WeRead Powered by ReaderPub
De Pleiters cover

De Pleiters

Chapter 11: LEEZER.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The play unfolds over three acts and satirizes obsessive litigiousness through a succession of comic set pieces centered on household disputes and mock trials. Characters pursue petty lawsuits and stage theatrical proceedings, producing escalating farce that exposes vanity, hypocrisy, and the absurdity of rigid ritual. The verse alternates sharp satire with playful imitation of classical models, using formal pomp, misunderstandings, and procedural excess to critique social pretensions and institutions that magnify trivial quarrels. Pacing depends on brisk exchanges, staged arguments, and a concluding resolution that restores order while underscoring human folly.

Volkert.
In de...
Oratyn.
In de...
Volkert.
Metamorphosis.
Oratyn.
Hoe, hoe?
Volkert.
Dat de Metem...
Oratyn.
Dat de Metem...
Volkert.
Phycosis.
Oratyn.
Phycosis.
Volkert.
Weg jou gek.
Oratyn.
En dat den gek.
Volkert.
Alweer!
Oratyn.
Alweer.
Volkert.
Weg zot!
Oratyn.
Den zot.
Volkert.
Weg bestia!
Oratyn.
Den beer.
Volkert.
Weg zotten beest.
Oratyn.
Beest, beest! dat moog je zelver wezen,
Dat jy een ezel zyt, dat kan men maklyk lezen
Uit jouw gebaarden vent, en uit jou zotte praat.
Weg gek, loop aan de galg.
Dandyn.
Vaar voort, kom tot de daad.
Oratyn.
Wat, moet men om een Hond dan zo veel omslag maaken?
Zy doen my woorden van een vaam ten halze uitbraaken;
Ja woorden hier van daan tot aan het Hof. Voor my
’k Versta my niet, op al die zotte opsnydery.
’k Zou in de Metem, en Phycosis wel verdoolen.
De zaak is klaar: Jou Hond heeft een Kapoen gestoolen,
En dat gevreten, en vraagt gy me waar van daan
’t Kapoen was, wel ’t Kapoen, myn Heer, dat is van Kaan;
Daar by wil ik zo ik hem weêr daar vind, hem zweeren,
Dat zyn Proces daar leit, ik zal hem voort sommeeren.
Leander.
Dat’s een Conclusie die zo een begin wel past!
Oratyn.
Versta jy ’t niet, zeg zot? ik wel; weg hangebast.
Dandyn.
Za, breng getuigen by.
Leander.
Wilt aan die zaak niet tillen,
Hy heeft geen geld, wie zouw voor hem dan zweeren willen?
Oratyn.
Ik heb ’er evenwel die zonder opspraak zyn.
Dandyn.
Kom, brengt ze voor den dag.
Oratyn.
Ik heb ze hier by myn.
Zie, dit’s Kapoen zyn hooft, en dat zyn zyne voeten;
De klauwen zyn noch vuil van in het zand te wroeten;
Bezie, en oordeel nu.
Wouter.
’k Verwerp ze.
Dandyn.
Za! wel aan,
Waarom verwerpt gy die?
Wouter.
Waarom? zy zyn van Kaan.
Dandyn.
Dat’s waar, zy komen met dozynen herwaarts heenen.
Wouter.
Messieurs...
Dandyn.
Zacht, zacht; zult gy me een lang verhaal verleenen,
Of kort?
Leander.
Ik zwyg daarop.
Dandyn.
Nu toont u als een man.
Wouter. met een gemaakte fyne stem.
Al ’t geen een schuldige, Messieurs, verbazen kan;
Al ’t geen het meeste hier op aarde is om te vrezen,
Schynt tegen ons geheel in wapenen te wezen;
’k Wil zeggen Heer, de gunst, de macht, welsprekentheid.
Want ’k vrees aan d’eene zy de macht, van hem, daar ’t feit
Is aangedaan, dan weêr verblinden my de reden
Van Meester Oratyn, en zyn welsprekentheden.
Dandyn.
Maar gy verdooft geheel de fraiheid van uw stem.
Spreek harder Advokaat.
Wouter.
Ik heb ’er veel. hem, hem!
met een fraie Stem.
Maar wat bedenkingen zyn wysheid, en daar neven
De voorgenoemde macht aan ons ook mogen geven,
Verzekert echter ons aan d’andre kant, geheel
Messieurs, uw goedheid, die wy zien voor ’t minste deel
Ons nadren; ’k werp daar op myn anker in de stroomen.
d’Onnoozelheid heeft voor Dandyn ook niet te schroomen,
Ja voor dien Cato van heel Frankryk, wiens verstand
Nooit wierd verduistert door een gek uit Switzerland.
Victrix causa Diis placuit, sed victa Catoni.
Dandyn.
Hy pleit heel elokwent.
Wouter.
Ja, zonder iets te schroomen,
Neem ik het woord, en ’k zal zo tot de daad toekomen.
De groote Baldus zeit primo Politicoen
Zeer wel...
Dandyn.
Men handelt hier alleen van een Kapoen,
En niet van Baldus, noch van zyne Policie.
Wouter.
Maar d’autriteid en kracht van de Peripatie
Zou toonen, dat het goed en ’t kwaad...
Dandyn.
En ik zeg dat
Heer Baldus mogentheid hier nul is, dat je ’t vat.
Maar lustig tot de daad.
Wouter.
En Aristotolates...
Dandyn.
De daad.
Wouter.
Verwerpt...
Dandyn.
De daad.
Wouter.
Den grooten H...
Dandyn.
’k Zeg tot de daad, de daad, de daad, de daad, de daad.
Wouter.
Armeno Pul in Promt...
Dandyn.
Ja wel, ’k word desperaat;
’k Ga vonnissen.
Wouter.
Wy zyn geen hoeren, noch geen scheuken.
Zie daar de daad. * Een Hond, Messieurs, komt in de keuken,
* zeer ras.
Hy vind daar een Kapoen, dat netjes gelardeert,
Bedroopen, en daar na met boter was besmeert.
Want hy daar ik voor spreek, had in geen week gegeeten;
En daar ik tegen spreek, had pluimen moet je weeten;
En hy voor wien ik ben, nam heimelyk; en hy
Daar ik nouw tegen spreek, nam openbaar. Daar by
Men vangt hem, men stelt dag, men doet de zaak beweeren
Door Advokaten, pro en contra voor de Heeren.
’k Moet spreeken, ’k spreek, ik heb gesprooken.
Dandyn.
Za, za, za!
Wel vent is dat een zaak wel proponeeren? ha!
Hy teemt in ’t zeggen, dat zyn zaak niet kan verweeren,
En tot de daad doet niet de vent als galloppeeren.
Wouter.
Maar ’t eerste is ’t alderfraist.
Dandyn.
Het alderfraist! ’k zeg neen;
’t Is ’t alderslechtste van uw pleiten maar alleen.
Wie zag ooit pleiten, wie, ja wie op die metode?
Wat zeit, myn Heer, daar van?
Leander.
O, ’t is heel naar de Mode.
Wouter. met een grove stem.
Maar wat gebeurt ’er doch? men komt, hoe komt me? men
Vervolgt myn Suppliant. Men breekt een huis op. En
Wat voor een huis? het huis, het huis van onze Rechter.
Men opend met geweld de zaal, die aan ons echter
Voor toevlugt dienden, in zo groot een tieranny.
Men maakt ons schuldig daar aan dieve- en rovery.
Men sleept, men levert ons aan onze moordenaaren,
Aan Meester Oratyn. Messieurs, ik durf verklaaren,
Dat hy de wet niet weet de Si quis Canis, dat
De Paragrapho heel het tegendeel bevat
De vi Caponibus, en dat ze in alle deelen,
Veel met die misdaad, en zyn stellingen verscheelen.
En schoon ’t al waar was, dat myn Suppliant Citroen
Gegeten had, Messieurs, van ’t voorgenoemt Kapoen,
De borst, de stuit, of heel. Men ga alleen daar tegen
Het geen hy voor dit feit gedaan heeft, overwegen.
Wanneer is myn party beklad geweest? het beest
Was wel. Door wien is doch uw huis bewaart geweest?
Wanneer mankeerden wy de dieven te versteuren?
Gelooft gy ’t niet? men vraagt de zaak drie Procureuren,
Van welke dat Citroen de rokken heel van een
Gescheurt heeft, dat men niet als maar de rug alleen
Daar van gebruyken kon. Men doet ze hier verschynen.
En wilt gy meer? ik heb bewyzen by dozynen.
Oratyn.
Maar Meester...
Wouter.
Hou je bek.
Oratyn.
o Wout...
Wouter.
Laat ons begaan.
Oratyn.
’k Word hees...
Wouter.
Laat ons begaan, en...
Dandyn.
Zwyg, en laat hem staan.
Besluit.
Wouter. met een hoogdravende stem.
Dewyl men ons dan toelaat aâm te haalen,
En wyl men ons verbied om buiten lange paalen
Te springen, zo zal ik met geen omstandigheên
U kwellen, maar beknopt tot alles overtreên;
En stellen u de heele afbeelding kort voor oogen
Van myn Proces, daar by de Facte, en zyn vermoogen.
Dandyn.
’k Loof hy had eer gedaan met twintigmaal, en meer
De zaak te zeggen dan met eenmaal. Wel ik zweer
Het kost myn zinnen. Vent of duivel wilt besluiten,
Of bruy van hier, en houw jouw mond daar eeuwig buiten.
Wouter.
Ik eindig.
Dandyn.
Ach!
Wouter.
Messieurs, voor s’weereld oorspronk, ja...
Dandyn. geuwende.
’k Bid, dat men liever tot de Zondvloed over ga.
Wouter.
Voor s’weerelds oorspronk dan, eer aarde, en zee, en baaren,
En hemel, die het al bespant, geschaapen waaren,
Hadde al de weereld, en natuur, en s’weerelds staat
Een enkel aangezicht, een eenerley gelaat,
Genoemt de Baiert, een wanschikkelyk gevaarte,
Een ruwe mengelklomp, een lompe en plompe zwaarte
Van zaden, strydig en gemengelt onder een;
Een Rechtbank zonder recht, en vol wanheblykheên.
Unus erat toto Naturæ vultus in orbe,
Quem Græci dixere Chaos, rudis indigestaque moles..,
Leander.
Ha, Vader! dat’s een trek!
Oratyn.
Ei, Heer, kyk hy eens slaapen!
Leander.
Za, Vader waak.
Oratyn.
Myn Heer! myn Heer! dat’s drommels gaapen!
Leander.
Kom, Vader.
Dandyn.
Wel, wel, hoe? wat’s dat? wel, ach! wie daar?
Ja wel, ’k heb nooit zo wel geslaapen in een jaar.
Leander.
Kom, gy moet rechten.
Dandyn.
Wel, men doet hem aanstonds hangen.
Leander.
Hoe, hangen! hoe, een Hond!
Dandyn.
’k Versta van uw Harangen,
Van Weereld, Chaos niet een sier, noch van’t begin,
Myn hooft is yl, besluit.
Wouter. hem een nest met jonge Honden aanbiedende.
Kom droevig huisgezin,
Komt arme kinderen, die men wil van troost versteeken,
Kom laat uw traanen, en uw tedre zuchten spreeken.
Hier ziet gy onze nood en droefheid klaar, myn Heer,
Ach, wy zyn weezen! kom, geeft onze Vader weêr,
Ja, onze Vader die ons teelden, onze Vader
Die ons zo dikwils...
Dandyn.
Weg, weg, weg.
Wouter.
Wie is ons nader
Als onze Vader, Heer, die ons...
Dandyn.
Men neemt ze weg.
Wat drommel raakt me dat kanalje? wel ik zeg,
Zy hebben my bepist.
Wouter.
Myn Heer, ziet onze traanen.
Dandyn.
Och! ’k voel dat zy me reeds tot medelyden maanen,
Gy maakt uw Rechters hart gevoelig! ’k ben beklemt;
De waarheid perst my tot uw ondergang; zy stemt
Myn traanen tegen: wyl de misdaad voor elks oogen
Zo klaar is, kan ik niet uw droeve traanen droogen!
Maar zo hy word gedoemt, wat zal ’t dan wezen! ziet
Hier zeven wezen, heel gedompelt in ’t verdriet.
Maar ’k ben geoccupeert, ’k wil niemand heden spreeken.
Dandyn, Leander, Jeronimo, Izabel, Wouter, Oratyn, Volkert.
Jeronimo.
Myn Heer, ei, wilt...
Dandyn.
’k Zeg noch, wilt my de kop niet breeken.
Hoe Heer, zyt gy’t? ja toch, ik zal u hooren. Maar
Wiens Dochter is dat? wel, waar loopt die schoonheid daar?
Jeronimo.
Zy is myn Dochter, Heer.
Dandyn.
Ras, doet haar wederkeeren.
Izabel.
Gy zyt belet.
Dandyn.
Hoe ik! o neen, wat’s u begeeren?
Zei jy niet, dat je waart haar vader? en dat zy...
Jeronimo.
Myn Heer...
Dandyn.
Zy weet uw zaak veel beter Heer, als gy.
De schoonheid kan men uit haar hemelsche oogen leezen!
Maar dat’s ’t niet al, myn kind, daar moet ook wysheid wezen.
’k Ben opgetoogen door de schoonheid van haar hair!
Maar wilt gy hoe galant ik in myn jonkheid waar,
Men zei...
Izabel.
’k Geloof het wel.
Dandyn.
Wiens zy wilt gy verkiezen?
Wien wilt gy dat van tweên zal zijn Proces verliezen?
Izabel.
Noch d’een, noch d’andre.
Dandyn.
Spreek, ’k zal alles doen expres,
Om u alleen.
Izabel.
Myn Heer, ik ben uw dienares.
Dandyn.
Hebt gy uw leeven wel zien pynigen, of hangen?
Izabel.
Neen, Heer, ik wensch niet om die eer van u t’ontfangen.
Dandyn.
Kom, kom, ik moet u dat rekres doen.
Izabel.
Ach! die eer
Is al te groot; kunt gy dat aanzien? gy, myn Heer?
Dandyn.
Dat doet me een uur of twee van ieder dag passeren.
Jeronino.
Myn Heer, ik kom hier om...
Leander.
Hoor vader, zyn begeeren
Zal ik u in een woord of twee geheel ontleên.
Daar ’s iemand, die wel wenscht in ’t Huuwelyk te treên,
’t Is alles klaar, als gy het toestemt: zy verlangen
Zo Bruid als Bruigom om het woord van u t’ontfangen;
Het geen de Dochter wil, begeert de Vader. Nu
Kunt gy maar vonnissen.
Dandyn. zich herstellende.
Ik geef myn woord aan u.
Ga heen, wilt haar van daag, hoe eer hoe liever trouwen.
Leander.
Mevrouw, nu kunt gy uw Schoonvader daar beschouwen,
Groet hem.
Jeronimo.
Hoe, hoe?
Dandyn.
Wat’s dit voor een verborgentheid?
Leander.
Men volgt van stip tot stip al ’t geen gy hebt gezeit.
Dandyn.
’k Zal ’t niet herroepen, nu ik ’t Vonnis heb geweezen.
Jeronimo.
Myn Dochter stemt dat niet, zy zal uw Bruid niet wezen.
Leander.
’k Verlaat my heel, myn Heer, op ’t woord van Izabel.
Jeronimo.
Hoe, ben je stom? spreek op, nu wakker spreek. Ja wel!
Izabel.
Ach, Vader, ’k durf in ’t minst daar tegen Appelleeren.
Jeronimo.
Ik wel, dat schut ik.
Leander.
Ei, wil u niet eens bezeeren,
Kent gy dit schrift wel? ’t is uw hand, gy hebt geen kracht
Tot Appelleeren.
Jeronimo.
Hoe?
Dandyn.
Hy heeft u in zyn macht.
Jeronimo.
Ik zie, ik ben verleid, maar ’k zal dat revenzeeren.
Al zou ik twintig jaar daar tegen procedeeren.
Je hebt de Dochter, maar de beurs niet.
Leander.
Wel, myn Heer,
Wie eischt u geld? wie zeit dat ik wel iets begeer?
Laat ons uw Dochter, en bewaard uw goed.
Jeronimo.
Pasientie,
Och! och!
Leander.
Zyt gy voldaan Papa van d’Audientie?
De Vader zwygt, en een die zwygt die consenteert?
Wie weet ook, of hy niet die uitslag heeft begeert.
Dandyn.
Volkomen, Zoon; niets kan als rechten my behaagen,
Ik wil daar in besteên de rest van myne dagen;
Maar laat de Pleiters in toekomende, myn Zoon
Wat korter zyn; en uw misdadige...
Leander.
Verschoon
Hem maar, laat ons in vreugde ons zelf niet kwellen;
Ei, Vader.
Dandyn.
Wel ik zal van daag het recht uitstellen.
’t Geschiet om uwent wil zoet Bruidje, laat ons gaan
De wezen troosten, met een roemer van een vaan.
Einde van het derde en laatste Bedryf.

NAREDE

AAN DEN

LEEZER.

Zie hier een Blijspel, door het licht dezer eeuw, den onnavolgelyken Racine, uit de WESPE van Aristophanes getrokken, door den taalkundigen Jan van Gent in ’t Nederduitsch vertaald, en door my in vaarzen ten Schouwtooneel gevoerd.

Lichtelyk zullen eenige, doch meest die wat ernstig zyn, zich aan de stof en plaats belgen, om dat te Parys, alwaar dit spel speeld, zulk rechten, of recht doen niet gebruiklyk is. Op ’t eerste antwoord Racine: de meeste menschen bekommeren zich weinig met de meening des Schryvers; want men onderzocht terstond myne misslagen, even als men een Treurspel zou gedaan hebben, zelfs die geenen, die daar ’t meeste vermaak in geschept hadden, vreesden dat zy niet na den regel gelacht hadden, en mispreezen my, dat ik hen niet ernstiger had doen lachchen. Anderen beelden zich in, dat het hen mooy stond daar in verdriet te hebben, en dat de stof van ’t Paleis, geen voorwerp was voor de Hovelingen.

Zy zouden de waarheid te kort doen, indien zy my verweeten dat ik hun ooren, met te veel pleitstreeken vermoeit had, een taal die my zo vreemd als iemand is; ook heb ik daar niet als eenige Barbaarsche woorden in gebruikt, die ik geleerd mag hebben geduurende eens Proces, dat noch myn Rechter, noch ik ooit ter deege verstaan heb.

Indien ik iets vrees, is het, dat zommige ernstige menschen het proces van den Hond, en de buitenspoorigheid van den Rechter niet wel voor beuzelingen mochten opnemen: maar ik zet Aristophanes over, en hy had met gesleepe toehoorders te doen. De Atheniers wisten heel wel wat het Attische zout was, en zy waaren wel verzekert, als zy om een zaak gelacht hadden, dat zy om geen zotternyen gelacht hadden.

Voor my, ik oordeel dat Aristophanes reden gehad heeft de zaak zo te maaken, dat ze buiten alle waarschynelykheid was. De Areopagietische Rechters zouden misschien niet voor goed gekeurt hebben, dat hy hunne geldzucht levendig afgeschildert had, als meede de fraje streeken van hun Secretarissen, en de schelmeryen van hun Advokaten. ’t Was derhalven nodig de vertooners wat te veranderen, om te beletten zich te erkennen. ’t Gemeen liet daarom niet, het waare door belachchelyke te zien, en ik verzeker my, dat het veel beter is, d’ondraachelyke welspreekentheid bezich gehouden te hebben omtrent een beschuldigde Hond, als dat men een rechte misdadige voor de rechtbank gezet had, en dat men de Toehoorders had belang doen hebben in ’t leven van een mensch.

Dus verantwoord hem Racine. Aangaande de stof, wat de plaats betreft, ik oordeelde, dat men meer genoegen zouden hebben met een Stad te noemen, die aan de minste bekend is, als dat ik een plaats in Neder Normandyen genoemd had, alwaar zulk Procedeeren in zwang gaat, dewyl de meeste steeden dier Landstreek, aan ’t gemeen onbekent zyn.

’k Zouw nooit dit spel ten Tooneel gevoerd hebben, indien ik niet geoordeeld had, dat de Godshuizen daar haar voordeel by zouden vinden, ’t geen altyd myn eenigste oogwit geweest is; doch hoe de Dichters in hunne goede meening gedraiboomt worden, is by na onverdragelyk, en aan ieder bekend. Vaar wel.