie Procureuren,
Van welke dat Citroen de rokken heel van een
Gescheurt heeft, dat men niet als maar de rug alleen
Daar van gebruyken kon. Men doet ze hier verschynen.
En wilt gy meer? ik heb bewyzen by dozynen.
Te springen, zo zal ik met geen omstandigheên
U kwellen, maar beknopt tot alles overtreên;
En stellen u de heele afbeelding kort voor oogen
Van myn Proces, daar by de Facte, en zyn vermoogen.
De zaak te zeggen dan met eenmaal. Wel ik zweer
Het kost myn zinnen. Vent of duivel wilt besluiten,
Of bruy van hier, en houw jouw mond daar eeuwig buiten.
En hemel, die het al bespant, geschaapen waaren,
Hadde al de weereld, en natuur, en s’weerelds staat
Een enkel aangezicht, een eenerley gelaat,
Genoemt de Baiert, een wanschikkelyk gevaarte,
Een ruwe mengelklomp, een lompe en plompe zwaarte
Van zaden, strydig en gemengelt onder een;
Een Rechtbank zonder recht, en vol wanheblykheên.
Unus erat toto Naturæ vultus in orbe,
Quem Græci dixere Chaos, rudis indigestaque moles..,
Myn hooft is yl, besluit.
Kom laat uw traanen, en uw tedre zuchten spreeken.
Hier ziet gy onze nood en droefheid klaar, myn Heer,
Ach, wy zyn weezen! kom, geeft onze Vader weêr,
Ja, onze Vader die ons teelden, onze Vader
Die ons zo dikwils...
Zy hebben my bepist.
Gy maakt uw Rechters hart gevoelig! ’k ben beklemt;
De waarheid perst my tot uw ondergang; zy stemt
Myn traanen tegen: wyl de misdaad voor elks oogen
Zo klaar is, kan ik niet uw droeve traanen droogen!
Maar zo hy word gedoemt, wat zal ’t dan wezen! ziet
Hier zeven wezen, heel gedompelt in ’t verdriet.
Maar ’k ben geoccupeert, ’k wil niemand heden spreeken.
Wiens Dochter is dat? wel, waar loopt die schoonheid daar?
Maar dat’s ’t niet al, myn kind, daar moet ook wysheid wezen.
’k Ben opgetoogen door de schoonheid van haar hair!
Maar wilt gy hoe galant ik in myn jonkheid waar,
Men zei...
Daar ’s iemand, die wel wenscht in ’t Huuwelyk te treên,
’t Is alles klaar, als gy het toestemt: zy verlangen
Zo Bruid als Bruigom om het woord van u t’ontfangen;
Het geen de Dochter wil, begeert de Vader. Nu
Kunt gy maar vonnissen.
Groet hem.
Tot Appelleeren.
Al zou ik twintig jaar daar tegen procedeeren.
Je hebt de Dochter, maar de beurs niet.
Laat ons uw Dochter, en bewaard uw goed.
Wie weet ook, of hy niet die uitslag heeft begeert.
Ik wil daar in besteên de rest van myne dagen;
Maar laat de Pleiters in toekomende, myn Zoon
Wat korter zyn; en uw misdadige...
Ei, Vader.
De wezen troosten, met een roemer van een vaan.
NAREDE
AAN DEN
LEEZER.
Zie hier een Blijspel, door het licht dezer eeuw, den onnavolgelyken Racine, uit de WESPE van Aristophanes getrokken, door den taalkundigen Jan van Gent in ’t Nederduitsch vertaald, en door my in vaarzen ten Schouwtooneel gevoerd.
Lichtelyk zullen eenige, doch meest die wat ernstig zyn, zich aan de stof en plaats belgen, om dat te Parys, alwaar dit spel speeld, zulk rechten, of recht doen niet gebruiklyk is. Op ’t eerste antwoord Racine: de meeste menschen bekommeren zich weinig met de meening des Schryvers; want men onderzocht terstond myne misslagen, even als men een Treurspel zou gedaan hebben, zelfs die geenen, die daar ’t meeste vermaak in geschept hadden, vreesden dat zy niet na den regel gelacht hadden, en mispreezen my, dat ik hen niet ernstiger had doen lachchen. Anderen beelden zich in, dat het hen mooy stond daar in verdriet te hebben, en dat de stof van ’t Paleis, geen voorwerp was voor de Hovelingen.
Zy zouden de waarheid te kort doen, indien zy my verweeten dat ik hun ooren, met te veel pleitstreeken vermoeit had, een taal die my zo vreemd als iemand is; ook heb ik daar niet als eenige Barbaarsche woorden in gebruikt, die ik geleerd mag hebben geduurende eens Proces, dat noch myn Rechter, noch ik ooit ter deege verstaan heb.
Indien ik iets vrees, is het, dat zommige ernstige menschen het proces van den Hond, en de buitenspoorigheid van den Rechter niet wel voor beuzelingen mochten opnemen: maar ik zet Aristophanes over, en hy had met gesleepe toehoorders te doen. De Atheniers wisten heel wel wat het Attische zout was, en zy waaren wel verzekert, als zy om een zaak gelacht hadden, dat zy om geen zotternyen gelacht hadden.
Voor my, ik oordeel dat Aristophanes reden gehad heeft de zaak zo te maaken, dat ze buiten alle waarschynelykheid was. De Areopagietische Rechters zouden misschien niet voor goed gekeurt hebben, dat hy hunne geldzucht levendig afgeschildert had, als meede de fraje streeken van hun Secretarissen, en de schelmeryen van hun Advokaten. ’t Was derhalven nodig de vertooners wat te veranderen, om te beletten zich te erkennen. ’t Gemeen liet daarom niet, het waare door belachchelyke te zien, en ik verzeker my, dat het veel beter is, d’ondraachelyke welspreekentheid bezich gehouden te hebben omtrent een beschuldigde Hond, als dat men een rechte misdadige voor de rechtbank gezet had, en dat men de Toehoorders had belang doen hebben in ’t leven van een mensch.
Dus verantwoord hem Racine. Aangaande de stof, wat de plaats betreft, ik oordeelde, dat men meer genoegen zouden hebben met een Stad te noemen, die aan de minste bekend is, als dat ik een plaats in Neder Normandyen genoemd had, alwaar zulk Procedeeren in zwang gaat, dewyl de meeste steeden dier Landstreek, aan ’t gemeen onbekent zyn.
’k Zouw nooit dit spel ten Tooneel gevoerd hebben, indien ik niet geoordeeld had, dat de Godshuizen daar haar voordeel by zouden vinden, ’t geen altyd myn eenigste oogwit geweest is; doch hoe de Dichters in hunne goede meening gedraiboomt worden, is by na onverdragelyk, en aan ieder bekend. Vaar wel.